Psalm 103 -1-

Psalm 103 -2-

Psalm 103 -3-

Psalm 103 -4-

Psalm 103 -5-

Psalm 103 -6-

Psalm 103 -7-

0141 Psalm 103 7 2021 12 08
Audio – 27,5 MB 15 downloads

Psalm 103 -8-

Psalm 103 -9a-

Psalm 103 -9b-

Psalm 103 -10-

Psalm 103 -11-

Psalm 103 -12-

Psalm 103 -13-

Psalm 103 -14-

Psalm 103 -15-

Psalm 103 -16-

Psalm 103 -17-

Psalm 103 -18-

Psalm 103 -19-

Psalm 103 -20-

Psalm 103 -1-: Over een overbekende psalm gesproken (?)

Loflied op Gods genade

1 Een psalm van David.
Loof de HEERE, mijn ziel,
en al wat in mij is, Zijn heilige Naam.

2 Loof de HEERE, mijn ziel,
en vergeet niet een van Zijn weldaden.

3 Die al uw ongerechtigheid vergeeft,
Die al uw ziekten geneest,

4 Die uw leven verlost van het verderf,
Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid,

5 Die uw mond Letterlijk: uw sieraad. verzadigt met het goede,
uw jeugd vernieuwt als die van een arend.

6 De HEERE doet rechtvaardige daden
en recht aan alle onderdrukten.

7Hij heeft aan Mozes Zijn wegen bekendgemaakt,
aan de nakomelingen van Israël Zijn daden.

8 Barmhartig en genadig is de HEERE,
geduldig en rijk aan goedertierenheid.

9 Hij zal niet voor altijd ter verantwoording roepen,
niet voor eeuwig handhaaft Hij Zijn toorn.

10 Hij doet ons niet naar onze zonden
en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.

11 Want zo hoog de hemel is boven de aarde,
zo is Zijn goedertierenheid machtig over wie Hem vrezen.

12 Zo ver het oosten is van het westen,
zo ver heeft Hij onze overtredingen van ons gedaan.

13 Zoals een vader zich ontfermt over zijn kinderen,
zo ontfermt de HEERE Zich over wie Hem vrezen.

14 Want Híj weet wat voor maaksel wij zijn
en blijft bedenken dat wij stof zijn.

15 De sterveling – zijn dagen zijn als het gras,
als een bloem op het veld, zo bloeit hij.

16 Wanneer de wind erover is gegaan, is hij er niet meer
en zijn plaats kent hem niet meer.

17 Maar de goedertierenheid van de HEERE
is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over wie Hem vrezen.
Zijn gerechtigheid is voor de kinderen van hun kinderen,

18 voor wie Zijn verbond in acht nemen
en aan Zijn bevelen denken om ze te doen.

19 De HEERE heeft Zijn troon in de hemel gevestigd,
Zijn Koninkrijk heerst over alles.

20 Loof de HEERE, u, Zijn engelen,
sterke helden, die Zijn woord uitvoeren,
gehoorzaam aan het woord dat Hij spreekt. Letterlijk: de stem van Zijn woord.

21 Loof de HEERE, al Zijn legermachten,
dienaren van Hem, die Zijn welbehagen doen.

22 Loof de HEERE, al Zijn werken,
op alle plaatsen van Zijn heerschappij.

Loof de HEERE, mijn ziel!

Over een overbekende psalm gesproken (?)

Vandaag en de komende tijd wil ik met u na gaan denken over Psalm 103. Een Psalm die zeker in de traditionele kerken talloze malen is gezongen. En hoe vaak is deze Psalm niet gezongen in tijden van rauw en verdriet, bij begrafenissen. In situaties wanneer een geliefde is overleden. Want

15 De sterveling – zijn dagen zijn als het gras,
als een bloem op het veld, zo bloeit hij.
16 Wanneer de wind erover is gegaan, is hij er niet meer
en zijn plaats kent hem niet meer.

En het is goed om je daar bewust van te zijn. Toen ik een kind was dacht ik dat de kortstondigheid van het leven wel mee viel. Ik had nog een heel leven voor me. Maar nu denk ik wl eens, inderdaad het is maar even dat we hier op deze aarde rondlopen. Het is maar even en elke dag is het waard om bewust te leven.

Maar laten we niet vergeten dat deze Psalm niet in eerste instantie gaat over de kortstondigheid van ons leven. De Psalm, het Woord van G-d spreekt ook vanmorgen als het ware met twee woorden.

Het spreekt over onze ongerechtigheden, onze zonden, onze ziekten, onze overtredingen, onze kortstondigheid van het leven. En als we onszelf kennen en we eerlijk zijn dan moeten we erkennen dat het niet zo best met ons gesteld is. We moeten dat niet bij wijze van spreken onder het vloerkleed vegen. Ook na ontvangen genade, ook als we christen zijn blijven deze zaken aan ons kleven.

Maar daar stopt het niet mee. G-d heeft Zelf voor een oplossing gezorgd in de persoon van Zijn Zoon Jezus, Redder, Christus, Jezus de Messias, Jeshua haMassiach.

David spreekt ook, en lees de psalm er maar eens op na, nadrukkelijk over dat de HEERE goedertieren en barmhartig is, rechtvaardigheid en genadig, geduldig. Ten tegenover ons tijdelijk leven staat zijn Eeuwigheid.

Een groter contrast tussen wie wij zijn en wie Hij is, is niet mogelijk. Het zijn niet de daden van JHWH, de Aanwezige, maar let eens op, als we goed lezen, lezen we dat Hij goedertieren, barmhartig, rechtvaardig, genadig en geduldig is. Hij is het. Het is Zijn karakter, Zijn wezen.

Want:

Zoals een vader zich ontfermt over zijn kinderen,
zo ontfermt de HEERE Zich over wie Hem vrezen.

Want Híj weet wat voor maaksel wij zijn
en blijft bedenken dat wij stof zijn.

Want een ongelooflijk goede G-d is Hij.

En daarom roept David aan het begin en aan het eind van de psalm u, jou en mij op:

Loof de HEERE, mijn ziel,
en al wat in mij is, Zijn heilige Naam.

Loof de HEERE, mijn ziel,
en vergeet niet een van Zijn weldaden.

Als dat geen zegen is.

https://www.youtube.com/watch?v=F2YbvD6nc1k

Psalm 103 -2-: Over zegen gesproken

Psalm 103

Loflied op Gods genade

1 Een psalm van David.
Loof de HEERE, mijn ziel,
en al wat in mij is, Zijn heilige Naam.

2 Loof de HEERE, mijn ziel,
en vergeet niet een van Zijn weldaden.

Over zegen gesproken
We worden in deze eerste verzen opgeroepen om volgende de Herziene Statenvertaling de HEERE, met hoofdletters geschreven, dus JHWH, de Aaanwezige, te loven. En die oproepen wordt in de verzen 2 en de laatste drie verzen, vers 20, 21 en 22 nogmaal herhaald: Loof de HEERE.

Maar in het Hebreeuws staat het er toch echt anders, en u zult wel denken ‘daar heb je hem weer met zijn Hebreeuws’, maar echt er staat toch echt het woord בָּרַך (barak), wat toch echt ‘zegenen’ betekend en niet loven.

De eerse keer dat het woord בָּרַך (barak) gebruikt wordt lezen we in Genesis 1 vers 22 waar we בָּרַך (barak) voor het eerst tegenkomen en waar de vertalers het wel goed vertalen: En God zegende ze en zei: Wees vruchtbaar, word talrijk, en vervul het water van de zeeën; en laten de vogels talrijk worden op de aarde!

G-d loofde Adam en Eva niet, maar Hij zegende hen. Ik blijf het altijd weer heel bijzonder vinden waarom de vertalers dan ineens voor een andere vertaling kiezen.

Of moeten we het zoeken in het feit dat we in onze Calvinistische opvoeding het wat ongepast vinden om de HEERE, JHWH, de Aanwezige te zegenen en denken we wellicht diep van binnen dat juist wij gezegend moeten worden door Hem.

Onze gebeden zien er, wanneer we heel eerlijk zijn, vaak uit als een verlanglijstje, waarin we de noden en behoeften van ons en onze dierbaren aan de Heere voorleggen. Niets mis mee hoor. Maar vergeten we Hem niet te danken voor alle zegeningen die we van Hem ontvangen en misschien nog wel een stap verder zegenen we Hem niet in ons spreken met Hem?

Het woord ‘zegen’, zoals toegepast op G-d, betekent het uiten van een sterke genegenheid, evenals een gevoel van dankbaarheid.

Loof de HEERE, mijn ziel, roept David uit. Loof mijn ziel. En daarmee introduceert David als het ware de muziek van de ziel. Soulmuziek. Soulmuziek is de ziel van muziek. David slaat de beste toon aan wanneer hij begint met het aanwakkeren van zijn binnenste, zijn binnenste, zijn ziel, om de Heere te loven, te pprijzen, te zegenen. Hij spreekt tegen zichzelf, hijspoort zichzelf aan.
De HEERE is het waard om door ons geprezen te worden in die hoogste stijl van aanbidding die wordt bedoeld met de term zegenen - "Al uw werken loven u, o God, maar uw heiligen zullen u zegenen."

En alles wat in mij is, zegt David. Met al mijn krachten en vermogens; alles wat tot zijn lof kan worden aangewend: het hart, de wil, de genegenheden. Mijn hele natuur - verstand, emotie, gevoel, sentiment - hersenen, hart, longen, tong.

Tsja, wij nuchtere Nederlanders zeggen dan al snel: Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Maar het staat er toch echt hoor.

Want het idee is dat God alle lof en aanbidding waard is die de hele mens kan geven.

David zegt het zelf in Psalm 20:
Dezen vermelden van wagens en die van paarden, maar wij zullen vermelden van den Naam de HEERE onze God.

Als dat geen zegen is.

https://www.youtube.com/watch?v=6sT2J5RVUCo

Psalm 103 -3-: Over vergeving gesproken

Loflied op Gods genade

1 Een psalm van David.
Loof de HEERE, mijn ziel,
en al wat in mij is, Zijn heilige Naam.

2 Loof de HEERE, mijn ziel,
en vergeet niet een van Zijn weldaden.

3 Die al uw ongerechtigheid vergeeft,
Die al uw ziekten geneest,

4 Die uw leven verlost van het verderf,
Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid,

5 Die uw mond verzadigt met het goede,
uw jeugd vernieuwt als die van een arend.

Over vergeving gesproken
In de voorgaance uitzending hebben we stil gestaan bij de oproep om de HEERE, JHWH, Hij die Aanwezig is, want dat is Zijn Naam, te loven, te prijzen, te zegenen. En daar hebben wij mensen alle reden toe. En daar doet de schrijver van de Psalm, David, een aantal redenen voor aan de hand, luister maar en betrek het eens op uzelf:

3 Die al uw ongerechtigheid vergeeft,
Die al uw ziekten geneest,

4 Die uw leven verlost van het verderf,
Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid,

5 Die uw mond verzadigt met het goede,
uw jeugd vernieuwt als die van een arend.

De HEERE, de Aanwezige in uw, jouw en mijn leven, of we dat nu geloven of niet, Hij is Aanwezig in ons leven, Hij

En dan vervolgt de tekst
Die al uw ongerechtigheid vergeeft,
Die al uw ziekten geneest,
Die uw leven verlost van het verderf,
Die uw mond verzadigt met het goede,
uw jeugd vernieuwt als die van een arend.

De grootste en eerstgenoemde daad is wel de vergeving van “al uw ongerechtigheid”/ In het geweldig mooie hoofdstuk 53 van het boek Jesaja lezen we:  

Voorwaar, onze ziekten heeft Matt. 8:17Híj op Zich genomen,
onze smarten heeft Hij gedragen.
Wíj hielden Hem echter voor een geplaagde,
door God geslagen en verdrukt.

Maar Hij is om onze overtredingen verwond,
om onze ongerechtigheden verbrijzeld.
De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem,
en door Zijn striemen is er voor ons genezing gekomen.

De vergeving van God betreft elke ongerechtigheid, zonder uitzondering. Als één ongerechtigheid niet vergeven zou zijn, zouden het werk van de Messias en de vergeving door God voor eeuwig tekortschieten. Zo is het gelukkig niet. De vergeving is totaal omdat het werk van de Messias volmaakt is.

Het woord voor ‘vergeving’ is hier niet het gewone woord voor vergeving, maar een woord dat Goddelijke vergeving van ernstige overtredingen inhoudt. Het gaat hier om de grond van vergeving die we in het beeld in de grote Verzoendag vinden. Op grond daarvan kan de engel Gabriël tot Daniël spreken over het verzoenen van de ongerechtigheid en het tot stand brengen van een eeuwige gerechtigheid.

Zeventig weken zijn er bepaald
over uw volk en uw heilige stad,
om de overtreding te beëindigen,
de zonden te verzegelen,
de ongerechtigheid te verzoenen,
om een eeuwige gerechtigheid
om visioen en profeet te verzegelen,
en om de Heiligheid van heiligheden te zalven.

Zeventig weken zijn er bepaald zegt de tekst.

Gedurende  ‘1 week’ ( 7 jaar) werd het verbond van verlossing door Zijn vergoten Bloed bevestigd onder (alleen) het volk Israel. Maar ‘in de helft van de week’ ( vs 27) deed Hij ‘slachtoffer en graanoffer ophouden’. Alle offers, die de Israelieten brachten, wezen op het volmaakte offer van de Heiland van deze wereld op Golgotha, voor de zonden van de hele wereld (1 Joh 2: 1,2).

Toen Hij ‘halverwege de (profetische) week’ stierf, drie en half jaar nadat God Hem tot Messias had gemaakt, ontmoetten schaduw en werkelijkheid elkaar. Door een onzichtbare Hand werd het binnenste voorhangsel van de tempel van boven naar beneden gescheurd. (Matt. 27:51.) Op dat moment hadden de offeranden in de aardse tempel geen wezenlijke betekenis van verzoenmiddel meer.

De bevestiging van het verbond met Israel alleen duurde tot het jaar 34 AD. Dat was het einde van de profetische, zeventigste week. Daarna werd het evangelie door Petrus en Paulus ook aan de heidenen gebracht en werden zij ook in het Nieuwe Verbond betrokken.  De Bijbel noemt dit ‘tegen de natuur in op de tamme olijfboom geënt’ (Rom 11:24).

De 490 profetische jaren van Daniel waren voorbij. De Heere Jezus doet nu voorbede voor Zijn gemeente, de gelovige Jood en de gelovige heiden (Gal. 3:14, 26-29). Hij doet het werk van de Hogepriester in het hemelse heiligdom (Hebreeën 8), vanwaar Hij spoedig komen zal. Maranatha.

