Psalm 129 -1-

Psalm 129 -2-

Psalm 129 -3-

Psalm 129: Tekst Herziene Statenvertaling

Klik hiernaast om naar de te luisteren.

1 Een pelgrimslied.
Zij hebben mij dikwijls benauwd, vanaf mijn jeugd
– zeg dat toch, Israël.

2 Zij hebben mij dikwijls benauwd, vanaf mijn jeugd;
toch hebben zij mij niet overwonnen.

3 Ploegers hebben mijn rug geploegd,
zij hebben hun voren lang gemaakt.

4 De HEERE, Die rechtvaardig is,
heeft de touwen van de goddelozen afgehakt.

5 Laat beschaamd worden en terugwijken
allen die Sion haten.

6 Laat hen worden als gras op de daken,
dat verdort voordat men het uittrekt,

7 waarmee de maaier zijn hand niet vult,
of de schovenbinder zijn arm;

8 en de voorbijgangers zeggen niet:
De zegen van de HEERE zij met u,
wij zegenen u in de Naam van de HEERE.

Psalm 129 -1-: Over benauwdheid en verlossing gesproken -1-

Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 129 -1-' om te luisteren.

Over benauwdheid en verlossing gesproken -1-
Opnieuw hebben staan we met elkaar op de drempel om na te denken over een lied van de pelgrims die opgaan naar Jeruzalem. Een opgangslied. De volgende drie opgangspsalmen laten niet alleen het uiterlijke herstel zien, zoals we in de voorgaande psalmen hebben gezien, maar ook het geestelijke herstel. In deze volgorde vindt het volledige herstel van Israel plaats.

Eerst komt het Feest van het bazuingeschal, dan de grote Verzoendag. De Heer Jezus is de Verlosser van hun vijanden, Hij is ook de Verlosser van hun zonden.

Het gaat in deze psalm om een herinnering, terwijl het in de twee voorgaande psalmen gaat om een vooruitzicht. Daar kijken ze vooruit, hier kijken ze terug. Het overblijfsel kijkt terug naar de tijd van hun jeugd en de verdrukking. Het is ook de tijd dat de HEERE hun vertrouwen niet heeft beschaamd. Je hoort hier als het ware de woorden van Psalm 125 vers 1 in doorklinken:

Wie op de HEERE vertrouwen, zijn als de berg Sion, die niet wankelt, maar voor eeuwig blijft.

En hen heeft verlost (lezen we in de verzen 1-4). Dat geeft hun een sterk, hernieuwd vertrouwen op de HEERE ten opzichte van hun haters (zoals we lezen in de verzen 5-8), dat die haters vanzelf zullen verdorren.

In dit “pelgrimslied”, het tiende, kijkt de Godvrezende terug (vers 1). Hij weet het nog: “Zij hebben mij dikwijls benauwd, vanaf mijn jeugd”.

In Jeremia 2 lezen we de eerste woorden:

Het woord van de HEERE kwam tot mij: Ga ten aanhoren van Jeruzalem prediken: Zo zegt de HEERE: Ik denk aan u, aan de genegenheid van uw jeugd, aan de liefde van uw bruidsdagen, toen u achter Mij aan ging in de woestijn, in een land waarin niet wordt gezaaid.

En in Hosea 2 vers 14 lezen we:

14 Ik zal haar daarvandaan haar wijngaarden geven, en het Dal van Achor tot een deur van hoop. Daar zal zij zingen als in de dagen van haar jeugd, als op de dag dat zij wegtrok uit het land Egypte.

En als laatste lezen we van dezelfde Profeet Hosea in hoofdstuk 11 vers 1:
1 Toen Israël een kind was, had Ik hem lief,
en uit Egypte heb Matt. 2:15Ik Mijn zoon geroepen.

De Godvrezende is de verpersoonlijking van Gods volk, hij spreekt voor het hele volk. Vanaf de jeugd van dat volk, vanaf zijn ontstaan als natie, is het benauwd. We kunnen hierbij denken aan hun verblijf in Egypte waar ze zwaar verdrukt zijn.

Ook daarna zijn ze dikwijls in benauwdheid geweest, onder de heerschappij van wrede volken. Denk aan de Romeinen, en denk aan de tijd van het Duitse regiem gedurende de tweede wereldoorlog. Er zijn toch geen woorden voor te vinden?!

Met de oproep “zeg dat toch, Israël”, spoort de Godvrezende het volk Israël ertoe aan van die lange tijd van benauwdheid duidelijk hoorbaar getuigenis te geven.

