Uitzending d.d. 29 januari 2024
Psalm 139 -33-:
Over een gewaagd gebed gesproken
23 Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart,
beproef mij en ken mijn gedachten.
24 Zie of er bij mij een schadelijke weg - Of: een weg van smart. Is
en leid mij op de eeuwige weg.
Over een gewaagd gebed gesproken
We zijn toegekomen aan de slotwoorden van deze indrukwekkende psalm, waarin we samen de met dichter van de Psalm, David, als het ware hoogte- en dieptepunten hebben gezien en beleefd. Gezien hebben dat onze Schepper en Maker ons tot in de finesses gemaakt heeft en jou en mijn diepste wezen kent, omdat Hij ons gemaakt heeft. Zo begon de Psalm ook met de woorden:
HEERE, U doorgrondt en kent mij.
2 Ú kent mijn zitten en mijn opstaan,
U begrijpt van verre mijn gedachten.
3 U onderzoekt mijn gaan en mijn liggen,
Des te opmerkelijker is het dan ook dat de psalm eindigt met woorden van dezelfde strekking zoals we die gelezen hebben. Hij kent ons allemaal; of we het nu leuk vinden of niet.
Het is daarom bijzonder om dit gebed te vinden als het hoogtepunt van de hele overdenking van de psalmist. Het gebed is in feite het verlangen van de dichter en de gelovige en misschien ook wel van u, jou en mij naar puurheid, naar zuiverheid.
Tenzij je niet lekker of fanatiek bent, zul je Davids vraag om hem te doorgronden niet zonder veel aarzeling herhalen. Dit is geen toevallige wens. Wil je echt dat God je hart doorzoekt? Wil je echt dat Hij elke steen omdraait, elk klein detail onderzoekt, in elke kast van je hart kijkt? Het idee alleen al brengt velen tot pure paniek. Natuurlijk weten we al dat God het allemaal weet. Maar meestal ontkennen we de realiteit van Zijn kennis. We doen alsof onze geheimen veilig zijn weggestopt - totdat we vandaag iemand als David ontmoeten.
David lijkt wel gek. Hij was een man voor die zich schuldig maakt aan immense trots (resulterend in de dood van duizenden), luiheid (thuisblijven van gevechten), overspel, bedrog, moord en een doofpotaffaire - stel je voor dat zo'n man God vraagt om zijn hart te doorzoeken.
Denk je niet dat David enig idee had wat God zou vinden? Denk je niet dat hij nacht na nacht huilde over zijn zonden, bang om in de spiegelende poel te kijken uit angst dat hij een man zou zien die veroordeeld was door zijn eigen lusten? Als de Psalmen een indicatie zijn van de innerlijke kwelling die David in zijn slechtste uren achtervolgde, dan weten we dat hij een man was die enorme emotionele pijn ervoer. Waarom zou zo'n man vragen voor Gods chirurgisch onderzoek zoals hij dat doet in de woorden van Psalm 139 die we zojuist gelezen hebben
Het Hebreeuwse werkwoord is voor doorgronden is haqar. Het wordt gebruikt in militaire toepassingen voor het verkennen van vijandelijk gebied. Het wordt gebruikt om het zoeken naar de waarheid achter iets te beschrijven. En natuurlijk wordt het hier gebruikt om God te vragen de schuilhoeken van mijn geheime leven open te snijden.
Elke verslaafde weet dat de kracht van de verslaving in de geheimen zit. Aan het licht gebracht, verdampt de kracht. Maar o, wat is het pijnlijk om deze vernederende geheimen aan het licht te brengen! Hoeveel egoverlies moet er optreden om licht te brengen op onze diepe, donkere geheimen? Op een keer werd David gedwongen zijn daden onder ogen te zien. Die les is hem zijn hele leven bijgebleven. Nu zegt hij: "Heer, ik onderwerp mezelf aan een operatie. U weet precies hoe ik ben. U weet precies waar ik nog steeds vasthoud aan persoonlijke trots en/of zondige ontkenning. Dus, Heer, snijd in mij. Zoek naar een indicatie dat er nog steeds sprake is van ziek denken en een zieke houding. En, Heer, in Uw oneindige genade, neem het van mij weg."
David weet dat het pijn zal doen. Dat doet het altijd. Biechten zonder pijn is niets meer dan lippendienst. God zal het niet pikken. Dat zou jij ook niet moeten doen. Zonder bekentenis zal ik sterven. Maar het deel van mij dat zal sterven, moet sterven als de rest van mij wil leven.
Mijn hoop is dat God de perfecte chirurg is. Dat is mijn enige, maar tegelijkertijd mijn vaste hoop!
En als dat geen zegen is.
Uitzending d.d. 26 januari 2024
Psalm 139 -32-: Over haat-teksten in de Bijbel gesproken -6 (en de laatste voor wat betreft dit onderwerp)
19 O God, breng de goddeloze om!
Mannen van bloed, ga weg van mij.
20 Want met listige plannen spreken zij over U
en zij zetten Uw vijanden aan tot valsheid.
21 Zou ik niet haten, HEERE, wie U haten,
walgen van wie tegen U opstaan?
22 Ik haat hen met een volkomen haat,
mijn eigen vijanden zijn het.
Over haat-teksten gesproken -6-
Op zoek naar de betekenis en hoe we de bovenstaande teksten moeten duiden hebben we in de afgelopen dagen met elkaar in alle voorzichtigheid aan de hand van de woorden van de Profeet Maleachi een poging gedaan een antwoord te formuleren.