Psalm 103 -4-: Over ziekten en genezing gesproken

Loflied op Gods genade

1 Een psalm van David.
Loof de HEERE, mijn ziel,
en al wat in mij is, Zijn heilige Naam.

2 Loof de HEERE, mijn ziel,
en vergeet niet een van Zijn weldaden.

3 Die al uw ongerechtigheid vergeeft,
Die al uw ziekten geneest,

4 Die uw leven verlost van het verderf,
Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid,

5 Die uw mond Letterlijk: uw sieraad. verzadigt met het goede,
uw jeugd vernieuwt als die van een arend.

6 De HEERE doet rechtvaardige daden
en recht aan alle onderdrukten.

Over ziekten en genezing gesproken
De voorgaande keer hebben we met elkaar nagedacht over de Messias die al uw ongerechtigheid vergeeft. En vandaag willen we nadenken over het vervolg van dee tekst: Die al uw ziekten geneest.

En het is met alle voorzichtigheid dat ik over deze woorden met u na wil denken. Want hoeveel mensen zijn er niet die met het dilemma van ziekte in hun leven te maken hebben. Die ernstig ziek zijn en ziek zijn en niet genezen, soms zelfs tot de dood er op volgt. Is het Woord van God op dit punt dan niet waar? U mag best wel weten dat dit ook voor mij een dilemma vormt. In de afgelopen periode heb ik allerlei verklaringen er op nageslagen. Het Hebreeuws er op nageslagen of er in onze vertaling mogelijk sprake was van een interpretatie die er niet in werkelijkheid staat. Maar niets is het van dit alles. Sommigen verklaren dat wanneer je maar voldoende geloofd in je genezing dat God dat beloond met genezing. Met andere woorden: Wanneer je niet geneest is dat een gebrek aan geloof. Ik ben nadrukkelijk die mening niet toegedaan. En ik zou de mensen die deze denkrichting willen vragen wat zij dan met het vervolg van de tekst doen: Die uw leven verlost van het verderf. Is het dan ook zo dat wanneer we maar voldoende geloven dat we niet sterven? Nee toch zeker? Andere verklaarders zijn de mening teoegedaan dat we deze tekst geestelijk moeten verstaan: Dus worden met de ziekten de geestelijke ziekten bedoeld, onze zondern, die hij wegneemt. Maar ook dat is voor mij geen afdoende verklaring want we lezen:

Die al uw ongerechtigheid vergeeft,
Die al uw ziekten geneest,

Dus vergeving van ongerechtigheid en vergeving van zonden.

Omdat voorgaande verklaringen voor mij niet afdoende waren, geef ik u de volgende gedachte ter overweging mee. En ik wil met alle nadruk verklaren dat ik open sta voor correctie of aanvulling. Laat dat ook gerust weten en stuur een mailje naar cees@radioisrael.nl.

De HEERE is ook de Heelmeester (Ex 15:26). In samenhang met de vergeving van de ongerechtigheid geneest Hij ook “al uw ziekten”, zegt de tekst. De totale genezing van alle ziekten, zowel van het lichaam als van de ziel, zal in het vrederijk plaatsvinden, want dan zal Zijn volk Hem dienen (Ex 23:25). In de genezing van de verlamde door de Heer Jezus zien we dit uitgebeeld (Mt 9:2-7). Hij vergeeft de verlamde eerst zijn zonden om hem daarna lichamelijk te genezen. Zo zal het ook in de toekomst met het overblijfsel zijn (vgl. Op 22:2).

In de tijd waarin wij nu leven, kan er geen claim op totale genezing worden gelegd. Dat de gelovige door de striemen van de Heer Jezus gezond is geworden (1Pt 2:24), betreft de gezondheid van het geestelijke leven dat door de zonde aangetast en verwoest was. De striemen die hier worden bedoeld, zijn niet de geselslagen die Hem door de soldaten van Pilatus zijn toegediend, maar de striemen van het oordeel van God over de zonde. Striemen die Hem door mensen zijn toegediend, kunnen onmogelijk een gezond makend effect op mensen hebben.

De Heer Jezus heeft Gods oordeel op het kruis over de zonde ondergaan. De zonden van wie geloven zijn daardoor weggedaan. Het is een misvatting te veronderstellen dat daardoor ook de gevolgen van de zonde, zoals ziekte, zijn weggedaan. Het op Zich nemen van de zwakheden en het dragen van de ziekten verwijst niet naar het kruis, maar naar Zijn leven op aarde (Mt 8:16-17).

Mattheüs 8:16 Toen het nu avond geworden was, brachten ze velen die door demonen bezeten waren, bij Hem, en Hij dreef de boze geesten uit met een enkel woord, en Hij genas allen die er slecht aan toe waren, opdat vervuld werd wat gesproken was door de profeet Jesaja toen hij zei: Hij heeft onze zwakheden op Zich genomen, en onze ziekten gedragen.

En verklaren kan ik het niet, maar ik geloof het met heel mijn hart.

Als dat geen zegen is:

Psalm 103 -5-: Over dood en opstanding gesproken

Psalm 103

Loflied op Gods genade

1 Een psalm van David.
Loof de HEERE, mijn ziel,
en al wat in mij is, Zijn heilige Naam.

2 Loof de HEERE, mijn ziel,
en vergeet niet een van Zijn weldaden.

3 Die al uw ongerechtigheid vergeeft,
Die al uw ziekten geneest,

4 Die uw leven verlost van het verderf,
Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid,

5 Die uw mond Letterlijk: uw sieraad. verzadigt met het goede,
uw jeugd vernieuwt als die van een arend.

6 De HEERE doet rechtvaardige daden
en recht aan alle onderdrukten.

Over dood en opstanding gesproken

Een volgende reden die de dichter van de Psalm noemt om God voor te loven is dat Hij “uw leven verlost van het verderf” (vers 4). Hebben we hier niet met eenzelfde dilemma te maken als in de voorgaande teksten en afleveringen in dit programma?

2 Loof de HEERE, mijn ziel,
en vergeet niet een van Zijn weldaden.
3 Die al uw ongerechtigheid vergeeft,
Die al uw ziekten geneest.

Immers, we sterven toch allemaal?

Hiermee zegt dat de psalmist dat hij verlost is van de dood. Dit past bij de horizon van de gelovige in het Oude Testament. Vervolgens zegt hij dat hij wordt gekroond “met goedertierenheid en barmhartigheid”. Hij ervaart de verbondstrouw ofwel de goedertierenheid van de HEERE tijdens zijn leven. Hetzelfde geldt voor de barmhartigheid, dat is de ontferming over de ellende van de gelovige in dit leven.

Het gaat om de omkering van het lot van de gelovige: in plaats van de dreiging van de dood, wordt hij nu gekroond – anderen vertalen ‘omringd’ – met goedertierenheid en barmhartigheid. Hij is daardoor onaantastbaar voor het dreigende verderf. Dat is alleen mogelijk doordat het lijden en de dood van de Messias verzoening teweeggebracht hebben. Het is de vervulling van het woord: “De dood is verslonden tot overwinning”

We lezen in 1 Korinthe 15:
En wanneer dit vergankelijke zich met onvergankelijkheid bekleed zal hebben, en dit sterfelijke zich met onsterfelijkheid bekleed zal hebben, dan zal het woord geschieden dat geschreven staat: De dood is verslonden tot overwinning.
Dood, waar is uw prikkel? Graf, waar is uw overwinning?
De prikkel nu van de dood is de zonde, en de kracht van de zonde is de wet.
Maar God zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus.

En Jesaja profeteert in hoofdstuk 25:

De HEERE van de legermachten zal
op deze berg voor alle volken
een feestmaal met uitgelezen gerechten aanrichten,
een feestmaal met gerijpte wijnen,
met uitgelezen gerechten vol merg,
met gezuiverde gerijpte wijnen.

En Hij zal op deze berg verslinden
de sluier waarmee het gezicht van alle volken omsluierd is,
en de bedekking waarmee alle naties bedekt zijn.

Hij zal de dood voor altijd verslinden,
de Heere HEERE zal de tranen van alle gezichten afwissen
en de smaad van Zijn volk wegnemen van heel de aarde,
want de HEERE heeft gesproken.

In algemene zin weet de gelovige dat het verderf geen vat op hem heeft. Hij kan sterven, maar de dood heeft hem niet in zijn macht. De Heer Jezus heeft door Zijn opstanding voor ieder die in Hem gelooft de dood overwonnen.

In Johannes 11 lezen we daarvan een gewelding getuigenis. We leaen daar over de opwekking van Lezerus uit de dood:

Zodra Martha dan hoorde dat Jezus kwam, ging zij Hem tegemoet, maar Maria bleef in huis zitten.
Martha nu zei tegen Jezus: Heere, als U hier geweest was, zou mijn broer niet gestorven zijn,
maar ook nu weet ik dat God U alles wat U van God vraagt, geven zal.
Jezus zei tegen haar: Uw broer zal weer opstaan.
Martha zei tegen Hem: Ik weet dat hij zal opstaan bij de opstanding op de laatste dag.
Jezus zei tegen haar: Ik ben de Opstanding en het Leven; Die in Mij gelooft, zal leven, ook al was hij gestorven,
en ieder die leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in eeuwigheid. Gelooft u dat?
Zij zei tegen Hem: Ja, Heere, ik geloof dat U de Christus bent, de Zoon van God, Die in de wereld komen zou.

Als dat geen zegen is

Psalm 103 -6-: Over de arend gesproken

Loflied op Gods genade

1 Een psalm van David.
Loof de HEERE, mijn ziel,
en al wat in mij is, Zijn heilige Naam.

2 Loof de HEERE, mijn ziel,
en vergeet niet een van Zijn weldaden.

3 Die al uw ongerechtigheid vergeeft,
Die al uw ziekten geneest,

4 Die uw leven verlost van het verderf,
Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid,

5 Die uw mond Letterlijk: uw sieraad. verzadigt met het goede,
uw jeugd vernieuwt als die van een arend.

6 De HEERE doet rechtvaardige daden
en recht aan alle onderdrukten.

Over de arend gesproken
God verzadigt de “mond” – of “de ziel”, zoals het ook vertaald kan worden – van de Zijnen “met het goede” (vers 5). Het betekent dat Hij de gelovige overlaadt met zegeningen, met goede dingen. Als gevolg daarvan kunnen we zeggen dat waar het hart vol van is, de mond van overloopt, dat lofprijzing het gevolg zal zijn. Dat heeft ook betrekking op het leven aan deze kant van het graf.

Het gaat hier niet om voedsel, maar om lofprijzing, het spreken en zingen van goede woorden over al de weldaden die God heeft bewezen. De mond zal vol lof zijn. Daaraan komt nooit een einde, want in de wedergeboorte, wordt met vernieuwde kracht de eeuwige jeugd genoten.

Want we lezen in Psalm 110 vers 3:
Uw volk is zeer gewillig
op de dag van Uw kracht,
getooid met heilig sieraad;
uit de baarmoeder van de dageraad
is voor U de dauw van Uw jeugd.

Vergelijkebare woorden vinden we ook in de profetie van Jesaja 40 waar de profeet profeteert over de verlossing van het volk Israel:

Hij geeft de vermoeide kracht
en Hij vermeerdert de sterkte van wie geen krachten heeft.

Jongeren zullen moe en afgemat worden,
jonge mannen zullen zeker struikelen;

maar wie de HEERE verwachten, zullen hun kracht vernieuwen,
zij zullen hun vleugels uitslaan als arenden,
zij zullen snel lopen en niet afgemat worden,
zij zullen lopen en niet moe worden.

De arend, waarover ook Jesaja spreekt, bevestigt het beeld van vernieuwing van kracht. Een arend is een machtige vogel die het luchtruim beheerst. Hij kan in het wild wel dertig jaar oud worden en in gevangenschap wel zestig jaar. Tot zijn zesde jaar krijgt deze krachtige vogel elk jaar een nieuw verenkleed, waardoor zijn leeftijd herkenbaar is aan het verenkleed.

Weet u hoe een arend zich verjongd? Hij vliegt tegen de rots, zodat hij nieuwe vleugels krijgt. Onze Rots is Christus (1 Korintiërs 10:4).

En ik wil niet, broeders, dat u er geen weet van hebt dat onze vaderen allen onder de wolk waren en allen door de zee zijn gegaan,
en dat allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee,
en allen hetzelfde geestelijke voedsel gegeten hebben,
en allen dezelfde geestelijke drank gedronken hebben. Zij dronken namelijk uit een geestelijke rots, die hen volgde; en die rots was Christus.

Arenden vliegen op een hele bijzondere manier. Ze slaan bijna niet met hun vleugels, maar laten zich vooral dragen door de wind. Zij werken dus niet met hun vleugels, hun vermogens, maar laten zich vooral dragen door de wind, het beeld van Gods Heilige Geest.

Ze zweven meer dan dat ze vliegen, en dat kunnen ze heel erg lang volhouden. Als arenden constant met hun vleugels zouden slaan, zouden ze veel eerder moe zijn. Maar als ze dat niet doen en gewoon ‘zweven’, kunnen ze wel 6000 kilometer achter elkaar vliegen zonder te pauzeren. Dat is ongeveer vanaf hier tot de Niagara watervallen in Canada.

Als je moe en uitgeput bent, als je niet meer verder kan of wil, dan hoop ik je te bemoedigen met deze Bijbeltekst uit Jesaja 40. Hij geeft nieuwe kracht. Oook voor vandaag.

Als dat geen zegen is.

Psalm 103 -7-: Over het recht gesproken

Psalm 103

Loflied op Gods genade

1 Een psalm van David.
Loof de HEERE, mijn ziel,
en al wat in mij is, Zijn heilige Naam.

2 Loof de HEERE, mijn ziel,
en vergeet niet een van Zijn weldaden.

3 Die al uw ongerechtigheid vergeeft,
Die al uw ziekten geneest,

4 Die uw leven verlost van het verderf,
Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid,

5 Die uw mond Letterlijk: uw sieraad. verzadigt met het goede,
uw jeugd vernieuwt als die van een arend.

6 De HEERE doet rechtvaardige daden
en recht aan alle onderdrukten.

7 Hij heeft aan Mozes Zijn wegen bekendgemaakt,
aan de nakomelingen van Israël Zijn daden.

Over het recht gesproken
David heeft in de verzen 1-5 de HEERE geloofd voor alle weldaden die de HEERE, de Aanwezige, aan zijn ziel heeft gedaan. Het is ook niet zo maar een weldaad, maar een grote weldaad, namelijk dat er een omkeer heeft plaatsgevonden in zijn situatie. Eerst was hij onderweg naar het verderf, zoals we lezen in vers 4. De grote weldaad van de HEERE, JHWH, is dat Hij hem heeft verlost van dit alles en hem heeft overladen met zulke grote zegeningen dat hij onmogelijk kan zwijgen over zijn behoud.

