We lezen:
Exodus 35:1–40:38; 1 Koningen 7:51–8:21; Johannes 6:1–7.
“En Mozes verzamelde [Vayakel] de hele gemeenschap van de mensen van Israël en zei tegen hen: ‘Dit zijn de dingen die Adonai u geboden heeft te doen.” (Exodus 35:1)
De voorgaande weken waarin we de gedeelten (Parshiot) van Terumah , Tetzaveh en het eerste deel van Ki Tisa overdachten, gaf God Mozes aanwijzingen over het maken van de Tabernakel en de bijbehorende voorwerpen en de kleding van de Hoge Priester.
Vanwege aanpassingen in de parasha-cyclus om het benodigde aantal lezingen te bereiken, combineert het leesrooster van de Thora dit jaar parasha Vayakhel en parasha Pekudei.
In de lezingen van deze week vervulde de glorie van de Heere God de Tabernakel nadat de bouw ervan voltooid was.
Het voltooien van de Tabernakel
In Psalm 84 vers 1 en 2 lezen we de overbekende woorden: “Hoe lieflijk is uw woning [Mishkan], Heer Almachtig [Heer der Heerscharen]! Mijn ziel verlangt, ja, bezwijkt, naar de voorhoven van de Heer; mijn hart en mijn vlees roepen tot de levende God.”
In het gedeelte betreffende Parasha Vayakhel beschrijft de Heere God, door de hand van Mozes, de daadwerkelijke uitvoering van Gods aanwijzingen over hoe de Tabernakel gebouwd moet worden , zoals eerder beschreven in Parasha Terumah.
In ParashaVayakhel worden de woorden van het gedeelte zoals we eerder lazen in het gedeelten van Parasha Terumah bijna woordelijk herhaald, met één opmerkelijke verandering: de aanwijzingen in Terumah die voorafgingen met de woorden “en zij zullen maken” worden nu geschreven met “en zij maakten.”
De Tabernakel in relatie tot de Sabbat
“Zes dagen lang moet er gewerkt worden, maar de zevende dag zal uw heilige dag zijn, een dag van sabbatrust voor de Heer. Iedereen die daarop werk verricht, zal ter dood gebracht worden. U mag op de sabbatdag geen vuur aansteken in een van uw woningen.” (Exodus 35:2–3)
Het volk stond klaar om te beginnen met de bouw van de Tabernakel. Maar hoe belangrijk dit werk ook was, Mozes bracht hun nogmaals onder de aandacht dat ze niet op de Sabbat mochten werken . De heiligheid van de sabbat mocht niet worden geschonden, zelfs niet voor het heilige doel van de bouw van de tabernakel.
Het bouwen van de Tabernakel: een gemeenschappelijk daad
Wat betreft de bouw van de tabernakel, wekte de Heere God de harten van het volk op om hun offers te brengen voor het werk van de Heere. Het was niet Mozes' privéproject; het was een gemeenschappelijke aangelegenheid, dus iedereen droeg bij wat hij kon uit zijn materiële middelen.
Sommigen bereidden de heilige gewaden voor, terwijl anderen de zalfolie en de heilige vaten et cetera voorbereidden. Iedereen werkte samen om dit gemeenschappelijke doel te bereiken.
Voor ons ligt daar een belangrijke les in. Op dezelfde manier kan niemand van ons het werk van de Heere God alleen doen, of mag dit op een paar schouders neer komen. Paulus geeft daar een geweldige aanwijzing voor in zijn brief aan de jonge gemeente te Efeze in hoofdstuk 4:11-16: “En Hij heeft sommigen gegeven als apostelen, anderen als profeten, weer anderen als evangelisten en nog weer anderen als herders en leraars, om de heiligen toe te rusten, tot het werk van dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus totdat wij allen komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volwassen man, tot de maat van de grootte van de volheid van Christus, opdat wij geen jonge kinderen meer zouden zijn, heen en weer geslingerd door de golven en meegesleurd door elke wind van leer, door het bedrog van de mensen om op listige wijze tot dwaling te verleiden, maar dat wij, door ons in liefde aan de waarheid te houden, in alles toe zouden groeien naar Hem Die het Hoofd is, namelijk Christus. Van Hem uit wordt het hele lichaam samengevoegd en bijeengehouden door elke band die ondersteuning geeft, overeenkomstig de mate waarin ieder deel werkzaam is. Zo verkrijgt het lichaam zijn groei, tot opbouw van zichzelf in de liefde.”