Maleachi’s boodschap is duidelijk en ligt in lijn met die van de andere profeten. Er was sprake van verval op zedelijk, religieus en economisch gebied. Dit vloeide voort uit de afval van Gods wet en inzettingen. En let op de eerste aanwijzing: Zij die ontrouw waren zouden geoordeeld worden, terwijl de getrouwen zouden worden gespaard en beloond. Zoals altijd ging de waarschuwing gepaard met de onverwrikbare heilsbeloften (!) van God. Want wat Paulus later schreef in Romeinen 3:3 blijft waar: “Wat toch is het geval? Als sommigen ontrouw zijn, zal dan hun ontrouw de trouw van God tenietdoen? Volstrekt niet!” God is getrouw en Zijn plannen falen niet.
Want door het boek Maleachi heen mogen we iets zien van de aard van de Heere God terug. Hoe Hij is en hoe hij handelt. In de afgelopen dagen zagen we aan de hand van Maleachi 1 al in het tweede vers dat de Heere God de Liefhebbende is.
Want lazen we daar: Ik heb u liefgehad, zegt de HEERE, maar u zegt: Waarin hebt U ons liefgehad? Was Ezau niet de broer van Jakob? spreekt de HEERE. Toch heb Ik Jakob liefgehad. Dat staat bovenaan dat is als het ware de grondhouding van de HEERE God. Hij heeft zijn schepsel, Hij heeft de mens lief.
Het tweede wezenskenmerk van de HEERE God is dat Hij een liefhebbende Vader is We lazen daarover in hoofdstuk 1 vers 6: Een zoon eert zijn vader en een slaaf zijn heer. Als Ik dan een Vader ben, waar is de eerbied voor Mij? En let daarbij vooral ook op de laatste woorden van deze tekst: Waar is de eerbied voor Mij?
Het derde aspect is dat Hij de Schepper, de Maker van de mens en van jou en mij is. En zeg nou eerlijk, Zou een Maker zijn Eigen werk, nota bene Zijn eigen Maaksel niet liefhebben? We lazen in Maleachi 2 vers 10: Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen? Waarom handelen wij dan trouweloos, eenieder tegen zijn broeder, door het verbond met onze vaderen te ontheiligen? Zien we in deze tekst al niet iets van een antwoord ontstaan op het dilemma van de haat-teksten in Psalm 139? Ongehoorzaamheid, verbrekers van het verbond tussen Israel en hum Maker?
Toen we verder lazen in hoofdstuk 2 vers 11 tot en met 14 lazen we de woorden:
11 Juda handelt trouweloos en er wordt een gruweldaad begaan in Israël en in Jeruzalem. Want Juda ontheiligt het heilige van de HEERE, dat Hij liefheeft: hij is met de dochter van een vreemde god getrouwd. 12 Moge de HEERE eenieder die dat doet, uitroeien uit de tenten van Jakob, wie waakt en wie antwoordt, zelfs wie een graanoffer brengt aan de HEERE van de legermachten. 13 In de tweede plaats doet u dit: het altaar van de HEERE bedekken met tranen, met geween en gekerm, omdat Hij Zich niet langer tot het graanoffer wendt en dat in welgevallen uit uw hand aanneemt. 14 Dan zegt u: Waarom? Omdat de HEERE Getuige is tussen u en de vrouw van uw jeugd, tegen wie ú trouweloos handelt, terwijl zíj toch uw metgezellin en de vrouw van uw verbond is.
In dit gedeelte zien we dus dat de HEERE God er Getuige van is geweest dat Zijn vrouw Israel trouweloos, dus niet trouw geweest is en een gruweldaad begaan heeft en zich ontheiligd heeft door haar Man, de HEERE God te verlaten en met een vreemde god te trouwen. Er blijkt dus overspel in het spel te zijn. En Hij heeft het allemaal als Getuige onder Zijn ogen zien plaatsvinden. Snap je iets van de verbijsterende verontwaardiging van de HEERE God? Zoals verwoord in Psalm 139?
Maar dan lezen we ook de woorden in hoofdstuk 3 vers 10, want het is niet allemaal bij wijze van spreken kommer en kwel. Want bij de HEERE God is er altijd sprake van vergeving, van een tweede kans, van genade. We lazen dat de HEERE God immers ook een Beloner is in hoofdstuk 3:
6 Want Ík, de HEERE, (weet je nog, Ik de Liefhebbende) ben niet veranderd,
ú, kinderen van Jakob, bent daarom niet omgekomen. 7 Sinds de dagen van uw vaderen bent u afgeweken van Mijn verordeningen, en hebt u ze niet in acht genomen. Keer terug naar Mij, en Ik zal naar u terugkeren, zegt de HEERE van de legermachten. Maar u zegt: In welk opzicht moeten wij terugkeren? 8 Zou een mens God beroven? Werkelijk, u berooft Mij! En dan zegt u: Waarvan beroven wij U? Van de tienden en het hefoffer! 9 U bent door de vloek getroffen, omdat u Mij berooft, als volk in zijn geheel. 10 Breng al de tienden naar het voorraadhuis, zodat er voedsel in Mijn huis is. Beproef Mij toch hierin, zegt de HEERE van de legermachten, of Ik niet de vensters van de hemel voor u zal openen, en zegen over u zal uitgieten, zodat er geen schuren genoeg zullen zijn.
Ook al is Israel afgeweken, overspel heeft gepleegd en de HEERE God te kort heeft gedaan en Hem niet gegeven heeft waar Hij recht op heeft, toch zal Hij, wanneer zij tot inkeer komen, overvloeiende genade schenken zo lezen we in dit gedeelte. Daarom: Beproef mij toch hierin. Dat gold voor Israel toen, duizenden jaren en geleden en ook nu nog. Maar het geldt ook jou en mij. Wanneer we bij wijze van spreken, net als de kinderen van Jacob, de HEERE God niet hebben erkend, een leven vol ongeloof achter de rug hebben, beproef Hem dan maar. Draai je om. Geef God waar Hij recht op heeft, je hart en je leven en Hij zal de hemel voor je openen staat er en zegen over je uitgieten, en je overvloeiende genade schenken, zodat je hart te klein zal zijn.