David gaat nu verder in vers 6, met het bezingen van de “rechtvaardige daden” van de HEERE. Deze rechtvaardige daden houden in dat Hij “recht aan alle onderdrukten” doet. Ze komen tot uiting als Hij de onderdrukten recht verschaft door hen te verlossen, terwijl dat ook inhoudt dat de verdrukkers gestraft worden. We leven nu nog in een wereld die vol onrechtvaardige daden, onderdrukkingen en onrecht is. Dat komt niet van de HEERE, maar van de mens die zonder Hem leeft.

Als de HEERE regeert, als Hij op Zijn troon zit zoals we lezen in Mattheus 25:31, komt er een einde aan alle onrecht. Hij zal daaraan een einde maken door het doen van “rechtvaardige daden”, dat zijn de rechtvaardige oordelen waarmee Hij het onrecht zal straffen en verwijderen. “Aan alle onderdrukten” die ter wille van Zijn Naam onder het onrecht hebben geleden, zal Hij “recht” doen. Hij zal hen binnenvoeren in de rust en zegen van Zijn rijk.

Over de hele wereld zijn meer dan 350 miljoen christenen die vervolgd worden vanwege hun geloof in de Heere Jezus Christus. Verschrikkelijk. En dan zijn er miljoenen mensen die onderdrukt worden door communistische en fasistische regiems om nog maar niet te spreken over de vele burgeroorlogen. Waardoor mensen verstoken zijn van de meest elementeaire levensbehoefte. Dan hebben wij hier in het westen nog niets te klafgen alshoewel de onderdrukking ook hier voelbaar wordt door allerlei maatregelen van de overheid. Want wat moeten we anders denken van de verschrikkelijke misstanden die hebben plaatsgevonden rond de toeslagenaffaire? En waar gaan we heen met het zogenaamde 2G beleid? En zullen ook wij in Nederland een vaccinatieplicht hebben net als ion Oostenrijk? Weet u, we leven anno 2021 in een vreeemde en verwarrende tijd.

Maar God heeft plannen voor de toekomst. Dat houdt twee dingen in: ten eerste verlossing uit de hand van de vijand en ten tweede vergeving van de ongerechtigheden. Hij heeft de plannen voor de toekomst van Zijn volk en de wegen waarlangs Hij die zal realiseren “aan Mozes … bekendgemaakt” (vers 7). Mozes is bij Hem geweest om aan hem de tabernakel te laten zien. Daarin laat Hij Zijn plan zien en dat is dat Hij te midden van een verlost volk wil wonen. “Aan de nakomelingen van Israël” heeft Hij “Zijn daden” bekendgemaakt. Dat heeft Hij gedaan door hen uit de slavernij van Egypte te verlossen en in het beloofde land te brengen.

Het volk moest worden verlost van een uiterlijke vijand, maar ook van hun ongerechtigheden. Pas daarna kon de HEERE in hun midden wonen. Zo is het ook in de toekomst. Er is verlossing uit de hand van de goddelozen, zowel die van de volken als die van het eigen volk, maar vooral ook verlossing van hun ongerechtigheden.

Als dat geen zegen is.

Psalm 103 -8-: Over barmhartigheid gesproken

 

Loflied op Gods genade

1 Een psalm van David.
Loof de HEERE, mijn ziel,
en al wat in mij is, Zijn heilige Naam.

2 Loof de HEERE, mijn ziel,
en vergeet niet een van Zijn weldaden.

3 Die al uw ongerechtigheid vergeeft,
Die al uw ziekten geneest,

4 Die uw leven verlost van het verderf,
Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid,

5 Die uw mond Letterlijk: uw sieraad. verzadigt met het goede,
uw jeugd vernieuwt als die van een arend.

6 De HEERE doet rechtvaardige daden
en recht aan alle onderdrukten.

7Hij heeft aan Mozes Zijn wegen bekendgemaakt,
aan de nakomelingen van Israël Zijn daden.

8 Barmhartig en genadig is de HEERE,
geduldig en rijk aan goedertierenheid.

9 Hij zal niet voor altijd ter verantwoording roepen,
niet voor eeuwig handhaaft Hij Zijn toorn.

Over barmhartigheid gesproken
Wanneer we vandaag weer opnieuw stil staan bij deze psalm worden we in het vervolg van de Psalm eigenlijk overmand door Gods goedheid, want we lezen:

Barmhartig en genadig is de HEERE,
geduldig en rijk aan goedertierenheid.

We hebben in tegensteling tot talloze andere goden die in deze wereld vereerd worden en waarvoor de mensen hun best moeten doen om in de gunst te komen te maken met een barmhartige, genadige, geduldige en goedertieren God.

Als ik dat even tot me door laat dringen, en doet u dat ook maar eens, dan wordt ik overmand door een gevoel van verwondering en dankbaarheid. De Eeuwige God, de Schepper van hemel en aarde komt vanmorgen naar u en mij toe met bij wijze van spreken handen vol zegen.

Lieve luisteraars, we hebben alle reden, wanneer we tot het geloof in de Heere Jezus Christus gekomen zijn, om Hem in ions leven, dvandaag, morgen en alle dagen van ons leven te danken, te loven en te prijzen.

Weet u, jaren geleden werden mijn ogen geopend voor de tekst uit Efeze 1:

Gezegend zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegen in de hemelse gewesten in Christus, omdat Hij ons vóór de grondlegging van de wereld in Hem uitverkoren heeft, opdat wij heilig en smetteloos voor Hem zouden zijn in de liefde.

En dan doel ik met name op de woorden: omdat Hij ons vóór de grondlegging van de wereld in Hem uitverkoren heeft.

De Eeuwige God had u en mij, voor de schepping, in de eeuwigheid u, jouw en mij al op het oog. Als je dat diep in je laat doordringen, dan vervult je dat toch met ontzag, dankbaarheid en misschien moet ik het zo wel zeggen, dat je er eigenlijk helemaal niks van begrijp. Dat je er bij wijze van spreken niet ‘bij’ kan? Wat een onvoorstelbare liefde spreekt daar niet uit!

David kan er in ieder geval niet bij als hij getuigt: de HEERE, en ik kan het maar niet genoeg zeggen wat Zijn naam betekend, de Aaanwezige, Hij is bij u, jou en mij aanwezig in je leven, ook vandaag en ook al voelt het misschien anders, Hij is “barmhartig en genadig” en “geduldig en rijk aan goedertierenheid”.

Wat staat dat in schril contrast met hoe deze wereld is. De barmhartigheid in deze wereld is ver te zoeken. Onbarmhartigheid is het woord dat eerder bij mij naar boven komt. Barmhartig, in het Hebreeuw ‘rachum’ is de HEERE. De eerste keer dat we over Gods barmhartigheid lezen is vlak na een enorme zwarte blijdzijde uit de geschiedenis met het volk van Israel. Vlak na de zonde van het volk met het gouden kalf. Juist op het moment dat het volk God bij wijze van spreken afgeschreven had en hun eigen God hadden gekozen. Nota bene een kalf. Hoe verzin je het. Weliswaar van goud, aan de buitenkant misschien wel prachtig, maar van binnen zo dood als een pier.

Zullen we dit gedeelte eens lezen in Exodus 34?

Toen daalde de HEERE neer in een wolk, ging daar bij hem staan en riep de Naam van de HEERE uit. Toen de HEERE bij hem voorbijkwam, riep Hij: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw,
Die goedertierenheid blijft bewijzen aan duizenden, Die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft, maar Die de schuldige zeker niet voor onschuldig houdt en de ongerechtigheid van de vaders vergeldt aan de kinderen en kleinkinderen, tot in het derde en vierde geslacht.
Toen haastte Mozes zich, knielde ter aarde, boog zich neer en zei: Heere, als ik nu genade in Uw ogen gevonden heb, laat de Heere dan toch in ons midden meegaan. Zeker, het is een halsstarrig volk, maar vergeef onze ongerechtigheid en onze zonde, en neem ons aan als Uw erfelijk bezit.

En we zien in de geschiedenis dat de Heere, elke keer dat Zijn volk zich van Hem afkeerde en de afgoden is gaan dienen, Hij Zijn barmhartigheid en genade getoond heeft door hen te sparen. Hoe vaak is Zijn geduld op de proef gesteld. Dat Hij hen niet heeft verdelgd, is omdat Hij “rijk aan goedertierenheid” is. Gods Volk, Israel is er nog steeds, ook na de verschrikkingen in de afgelopen tweeduizend jaar. En in de tijd waarin wij leven bloeit het op en is Hijk Zijn zolk aan het verzamelen vanuit alle windstreken.

En laten we maar eerlijk zijn. Wij zijn geen haar beter dan het volk Israel. En toch…

Barmhartig en genadig is de HEERE, geduldig en rijk aan goedertierenheid.

Als dat geen zegen is.

Yissocher Gutman zingt over Gods barmhartigheid in "Vehu Rachum", begeleid door het Mezamrim-koor.

https://www.youtube.com/watch?v=BWnPZggrqiE

Psalm 103 -9a-: Over Gods toorn gesproken

Loflied op Gods genade

1 Een psalm van David.
Loof de HEERE, mijn ziel,
en al wat in mij is, Zijn heilige Naam.

2 Loof de HEERE, mijn ziel,
en vergeet niet een van Zijn weldaden.

3 Die al uw ongerechtigheid vergeeft,
Die al uw ziekten geneest,

4 Die uw leven verlost van het verderf,
Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid,

5 Die uw mond Letterlijk: uw sieraad. verzadigt met het goede,
uw jeugd vernieuwt als die van een arend.

6 De HEERE doet rechtvaardige daden
en recht aan alle onderdrukten.

7Hij heeft aan Mozes Zijn wegen bekendgemaakt,
aan de nakomelingen van Israël Zijn daden.

8 Barmhartig en genadig is de HEERE,
geduldig en rijk aan goedertierenheid.

9 Hij zal niet voor altijd ter verantwoording roepen,
niet voor eeuwig handhaaft Hij Zijn toorn.

Over Gods toorn gesproken
De HEERE, de Aanwezige, “zal niet voor altijd ter verantwoording roepen” lazen we in het laatste vers.

In Jesaja 57 lezen we woorden van dezelfde strekking:

Ik zal niet voor eeuwig ter verantwoording roepen en Ik zal niet voor altijd zeer toornig zijn. Want de geest zou van voor Mijn aangezicht bezwijken, de zielen die Ík gemaakt heb.

Hij zal niet voor altijd ter verantwoording roepen, niet voor eeuwig handhaaft Hij Zijn toorn, lazen we in Psalm 103. En in Jesaja 57 lezen we de reden waarom Hij dat niet doet: Want de geest zou van voor Mijn aangezicht bezwijken, de zielen die Ík gemaakt heb. God zou bezwijken lees ik er in. Hij blijft ions niet ter verantwoording roepen en voor altijd toornig op Zijn volk, omdat zo zegt de HEERE, ik hen gemaakt heb.

God is geen God dat Hij zijn boosheid en gramschap over ons uit blijft strooien als we verkeerd doen, als we de verkeerde keuzes maken, want Want Híj weet wat voor maaksel wij zijn en blijft bedenken dat wij stof zijn, zegt David in Psalm 103 een stukje verderop.

Lieve luisteraar, ik kan het keus niet anders benadrukken dat we leven onder de pure genade van Hem.

Bij het volk Israël kon de HEERE in hun midden komen wonen en blijven wonen op grond van de grote Verzoendag (Lv 16:1-34). Want op die dag gebeurde, de offers die werden gebracht, wijst heen naar het werk van de Heere Jezus, Yeshua op het kruis, zoals dat wordt uitgelegd in Hebreeën 9-10 (Hb 9:1-28; 10:1-22).

Op het moment dat de hogepriester, die namens het volk voor God verscheen, door de kracht van het bloed terugkwam, wist het volk zeker dat voor dat ene jaar de zonden weggenomen waren. Zo is de Messias, Christus, onze Hogepriester, opgewekt uit de doden, tot onze rechtvaardiging (Rm 4:25).

De gelovige mag weten dat zijn zonden zijn gedragen door de Heer Jezus op het kruis (1Pt 2:24). God heeft Hem ter verantwoording geroepen en Hem het rechtvaardige oordeel over die zonden gegeven. Daardoor zijn ze uitgeboet en weggedaan. De volle hitte van Zijn toorn over die zonden is over Zijn Zoon heen gegaan. Daarom handhaaft Hij niet voor eeuwig Zijn toorn over de berouwvolle zondaar, maar vergeeft hem en zegent hem.

Op de grote Verzoendag wordt de eerste geitenbok geslacht. Dat spreekt van genoegdoening aan Gods eer die is hersteld. Dit heeft de Heer Jezus gedaan. Op grond daarvan kan verzoening te weeg gebracht.

De tweede geitenbok wordt naar de woestijn gestuurd, nadat de hogepriester de zonden van Israël beleden heeft, terwijl hij zijn handen legde op de kop van deze geitenbok. Ook dit heeft de Heere Jezus gedaan door de zonden op Zich te nemen. Dit spreekt van plaatsvervanging, vergeving van zonden.

We moeten bedenken dat hier David als de mond van Israël aan het woord is. Hij looft God voor de vergeving van zijn zonden. Hij is zich ervan bewust dat zijn ongerechtigheden vergeven zijn. Hij weet dat zijn leven verlost is van het graf. Hij ervaart dat God vanwege de vergeving niet eeuwig toornt. Hij is bevrijd van de toorn

In Efeze 2 lezen we daarvan, en bedenk tijdens het lezen dat ook dit bijbelgedeelte door een jood geschreven is aan de heidenen in Efeze. En let eens op dat dezelfde onderwerpen uit Psalm 103 ook in dit gedeelte worden genoemd.

1 Ook u heeft Hij met Hem levend gemaakt, u die dood was door de overtredingen en de zonden,

2 waarin u voorheen gewandeld hebt, overeenkomstig de leefwijze -Letterlijk: eeuw- van deze wereld, overeenkomstig de wil van de aanvoerder van de macht in de lucht, van de geest die nu werkzaam is in de kinderen van de ongehoorzaamheid,

3 onder wie ook wij allen voorheen verkeerden, in de begeerten van ons vlees, door de wil van het vlees en de gedachten te doen; en wij waren van nature kinderen des toorns, evenals de anderen.