De vijanden hebben het volk in grote benauwd gebracht, maar het is hun niet gelukt Gods volk om te brengen lezen we in vers 2.

Het woord “toch” geeft de vergeefsheid aan van de verwoede pogingen van de vijand om het volk om te brengen. Er kan nog zoveel tegenstand zijn tegen hen die de Heere toebehoren, toch zal die tegenstand nooit Gods plan met de Zijnen teniet kunnen doen. Hij zal hen veilig naar het doel brengen dat Hij voor hen heeft bepaald: bij Hem zijn.

Als dat geen zegen is.

Sta op, o kinderen van Israël
Kom en prijs nu je Maker
Dans, zing en verheug je in Hem
Zing en verheug je in Hem
Zing en verheug je in Hem, o Israël

De Heer is mijn Licht
De Rots van mijn verlossing
Ik vrees geen kwaad
Want Hij is bij mij

De Heer is mijn Licht
De Rots van mijn verlossing
Ik vrees geen kwaad
Want Hij is bij mij

Psalm 129 -2-: Over benauwdheid en verlossing gesproken -2-

Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 129 -2-' om te luisteren.

Over benauwdheid en verlossing gesproken -2-
In het vervolg van de voorgaande aflevering denken we weer verder na over deze indrukwekkende Pelgrims- of opgangspsalm. En de beeldspraak is weer sterk aanwezig. De lange voren die in een land dat wordt omgeploegd, worden getrokken, zijn te vergelijken met de striemen van een geseling op iemands rug. De rug is beeldspraak voor de achter hen liggende recente geschiedenis, het verleden, die een geschiedenis van lijden is. Dat de voren lang gemaakt zijn, verwijst naar de tijdsduur, de lange periode van lijden en met name de tijd van grote verdrukking.

Dit is specifiek een beeld dat gebruikt wordt in Jesaja 28 voor de tuchtiging van de HEERE door middel van Assyrië. We luisteren naar de woorden van de Profeet:

23 Neem ter ore en luister naar mijn stem,
sla er acht op en luister naar mijn woorden!

24 Ploegt de ploeger heel de dag door om te zaaien?
Blijft hij zijn land altijd maar openleggen en eggen?

25 Is het niet zo: heeft hij de bovenlaag ervan geëffend,
dan strooit hij wikke uit, zaait er komijn op,
en zet tarwe op rij, gerst per vak,
en spelt aan de rand?

26 Zijn God onderwijst hem
over de juiste wijze. Hij onderwijst hem.

27 Want men dorst wikke toch niet met een dorsslede,
en rolt over komijn toch geen wagenwiel?
Maar wikke wordt uitgeklopt met een stok,
en komijn met een staak.

28 Broodkoren moet wel fijngemaakt worden,
maar hij dorst en dorst
het niet voor altijd door;
hij plet het niet met zijn wagenwiel,
met zijn paarden verpulvert hij het niet.

29 Ook dit gaat uit van de HEERE van de legermachten.
Hij is wonderbaar van raad, Hij is groot in wijsheid.

Ongetwijfeld gaan onze gedachten terug bij het lezen van de woorden: Ploegers hebben mijn rug geploegd, zij hebben hun voren lang gemaakt, naar de Heere Zelf, hetgeen ook geprofeteerd is in Jesaja 50 vers 6: Ik geef Mijn rug aan hen die Mij slaan, Mijn wangen aan hen die Mij de baard uitplukken. Mijn gezicht verberg Ik niet voor smaad en speeksel. En in Jesaja 53 vers 5: Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden verbrijzeld. De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is er voor ons genezing gekomen.

Profetisch gaat het hier in vers 3 om de gramschap van de HEERE, de tuchtiging die Hij heeft gebruikt om Israël te louteren.

Dat Gods volk kan terugkijken, bewijst dat ze er nog zijn. Dat hebben ze niet aan zichzelf, maar uitsluitend aan de HEERE te danken. Nu komt Hij tevoorschijn. Ze weten dat “de HEERE, Die rechtvaardig is, … de touwen van de goddelozen afgehakt” heeft  lezen we in vers 4).

Woorden van gelijke strekking vinden we in Jeremia 30 vers 8:
Want op die dag zal het geschieden, spreekt de HEERE van de legermachten, dat Ik zijn juk van uw nek zal breken en uw banden zal verscheuren. Vreemden zullen zich niet meer door hem laten dienen, maar zij zullen de HEERE, hun God, dienen, en hun Koning David, Die Ik hun zal doen opstaan.