Want lazen we in Maleachi 4, de HEERE God is ook de Rechter. Luister maar:
1Want zie, die dag komt, brandend als een oven. Dan zullen alle hoogmoedigen en allen die goddeloosheid doen, stoppels worden. En de dag die komt, zal ze in vlam zetten, zegt de HEERE van de legermachten, Die van hen wortel noch tak zal overlaten. 2 Maar voor u die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan en onder Zijn vleugels zal genezing zijn; en u zult naar buiten gaan en dartelen als kalveren uit de stal.
Want, en daar eindigt deze overdenking rond dit thema mee, aan de hand van het laatste hoofstukje van de Profeet Maleachi, en daar eindigt ook het eerste -of oude testament meer, de HEERE God is ook de Verlosser. Van Israel, ook al zien we daar vandaag de dag nog helemaal niet van, maar ook van u en mij
Maleachi eindigt zijn profetie met een blijde boodschap. Met goed een Goed Bericht. Voor de gelovigen, is er een geweldige boodschap: “Maar voor u die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan en onder Zijn vleugels zal genezing zijn; en u zult naar buiten gaan en dartelen als kalveren uit de stal” (Mal. 4:2).
Terecht wordt het woord ‘Zon’ met een hoofdletter geschreven, want het gaat hier over de komst van de Messias, de Zoon van God, de Heere Jezus Christus. Hij is Degene in Wie en door Wie God de Verlosser is. Door het hele Oude Testament heen wordt Zijn komst aangekondigd. In Maleachi 3:1 zegt de HEERE: “Zie, Ik zend Mijn engel, die de weg voor mij bereiden zal.” Jesaja schreef in hoofdstuk 40, vers 3: “Een stem van iemand die roept in de woestijn: Bereid de weg van de HEERE, maak recht in de wildernis een gebaande weg voor onze God.”
Het zijn teksten die later worden toegepast op Johannes, de doper, die de komst van de Messias aankondigde. In de toekomst zal dit opnieuw gebeuren en dan door de profeet Elia, zoals Maleachi zegt in hoofdstuk 4:5. Zie, Ik zend tot u de profeet Elia voordat de dag van de HEERE komt, die grote en ontzagwekkende dag.
De Messias is gekomen, 2000 jaar geleden om het verlossingswerk te volbrengen, en Hij zal (terug)komen om dat werk te voleindigen. Aan het einde van Zijn eerste missie sprak Hij de gedenkwaardige woorden: “Het is volbracht”, en als Hij in de toekomst Zijn werken heeft afgerond, horen we uit Zijn mond: “Het is geschied” (Openb. 21:6).
Dan is de Zon der gerechtigheid opgegaan en maakt Hij alles nieuw. De verlossing is een feit. God heeft Zijn Woord gehouden en al Zijn beloften vervuld!
En als dat geen zegen is.
We zingen dank aan Hem voor alle wonderen die Hij heeft gedaan en voor alle wonderen die HIJ ZAL DOEN!"
Dit Hebreeuwse aanbiddingslied is gebaseerd op het "Lied van de Zee" geschreven door Mirjam & Mozes die de overwinning van God over de vijanden verkondigen! De strijd behoort onze God toe en de overwinning ook! Hij zal verheven worden onder de naties, de God van Abraham, Issac & Jacob, de God van Israël. Wij geloven dat de Messias Jesjoea, de Zoon van God, de Vredevorst is en dat Hij vrede kan brengen in de oorlog, Hij is de Heer van de hemelse legers.
De vijand is druk bezig met het verspreiden van haat en leugens, maar God is ook bezig om Zijn Koninkrijk te bevorderen en Zijn liefde in Zijn volk uit te storten. Joden en Arabieren zijn niet bedoeld om tegen elkaar te vechten, maar om de levende God SAMEN eer te geven.
Toen koning Josafat tegen de vijand vocht, plaatste hij de aanbidders voor het leger en riep uit: "HODU LAADONAI - Dank de Heer, want Zijn barmhartigheden duren eeuwig".
Prijs Adonai!
https://www.youtube.com/watch?v=wWskKG2f9VQ
Uitzending d.d. 25 januari 2024
Psalm 139 -31-: Over haat-teksten in de Bijbel gesproken -5-
19 O God, breng de goddeloze om!
Mannen van bloed, ga weg van mij.
20 Want met listige plannen spreken zij over U
en zij zetten Uw vijanden aan tot valsheid.
21 Zou ik niet haten, HEERE, wie U haten,
walgen van wie tegen U opstaan?
22 Ik haat hen met een volkomen haat,
mijn eigen vijanden zijn het.
Over haat-teksten gesproken -5-
Op zoek naar een verklaring voor de teksten die we zojuist met elkaar gelezen hebben stonden we aan de hand van e woorden van de Heere God, opgeschreven en uitgesproken door de profeet Maleachi stil bij het feit dat de Heere God Zich allereerst openbaard of laat zien als de Liefhebbende. Maar we zagen eveneens dat hij de Liefhebben de Vader is, de Liefhebbende Schepper, de liefhebbende Getuige en de liefhebbende Beloner van de getrouwen.
Deze keer willen we nadenken aan de hand van Maleachi 4:1 dat de Heere God de liefhebbende Rechter is.