Het opbouwen van het lichaam van de Messias is een gemeenschappelijk werk zijn. Overigens over het lichaam gesproken, dan geeft 1 Korinthe 12 ons daar een prachtige beschrijving van: “Want ook het lichaam bestaat niet uit één lid, maar uit vele. Als de voet zou zeggen: Omdat ik geen hand ben, ben ik niet van het lichaam, is hij daarom dan niet van het lichaam? En als het oor zou zeggen: Omdat ik geen oog ben, ben ik niet van het lichaam, is het daarom dan niet van het lichaam? Als het hele lichaam oog was, waar zou het gehoor zijn? Als het hele lichaam gehoor was, waar zou de reuk zijn? Maar nu heeft God de leden, elk van hen afzonderlijk, in het lichaam een plaats gegeven zoals Hij gewild heeft. Als zij alle één lid waren, waar zou het lichaam zijn? Nu echter zijn er wel veel leden, maar is er slechts één lichaam. En het oog kan niet zeggen tegen de hand: Ik heb je niet nodig, of vervolgens het hoofd tegen de voeten: Ik heb jullie niet nodig. Ja, meer nog, de leden van het lichaam die de zwakste schijnen te zijn, zijn echter juist noodzakelijk. En aan de leden van het lichaam die wij als minder eervol beschouwen, verlenen wij groter eer en onze oneerbare leden krijgen een grotere eer. Onze eerbare leden echter hebben dat niet nodig. Maar God heeft het lichaam zo samengesteld, dat Hij aan het lid dat tekort komt, groter eer gaf, opdat er geen verdeeldheid in het lichaam zou zijn, maar de leden voor elkaar gelijke zorg zouden dragen. En als één lid lijdt, lijden alle leden mee. Als één lid eer ontvangt, verblijden alle leden zich mee. Samen bent u namelijk het lichaam van Christus, en ieder afzonderlijk Zijn leden.”
Wanneer er in een gemeente slechts een paar mensen hun verantwoordelijkheid hebben of nemen in het Lichaam van Christus dan mogen of moeten we eigenlijk, en met alle eerbied gesproken, spreken van een gehandicapt Lichaam. De verantwoordelijkheid voor het goed functioneren van het Lichaam ligt bij ieder van de ‘leden’ afzonderlijk.
Een vreugdevolle bijdrage van middelen
We lezen verderop: “De mensen hebben meer dan genoeg materiaal gegeven om de taak te voltooien die de Heer ons heeft opgedragen!” (Exodus 36:5) Het volk was zo blij dat zij een bijdrage konden leveren (!) aan de bouw van de Tabernakel dat ze enthousiast gaven. Ze gaven zelfs zo gul dat ze eigenlijk moesten worden weerhouden om meer te geven! (Exodus 36:3-7)
God beantwoordt de blijmoedige gever met liefde en vrijgevigheid, en Hij vermenigvuldigt het gezaaide zaad, zodat er geen gebrek is. Dat principe vinden we niet alleen in het Oude Testament, in de Thora terug, maar eveneens in het Nieuwe- of Tweede Testament wanneer we lezen: “Ieder van u moet geven wat u in uw hart besloten hebt te geven, niet met tegenzin of onder dwang, want God heeft een blijmoedige gever lief. En God kan u overvloedig zegenen, zodat u in alle dingen te allen tijde, alles hebbend wat u nodig hebt, overvloedig zult zijn in elk goed werk.” (2 Korintiërs 9:7-8)
De penning van de weduwe
We kunnen vanuit het voorgaande opmerken dat het de Heere God er niet om gaat hoeveel tijd of geld of goederen aan de dienst van de Heere God besteden, maar het gaat Hem om de hartgesteldheid van de mens, van u of mij. Wat is de motivatie van ons geven, is dat wat we ter beschikking stellen aan de uit liefde gegeven? Opofferende liefde waarmee het gegeven wordt? Want alleen dat telt hoor! In hoofdstuk 21 van het Evangelie van Lucas, zag Yeshua, Jezus de rijken hun gaven in de schatkist van de Tempel leggen. Maar let op: Hij was ook getuige van een arme weduwe die twee leptonen in de schatkist doen. In die tijd was een lepton (Grieks voor klein of dun) de kleinste munteenheid. Net als de centen van vandaag de dag, zouden ze nauwelijks de moeite waard zijn om er eentje van de straat te rapen. Haar bijdrage zou geen noemenswaardig verschil maken in het onderhoud van de Tempel, maar Yeshua besteedde speciale aandacht aan dit kleine offer en gaf deze weduwe een grote eer. Wat door sommigen als een onbeduidend offer zou worden beschouwd, is vastgelegd en wordt ongeveer tweeduizend jaar later nog steeds gelezen!