De touwen, waarmee ‘de ossen’ de ploeg hebben voortgetrokken en de rug van Israël hebben doorkliefd, heeft de HEERE met één slag van Zijn zwaard afgehakt. Daardoor hebben de goddelozen geen verdere voren meer kunnen trekken.

Hij heeft dat niet zozeer gedaan uit medelijden, maar omdat Hij “rechtvaardig” is. Hij houdt Zich aan Zijn verbond met hen, wat Hij kan doen omdat Hij daarvoor een rechtvaardige grondslag heeft. Die grondslag is het werk van Christus, de Messias op het kruis. Hij heeft door Zijn eigen bloed van het nieuwe verbond (Lk 22:20; Hb 8:6) aan alle voorwaarden voldaan om Zijn verbond waar te maken.

In Hebreeën 8 lezen we daar een geweldige goede boodschap over, een geweldig Evangelie:

Nu heeft Hij echter een zoveel voortreffelijker bediening ontvangen, zoals Hij ook van een beter verbond Middelaar is: een verbond dat in betere beloften is vastgelegd.

7 Immers, als dat eerste verbond onberispelijk geweest was, zou er voor een tweede geen plaats zijn gezocht.

8 Want hen berispend zegt Hij tegen hen: Zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten,

9 niet overeenkomstig het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb, op de dag toen Ik hen bij de hand nam om hen uit het land Egypte uit te leiden. Want zij bleven niet in Mijn verbond en Ik heb geen acht meer op hen geslagen, zegt de Heere.

10  Want dit is het verbond dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun binnenste geven en Ik zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.

11 En zij zullen beslist niet ieder zijn naaste en ieder zijn broeder onderwijzen en zeggen: Ken de Heere. Want zij allen zullen Mij kennen, van klein tot groot onder hen.

12 Want Ik zal wat hun ongerechtigheden betreft genadig zijn en aan hun zonden en hun wetteloos gedrag beslist niet meer denken.

13 Als Hij spreekt van een nieuw verbond, heeft Hij daarmee het eerste voor verouderd verklaard. En wat oud is verklaard en wat veroudert, staat op het punt te verdwijnen.

Wat een geweldig Evangelie wordt er hier over het hele volk Israel uitgestrooid als het ware. Met gulle hand, overvloeiende genade. Niet op grond van verdienste, niet op grond van werken, maar op grond van genade: Zij allen zullen Mij kennen, van klein tot groot onder hen.

Als dat geen zegen is.

We gaan luisteren naar het indrukwekkende lied The Blessing, de zegen, gezongen door Joshua Aaron.

Psalm 129 -3-: Over benauwdheid en verlossing gesproken -3-

Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 129 -3-' om te luisteren.

Over benauwdheid en verlossing gesproken -3-
Ook in het geval dat God Zijn volk heeft moeten tuchtigen vanwege hun zonden, zoals we in de voorgaande uitzendingen met elkaar overdachten, is het daarbij niet gebleken en heeft Hij het volk maar aan laten tobben en ronddolen over deze aarde. Maar, wat een wonder. Hij is vanwege Zijn eigen verlossingswerk trouw gebleven aan Zijn plan met hen om hen ten slotte goed te doen.

Hij heeft aan de verwachtingen die Hij heeft gewekt, Zelf beantwoord en het vertrouwen dat Hij van Zijn volk heeft gevraagd, heeft Hij niet beschaamd.

De HEERE heeft de touwen van de goddelozen waarmee zij het overblijfsel hadden vastgebonden als gevangenen, afgehakt.

In Psalm 124 lezen we woorden van vergelijkbare strekking:
Onze ziel is ontkomen als een vogel
uit de strik van de vogelvanger;
de strik is gebroken
en wíj zijn ontkomen.

Hij heeft, om in het beeld te blijven, de knoop doorgehakt en nu Zelf de touwtjes in handen genomen. Het heeft er soms op geleken of Hij geen aandacht aan Zijn lijdende volk schonk. Nu blijkt dat Hij Zijn oog onophoudelijk in genade op hen gericht heeft gehouden. Hij heeft het voor Zijn volk opgenomen en hen bevrijd. Nu leidt Hij hen verder.

Hij bevrijdt en zegent het overblijfsel, terwijl “beschaamd worden en terugwijken allen die Sion haten” lazen we in vers 5: 5 Laat beschaamd worden en terugwijken allen die Sion haten.