4 Maar God, Die rijk is in barmhartigheid, heeft ons door Zijn grote liefde, waarmee Hij ons liefgehad heeft,

5 ook toen wij dood waren door de overtredingen, met Christus levend gemaakt uit genade bent u zalig geworden –

6 en heeft ons met Hem opgewekt en met Hem in de hemelse gewesten gezet in Christus Jezus,

7 opdat Hij in de komende eeuwen de allesovertreffende rijkdom van Zijn genade zou bewijzen, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus.

8 Want uit genade bent u zalig geworden, door het geloof, en dat niet uit u, het is de gave van God;

9 niet uit werken, opdat niemand zou roemen.

10 Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus om goede werken te doen, die God van tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.

11 Bedenk daarom dat u die voorheen heidenen was in het vlees en die onbesnedenen - Letterlijk: voorhuid- genoemd werd door hen die genoemd worden besnijdenis in het vlees, die met de hand gebeurt,

12 dat u in die tijd zonder Christus -Messias- was, vervreemd van het burgerschap van Israël en vreemdelingen wat betreft de verbonden van de belofte. U had geen hoop en was zonder God in de wereld.

13 Maar nu, in Christus -Messias- Jezus -Yeshua, bent u, die voorheen veraf was, door het bloed van Christus dichtbij gekomen.

14 Want Hij is onze vrede, Die beiden één gemaakt heeft. En door de tussenmuur, die scheiding maakte, af te breken,

15 heeft Hij de vijandschap in Zijn vlees tenietgedaan, namelijk de wet van de geboden, die uit bepalingen bestond, opdat Hij die twee in Zichzelf tot één nieuwe mens zou scheppen en zo vrede zou maken,

16 en opdat Hij die beiden in één lichaam met God zou verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft.

17 En bij Zijn komst heeft Hij door het Evangelie vrede verkondigd aan u die veraf was, en aan hen die dichtbij waren.

18 Want door Hem hebben wij beiden door één Geest de toegang tot de Vader.

19 Zo bent u dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God,

20 gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus -Yeshua haMessiach- Zelf de hoeksteen is,

21 en op Wie het hele gebouw, goed samengevoegd, verrijst tot een heilige tempel in de Heere;

22 op Wie ook u mede gebouwd wordt tot een woning van God, in de Geest.

Lieve luisteraar, ik ken u niet, maar wanneer u nog leeft met de gedachte dat u onder Gods toorn leeft laat dan eens de woorden van vanmorgen diep in uw ziel indalen:

8 Barmhartig en genadig is de HEERE,
geduldig en rijk aan goedertierenheid.

9 Hij zal niet voor altijd ter verantwoording roepen,
niet voor eeuwig handhaaft Hij Zijn toorn.

Als dat geen zegen is.

Psalm 103 -9b-:

Loflied op Gods genade

1 Een psalm van David.
Loof de HEERE, mijn ziel,
en al wat in mij is, Zijn heilige Naam.

2 Loof de HEERE, mijn ziel,
en vergeet niet een van Zijn weldaden.

3 Die al uw ongerechtigheid vergeeft,
Die al uw ziekten geneest,

4 Die uw leven verlost van het verderf,
Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid,

5 Die uw mond Letterlijk: uw sieraad. verzadigt met het goede,
uw jeugd vernieuwt als die van een arend.

6 De HEERE doet rechtvaardige daden
en recht aan alle onderdrukten.

7Hij heeft aan Mozes Zijn wegen bekendgemaakt,
aan de nakomelingen van Israël Zijn daden.

8 Barmhartig en genadig is de HEERE,
geduldig en rijk aan goedertierenheid.

9 Hij zal niet voor altijd ter verantwoording roepen,
niet voor eeuwig handhaaft Hij Zijn toorn.

10 Hij doet ons niet naar onze zonden
en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.

11 Want zo hoog de hemel is boven de aarde,
zo is Zijn goedertierenheid machtig over wie Hem vrezen.

12 Zo ver het oosten is van het westen,
zo ver heeft Hij onze overtredingen van ons gedaan.

Bij veel mensen bestaat het beeld dat het eerste of ook wel oude testament spreekt over de wet, en het tweede of nieuwe testament spreekt over genade. Ik zou deze mensen willen vragen om Psalm 103 eens te lezen en daar bij wijze van spreken eens een poosje op dte kouwen en te herkouwen. Want wat spreekt David, en bij wijze van spreken over zijn hoofd heen de meerdere David, de Geliefde met een hoofdletter hier van genade, barmhartigheid, goedertierenheid, trouw, geduld en…

De gelovige van Israel, maar ook zij die uit de heidenen zijn, ook wij zijn ons, als wij op de goede plek zijn, er ons diep van bewust dat het alleen genade is dat God niet naar onze zonden heeft gedaan en niet naar onze ongerechtigheden heeft vergolden.

Wat een ongelooflijke genade! Letterlijk: Ongelooflijk. Ik kan er bijna niet bij. Nu ik dit zo zeg herinner ik me de tijd dat ik nog heel jong was. Zou ik een jaar of 4, 5 of 6 geweest zijn? Dat ik tussen mijn vader en moeder in de kerkbank zat en de presikant sprak over zonden. En dat ik terwijl ik de predikant aanhoorde die over zonde sorak dacht: Maar dat heb ik allemaal niet gedaan. Liegen? Dat kwam helemaal niet in mijn rijtje voor bij wijze van spreken.

Maar des te ouder ik geworden ben, des te meer werd me wel duidelijk dat er iets mis met me was. En nu ben ik 64 en denk ik: Wat heeft de HEERE God bij wijze van spreken een werk aan mij gehad. En nog steeds, elke dag. Wat een enorme berg van zonden en vuiligheid heb ik verzameld in al die jaren. Al waren het alleen maar mijn gedachten. Laat staan mijn doen en mijn laten. En dan krijg ik, hoe ouder ik word, steeds meer zijn genade nodig. Elke dag.

Wat is het dan een ongelooflijk wonder dat de God van hemel en aarde Zijn Zoon er voor over had en heeft om de straf op mijn zonden op Zich te nemen en aan het kruis te nagelen. Maar dat niet alleen, maar dat ik mag weten dat Hij mij gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse gewesten. Die zijn mij uit pure genade geschonken door God “Die rijk is aan barmhartigheid” en “vanwege Zijn grote liefde” (Ef 1:3; 2:1-10). Ik heb het vanmorgen maar persoonlijk gemaakt, u heeft een beetje in mijn hart mogen kijken. En ik nodig u vanmorgen uit om ook een in uw eigen hart te kijken. Misschien herkent u er iets in. Misschien ook niet.

Inderdaad, wat is het geweldig om te horen vanmorgen uit Gods Eigen mond door middel van Psalm 103:
Hij doet ons niet naar onze zonden en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.

Zullen we Hem daarvoor niet eeuwig loven en daarmee nu op aarde al beginnen?

Want als dat geen zegen is!

Psalm 103 -10-: Over de vreze des Heeren gesproken

Loflied op Gods genade

1 Een psalm van David.
Loof de HEERE, mijn ziel,
en al wat in mij is, Zijn heilige Naam.

2 Loof de HEERE, mijn ziel,
en vergeet niet een van Zijn weldaden.

3 Die al uw ongerechtigheid vergeeft,
Die al uw ziekten geneest,

4 Die uw leven verlost van het verderf,
Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid,

5 Die uw mond Letterlijk: uw sieraad. verzadigt met het goede,
uw jeugd vernieuwt als die van een arend.

6 De HEERE doet rechtvaardige daden
en recht aan alle onderdrukten.

7Hij heeft aan Mozes Zijn wegen bekendgemaakt,
aan de nakomelingen van Israël Zijn daden.

8 Barmhartig en genadig is de HEERE,
geduldig en rijk aan goedertierenheid.

9 Hij zal niet voor altijd ter verantwoording roepen,
niet voor eeuwig handhaaft Hij Zijn toorn.

10 Hij doet ons niet naar onze zonden
en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.

11 Want zo hoog de hemel is boven de aarde,
zo is Zijn goedertierenheid machtig over wie Hem vrezen.

12 Zo ver het oosten is van het westen,
zo ver heeft Hij onze overtredingen van ons gedaan.

Over de vreze des Heeren gesproken
Misschien is het u ook wel eens overkomen. Ik bedoel dit. Dat je op een mooie zomernacht niet kon slapen en je buiten naar de hemel keek en overweldigd werd door de grote ontzagwekkende sterrenhemel. Mij overkomt mij dat wel eens.

Of wanneer je bijvoorbeeld iets leest of een programma op de televisie ziet over de schier onmetelijkheid van het luchtruim. Onmetelijk… inderdaad. Wetenschappers hebben nog geen enkel idee hoe groot de ruimte is. Inderdaad… onmetelijk. Ons zonnestelsel is al zo groot en volgens de wetenschappers is ons zonnestelsel niet eens het enige…

En dan zegt God tegen Israel, u en mij:

Want zo hoog de hemel is boven de aarde, zo is Zijn goedertierenheid machtig over wie Hem vrezen.

Zijn goedertierenheid is machtig over wie Hem vrezen…

Over Zijn goedertierenheid en genade hebben we de afgelopen periode al heel veel gesproken. Daarom kies ik er voor om het nu maar eens over de vreze te hebben.

En ik moet u eerlijk bekennen dat sommigen nogal eens over dat woord vallen, als zou het een woord zijn dat heeft afgedaan. En dat is niet zo. De vreze des HEEREN, en vergeef me dat ik het zo zeg, is wel degelijk een bijbels begrip. Maar misschien heeft het met onze associatie die velen hebben met angst daarvan wel de oorzaak. Vanmorgen wil ik daar eens kort met u naar kijken. De eerste keer dat we lezen over ‘yare’ vinden we in Genesis 22 in de geschiedenis met Abraham. En we lezen dan:

Toen zei Hij: Steek uw hand niet uit naar de jongen en doe hem niets, want nu weet Ik dat u godvrezend bent en uw zoon, uw enige, Mij niet onthouden hebt.

Ik weet dat u godvrezend bent. Abraham wat in Zijn relatie met de Aanwezige: God vrezend.

En hoe was die relatie dan tussen God en Abraham? Was er prake van angst? Zullen we eens kijken wat de Bijbel er van zegt?

Kijk eens naar de manier waarop God zelf Zijn relatie met Abraham beschreef: "Abraham, mijn vriend" (Jesaja 41:8). Zo vertelt het Nieuwe Testament ons ook: "Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend, en hij werd een vriend van God genoemd" (Jakobus 2:23).

Wat een ongelooflijke lof, om de vriend van God genoemd te worden. Dat de Schepper van het hele universum een mens Zijn vriend noemt lijkt alle menselijke begrippen te boven te gaan. Maar toch overkwam het Abraham, het is een teken van de grote intimiteit die deze man had met God.

Het hebreeuwse woord dat Jesaja gebruikt voor vriend duidt op genegenheid en nabijheid. En het griekse woord dat Jakobus gebruikt voor vriend staat voor een geliefde, nabije metgezel. Beide impliceren een diepe, gedeelde intimiteit.

Niets geen angst dus, maar respect en bovenal ontzag dus, intimiteit, vertrouwelijk dus en vriendschap.

Dan nog even iets over het laatste vers:
Zo ver het oosten is van het westen,
zo ver heeft Hij onze overtredingen van ons gedaan.

Het is de getuigenis van David ide hij mede uitspreekt als koning iover het volk Israel. Zover het oosten is van het westen, zo verver heeft Hij onze zonden of zonden weggedragen. De woorden geven de afstand tussen hen en hun overtredingen aan door te wijzen op de afstand tussen “het oosten” en “het westen”.

Hiermee is geen geografische afstand tussen het oosten en het westen, maar het wijst op de grote gebeurtenis tijdens gtote verzoendag, Jom Kippur. Het ziet op de plaats van de Priester was en het oosten waarheen de geitenbok beladen met de zonden van het volk door de Oostpoort van Jeruzalem richting de woestijn in het oosten is weggestuurd.

We lezen in Leviticus 16:
Aäron moet zijn beide handen op de kop van de levende bok leggen en al de ongerechtigheden van de Israëlieten belijden, al hun overtredingen, overeenkomstig al hun zonden. Hij moet die op de kop van de bok leggen en hem door de hand van een man, die daarvoor gereedstaat, de woestijn in sturen. Zo draagt de bok al hun ongerechtigheden op zich weg naar een onbewoond gebied. Hij moet dan de bok de woestijn in sturen.

De geitenbok wordt in een afgezonderde woestijn losgelaten om nooit meer terug te kunnen keren.

De profeet Micha haakt hierop in met de woorden:

Hij zal Zich weer over ons ontfermen, Hij zal onze ongerechtigheden vertrappen, ja, U zult al hun zonden werpen in de diepten van de zee.

Als dat geen zegen is.

Psalm 103 -11-: Over ontferming gesproken

13 Zoals een vader zich ontfermt over [zijn] kinderen,
[zo] ontfermt de HEERE Zich over wie Hem vrezen.
Want Híj weet wat voor maaksel wij zijn
[en] blijft bedenken dat wij stof zijn.
De sterveling – zijn dagen zijn als het gras,
als een bloem op het veld, zo bloeit hij.
Wanneer de wind erover is gegaan, is hij er niet [meer]
en zijn plaats kent hem niet meer.
Maar de goedertierenheid van de HEERE
is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over wie Hem vrezen.
Zijn gerechtigheid is voor de kinderen van hun kinderen,
voor wie Zijn verbond in acht nemen
en aan Zijn bevelen denken om ze te doen.
19 De HEERE heeft Zijn troon in de hemel gevestigd,
Zijn Koninkrijk heerst over alles.

Over ontferming gesproken
David vergelijkt de HEERE, JHWH, de Aanwezige met “een vader” die “zich ontfermt over [zijn] kinderen”. Er is wel dit verschil dat een aardse vader zijn jonge kinderen draagt, terwijl het bij Gods volk en bij ons zo is dat God al de Zijnen, jong en oud, hun hele leven lang draagt (Js 46:3-4).

Luister naar Mij, huis van Jakob, en heel het overblijfsel van het huis van Israël, u, die door Mij gedragen bent vanaf de moederschoot, gedragen vanaf de baarmoeder. Tot uw ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja, tot uw grijsheid toe zal Ík u dragen; Ík heb het gedaan en Ík zal u opnemen, Ík zal dragen en redden.