De voorgaande keer eindigden we met de woorden uit Openbaring 3 vers 8. In de brief aan de engel der gemeente van Filadelfia (= broederliefde) zegt de opgestane en verheerlijkte Heer tegen de getrouwen: “Ik ken uw werken. Zie, Ik heb voor uw ogen een geopende deur gegeven en niemand kan die sluiten, want u hebt weinig kracht en toch hebt u Mijn Woord in acht genomen en Mijn Naam niet verloochend” (Openb. 3:8).
Maar dezelfde dag van de HEERE wordt ook genoemd in Maleachi 4 waar we lezen: “Want zie, die dag komt, brandend als een oven. Dan zullen alle hoogmoedigen en allen die goddeloosheid doen, stoppels worden. En de dag die komt, zal ze in vlam zetten, zegt de HEERE van de legermachten, Die van hen wortel noch tak zal overlaten.”
Hiermee worden we bepaald bij de eindtijd, waarin de geschiedenis van Israël en de volkeren op aarde wordt voleindigd. Het is de grote Dag waarop de Heere zal optreden en alle goddeloosheid zal oordelen, zowel in Israël als onder de heidenvolken. Het boek Openbaring doet daar als sluitstuk van alle oude profeten verslag van.
God is inderdaad de Liefhebbende Rechter, maar eveneens de rechtvaardige Rechter, Die hart en nieren beproeft, zoals we eerder in Psalm 139 al zagen, en ieder zal oordelen naar zijn of haar werken: “U bent rechtvaardig, HEERE, en al Uw oordelen zijn juist” (Ps. 119:137). Zijn rechtvaardigheid zal in de eindtijd ook worden erkend (zie Openb. 16:7 en 19:2).
Die oordelen zijn niet alleen een uitoefening van straf, maar hebben ook een louterend en reinigend effect. Zij zullen de gerechtigheid van God tonen en op die manier een les zijn voor de mensen op aarde. Jesaja schreef destijds:
“Met heel mijn ziel verlang ik naar U in de nacht, ja, met mijn geest diep in mij zoek ik U ernstig. Want wanneer Uw oordelen over de aarde komen, leren de bewoners van de wereld wat gerechtigheid is. Al wordt de goddeloze genade bewezen, hij leert niet wat gerechtigheid is: in een land van recht bedrijft hij onrecht en de hoogheid van de HEERE ziet hij niet” (Jes. 26: 9 en 10).
Welnu, dat laatste is in de afgelopen 2000 jaar van genade duidelijk gebleken. De mens(heid) is verder weg van God dan ooit!
Maar wat kan ik mij met zovelen elke dag verwonderen over het feit dat ik de Heere God heb mogen leren kennen. Wat zijn we bevoorrecht. Woorden komen daarvoor te kort. Wat een genade. En helemaal niets verdient. De straf, die ons de vrede aanbracht was op Hem!
Als dat geen zegen is.
https://www.youtube.com/watch?v=veO-wKXUAZg
Uitzending d.d. 24 januari 2024
Psalm 139 -30-: Over haat-teksten in de Bijbel gesproken -4-
19 O God, breng de goddeloze om!
Mannen van bloed, ga weg van mij.
20 Want met listige plannen spreken zij over U
en zij zetten Uw vijanden aan tot valsheid.
21 Zou ik niet haten, HEERE, wie U haten,
walgen van wie tegen U opstaan?
22 Ik haat hen met een volkomen haat,
mijn eigen vijanden zijn het.
23 Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart,
beproef mij en ken mijn gedachten.
24 Zie of er bij mij een schadelijke weg - Of: een weg van smart. Is
en leid mij op de eeuwige weg.
Over haat-teksten gesproken -4-
We willen ook vandaag weer verder nadenken over deze lastige teksten op zoek naar een antwoord. De voorgaande drie keren hebben we nagedacht over de eerste vier kenmerken van Gods geaardheid, Gods geaardheid en wezen: Zo zagen we dat God God de Liefhebbende is, de Liefhebbende Vader is, de Schepper is en de Getuige is van ons leven.
1:6 God is de Vader
2:10 God is de Schepper
2:14 God is de Getuige
We denken er over al deze aspecten na aan de hand van wat de Heere God aan de hand van het bijbelboekje Maleachi daarover zegt in relatie tot het volk Israel. Maar bij wijze van spreken ook over het hoofd van Israel heen tot u en mij anno nu.
Hoever Israël ook afdwaalde, God was er altijd en riep hen door de profeten op om zich te bekeren. Zich bij wijze van spreken om te draaien en het anders te doen en te denken dan voorheen. Om gehoorzaam te zijn en hun verplichtingen na te komen. In hoofdstuk 3:14 lezen we: “U zegt: God dienen is nutteloos! Wat voor nut heeft het dat wij onze taak ten behoeve van Hem vervullen en dat wij in het zwart gaan voor het aangezicht van de HEERE van de legermachten?”
Tja, de omstandigheden kunnen zodanig vervelend en uitzichtloos zijn, dat het leidt tot een soort neerslachtigheid: waar doen we het allemaal voor? En dan ligt het gevaar op de loer, dat er naar anderen gekeken wordt die zich niets aantrekken van God en Zijn gebod, en ogenschijnlijk toch een goed leven hebben. Je zou er jaloers van worden: “Welnu, wij prijzen de hoogmoedigen gelukkig: niet alleen worden zij die goddeloosheid doen, opgebouwd, zelfs als zij God beproeven, ontkomen zij” (Hosea. 3:15). Asaf worstelde ook met dat probleem (zie Ps. 73) en ook de Prediker heeft erover gesproken (zie bijv. Pred. 7:15).
