Parasha Pekudei (Verslagen): Over Gods aanwezigheid
We lezen:
Exodus 38:21–40:38; 1 Koningen 7:51–8:21; Hebreeën 8:1–12
Inleiding
Ook deze week leven we weer mee met Israël in de woestijn. Vorige week, tijdens Parasha Vayakhel, zagen we dat het volk zoveel materialen voor de bouw van de Tabernakel (Mishkan) gaven, dat Mozes hen moest vertellen dat ze moesten stoppen met geven.
Deze week lezen we in de verslagen in Exodus dart er een overzicht gemaakt wordt van die materialen. Verder lezen we er over dat er acht priesterlijke gewaden worden gemaakt volgens de eerdere voorschriften die JHWH nota bene Zelf eerder had opgegeven. Verder zien we dat de Tabernakel is voltooid en er verschijnt de Adonai in de wolk boven de Tabernakel om met Zijn Goddelijke Aanwezigheid bij Zijn volk te komen wonen.
Als we daar maar even bij stilstaan, dan vervult ons dat met ontzag. Hij die oneindig grote God, die hemel en aarde gemaakt heeft, komt tussen Zijn volk wonen. Je zou bijna de woorden zoals Mozes die van de Heere God kreeg bij de brandende braambos, ook hier van toepassing laten zijn: Doe de schonen van je voeten, want de plaats waarop wij staan is heilig land!
De glorie van God
In dit gedeelte van de Schrift, Parasha Pekudei, gaat over het mysterie hoe de onbegrensde, eeuwige God, die alle tijd en ruimte overstijgt, woont (je u leest het goed, woont) binnen de beperkingen van een door de mens gemaakte tent.
We lezen in Exodus 40:34 de ontzagwekkende woorden: “Toen overdekte de wolk de tent van ontmoeting, en de heerlijkheid van de HEERE vervulde de tabernakel, zodat Mozes de tent van ontmoeting niet kon binnengaan, omdat de wolk daarop bleef en de heerlijkheid van de HEERE de tabernakel vervulde.”
Het woord voor ‘heerlijkheid’ is kavod; het is verwant aan het Hebreeuwse werkwoord kaved, wat eren, geëerd worden en zwaar zijn betekend.
Als we iemand kaved geven, betekent dit dat we ze eer of respect geven. Ditzelfde woord wordt gebruikt in de Tien Geboden: "Eer [kaved] uw vader en uw moeder." (Exodus 20:12)
In deze Torah-lezing koos God ervoor om Zijn heerlijkheid (in de Joodse literatuur bekend als Shekhinah in de eindige ruimte van het heiligdom te plaatsen.
En terwijl de kinderen van Israël verder trokken vanaf de voet van de berg Sinaï, waar ze de openbaring van de wet (Thora) ontvingen, trok de Heere God in de vorm van een wolk- en een vuurkolom met hen mee om de tabernakel te bedekken.
Dit teken verzekerde het volk van Zijn voortdurende aanwezigheid en leiding tijdens de rest van hun reis.
“Want de wolk van de HEERE was overdag boven de tabernakel, en des nachts was er vuur daarin, voor de ogen van het gehele huis van Israël, op al hun tochten.” (Exodus 40:38)
En wij?
Wanneer ik dit zo lees, dan kan ik een gevoel van weemoed niet onderdrukken. Wat zal het voor het volk geweest zijn om op deze manier getuige geweest te zijn van Gods aanwezigheid. Waarheen zij ook trokken, hij was er bij. Hun hele lange woestijnreis.
Maar wacht eens… Wanneer wij tot het geloof in de Heere Jezus, in Yeshua, gekomen zijn, zegt Hij dan niet dat Hij niet bij ons woont in een tent, maar dat Hij in ons woont?
Toen de Yeshua het over de komst van de Heilige Geest had, zei Hij: “Te dien dage zult gij weten dat Ik in mijn Vader ben en gij in Mij en Ik in u” (Johannes 14:20).
Hoe we ons dit nu precies moeten voorstellen, weet ik niet, maar het spreekt in ieder geval van een zeer intieme relatie. God in ons…
In vers 23 zegt Jezus het zo: “Indien iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn Woord bewaren en mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen.” Hier lezen we dus letterlijk dat God de Vader en God de Zoon door God de Heilige Geest in ons komen wonen. Dit gaat ons bevattingsvermogen ver te boven
Zo schrijft Paulus in 1 Korintiërs 6:19 dat door het geloof in de Here Jezus ons lichaam een tempel van de Heilige Geest geworden is, ‘die in ons woont’. Later schrijft hij aan de gemeente in Efeze: 'Opdat Christus door het geloof in uw harten woning make’ (Efeze 3:17).
Op dezelfde manier zal Yeshua (Jezus) altijd bij ons zijn. Hij beloofde:“Ik ben altijd bij jullie, tot aan het einde van de wereld.” (Mattheüs 28:20)
We hoeven we niet doelloos rond te dobberen op een door stormen geteisterde zee van beproevingen en tegenslagen; de Ruach HaKodesh (Heilige Geest) is gezonden om ons te leiden en te begeleiden en om voor altijd bij ons te zijn.
“Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een andere Helper geven, opdat Hij bij u zij tot in eeuwigheid.” (Johannes 14:16).
Net zoals het volk Israel dat verder trok door de woestijn van hun leven in aanwezigheid van de Heere God in de vorm van een wolk- en een vuurkolom met hen mee om de tabernakel te bedekken, mogen ook zij, die Hem toebehoren weten dat ook Hij met ons optrekt door de woestijn van ons leven.
God is ook trouw aan het werk in ieder van ons. Hij zal het werk dat Hij in ons begon voltooien.“In het vertrouwen dat Hij, Die in u een goed werk begonnen is, het ook zal voltooien tot op de dag van Messias Yeshua.” (Filippenzen 1:6)
Wanneer we aan het einde van ons leven komen, zelfs als het lijkt alsof er nog veel werk te doen is hier op aarde, mogen we dan net als de apostel Paulus verklaren: “Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop ten einde gebracht, ik heb het geloof behouden. Verder is voor mij weggelegd de krans van de rechtvaardigheid die de Heere, de rechtvaardige Rechter, mij op die dag geven zal. En niet alleen mij, maar ook allen die Zijn verschijning hebben liefgehad. (2 Timotheüs 4:7-8).
Zo dan vertroost elkaar met deze woorden.
Reactie plaatsen
Reacties