De HEERE, JHWH, de God van het verbond met Zijn volk, ontfermt Zich op dezelfde manier als een vader “over wie Hem vrezen”. Wat een onvoorstelbare zorg van Vader zien we hier in dit vers naar voren komen. De woorden spreken tot tweemaal toe in vers 13 over Gods ontferming.
Ontferming is misschien een wat uitgesleten woord dat we in ons hedendaagse taakgebruik niet meer zo vaak tegen komen, maar het Hebreeuwse woord kə·ra·ḥêm, heeft de betekenis van strelen, liefhebben, medelijden hebben of mee-lijden. Het spreekt dus van een grenzeloze liefde. Hij lijdt mee. Vader lijdt mee met Zijn kinderen, met Zijn volk, met u en met mij. Israel staat er niet alleen voor. Hij is er bij. U jij en ik staan er niet alleen in het leven, in het lijden: Vader is er bij, Hij lijdt zelfs mee. In alle pijn en verdriet mogen we weten Hij is er bij.

Wat moet dat een onvoorstelbare troost zijn voor het volk Israel, dit te weten. Ook met dat wat zich heeft voorgedaan in de afgelopen 2000 jaar en ook vandaag de dag. Maar wat is dat een onvoorstelbare toost ook voor u en mij: Vader is er bij, Hij lijdt zelfs mee. In alle pijn en verdriet mogen we weten, Hij syaat niet op een afstandje bij wijze van spreken te kijken hoe we het er vanaf brengen, maar Hij is er bij. Hij is betrokken bij ons hele leven, in al onze uw, en mijn verdriet en lijden. Ook al voetlt dat soms helemaal niet zo, maar het is wel zo. Weet je waarom? Gewoon, omdat Hij het zegt. En Zijn Woord is de Waarheid.

Het woord Vader in het Hebreeuws heeft de betekenis van ‘oorsprong’. Hij is onze oorsprong. Zijn kinderen zijn vanuit de Vader voortgekomen, geboren, wedergeboren.
Wat een onvoorstelbare diepte ligt er in de wetenschap dat Gods Volk, maar ook wij, kinderen van Vader mogen zijn. Dat de gelovige God persoonlijk als Vader mag kennen en Hem door de Geest van “Abba, Vader” , Pappa mogen noemen.

Als dat geen zegen is.

We gaan luisteren naar het lied, hoe kan het ook anders, getiteld ‘Abba’, gezongen door een kind van Zijn volk, Avraham Friet.

https://www.youtube.com/watch?v=rXdaEhWccqs

Psalm 103 -12-: Over ontferming gesproken

Loflied op Gods genade

1 Een psalm van David.
Loof de HEERE, mijn ziel,
en al wat in mij is, Zijn heilige Naam.

2 Loof de HEERE, mijn ziel,
en vergeet niet een van Zijn weldaden.

3 Die al uw ongerechtigheid vergeeft,
Die al uw ziekten geneest,

4 Die uw leven verlost van het verderf,
Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid,

5 Die uw mond Letterlijk: uw sieraad. verzadigt met het goede,
uw jeugd vernieuwt als die van een arend.

6 De HEERE doet rechtvaardige daden
en recht aan alle onderdrukten.

7Hij heeft aan Mozes Zijn wegen bekendgemaakt,
aan de nakomelingen van Israël Zijn daden.

8 Barmhartig en genadig is de HEERE,
geduldig en rijk aan goedertierenheid.

9 Hij zal niet voor altijd ter verantwoording roepen,
niet voor eeuwig handhaaft Hij Zijn toorn.

10 Hij doet ons niet naar onze zonden
en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.

11 Want zo hoog de hemel is boven de aarde,
zo is Zijn goedertierenheid machtig over wie Hem vrezen.

12 Zo ver het oosten is van het westen,
zo ver heeft Hij onze overtredingen van ons gedaan.

13 Zoals een vader zich ontfermt over zijn kinderen,
zo ontfermt de HEERE Zich over wie Hem vrezen.

14 Want Híj weet wat voor maaksel wij zijn
en blijft bedenken dat wij stof zijn.

15 De sterveling – zijn dagen zijn als het gras,
als een bloem op het veld, zo bloeit hij.

16 Wanneer de wind erover is gegaan, is hij er niet meer
en zijn plaats kent hem niet meer.

17 Maar de goedertierenheid van de HEERE
is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over wie Hem vrezen.
Zijn gerechtigheid is voor de kinderen van hun kinderen,

18 voor wie Zijn verbond in acht nemen
en aan Zijn bevelen denken om ze te doen.

19 De HEERE heeft Zijn troon in de hemel gevestigd,
Zijn Koninkrijk heerst over alles.

20 Loof de HEERE, u, Zijn engelen,
sterke helden, die Zijn woord uitvoeren,
gehoorzaam aan het woord dat Hij spreekt. Letterlijk: de stem van Zijn woord.

21 Loof de HEERE, al Zijn legermachten,
dienaren van Hem, die Zijn welbehagen doen.

22 Loof de HEERE, al Zijn werken,
op alle plaatsen van Zijn heerschappij.

Loof de HEERE, mijn ziel!

Over ontferming gesproken
Vandaag wil ik met u verder nadenken over vers 13 en 14:
Zoals een vader zich ontfermt over zijn kinderen,
zo ontfermt de HEERE Zich over wie Hem vrezen.

Want Híj weet wat voor maaksel wij zijn
en blijft bedenken dat wij stof zijn.

David, de schrijver van de psalm is zich van zijn eigen zwakheid bewust. En dat is juist de reden van de ontferming van God: “Want Híj [met nadruk] weet wat maaksel wij zijn”. De HEERE, JHWH, wat de betekenis van de Aanwezige betekend, “blijft bedenken dat wij stof” zijn. Hij zal dat nooit vergeten, want Hij heeft ons uit “het stof van de aardbodem” gemaakt. Als wij dat blijven bedenken, zullen we onze afhankelijkheid van Hem erkennen.

En terwijl ik dit zo bedenk gaan mij n gedachten terug naar de woorden uit Lucas 15 waar we nu eens precies lezen wat de woorden die we vanmorgen gelezen hebben inhouden wanneer we over een ontfermende vader lezen. En een vader die precies weet wat voor maaksel wij zijn en blijft bedenken datr we stof zijn.

11En Hij, Jezus, zei: Een zeker mens, een vasder dus, had twee zonen.

12En de jongste van hen zei tegen zijn vader: Vader, geef mij het deel van de goederen dat mij toekomt. En hij verdeelde zijn vermogen onder hen.

13En niet veel dagen daarna maakte de jongste zoon alles te gelde en reisde weg naar een ver land en verkwistte daar zijn vermogen in een losbandig leven.

14En toen hij er alles doorgebracht had, kwam er een zware hongersnood in dat land en begon hij gebrek te lijden.

15En hij ging heen en voegde zich bij één van de burgers van dat land, en die stuurde hem naar zijn akkers om de varkens te weiden.

16En hij verlangde ernaar zijn buik te vullen met de schillen, die de varkens aten, maar niemand gaf hem die.

17En nadat hij tot zichzelf gekomen was, zei hij: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben brood in overvloed en ik kom om van honger.

18Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegenover u.

19En ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden. Maak mij als één van uw dagloners.

20En hij stond op en ging naar zijn vader. En toen hij nog ver van hem verwijderd was, zag zijn vader hem en deze was met innerlijke ontferming bewogen en hij snelde hem tegemoet, viel hem om de hals en kuste hem.

21En de zoon zei tegen hem: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegenover u. Ik ben niet meer waard uw zoon genoemd te worden.

22Maar de vader zei tegen zijn dienaren: Haal het beste gewaad tevoorschijn en trek het hem aan en geef hem een ring aan zijn hand en sandalen aan zijn voeten.

23En breng het gemeste kalf en slacht het, en laten we eten en vrolijk zijn.

24Want deze, mijn zoon, was dood en is weer levend geworden. En hij was verloren en is gevonden. En zij begonnen vrolijk te zijn.

Lieve luisteraars, als we iets willen begrijpen van de woorden die we in Psalm 103 lezen over Gods ontferming en over zijn genade, dan raad ik u aan dit gedeelte te lezen.

We lezen geen enkel, geen snipper van verwijt van Vader ten opzichte van zijn zoon. Allleen maar van ontferming. En we mogen leren dat wanneer we berouwvol tot Vader gaan, hij onms niet alleen met open armen op staat te wachten, maar dat Hij naar ons toe zal snellen.

Het woordje lopen zoals dat door de Statenvertalers gebruikt werd, had in de 17e eeuw de betekenis van snel lopen. Vandaar dat de HSV het grondwoord in veel gevallen met snellen, wegsnellen of toesnellen vertaalt. Op ander plaatsen, waar het om een wedstrijd gaat, is gekozen voor hardlopen. Een enkele keer is gewoon lopen voldoende omdat het zinsverband voldoende duidelijk maakt dat het om hardlopen gaat.

Weet u, wanneer ik aan deze geschiedenis denk, wanneer ik aan Vader en Zijn ontferming denk en als ik dan denk aan Vader en de woorden lees: En toen hij nog ver van hem verwijderd was, zag zijn vader hem en deze was met innerlijke ontferming bewogen en hij snelde hem tegemoet, viel hem om de hals en kuste hem. Als ik die woorden tot mij door laat dringen dan kan ik wel, en vergeef me het woord, janken, van geluk. Vader verwacht niks van dat jong. De zoon had nog geen woord gezegd, maar Vader snelde al naar hem toe en omsloot hem in zijn armen en kuste hem. Kijk, zo’n Vader hebben wij. Ook in het  nieuwe jaar 2022.

En als je Hem nog niet kent als Vader, ga naar Hem toe, en je zult ervaren wat deze zoon ervoer. Vader die je in de armen neemt en je meer dan welkom heet.

Als dat geen zegen is.

Psalm 104 -13-: Over de vijgeboom gesproken (1)

Loflied op Gods genade

1 Een psalm van David.
Loof de HEERE, mijn ziel,
en al wat in mij is, Zijn heilige Naam.

2 Loof de HEERE, mijn ziel,
en vergeet niet een van Zijn weldaden.

3 Die al uw ongerechtigheid vergeeft,
Die al uw ziekten geneest,

4 Die uw leven verlost van het verderf,
Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid,

5 Die uw mond Letterlijk: uw sieraad. verzadigt met het goede,
uw jeugd vernieuwt als die van een arend.

6 De HEERE doet rechtvaardige daden
en recht aan alle onderdrukten.

7Hij heeft aan Mozes Zijn wegen bekendgemaakt,
aan de nakomelingen van Israël Zijn daden.

8 Barmhartig en genadig is de HEERE,
geduldig en rijk aan goedertierenheid.

9 Hij zal niet voor altijd ter verantwoording roepen,
niet voor eeuwig handhaaft Hij Zijn toorn.

10 Hij doet ons niet naar onze zonden
en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.

11 Want zo hoog de hemel is boven de aarde,
zo is Zijn goedertierenheid machtig over wie Hem vrezen.

12 Zo ver het oosten is van het westen,
zo ver heeft Hij onze overtredingen van ons gedaan.

13 Zoals een vader zich ontfermt over zijn kinderen,
zo ontfermt de HEERE Zich over wie Hem vrezen.

14 Want Híj weet wat voor maaksel wij zijn
en blijft bedenken dat wij stof zijn.

Over de vijgeboom gesproken (1)

De voorgaande keer hebben we met elkaar nagedacht over de ontferming van Vader over Zijn kinderen. En wat sprak en spreekt daar een ongelofelijke liefde uit voor Zijn kinderen.

En weet u waarom? Niet omdat die kinderen van die geweldig brave borsten zijn bij wijze van spreken hoor. Maar Zijn ontferming, zijn liefde, vindt een oorsprong in JHWH Zelf, want, zegt de tekst: Hij weet wat maaksel wij zijn en blijft bedenken dat wij stof zijn.

Zullen we de tekst nog eens lezen om hem goed tot ons door te laten dringen?

Zoals een vader zich ontfermt over zijn kinderen,
zo ontfermt de HEERE Zich over wie Hem vrezen.

Want Híj weet wat voor maaksel wij zijn
en blijft bedenken dat wij stof zijn.

Inderdaad, het is zoals Jezus zegt en zoals we het lezen in Johannes: Die van boven komt, is boven allen. Die uit de aarde is voortgekomen, die is uit de aarde en spreekt uit de aarde. Die uit den hemel komt, is boven allen.

We hoeven ons niet groter voor te doen dan we in werkelijkheid zijn. We hebben het gezien en we zien het in de geschiedenis met het volk van Israel. Steeds opnieuw verviel het volk in zonde. Steeds opnieuw kozen zij andere goden en steeds opnieuw ontfermde JHWH, de Aanwezige over Zijn volk.

En laten wij ons maakt niks verbeelden. Wij zijn geen haar beter dan het volk. Paulus, toch niet de eerste, de beste spreekt er over in Romeinen:

Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, niets goeds woont. Immers, het willen is er bij mij wel, maar het goede teweegbrengen, dat vind ik niet. Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.

Zij die behoren tot het volk van Israel en de gelovigen uit de heidenen blijven afhankelijk van zijn onferming, zijn liefde. God verwacht niets meer van ons, want Híj weet wat voor maaksel wij zijn en blijft bedenken dat wij stof zijn.

Die onafgebroken afhankelijkheid van Gods ontferming in ons leven brengt mij in gedachte bij de woorden van Jezus: ‘uit u geen vrucht meer in der eeuwigheid’.

Hij zijn de woorden die Jezus/Jeshua want dat is Zijn Hebreeuwe naam, richtte tegen de vijgeboom toen Hij op weg was naar Jeruzalem. Markus beschrijft hoe Jezus, op weg naar de tempel, honger heeft en uit de verte een vijgenboom ziet die vol in het blad staat. Hoewel de tijd van de vijgenoogst er nog niet is, ziet de boom er veelbelovend uit. Maar als Jezus bij de vijgenboom is aangekomen, blijkt de boom alleen maar bladeren te hebben en geen vruchten.

Daar staat de Schepper van hemel en aarde, hongerig en begerig naar de vruchten van de veelbelovende boom. Dan klinkt Zijn vervloeking: 'Uit u worde geen vrucht meer in der eeuwigheid.'

Markus beschrijft hoe Jezus de tot een rovershol geworden tempel reinigt van ongerechtigheid en hoe Hij samen met Zijn discipelen de volgende dag langs de vervloekte vijgenboom komt. Zij zien hoe de hele boom vanaf zijn wortel is verdord. Petrus zegt: 'Rabbi, zie, de vijgenboom, dien Gij vervloekt hebt, is verdord.'

Waarop Jezus antwoord: En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Heb geloof in God. Want, voorwaar, Ik zeg u: wie tegen deze berg zal zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen, en niet zal twijfelen in zijn hart, maar zal geloven dat wat hij zegt, gebeuren zal, het zal hem gebeuren wat hij zegt. Daarom zeg Ik u: alles wat u biddend begeert, geloof dat u het ontvangen zult, en het zal u ten deel vallen. En wanneer u staat te bidden, vergeef als u tegen iemand iets hebt, opdat ook uw Vader, Die in de hemelen is, u uw overtredingen vergeeft.