Prediker 7:14 Geniet op de dag van voorspoed van het goede,
maar bedenk op de dag van tegenspoed
dat God zowel de ene als de andere gemaakt heeft,
zodat de mens niet kan doorgronden iets wat na hem zijn zal.
15. Dit alles heb ik gezien
in mijn vluchtige dagen:
er is een rechtvaardige die omkomt in zijn rechtvaardigheid,
en er is een goddeloze die bij al zijn slechtheid zijn dagen verlengt.
En als we heel eerlijk zijn, bij wie is deze gedachte niet eens naar boven gekomen? Juist in de dagen van tegenspoed? U mag het best weten hoor, ik wel. Toen mijn zaak failliet dreigde te gaan, toen onze zoon op jonge leeftijd stief en toen mijn vrouw Anja jaar in jaar uit ziek was?
Maar, wanneer we tot het geloof gekomen zijn en de HEERE God kennen, weten we ook wel beter. We lezen namelijk in Maleachi 3 vers 16 tot en met 18: “Dan spreken zij die de HEERE vrezen, ieder tot zijn naaste: De HEERE slaat er acht op en luistert. Er is een gedenkboek geschreven voor Zijn aangezicht, voor wie de HEERE vrezen en wie Zijn Naam hoogachten. En zij zullen voor Mij, zegt de HEERE van de legermachten, op de dag die Ik maken zal, een persoonlijk eigendom zijn. Ik zal hen sparen, zoals een man zijn zoon spaart die hem dient. Dan zult u opnieuw het onderscheid zien tussen een rechtvaardige en een goddeloze, tussen wie God dient en wie Hem niet dient” Deze woorden gelden natuurlijk in eerste instantie het volk Israel tot wie de woorden gericht zijn. Want hoe vaak horen we ook in de dagen waarin wij leven het volk Israel niet zuchten over de weg die de Heere God met hen gaat?
Maar bij de Heere God is er altijd sprake van een maar Want die de HEERE oprecht dienen, zullen op Gods tijd hun beloning ontvangen. Want laten we bedenken: Goddeloosheid heeft een prijs, getrouwheid geeft een prijs! De God van Israel verliest Zijn volk niet uit het oog. Ondanks alles.
Het is in alle tijden, ook de onze, zo dat God de oprechte gelovigen niet uit het oog verliest. En het dienen van de Heere kan moeilijk zijn, offers vragen, en zo meer, maar het zal nooit tevergeefs zijn, zoals Paulus ook schreef aan de Korinthiërs. Als hij een heel hoofdstuk lang gesproken heeft over de opstanding van Christus en de betekenis daarvan voor de gelovigen, eindigt hij met: “Daarom, mijn geliefde broeders, wees standvastig, onwankelbaar, altijd overvloedig in het werk van de Heere, in de wetenschap dat uw inspanning niet tevergeefs is in de Heere” (1 Kor. 15:58).
In het laatste Bijbelboek, dat handelt over de (toekomstige) Dag des HEEREN, wordt een mooi getuigenis gegeven van de getrouwen in de eindtijd. Ook dan zal het ‘gedenkboek’ er zijn. In de brief aan de engel der gemeente van Filadelfia (= broederliefde) zegt de opgestane en verheerlijkte Heer tegen de getrouwen: “Ik ken uw werken. Zie, Ik heb voor uw ogen een geopende deur gegeven en niemand kan die sluiten, want u hebt weinig kracht en toch hebt u Mijn Woord in acht genomen en Mijn Naam niet verloochend” (Openb. 3:8).
Ik ken je werken, Ik zie je, Mijn oog is op jou. Ook vandaag.
Als dat geen zegen is.
Uitzending d.d. 23 januari 2024
Psalm 139 -29-: Over haat-teksten in de Bijbel gesproken -3-
19 O God, breng de goddeloze om!
Mannen van bloed, ga weg van mij.
20 Want met listige plannen spreken zij over U
en zij zetten Uw vijanden aan tot valsheid.
21 Zou ik niet haten, HEERE, wie U haten,
walgen van wie tegen U opstaan?
22 Ik haat hen met een volkomen haat,
mijn eigen vijanden zijn het.
23 Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart,
beproef mij en ken mijn gedachten.
24 Zie of er bij mij een schadelijke weg - Of: een weg van smart. Is
en leid mij op de eeuwige weg.
Over haat-teksten gesproken -3-
Het Oude Testament lijkt door het geweld dat er in beschreven wordt, soms hard, liefdeloos en bloeddorstig. Toch heeft het Oude Testament uiteindelijk een geweldloze wereld op het oog. Als Kaïn Abel heeft omgebracht, wordt hij niet gedood, maar krijgt hij zelfs een teken dat hem moet beschermen. Wel wordt hij verdreven van Gods aangezicht. Het dolende bestaan dat hij dan moet leiden in combinatie met het door God aan hem gegeven teken moet als voorbeeld dienen dat God niet wil dat de mensen elkaar doden. In Genesis 6 lezen wij dat God de zondvloed over de aarde laat komen omdat deze verdorven en vol geweld is. God wil door middel van de zondvloed de wereld verlossen van verdorvenheid en gewelddadigheid. Veel later mag David Gods tempel niet bouwen omdat hij een man van bloedvergieten is (1 Kron. 22:18). En in de profetie lezen wij dat God juist door al het geweld heen een wereld vol vrede op het oog heeft. Zo staat in Jesaja 2:2-5 dat de volken uit eigen wil tot God zullen komen om zich aan Hem te onderwerpen en dat zij hun wapentuig zullen omsmeden tot ploegscharen en snoeimessen. Er staat daar ook: “Oorlog voeren zullen zij niet meer leren.”