De vijanden worden in vers 4 “de goddelozen” genoemd. Zij zijn God loos, zonder God. Hier worden ze genoemd “allen die Sion haten”. God loos, zonder God zijn dus alle mensen die Sion haten. Zonder God. Het zijn dus synoniemen van elkaar. Verschrikkelijk, want dat zijn nogal wat mensen in de afgelopen duizenden jaren geweest en hoevelen zijn er nu niet die het volk Israel haten met een diep, diep, diep gewortelde haat. In het openbaar, zet uw televisie maar eens aan, of meer bedekt. Het antisemitisme woekert maar voort. Ook in onze tijd.

Ten diepste haten zij Sion, de stad Jeruzalem, omdat die stad de stad van de grote Koning is. Dat is zonneklaar. We lezen namelijk in Mattheus 5 vers 35:
Maar Ik zeg u: Zweer in het geheel niet, niet bij de hemel, want dat is de troon van God; niet bij de aarde, want dat is de voetbank van Zijn voeten; en ook niet bij Jeruzalem, Ps. 48:3want dat is de stad van de grote Koning.

De haat blijkt in eerste instantie of ten diepste niet tegen Sion of Jeruzalem, tegen Israel en Zijn volk haar oorsprong te hebben, maar blijkt zich te richten op Hem, de Heere Jezus, dat wil zeggen op God Zelf. Een diep en diep gewortelde haat tegen hun Schepper en Formeerder.

We zouden wel wensen dat zij beter wisten, beter weten. De haters van Sion zijn allen die geen oog hebben voor God en Zijn beloften.

De verwijzing naar Sion maakt duidelijk dat het gaat om de aanwezigheid van de HEERE te midden van Zijn volk, om Zijn verbond en zegen, en de hoop op de vestiging van Zijn koninkrijk.

Wat de onderdrukkers wordt toegewenst en wat ze ook zullen krijgen, wordt vergeleken met “gras op de daken, dat verdort voordat men het uittrekt”. Gras is een beeld van de kortstondigheid van het leven (Js 40:6). Het staat vandaag op het veld en wordt morgen in de oven geworpen (Mt 6:30).

Het gras op de daken verdort nog sneller, het verdort al op dezelfde dag dat het is opgekomen. Het schiet op, het heeft geen diepe wortels, de zon komt op en verschroeit het, en de wind steekt op en neemt het mee. Zo snel is het leven voorbij van hen die Gods volk verdrukken: het is al verdord, voordat het wordt uitgetrokken.

Normaal gesproken wordt gras uitgetrokken en te drogen gelegd om het daarna als voedsel voor dieren te gebruiken. Het gras op het dak verdroogt uit zichzelf, voordat het uitgetrokken is. Het is een beeld van wat met Herodes gebeurt, evenals met de antichrist van wie Herodes een schaduwbeeld is. Herodes verbeeldt zich een god te zijn. God maakt duidelijk dat hij dat niet is.

Normaal gesproken sterft een mens eerst en wordt dan door de wormen opgegeten. Herodes wordt opgegeten door wormen, voordat hij sterft (Hd 12:21-23). Zo zal de antichrist ook zonder te sterven in de poel van vuur worden geworpen, terwijl normaliter een mens eerst sterft en pas daarna het oordeel volgt (Op 19:20; Hb 9:27).

Er is ook niets met dit verdorde gras te beginnen, want het stelt helemaal niets voor. 
Laat hen worden als gras op de daken,
dat verdort voordat men het uittrekt,
waarmee de maaier zijn hand niet vult,
of de schovenbinder zijn arm;

Het is waardeloos. Een maaier kan er niets mee, laat staan dat een schovenbinder er een schoof van zou kunnen maken die hij onder zijn arm zou kunnen nemen. Dit is wel een volkomen tegenstelling met de Zaaier in een vorige psalm. Die draagt Zijn zaad, zaait dat al wenend en komt terug met gejuich, terwijl Hij Zijn schoven draagt (Ps 126:6).

Niemand, geen van “de voorbijgangers”, zal hun op hun weg de zegen van de HEERE toewensen of hen zegenen in de Naam van de HEERE (vers 8). Het toewensen van voorspoed op hun weg is dwaasheid omdat ze beschaamd worden (vers 5) en nooit voorspoedig kunnen zijn. Ze gaan een weg waarop ze hun haat tegen Gods volk de vrije loop laten.

We gaan luisteren naar Psalm 126, Shir Ha Ma'alot - Lied van Beklimmingen.