Weet u, op het eerste gezicht lijkt dit misschien een vreemde gebeurtenis. Jezus loopt langs een vijgeboom terwijl het niet de tijd van de vrucht is en vervloekt de vijgeboom. Is dat niet onrechtvaardig? Heeft u nooit met deze vraag gelopen? Maar er blijkt in deze geschiedenis een geweldig evangelie schuil te gaan en daar wil ik met u de volgende afleveringen bij stil te staan.

Psalm 103 -14-: Over de vijgeboom gesproken (2)

13 Zoals een vader zich ontfermt over zijn kinderen,
zo ontfermt de HEERE Zich over wie Hem vrezen.

14 Want Híj weet wat voor maaksel wij zijn
en blijft bedenken dat wij stof zijn.

Marcus 11 vere 22 tot en met 25
En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Heb geloof in God. Want, voorwaar, Ik zeg u: wie tegen deze berg zal zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen, en niet zal twijfelen in zijn hart, maar zal geloven dat wat hij zegt, gebeuren zal, het zal hem gebeuren wat hij zegt. Daarom zeg Ik u: alles wat u biddend begeert, geloof dat u het ontvangen zult, en het zal u ten deel vallen. En wanneer u staat te bidden, vergeef als u tegen iemand iets hebt, opdat ook uw Vader, Die in de hemelen is, u uw overtredingen vergeeft.

Over de vijgeboom gesproken (2)
Op het eerste gezicht lijkt dit misschien een vreemde gebeurtenis. Jezus loopt langs een vijgeboom terwijl het niet de tijd van de vrucht is en vervloekt de vijgeboom. Is dat niet onrechtvaardig? Heeft u nooit met deze vraag gelopen? Maar er blijkt in deze geschiedenis een geweldig evangelie schuil te gaan.

De vijgenboom is in de Bijbel een beeld van Israël. Maar hoe kan deze boom eerst door de Heere worden vervloekt om daarna week te worden en uit te botten?

Als de Heere Jezus twee dagen voordat Hij gekruisigd wordt langs een vijgenboom komt, zoekt Hij daaraan tevergeefs naar vruchten. Hij vervloekt de vijgenboom. De discipelen verwonderen zich erover dat dit onmiddellijk z’n uitwerking heeft. Het antwoord van de Heere is dat Zijn discipelen door hun gelovig gebed zulke wonderen en zelfs nog grotere zullen kunnen verrichten. Er ligt echter nog een betekenis achter. De vijgenboom is een beeld van Israël. In Hosea 9 vers 10 lezen we immers: Ik vond Israël als druiven in de woestijn; als vroege vijgen aan de vijgenboom, zijn eerste opbrengst, zag Ik uw vaderen.

In Jeremia zegt de JHWH over Jeruzalem en tegen Israël: ″Ik zal hen voorzeker wegrapen, spreekt de HEERE; er zijn geen druiven aan de wijnstok, en geen vijgen aan de vijgeboom, ja, het blad is afgevallen; en de geboden, die Ik hun gegeven heb, die overtreden zij″ (Jer. 8:13).

We zien hier nagenoeg de geschiedenis uit Markus 11 op een wat andere manier verwoord. De Heere Jezus bevestigt met deze vervloeking van de vijgenboom het oordeel over het ongehoorzame volk. De dag ervoor had Hij nog wenend tot Jeruzalem gesproken: Hij zei: Och, dat u ook nog op deze uw dag zou onderkennen wat tot uw vrede dient! Nu echter is het verborgen voor uw ogen. Want er zullen dagen over u komen dat uw vijanden een wal rondom u zullen opwerpen, u zullen omsingelen en u van alle kanten in het nauw zullen brengen. (Luc. 19:42, 43).

Jezus, de Zoon van David, Jeshua ben David, geboren uit de stam van Juda is gekomen tot Zijn volk. Hoewel Abram, Izaäk en Jacob er voor kozen om JHWH te dienen met heel hun hart en Mozes het volk Israël als de gezant van God door de woestijn had geleid, heeft het volk toch niet gekozen om met heel hun hart hun God te dienen.

Drie en een half jaar was Hij nu in hun midden, getuigend van Gods ontfermende liefde en genade. Even tussen haakjes: Daar zijn we mee begonnen in Psalm 103:
Zoals een vader zich ontfermt over zijn kinderen, zo ontfermt de HEERE Zich over wie Hem vrezen.

Drie en een half jaar heeft Hij onderwezen, dat het leven, dat God lief heeft boven alles en de naasten als zichzelf, niet is te verwezenlijken door menselijke tradities en geboden op te volgen en een strikt wettisch leven er op na te houden.

Het gaat God JHWH om het hart dat recht staat tegenover God. Niet voor niets was er niemand zo vol vijandschap tegen Jezus als de Schriftgeleerden en de farizeeërs. Zij dachten zelf een gerechtigheid voor God te kunnen bewerken, een heiligheid die bestond in doen en laten. Zij konden het niet uitstaan dat volwassenen en kinderen Jezus toezongen: 'Hosanna, den Zone Davids! Gezegend is Hij, Die komt in de Naam van Jehova! Hosanna in de hoogste hemelen!'

Met Goddelijk gezag heeft Jezus twee keer de tempel gereinigd en als het ware aangewezen dat wat een plaats van gebed moest wezen waar Jood en heiden God zou ontmoeten, geworden was tot een plaats van handel, roof en moord. Jezus had zojuist nog geweend toen Hij Jeruzalem zag liggen en sprak: 'Och, of gij ook bekende, ook nog in deze dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen... Luk. 19:42.' Het oordeel zou onherroepelijk over Jeruzalem worden uitgestort.

Een dag later is de Jezus met Zijn discipelen alleen. Vermoedelijk zijn zij op de hellingen van de Olijfberg, misschien zelfs in de hof van Getsemane, waarvandaan ze een schitterend uitzicht op het indrukwekkende tempelcomplex hebben. De discipelen vragen Hem naar het teken van Zijn komst. Vanuit Zijn ‘rede over de laatste dingen’ weten we dat Christus’ wederkomst pas zal plaatsvinden na een ‘grote verdrukking’ zoals de wereld deze nog niet gekend heeft.

Dan spreekt Jezus, Jeshua, de veelbetekenende slotwoorden uit over de vijgenboom: ″Leer van de vijgenboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak al zacht wordt en de bladeren uitspruiten, dan weet u dat de zomer nabij is. Zo ook u, wanneer u al deze dingen zult zien, weet dan dat het nabij is, voor de deur. Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht zal zeker niet voorbijgaan, totdat al deze dingen gebeurd zijn. De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen zeker niet voorbijgaan. Doch van die dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen″ (Matt. 24:32-36).

In eerste instantie zal de Heere Jezus bedoeld hebben te zeggen dat de mens geneigd is om de tekenen in de natuur wel te verstaan, maar niet de tekenen die Hij in Zijn Woord heeft voorzegd. Hij zegt tegen de Farizeeën en Sadduceeën: En de Farizeeën en de Sadduceeën kwamen naar Hem toe om Hem te verzoeken, en zij vroegen Hem of Hij hun een teken uit de hemel wilde laten zien. Maar Hij antwoordde en zei tegen hen: Als het avond geworden is, zegt u: Mooi weer, want de hemel is rood; en 's morgens: Vandaag storm, want de hemel is somber rood. Huichelaars! De aanblik van de lucht weet u wel te onderscheiden, en kunt u de tekenen van de tijden niet onderscheiden? (Matt. 16:2, 3)

Maar is het toeval dat Hij voor dit voorbeeld nu juist een vijgenboom neemt, juist die boom die een symbool van Israël is en die een dag eerder door Hem vervloekt is? Nee, Jezus kiest Zijn woorden heel zorgvuldig. Niets is daarin toeval. Er is geen enkele reden om in deze vijgenboom iets anders te lezen dan in het overige van de Bijbel.

Deze uitbottende vijgenboom is een beeld van het herstel van Israël. Te midden van het geweld van de ‘grote verdrukking’ (“wanneer gij dit alles ziet”) zal Israëls herstel plaatsvinden.

Het volk, dat belegerd wordt door de vijandelijke wereldlegers, lees er de krant vandaar maar eens op na hoe onder andere Iran steeds dreigender taakt uitspreekt over de vernietiging van Israel, zal op de knieën gaan en roepen om haar Messias.

In dat positieve ‘week worden’ van de vijgenboom herkennen we het week worden van Joodse harten. Zoals we dat ook lezen van koning Josia: ″omdat uw hart week geworden is en u zich voor het aangezicht van de HEERE vernederd hebt, toen u hoorde wat Ik tegen deze plaats en de inwoners ervan gesproken heb, dat ze tot een verwoesting en vervloeking zullen worden, en omdat u uw kleren gescheurd en voor Mijn aangezicht gehuild hebt – daarom heb Ík u ook verhoord, spreekt de HEERE.″ (2 Kon. 22: 9).

De situatie is vergelijkbaar. Ook bij koning Josia was Jeruzalem in de benauwdheid vanwege de ‘gramschap des Heeren’, een term die tevens gebruikt wordt voor de laatste oordelen van de ‘grote verdrukking’ (Opb. 16:1). De Heere stond op het punt om Jeruzalem te straffen.

Het hart van de koning werd echter week, hij verootmoedigde zich. Nog eenmaal zal het hart van veel Israëlieten week worden als de legers van de wereld Israël zullen aanvallen en Jeruzalem zullen plunderen. Zij zullen roepen om hun Messias, de Heere Jezus, en dan zal Hij komen om hen uit de handen van hun vijanden te redden.

Als dat geen zegen is

In een volgende aflevering hopen we hier weer verder over na te denken.

Psalm 103 -15-: Over de vijgeboom gesproken (3)

13 Zoals een vader zich ontfermt over zijn kinderen,
zo ontfermt de HEERE Zich over wie Hem vrezen.

14 Want Híj weet wat voor maaksel wij zijn
en blijft bedenken dat wij stof zijn.

Marcus 11 vers 22 tot en met 25

En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Heb geloof in God. Want, voorwaar, Ik zeg u: wie tegen deze berg zal zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen, en niet zal twijfelen in zijn hart, maar zal geloven dat wat hij zegt, gebeuren zal, het zal hem gebeuren wat hij zegt. Daarom zeg Ik u: alles wat u biddend begeert, geloof dat u het ontvangen zult, en het zal u ten deel vallen. En wanneer u staat te bidden, vergeef als u tegen iemand iets hebt, opdat ook uw Vader, Die in de hemelen is, u uw overtredingen vergeeft.

Over de vijgeboom gesproken (3)
De voorgaande aflevering hebben we stilgestaan bij de verdorde vijgeboom, maar eveneens bij de veelbetekenende slotwoorden uit over de vijgenboom: ″Leer van de vijgenboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak al zacht wordt en de bladeren uitspruiten, dan weet u dat de zomer nabij is. Zo ook u, wanneer u al deze dingen zult zien, weet dan dat het nabij is, voor de deur.

De aanwezigheid van de staat Israël en de terugkeer van het Joodse volk een voorwaarde voor de vervulling van talloze profetieën. Het is een voorbode van wat komen gaat, een geweldig teken aan de wand. Dit is hèt teken van de eindtijd. Het spreekt vanzelf dat we achter het Joodse volk moeten staan, ongeacht waar het woont en al dan niet voor de Heere Jezus gebogen heeft.

De laatste tientallen jaren komen wereldwijd Joodse mensen tot geloof. Het gaat om duizenden Joodse mensen die hun Messias, de Heere Jezus, Jeshua haMassiach hebben leren kennen. De openheid onder Joodse mensen voor het Evangelie is nog nooit zo groot geweest als in onze dagen.

Deze uitbottende vijgenboom is, net als de vervloekte vijgenboom, een teken van en voor Israël. Kunnen die twee tekenen dan naast elkaar bestaan? Ja, dat is geen probleem, maar juist een enorme bemoediging. Op veel plaatsen in de Bijbel, maar ook in de geschiedenis van de afgelopen duizenden jaren, zien we dat Israël menselijkerwijs ten ondergang gedoemd is. Maar is is sprake van een Goddelijk maar. Toch zal geheel Israel zalig worden zegt het Woord van God. Denk eens aan:

  • De brandende braamstruik (Exod. 3), die door het vuur van de Heere in brand staat, maar toch niet verteerd wordt. Een prachtig beeld van Israël, dat door de Heere getuchtigd wordt, maar niet zal vergaan;
  • De geboorte van Izak uit een ″verstorvene″ (Hebr. 11:12). Daarom zijn er zelfs uit één man en dat uit iemand wiens kracht al gestorven was, zovelen geboren als de sterren van de hemel in menigte en als het zand op het strand van de zee, dat niet te tellen is.
  • De tronk die ondanks afgehouwen, een heilig zaad is (Jes. 6:13); Maar zoals van de eik en de haageik na het omhakken een stronk overblijft, zal hun stronk een heilig zaad zijn.
  • De mannen in de brandende oven. Zij worden op onverklaarbare manier gered door de ‘zoon der goden’ (Dan. 3). Doet het opgerichte beeld van Nebukadnezar daarbij niet sterk denken aan dat van de antichrist? (Opb. 13:14-17);
  • Het dat vol dorre doodsbeenderen die tot leven worden geroepen, waarvan we in Ezechiel 37 lezen: 1De hand van de HEERE was op mij, en de HEERE bracht mij in de geest naar buiten en zette mij neer, midden in een vallei. Die lag vol beenderen. Hij deed mij er aan alle kanten omheen gaan.37:2 er aan alle kanten omheen gaan - Letterlijk: rondom rondom langs hen gaan. En zie, er lagen er zeer veel op de grond van de vallei, en zie, ze waren zeer dor. Hij zei tegen mij: Mensenkind, zullen deze beenderen tot leven komen? En ik zei: Heere HEERE, Ú weet het! Toen zei Hij tegen mij: Profeteer tegen deze beenderen en zeg tegen hen: Dorre beenderen, hoor het woord van de HEERE. Zo zegt de Heere HEERE tegen deze beenderen: Zie, Ik ga geest in u brengen en u zult tot leven komen. Ik zal pezen op u leggen, vlees op u doen komen, een huid over u heen trekken, en geest in u geven, zodat u tot leven komt. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben. Toen profeteerde ik zoals mij geboden was, en er ontstond een geluid zodra ik profeteerde, en zie, een gedruis! De beenderen kwamen bij elkaar, elk been bij het bijbehorende been. En ik zag, en zie, er kwamen pezen op, er kwam vlees op en Hij trok er een huid overheen, maar er was geen geest in hen. Hij zei tegen mij: Profeteer tegen de geest, profeteer, mensenkind! Zeg tegen de geest: Zo zegt de Heere HEERE: Geest, kom uit de vier windstreken en blaas in deze gedoden, zodat zij tot leven komen. Ik profeteerde zoals Hij mij geboden had. Toen kwam de geest in hen en zij kwamen tot leven. Zij gingen op hun voeten staan, een zeer, zeer groot leger. Toen zei Hij tegen mij: Mensenkind, deze beenderen zijn heel het huis van Israël. Zie, ze zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vergaan, wij zijn afgesneden! Profeteer daarom, en zeg tegen hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal uw graven openen en Ik zal u uit uw graven doen oprijzen, Mijn volk, en Ik zal u brengen in het land van Israël. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben, als Ik uw graven open en als Ik u uit uw graven doe oprijzen, Mijn volk. Ik zal Mijn Geest in u geven, u zult tot leven komen en Ik zal u in uw land zetten. Dan zult u weten dat Ík, de HEERE, dit gesproken en gedaan heb, spreekt de HEERE.