De voorgaande keren hebben we aan de hand van het boek Maleachi iets van Gods geaardheid, Zijn wezen, macht en majesteit, gezien:
1:2 God is de Liefhebbende
1:6 God is de Vader
2:10 God is de Schepper
2:14 God is de Getuige
3:10 God is de Beloner van de getrouwen
4:1 God is de Rechter
4:4 God is de Verlosser
De voorgaande keren stonden we wat langer stil bij het gegeven dat God de Liefhebbende en de Vader is. Deze keer willen we stilstaan dat God de Heer van het verbond.
Maleachi stelt in hoofdstuk 2: 10 de volgende vraag: “Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen? Waarom handelen wij dan trouweloos, eenieder tegen zijn broeder, door het verbond met onze vaderen te ontheiligen?”
Ongetwijfeld doelt de profeet op het verbond van de Wet, dat God met Israël gesloten heeft in de woestijn. In hoofdstuk 2 gaat het echter vooral over het ‘verbond met Levi’.
Dit verbond heeft alles te maken met het verbond tussen de HEERE en Israël, en met de roeping en bestemming van Israël, zoals beschreven in Exodus 19:5-6, namelijk dat Israël bestemd is om een koninkrijk van priesters en heilig volk te zijn. Dit wordt in de toekomst werkelijkheid als het nieuwe Verbond van kracht wordt. Onder het oude Verbond waren de Levieten geheiligd voor de HEERE. Zij waren in overeenstemming met betekenis van de naam Levi nauw verbonden aan de HEERE.
Uit de Levieten werden de priesters afgezonderd om de dienst aan de HEERE te verrichten. De priesters en de Levieten moesten het volk ook onderwijzen in de regelgeving van het Verbond (zie Lev. 10:8-11). Maleachi bevestigde dit: “Voorzeker, de lippen van een priester moeten kennis bewaren, uit zijn mond moet men onderwijs in de wet zoeken, want hij is een gezant van de HEERE van de legermachten” (Mal. 2:7).
Maar ook hier is het mis gegaan: “U echter, u bent afgeweken van de weg: velen hebt u door uw onderwijs in de wet doen struikelen. U hebt het verbond met Levi tenietgedaan, zegt de HEERE van de legermachten”(vs. 8).
Gevolg was dat de Heer van het verbond, de Maker van Israël, vergeten werd, zoals we eerder al lazen in Deuteronomium 32:18 (zie ook Hos. 8:14).
Wat opvalt in Maleachi’s profetie zijn de vele vragen die worden gesteld. De Heere zegt iets en dan brengt Hij de onwetendheid en/of onverschilligheid van het volk naar voren, door er een vraag aan te koppelen: “Ik heb u liefgehad, zegt de HEERE, maar u zegt: Waarin hebt u ons liefgehad?” (1:2 - zie ook: 1:6, 7; 2:14, 17; 3:7, 8, 13 en 14).
Hoewel het volk onwetend of onverschillig was, de HEERE houdt alles nauwlettend in het oog. Hij is altijd aanwezig en getuige van hun handel en wandel (2:14). En als het oordeel moet komen, zal Hij als getuige ook de aanklager zijn (3:5). De HEERE zegt: “Sinds de dagen van uw vaderen bent u afgeweken van Mijn verordeningen, en hebt u ze niet in acht genomen. Keer terug naar Mij, en Ik zal naar u terugkeren, zegt de HEERE van de legermachten …” (3:7).
De HEERE heeft het allemaal met eigen ogen gezien en met eigen oren gehoord. Daarom zal het oordeel ook terecht en rechtvaardig zijn. Bovendien let Hij ook op de rechtvaardigen die zich onder het volk bevinden. Mensen die Hem zoeken en eren, en niet mee willen gaan in de afval van hun volksgenoten, ook daarvan is de HEERE op de hoogte en Hij zal hen beslist niet uit het oog verliezen.
Dat was toen en ook nu. Wanneer we ons gerechtvaardigd weten door het bloed van de Heere Jezus, wanneer we tot het geloof in Hem gekomen zijn zal ook Hij u, jou en mij niet uit het oog verliezen. Ons hele leven niet en ook vandaag niet. We mogen weten dat Zijn ogen ook vandaag op ons rusten.
En als dat geen zegen is.
Het is inderdaad zoals het koor Jejigdaljahu zingt: Het gis God en God alleen.
Uitzending d.d. 22 januari 2024
Psalm 139 -28-: Over haat-teksten in de Bijbel gesproken -2-
19 O God, breng de goddeloze om!
Mannen van bloed, ga weg van mij.
20 Want met listige plannen spreken zij over U
en zij zetten Uw vijanden aan tot valsheid.
21 Zou ik niet haten, HEERE, wie U haten,
walgen van wie tegen U opstaan?
22 Ik haat hen met een volkomen haat,
mijn eigen vijanden zijn het.
23 Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart,
beproef mij en ken mijn gedachten.
24 Zie of er bij mij een schadelijke weg - Of: een weg van smart. Is
en leid mij op de eeuwige weg.
Over haat-teksten gesproken -2-
De voorgaande keer concludeerden we dat de verzen die we zojuist gelezen hebben uiterst lastig om aan te horen zijn. De Bijbel is niet altijd eenvoudig te begrijpen. Vooral de zogenaamde struikelteksten, de lastige bijbelgedeelten, kunnen hoofdbrekens en eindeloze discussies opleveren.