Volgens Gods plan
“En zo voltooide Mozes het werk… Toen bedekte de wolk de tent der samenkomst, en de heerlijkheid des Heren vervulde de tabernakel [Mishkan].” (Exodus 40:33–34)
In het Pekudei-gedeelte van de Torah-lezing van deze week is de bouw van het Heiligdom voltooid. Dat werk werd voltooid precies zoals God Mozes had bevolen. (Exodus 39:32).
De Israëlieten weken niet af van de plannen die God hun had gegeven om hun eigen ding te doen. Zij voerden Zijn aanwijzingen trouw uit. Mozes deed alleen volgens het hemelse patroon dat hem op de berg werd getoond.
Ook moeten wij ervoor zorgen dat onze werken datgene zijn wat Vader ons vraagt te doen. Met alle eerbied gesproken, maar bij de Heere God is er geen ruimte voor onze eigen BV’tjes. Van God horen en Zijn Goddelijke leiding ontvangen, komt voort uit een hechte, intieme relatie met Hem. Er is geen andere manier. En een relatie met God, net als elke andere relatie, vereist tijd en zinvolle communicatie. Yeshua investeerde tijd in Zijn relatie met de Vader, en deed net als Mozes alles volgens de wil van Zijn Vader. Hierin zien we, evenals in de voorgaande wekend, ook in deze Parasha een glashelder beeld van Yeshua, de Heere Jezus. Het is een waarheid als een koe: “Onderzoek de Schriften, want die zijn het die van Mij getuigen” (Joh. 5:39).
“Ik zeg u de waarheid, de Zoon kan niets uit Zichzelf doen. Hij doet alleen wat Hij de Vader ziet doen. Wat de Vader doet, doet de Zoon ook.” (Johannes 5:19).
En Hij zei: Ik ben uit de hemel neergedaald, niet om Mijn wil te doen, maar om de wil te doen van Hem Die Mij gezonden heeft. (Johannes 6:38)
Uiteindelijk zullen onze werken beoordeeld worden en het vuur zal elk werk testen. Alleen zij die in overeenstemming met de wil van de Vader gedaan zijn, zullen standhouden en beloond worden. (1 Korinthe 3:13-14)
We weten uit de Parasha van deze week dat als het werk eenmaal is voltooid, niet alleen de zegen komt, maar ook de glorie - de glorie van God die de Tabernakel vulde toen Mozes klaar was met de bouw ervan! In datzelfde patroon verklaarde Yeshua hoe Hij Zijn werk had voltooid en glorie bracht aan de Vader: “Ik heb U heerlijkheid op aarde gebracht door het werk te voltooien dat U Mij gaf om te doen. En nu, Vader, verheerlijk Mij in uw aanwezigheid met de heerlijkheid die Ik bij U had voordat de wereld begon.” (Johannes 17:4–5). Wat een prachtige beelden in het Oude Testament die we bewaarheid in Yeshua, vindt u ook niet??
Mogen wij uiteindelijk, nadat wij onze werken hebben voltooid, de zegen ontvangen en deze woorden horen: “Goed gedaan, goede en trouwe dienaar.”
Mogen wij ook, net als de apostel Paulus, kunnen verklaren: “Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop ten einde gebracht, ik heb het geloof behouden.” (2 Timotheüs 4:7).
God zegent je en behoedt je voor het kwaad dat op de pad komt.
Hij kijkt naar je en waakt over je, Hij vergeeft je en geeft je liefde.
Hij omhelst je met Zijn aanwezigheid en brengt je vrede
Reactie plaatsen
Reacties