Als dat geen zegen is.

Psalm 103 -16-: Over de vijgeboom gesproken (4)

13 Zoals een vader zich ontfermt over zijn kinderen,
zo ontfermt de HEERE Zich over wie Hem vrezen.

14 Want Híj weet wat voor maaksel wij zijn
en blijft bedenken dat wij stof zijn.

Marcus 11 vere 22 tot en met 25

En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Heb geloof in God. Want, voorwaar, Ik zeg u: wie tegen deze berg zal zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen, en niet zal twijfelen in zijn hart, maar zal geloven dat wat hij zegt, gebeuren zal, het zal hem gebeuren wat hij zegt. Daarom zeg Ik u: alles wat u biddend begeert, geloof dat u het ontvangen zult, en het zal u ten deel vallen. En wanneer u staat te bidden, vergeef als u tegen iemand iets hebt, opdat ook uw Vader, Die in de hemelen is, u uw overtredingen vergeeft.

Over de vijgeboom gesproken (4)
De voorgaande keer hebben we naar aanleiding van de gelezen bijbelgedeelten nagedacht over het bijbelse principe van ‘leven uit de doden’ dat we op veel plaatsen in Gods Woord tegenkomen.

Het is het principe van de graankorrel die in de aarde valt en sterft, maar in het donker tot leven gewekt wordt en weer uitloopt. De woorden uit Romeinen 11 vers 28 en 29 zijn nog voluit waar:
Zij zijn weliswaar wat het Evangelie betreft vijanden vanwege u, maar wat de verkiezing betreft geliefden vanwege de vaderen. Want de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk. Zoals ook u immers voorheen God ongehoorzaam was, maar nu ontferming verkregen hebt door hun ongehoorzaamheid.

Juist daarom is Gods trouw aan Israël ook een bemoediging voor ons, want Hij is trouw ook al zijn wij ontrouw (2 Tim. 2:13). Maar over dit principe lezen we ook in Psalm 103 waarvan de woorden in eerste instantie gericht zijn tot het volk Israel:

13 Zoals een vader zich ontfermt over zijn kinderen,
zo ontfermt de HEERE Zich over wie Hem vrezen.

14 Want Híj weet wat voor maaksel wij zijn
en blijft bedenken dat wij stof zijn.

We gaan weer even terug naar het beeld van de vijgeboom.
De vijgenboom was en is geliefd vanwege zijn heerlijke vruchten en weldadige schaduw. Omdat de vijgenboom algemeen bekend was, sprak dit vijgenboombeeld de mensen aan. In Gods toekomstbeloften over Zijn volk komt dit beeld voor (Micha 4:4). Maar zij zullen zitten, ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom, niemand zal ze schrik aanjagen, want de mond van de HEERE van de legermachten heeft het gesproken. En in 1 Koningen 4 vers 25 lezen we de woorden: En Juda en Israël woonden zeker, ieder onder zijn… vijgenboom… alle dagen van Salomo”.

De eigenschappen van vruchtbaarheid en schaduw maken de vijgenboom tot een veelzeggend beeld dat de Heere God gebruikt in Zijn relatie tot Zijn verbondsvolk. God zag Israël als ‘bikkura’/vroege vrucht van de ‘te’ena’/vijgenboom. Hosea verwoordt hoe God vruchtbaarheid verwachtte: “…als eerste vrucht aan de vijgenboom zag Ik uw vaderen… maar…” (Hos. 9:10). ‘Bikkura’ duidt primair op een vroegrijpe vrucht en slaat met name op de vroege vijgen die in de lente rijpen als veelbelovende voorbode van latere vruchtbaarheid.

Jezus gebruikt het vijgenboombeeld om Zijn volk en ons te leren waakzaam en bereid te zijn voor Zijn spoedige wederkomst: “Leert van de vijgenboom… wanneer zijn tak week wordt en de bladeren uitspruiten, dan weet u dat de zomer nabij is.” (Matt. 24:32; Marc 13:28).

Zoals de bladeren aan de vijgenboomtakken uitspruiten als voortekenen van de zomer, zijn er veel andere ‘tekenen der tijden’ die Jezus’ wederkomst aankondigen: misleiders, oorlogen, rampen (Marc. 13; Matt. 24). Een bijzonder voorteken dat ons de voetstappen van de komende Messias doet horen, zien wij in Israël, sinds 1948 als Staat in het land der belofte. Een oproep tot waakzaamheid. Leer van de vijgenboom: “Let op, waak en bid…” (Marc. 13:33).

Lieve luisteraars, wat leven we vandaag de dag in bijzondere tijden. In tijden waarin we naast Israel worden opgeroepen om waakzaam te zijn en te bidden. Want inderdaad, er zijn vele misleiders en we horen van allerlei al of niet dreigende oorlogen. We kunnen er bij wijze van spreken onze dagen mee vullen. Maar kijk uit. We worden wel opgeroepen om te letten op ce voortekenen van Zijn komst, maar ondertussen te luisteren in Gods Woord of we Zijn voetstappen al horen. Want Hij komt. We zijn er bijna, maar nog niet helemaal!

Als dat geen zegen is.

Psalm 103 -17-:

Loflied op Gods genade

1 Een psalm van David.
Loof de HEERE, mijn ziel,
en al wat in mij is, Zijn heilige Naam.

2 Loof de HEERE, mijn ziel,
en vergeet niet een van Zijn weldaden.

3 Die al uw ongerechtigheid vergeeft,
Die al uw ziekten geneest,

4 Die uw leven verlost van het verderf,
Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid,

5 Die uw mond Letterlijk: uw sieraad. verzadigt met het goede,
uw jeugd vernieuwt als die van een arend.

6 De HEERE doet rechtvaardige daden
en recht aan alle onderdrukten.

7Hij heeft aan Mozes Zijn wegen bekendgemaakt,
aan de nakomelingen van Israël Zijn daden.

8 Barmhartig en genadig is de HEERE,
geduldig en rijk aan goedertierenheid.

9 Hij zal niet voor altijd ter verantwoording roepen,
niet voor eeuwig handhaaft Hij Zijn toorn.

10 Hij doet ons niet naar onze zonden
en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.

11 Want zo hoog de hemel is boven de aarde,
zo is Zijn goedertierenheid machtig over wie Hem vrezen.

12 Zo ver het oosten is van het westen,
zo ver heeft Hij onze overtredingen van ons gedaan.

13 Zoals een vader zich ontfermt over zijn kinderen,
zo ontfermt de HEERE Zich over wie Hem vrezen.

14 Want Híj weet wat voor maaksel wij zijn
en blijft bedenken dat wij stof zijn.

15 De sterveling – zijn dagen zijn als het gras,
als een bloem op het veld, zo bloeit hij.

16 Wanneer de wind erover is gegaan, is hij er niet meer
en zijn plaats kent hem niet meer.

17 Maar de goedertierenheid van de HEERE
is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over wie Hem vrezen.
Zijn gerechtigheid is voor de kinderen van hun kinderen,

18 voor wie Zijn verbond in acht nemen
en aan Zijn bevelen denken om ze te doen.

19 De HEERE heeft Zijn troon in de hemel gevestigd,
Zijn Koninkrijk heerst over alles.

20 Loof de HEERE, u, Zijn engelen,
sterke helden, die Zijn woord uitvoeren,
gehoorzaam aan het woord dat Hij spreekt. Letterlijk: de stem van Zijn woord.

21 Loof de HEERE, al Zijn legermachten,
dienaren van Hem, die Zijn welbehagen doen.

22 Loof de HEERE, al Zijn werken,
op alle plaatsen van Zijn heerschappij.

Loof de HEERE, mijn ziel!

In de verzen 15-16 weidt David uit over de zwakheid en vergankelijkheid van de mens. Het zijn overbekende woorden die vaak worden geciteerd bij een overlijden. Vooral wanneer de overledene jong is.

De mens is slechts een “sterveling” met een kortstondig bestaan op aarde. De korte duur en de snel verwelkende pracht ervan stelt hij als volgt voor: “Zijn dagen zijn als het gras, als een bloem op het veld, zo bloeit hij” (vgl. Js 40:71Pt 1:24Ps 90:5-6).

Toen ik nog een jong kereltje was dacht ik zo ongeveer dat ik het eeuwige leven bij wijze van spreken had. Hier op aarde althans. En wanneer ik in mijn plakboek naar de foto’s uit die tijd… enfin, u moet het maar eens doen, dan kom je er achter dat de woorden uit Psalm 103 voluit waar zijn.

Mijn en ons leven is zo broos, dat een zuchtje wind hem wegblaast (vers 16). Het gaat hier om de hete, verschroeiende woestijnwind uit het oosten van Israël, waardoor binnen enkele uren alles is verschroeid. Dan “is hij er niet [meer] en zijn plaats kent hem niet meer”. Hij is voorgoed uit het zicht verdwenen zonder een spoor van zijn eerdere aanwezigheid na te laten.

Misschien maken deze woorden u een beetje mismoedig. En inderdaad, het leven zoals we dat nu leven is kort. Hoe oud we misschien ook worden of zijn. Ik moet ineens weer denken aan een verhaal van iemand die met zijn vader naar het ziekenhuis ging om de uitslag van de onderzoeken die plaatsgebonden hadden te horen. De arts had een vervelende boodschap voor de vader: Hij had nog maar een korte tijd te leven. Warop de vader opstond om de arts te bedanken voor deze goede boodschap met de woorden: Wat een geweldige boodschap, ik wacht ik al mijn hele leven op om naar Hem toe te gaan! Snapt u? Over omdenken gesproken.

Tegenover ce kortstondigheid van het leven staat “de goedertierenheid van de HEERE” (vers 17). Die is niet vluchtig, tijdelijk, voorbijgaand, “maar … van eeuwigheid en tot eeuwigheid over wie Hem vrezen. Het is een eigenschap van Hem Die de Eeuwige is. Aan Zijn goedertierenheid komt nooit een einde. Eerder is van Zijn goedertierenheid gezegd dat die in haar ruimte onmetelijk, onbevattelijk is (vers 11). En zo is het ook. En ik zeg het nog een keer om het goed tot ons door te laten dringen zo aan het begin van deze ochtend. En het zijn de woorden van de Eeeuwige God die Hij vanmorgen tot u, jou en mij richt, heel persoonlijk: ‘de goedertierenheid van de HEERE is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over wie Hem vrezen’. Aan Zijn goedertierenheid komt nooit een einde. Zijn goedertierenheid is onmetelijk, onbevattelijk is (vers 11).

En over wie strekt ze zich uit? “Over wie Hem vrezen.”  En al eerder tijdens dit programma tonden we stil bij het onderwerp over de vreze des Heeren. En we zagen toen dat het hebreeuwse woord voor ‘vrezen’ duidt op genegenheid en nabijheid.

Dit kenmerkt de gelovige. Het is het bewijs van nieuw leven. Zij zijn het eeuwige voorwerp van Zijn goedertierenheid.

Als dat geen zegen is.

Psalm 103 -18-: Over gerechtigheid gesproken

15 De sterveling – zijn dagen zijn als het gras,
als een bloem op het veld, zo bloeit hij.

16 Wanneer de wind erover is gegaan, is hij er niet meer
en zijn plaats kent hem niet meer.

17 Maar de goedertierenheid van de HEERE
is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over wie Hem vrezen.
Zijn gerechtigheid is voor de kinderen van hun kinderen,

18 voor wie Zijn verbond in acht nemen
en aan Zijn bevelen denken om ze te doen.

 

In de derde regel van vers 17 gaat het niet over de goedertierenheid van de HEERE, maar over “Zijn gerechtigheid”.

Maar de goedertierenheid van de HEERE
is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over wie Hem vrezen.
Zijn gerechtigheid is voor de kinderen van hun kinderen

Goedertierenheid en gerechtigheid zijn nooit met elkaar in strijd. Goedertierenheid is gebaseerd op gerechtigheid. En wanneer ik nadenk over Gods gerechtigheid dan gaan mijn gedachten onwillekeurig naar Golgotha, waar Gods toorn zonder terughouden werd uitgestort over Jezus/Jeshua. Dat wat ik verdiende, heeft Hij voor mij gedragen. En niet alleen voor mij, maar ook voor u en jouw.

Wat een onvoorzstelbare zegen hebben we hier bij wijze vanmorgen al te pakken. Jezus/Jeshua heeft de straf op mijn en uw zonden gedragen. Vader heeft recht gedaan. De straf op de zonde is de dood. En Hij is de dood ingegaan. Voor u en jou, wie je ook bent. En goedertierenheid blijft over voor u en voor mij. Als dat geen zegen is..

Maar daar blijft het niet bij: Het is ook voor ‘de kinderen van hun of onze kinderen’. Let op hoor, deze woorden zijn in eerste instantie bedoeld voor het volk van Israel maar zijn ook tot ons gericht. Het gaat hier over de navolgende generaties.

De volgende generaties zullen Gods “verbond in acht nemen en aan Zijn bevelen denken om ze te doen” (vers 18)

Zij zullen dat doen en daardoor laten zien dat ze zich voor Hem hebben gebogen met belijdenis van hun zonden. Zij hebben een nieuwe natuur gekregen, waardoor zij Hem zullen gehoorzamen. Van nature kan de mens dat niet en wil hij dat ook niet (Rm 8:6-8). Hij kan het alleen als hij een nieuw hart heeft (vgl. Ez 36:25-27).