We willen proberen iets van een verklaring te vinden voor het geweld in de Bijbel. Daarbij wil ik – net als de vorige keer – maar weer gelijk opmerken dat ook er weer geen volledig en allesomvattend antwoord gegeven zal worden. Het blijft dan ook nu weer van belang dat wij ons realiseren dat de Bijbel een moeilijk boek is, waarin wij niet op alle vragen een antwoord krijgen. Wat overigens niet betekent dat wij niet mogen proberen, zoals in dit artikel, om toch op bepaalde zaken een antwoord te vinden, zij het wel met de nodige voorzichtigheid en terughoudendheid.
De voorgaande keer hebben we aan de hand van het boek Maleachi iets van Gods geaardheid, Zijn wezen, macht en majesteit, gezien:
1:2 God is de Liefhebbende
1:6 God is de Vader
2:10 God is de Schepper
2:14 God is de Getuige
3:10 God is de Beloner van de getrouwen
4:1 God is de Rechter
4:4 God is de Verlosser
De voorgaande keer stonden we wat langer stil bij het gegeven dat God de Liefhebbende is. Deze keer willen we stilstaan bij vers 6 uit hoofdstuk 1 waar we lezen: Een zoon eert zijn vader en een slaaf zijn heer. Als Ik dan een Vader ben, waar is de eerbied voor Mij? En als Ik een Heer ben, waar is de vrees voor Mij? zegt de HEERE van de legermachten tegen u, priesters die Mijn Naam verachten.
Hier zien we dus iets van de geaardheid en het wezen van God, namelijk dat Hij een Vader is.
Voortvloeiende uit Zijn liefde voor het volk heeft de HEERE Zich als een Vader over Zijn volk Israel ontfermt. Het begrip ‘Vader’ wijst op oorsprong. Hij heeft Israël tot aanzijn geroepen en beschouwt het volk als Zijn ‘zoon’. Via de profeet Hosea sprak de HEERE: “Toen Israël een kind was, had ik hem lief, en uit Egypte heb ik Mijn zoon geroepen” (Hos. 11:1). En: “Ik trok hen met menselijke touwen, met koorden van liefde” (vs. 4).
Nadat het verbond gesloten was in de woestijn en nog vóórdat het volk het land Kanaän binnenging, sprak Mozes al deze (profetische) woorden: “De Rots Die u verwekt heeft, hebt u veronachtzaamd, en u hebt de God Die u gebaard heeft, vergeten” (Deut. 32:18). Het gevolg hiervan wordt pijnlijk duidelijk in reactie van de HEERE op Israëls ongehoorzaamheid en afgoderij, dat zich in de loop van de geschiedenis heeft gemanifesteerd. Mozes vervolgt met: “Toen de HEERE dat zag, verwierp Hij hen, uit toorn tegen Zijn zonen en Zijn dochters. Hij zei: Ik zal Mijn aangezicht voor hen verbergen; Ik zal zien wat hun einde is, want zij zijn een verdorven generatie, kinderen in wie geen enkele trouw is” (vs. 19-20).
Telkens heeft de HEERE als een Vader Zijn ‘kinderen’ opgeroepen -ook door de profeet Maleachi- om Zijn liefde te beantwoorden en Hem te eren, te gehoorzamen, en het verbond te respecteren. Maar het heeft niet mogen baten. Zelfs toen God uit liefde (zie Joh. 3:16) Zijn eigen Zoon zond, werd Hij afgewezen en veroordeeld tot de kruisdood.
De rest is geschiedenis. God heeft inderdaad Zijn aangezicht voor hen verborgen (nu al zo’n 2000 jaar) en het wachten is op ‘hun einde’. Dat einde wordt gekenmerkt door benauwdheid enerzijds en verlossing anderzijds (zie Jer. 31:7), want Gods beloften zullen hoe dan ook worden vervuld!
Luister maar eens naar de geweldige woorden die we lezen in Jeremia 31:
Want zo zegt de HEERE:
Zing vrolijk over Jakob, met blijdschap!
Juich om het hoofd van de heidenvolken!
Laat het horen, prijs Hem en zeg:
Verlos Uw volk, HEERE,
het overblijfsel van Israël.
Zie, Ik doe hen komen
uit het land van het noorden,
Ik zal hen bijeenbrengen van de uithoeken van de aarde;
onder hen zijn blinden en verlamden,
zwangeren en barenden met elkaar:
met een grote menigte zullen zij hierheen terugkomen.
9Onder geween zullen zij komen,
onder smeekbeden zal Ik hen leiden.
Ik zal hen doen gaan naar waterbeken,
op een rechte weg, waarop zij niet zullen struikelen,
want Ik ben Israël tot een Vader,
en Efraïm – Mijn eerstgeborene is hij.
En als dat geen zegen is.
Voor vanmorgen heb ik gekozen voor het toepasselijke lied: Bring us back, breng ons terug, een lied over Psalm 137, van Joshua Aaron.
https://www.youtube.com/watch?v=Pc5TFKEooto
Uitzending d.d. 19 januari 2024
Psalm 139 -27-: Over haat-teksten gesproken -1-
1 Een psalm van David, voor de koorleider.
HEERE, U doorgrondt en kent mij.
2 Ú kent mijn zitten en mijn opstaan,
U begrijpt van verre mijn gedachten.
3 U onderzoekt mijn gaan en mijn liggen,
U bent met al mijn wegen vertrouwd.
4 Al is er nog geen woord op mijn tong,
zie, HEERE, U weet het alles.
5 U sluit mij in van achter en van voren,
U legt Uw hand op mij.
6 Dit kennen – het is mij te wonderlijk,
te hoog, ik kan er niet bij.
7 Waar kan ik Uw Geest ontgaan,
waar Uw aangezicht ontvluchten?
8 Al steeg ik op naar de hemel, U bent daar;
of legde ik mij neer in de hel, zie, U bent daar.