Vers 19 begint met “de HEERE” waardoor de nadruk op Zijn Persoon ligt. Die Persoon is zo heerlijk, dat het aanleiding is tot de hiernavolgende viervoudige lofprijzing. Dat is niet meer om wat Hij deed (verzen 2-18), maar nu, net als in vers 1, om wie Hij is.

Het gedeelte van de verzen 19-22 begint en eindigt met Zijn heerschappij. Dat de goedertieren God ook de heersende God is, wordt onderstreept door de opmerking dat Hij “Zijn troon in de hemel gevestigd” heeft (vers 19). Dat is nu, in deze tijd, het geval en zal ook in het vrederijk zo zijn. Een gevestigde troon is een vaste, onwankelbare troon. Hij verandert niet in Zijn regering. Tijdens het vrederijk zal Zijn troon ook op aarde staan. In die tijd heerst “Zijn Koninkrijk … over alles” in de hemel en op de aarde.

20 - 22 Loof de HEERE

20 Loof de HEERE, [u], Zijn engelen,
sterke helden, die Zijn woord uitvoeren,
gehoorzaam aan het woord dat Hij spreekt.
21 Loof de HEERE, al Zijn legermachten,
dienaren van Hem, die Zijn welbehagen doen.
22 Loof de HEERE, al Zijn werken,
op alle plaatsen van Zijn heerschappij.
Loof de HEERE, mijn ziel!

Wanneer de tijd is aangebroken dat het koninkrijk van de HEERE over alles heerst, volgt er een oproep aan allen en alles om de HEERE te loven. De eersten die worden opgeroepen om Hem te loven zijn “Zijn engelen, sterke helden, die Zijn woord uitvoeren, gehoorzaam aan het woord dat Hij spreekt” (vers 20). Zij staan dicht bij Hem. Ze zijn ‘sterke helden’, die zonder enige tegenwerping in gehoorzaamheid het woord uitvoeren dat Hij spreekt. Zij worden uitgezonden tot dienst van hen die de behoudenis verwachten (Hb 1:14).

Na de oproep tot de engelen die uitvoerders zijn van Zijn woord, wordt de kring van hen die worden opgeroepen de HEERE te loven uitgebreid tot “al Zijn legermachten” (vers 21). Zijn legermachten zijn alle hemelse legermachten. Behalve uitvoerders van Zijn woord zijn er ook engelen die speciale zorg voor de handhaving van Gods heiligheid hebben, zoals cherubs. Er is ook sprake van serafs (Js 6:2). Alle engelen zijn sterke helden. Wat moet een legermacht van engelen dan wel voor enorme kracht bezitten. Maar zij staan allemaal onder het opperbevel van de HEERE en slechts “dienaren van Hem, die Zijn welbehagen doen”.

Ten slotte worden “al Zijn werken, op alle plaatsen van Zijn heerschappij” opgeroepen Hem te loven (vers 22). Hier is de kring van Godlovers uitgebreid tot het hele universum. Er is immers geen gebied in het universum dat niet onder Zijn heerschappij valt.

We vinden deze lofprijzingen terug in Openbaring 5: eerst de engelen (Op 5:12), dan alle schepselen (Op 5:13) en ten slotte de aanbidding zonder woorden van de oudsten, dat zijn de gelovigen (Op 5:14). In Psalm 103 vinden we twee keer de engelen (verzen 20-21), dan alle schepselen (vers 22a) en ten slotte de psalmist (vers 22b).

De laatste regel van vers 22 maakt het weer persoonlijk. Alles en iedereen zal Hem loven, maar doe ik het ook? Voor de psalmist is het geen vraag. Hij besluit waarmee hij deze psalm in vers 1 is begonnen: de oproep aan zijn ziel om de HEERE te loven. De HEERE is het eeuwig waard.

Psalm 103 -19-: Over God’s gerechtigheid voor de kleinkinderen gesproken

14Want Híj weet wat voor maaksel wij zijn
en blijft bedenken dat wij stof zijn.

15 De sterveling – zijn dagen zijn als het gras,
als een bloem op het veld, zo bloeit hij.

16Wanneer de wind erover is gegaan, is hij er niet meer
en zijn plaats kent hem niet meer.

17Maar de goedertierenheid van de HEERE
is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over wie Hem vrezen.
Zijn gerechtigheid is voor de kinderen van hun kinderen,

Over God’s gerechtigheid voor de kleinkinderen gesproken
Vandaag willen we nadenken over deze laatste woorden: Zijn gerechtigheid is voor de kinderen van hun kinderen. En het is goed om elkaar er aan te herinneren dat deze woorden van David uit Psalm 103 allereerst gericht zijn tot het volk van Israel.

In de voorbereiding op deze uitzending kwam ik terecht bij John Charles Ryle. Hij weerd geboren in 1816 en stierf in 1900 op 84 jarige leeftijd. Hij was een bisschop in de Anglicaanse Kerk. Op 64-leeftijd werd hij bisschop in Liverpool. In de verkondiging van het Woord stond Ryle in de reformatorische traditie. Nu denkt u misschien: Wat krijgen we nu, een reformatorische leer op Radio Israel. Maar ik wil u uitnodigen voor u de radio uitzet om te luisteren wat hij te zeggen heeft over God’s gerechtigheid die voor de kinderen van hun kinderen is aan de hand van de woorden uit Romeinen 11 vers 26: 'En alzo zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.

Dit is een van de belangrijke onvervulde profetieën van de Heilige Schrift. Meer dan achttien eeuwen -inmiddels zijn dat 20 eeuwen- zijn voorbijgegaan sinds Paulus dit heeft geschreven. Gedurende die periode hebben er vele ongelooflijke en onverwachte gebeurtenissen plaatsgevonden. Vaak is de wereld op haar kop gezet en in verwarring gebracht. Keizerrijken en koninkrijken zijn opgekomen en ten val gekomen. Natiën en volkeren zijn verworden en verdwenen. Zichtbare kerken zijn verdwenen en hun kandelaren zijn weggenomen. Maar tot op dit moment is Paulus' profetie, dat geheel Israël zalig zal worden, onvervuld gebleven.

Voor een eenvoudig mens, die bewaard is gebleven voor traditionele uitleg, lijken deze woorden erg simpel. Het is niet zoals in het gezicht van Ezechiël, een duister en onbegrijpelijk iets. Het is niet iets waarvan we, net als Daniël dat deed van een ander gezicht, zouden kunnen zeggen, 'Ik hoorde het, maar verstond het niet.' Het komt niet tot ons door middel van symbolen, zoals de bazuinen, zegels, fiolen en beesten in de Openbaring, waarover men het waarschijnlijk tot de wederkomst van Christus niet eens zal worden en waarnaar zelfs de knapste uitleggers slechts kunnen gissen. Niets van dat alles!

De zin 'En alzo zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob’is een eenvoudig uitgesproken bewering en ik geloof zonder meer, dat hij precies betekent wat hij lijkt te betekenen.

Laten we deze zin eens ontleden. 'En alzo': dat betekent, 'En dan, en dan ten laatste.' Het is meer een uitdrukking van tijd, en niet van de wijze waarop. Het is als in Handelingen 7:8: 'En alzo gewon hij (Abraham) Izak'; en in 1 Thessalonicencen 4:17: 'En alzo zullen wij altijd met den Heere wezen.'

'Israël zal zalig worden': dat wil zeggen de Joodse natie en het Joodse volk. Alle 12 stammen. Het kan onmogelijk op de heidenen betrekking hebben, omdat zij in de voorafgaande tekst genoemd worden, in directe tegenstelling tot de Joden: 'Dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn' (Rom. 11:25).

'Geheel Israël': dat wil zeggen het gehele volk. Dat kan niet slaan op een klein verkoren overblijfsel. Met name in dit hoofdstuk worden de Joodse natie en de verkiezing uit Israël in tegenoverstelling van elkaar genoemd. 'Hetgeen Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen; maar de uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden' (Rom. 11:7).

'Zal zalig worden': dat wil zeggen dat ze zalig zullen worden, dat hun ogen geopend zullen worden en zij in de ware Messias zullen geloven. Dat ze verlost en weer in de gunst van de Heere hersteld worden. Dat ze een heilig volk zullen worden en tot een zegen voor de wereld zullen zijn. Dit wat de interpretatie van de tekst betreft.

Tot zover J.C. Ryle.

Ziet u dat een man die meer dan 200 jaar geleden in de traditie van de kerk stond al zoveel oog had en zo’n gegronde hoop had op de toekomst van Israel? Geweldig toch? Wat is de kerk dan in de eeuwen er na veel kwijt geraakt in de vervangingstheologie. Maar niet getreurd:

de goedertierenheid van de HEERE
is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over wie Hem vrezen.
Zijn gerechtigheid is voor de kinderen van hun kinderen,

Als dat geen zegen is.

We gaan luisteren naar de Aaronitische zegen, gezongen door Joshua Aaron.

https://www.youtube.com/watch?v=kzqrWae5lK4

Psalm 103 -20-: Over koningschap gesproken

14Want Híj weet wat voor maaksel wij zijn
en blijft bedenken dat wij stof zijn.

15 De sterveling – zijn dagen zijn als het gras,
als een bloem op het veld, zo bloeit hij.

16Wanneer de wind erover is gegaan, is hij er niet meer
en zijn plaats kent hem niet meer.

17Maar de goedertierenheid van de HEERE
is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over wie Hem vrezen.
Zijn gerechtigheid is voor de kinderen van hun kinderen,

18voor wie Zijn verbond in acht nemen
en aan Zijn bevelen denken om ze te doen.

19De HEERE heeft Zijn troon in de hemel gevestigd,
Zijn Koninkrijk heerst over alles.

20 Loof de HEERE, [u], Zijn engelen,
sterke helden, die Zijn woord uitvoeren,
gehoorzaam aan het woord dat Hij spreekt.

21 Loof de HEERE, al Zijn legermachten,
dienaren van Hem, die Zijn welbehagen doen.

22 Loof de HEERE, al Zijn werken,
op alle plaatsen van Zijn heerschappij.

Loof de HEERE, mijn ziel!

Over koningschap gesproken
Vanmorgen willen we een begin maken om met elkaar stil te staan bij bij het laatst gelezen gedeelte van de psalm.

Vers 19 begint met “de HEERE” , JHWH, waardoor de nadruk op Zijn Persoon ligt. In de daarop volgende verzen wordt Zijn Naam, JHWH, de aanwezige steeds opnieuw weer genoemd. Hij is zo geweldig, dat het voor de dichter van de Psalm, David, aanleiding is tot een viervoudige lofprijzing. Dat is niet meer om wat Hij deed en zal doen zoals we in alle voorgaande verzen lazen en maar nu, net als in vers 1, om wie Hij is.

Het gedeelte van de verzen 19-22 begint en eindigt met Zijn heerschappij. Dat de goedertieren God ook de heersende God is, wordt benadrukt door de opmerking dat Hij “Zijn troon in de hemel gevestigd” heeft (vers 19).

Dat is nu, in deze tijd, het geval en zal ook in de zeer nabije toekomst ook zo zijn. Een gevestigde troon is een vaste, onwankelbare troon. Hij verandert niet in Zijn regering. En ik geloof met heel mijn hart dat zal Zijn troon binnen niet al te lange tijd ook op aarde zal staan. In die tijd heerst “Zijn Koninkrijk … over alles”  zoals we lezen in de Psalm. In de hemel en op de aarde.

Wanneer de tijd is aangebroken dat het koninkrijk van de HEERE over alles heerst, volgt er een oproep aan allen en alles om de HEERE te loven. De eersten die worden opgeroepen om Hem te loven zijn “Zijn engelen, sterke helden, die Zijn woord uitvoeren, gehoorzaam aan het woord dat Hij spreekt” (vers 20). Zij staan dicht bij Hem. Ze zijn ‘sterke helden’, die zonder enige tegenwerping in gehoorzaamheid het woord uitvoeren dat Hij spreekt. Zij worden uitgezonden tot dienst van hen die de behoudenis verwachten.

In Hebreen 1 vers 14 lezen we over deze engelen:
En tegen wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden neergelegd heb als een voetbank voor Uw voeten? Zijn zij niet allen dienende geesten, die uitgezonden worden ten dienste van hen die de zaligheid zullen beërven?

Na de oproep tot de engelen die uitvoerders zijn van Zijn woord, wordt de kring van hen die worden opgeroepen de HEERE te loven uitgebreid tot “al Zijn legermachten” (vers 21). Zijn legermachten zijn alle hemelse legermachten. Behalve uitvoerders van Zijn woord zijn er ook engelen die speciale zorg voor de handhaving van Gods heiligheid hebben, zoals cherubs. Er is ook sprake van serafs (Js 6:2). Alle engelen zijn sterke helden. Wat moet een legermacht van engelen dan wel voor enorme kracht bezitten. Maar zij staan allemaal onder het opperbevel van de HEERE en slechts “dienaren van Hem, die Zijn welbehagen doen”.

Ten slotte worden “al Zijn werken, op alle plaatsen van Zijn heerschappij” opgeroepen Hem te loven (vers 22). Hier is de kring van Godlovers uitgebreid tot het hele universum. Er is dan geen gebied in het hele universum, in zijn hele schepping meer, dat niet onder Zijn heerschappij valt.

We vinden hiervan ook iets terug in Openbaring 5: En elk schepsel dat in de hemel, op de aarde, onder de aarde en op de zee is, en alles wat daarin is, hoorde ik zeggen: Aan Hem Die op de troon zit, en aan het Lam zij de dankzegging, de eer, de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. En de vier dieren zeiden: Amen. En de vierentwintig ouderlingen wierpen zich neer en aanbaden Hem Die leeft in alle eeuwigheid.

De laatste regel van vers 22 maakt het weer heel persoonlijk: Loof de HEERE, mijn ziel!

Alles en iedereen zal Hem loven. Maar weet u, we hoeven echt niet te wachten tot deze tijd aanbreekt. We mogen daar vandaag, vanmorgen al mee beginnen of doorgaan hoor. Doet u mee? De schrijver van de Psalm besluit waarmee hij deze psalm in vers 1 is begonnen: de oproep aan zijn ziel om de HEERE te loven.

De zon komt op, maakt de morgen wakker
Mijn dag begint met een lied voor U.
Heer, wat er ook gebeurt en wat mij mag overkomen,
Laat mij nog zingen als de avond valt.

Loof de Heer, o mijn ziel.
O mijn ziel, prijs nu Zijn heilige Naam.
Met meer passie dan ooit,
O mijn ziel, verheerlijk Zijn heilige Naam.

Als dat geen zegen is.

https://www.youtube.com/watch?v=2pP0fcmBYck