9 Nam ik vleugels van de dageraad,
woonde ik aan het einde van de zee,
10 ook daar zou Uw hand mij leiden
en Uw rechterhand mij vasthouden.
11 Zei ik: Ja, duisternis zal mij opslokken! –
dan is de nacht een licht om mij heen.
12 Zelfs de duisternis maakt het voor U niet duister,
maar de nacht licht op als de dag,
de duisternis is als het licht.
13 Want Ú hebt mijn nieren geschapen,
mij in de schoot van mijn moeder geweven.
14 Ik loof U omdat ik ontzagwekkend wonderlijk gemaakt ben;
wonderlijk zijn Uw werken,
mijn ziel weet dat zeer goed.
15 Mijn beenderen waren voor U niet verborgen,
toen ik in het verborgene gemaakt ben
en geborduurd werd in de laagste plaatsen van de aarde.
16 Uw ogen hebben mijn ongevormd begin gezien,
en zij alle werden in Uw boek beschreven,
de dagen dat zij gevormd werden,
toen er nog niet één van hen bestond.
17 Daarom, hoe kostbaar zijn mij Uw gedachten, o God,
hoe machtig groot is hun aantal.
18 Zou ik ze tellen? Zij zijn talrijker dan korrels zand;
ontwaak ik, dan ben ik nog bij U.
19 O God, breng de goddeloze om!
Mannen van bloed, ga weg van mij.
20 Want met listige plannen spreken zij over U
en zij zetten Uw vijanden aan tot valsheid.
21 Zou ik niet haten, HEERE, wie U haten,
walgen van wie tegen U opstaan?
22 Ik haat hen met een volkomen haat,
mijn eigen vijanden zijn het.
23 Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart,
beproef mij en ken mijn gedachten.
24 Zie of er bij mij een schadelijke weg - Of: een weg van smart. Is
en leid mij op de eeuwige weg.
Over haat-teksten gesproken -1-
We zijn nu gekomen bij het laatste gedeelte van deze indrukwekkende Psalm. In de Psalm hebben we tot nu toe gelezen over d grote daden van de Heere God. Over zijn alomtegenwoordigheid, Zijn alwetendheid en scheppende liefde van Adonai voor de mens.
In het begin van de overdenking van de Psalm haalde ik het al aan dat Psalm 139 een van de meest geliefde en krachtige psalmen in de Bijbel is. Maar nu we bij wijze van spreken ‘voor de deur’ staan van het laatste gedeelte van de Psalm moet deze uitspraak misschien toch wat genuanceerd worden.
In deze verzen vraagt David de HEERE God namelijk om de goddeloze om te brengen en spreekt hij meerdere keren over het feit dat Hij hen haat, en niet een beetje haat, maar met een volkomen haat.
De vraag dringt zich dan aan ons op hoe we dit gedeelte moeten begrijpen wanneer we in gedachten nemen dat de HEERE God ons opdraagt om onze vijanden lief te hebben en hen de andere wang toe te keren.
Ik moet je bekennen dat ik met deze vraag weken geworsteld heb. Grondteksten in het Hebreeuws onderzocht heb en de tel ben kwijtgeraakt van het aantal onderzochte verklaringen die uitleggers aan het papier hebben toevertrouwd en zelf al worstelend een verklaring voor zichzelf hebben gevonden.
Want als we eerlijk zijn, zijn de laatste teksten van deze psalm voor jouw geen dissonant ten opzichte van de geweldige teksten die voor hiervoor in deze Psalm gelezen hebben?
Naar mijn mening is een zogenaamd makkelijk antwoord op het dilemma waar we voor staan ook niet te geven. In mijn zoektocht naar een bevredigend antwoord kwam de gedachte meerdere keren naar voren deze verzen maar over te slaan en naast mij neer te leggen. Of kwam de gedachte naar voren dat dit gedeelte nou niet bepaald past binnen de context van het programma, zegeningen in de ochtend.
Maar dat zou te makkelijk zijn en beide mogelijkheden gaven ook niet bepaald een bevrediging. Een makkelijk antwoord op het bovenstaande heb ik helaas niet kunnen vinden. Maar uiteindelijk kwam ik uit dij de profeet Maleachi, de laatste profeet van het Oude- of eerste Testament. ik wil u in de komende tijd meenemen in mijn gedachten aan de hand van de profetie van Maleachi. En zo hopen we misschien een begin van een antwoord te vinden op de laatste lastige teksten uit Psalm 139. Vandaag een eerste beginnetje.
De HEERE, met hoofdletters geschreven, dus we vinden hier in het Hebreeuws, de letters JHWH, heeft een boodschap voor Israël, door de dienst (letterlijk: hand) van Maleachi, zo lezen we in het eerste vers van het boekje van Maleachi. De naam ‘Maleachi’ betekent: Mijn bode, mijn gezant (2:7), mijn engel (3:1). Het is niet helemaal zeker of Maleachi een eigennaam is of een titel van een andere persoon. Sommigen denken bijvoorbeeld aan Ezra als schrijver van het boek. Maar daarover is geen enkele zekerheid, dus we gaan er -met anderen- vanuit dat Maleachi een profeet was, die van Godswege gezonden is om de boodschap aan Israël te verkondigen. Over hem is niets bekend; volgens de overlevering behoort hij met Haggaï en Zacharia tot de vooraanstaande mannen die zijn teruggekeerd uit de Babylonische ballingschap. De tempel is herbouwd (o.l.v. Ezra en Nehemia); de eredienst is weer opgestart, maar nogal vormelijk, de Wet werd niet (strikt) gehouden. Er was sprake van onverschilligheid, zoals we verderop nog zullen zien.
Maleachi’s boodschap is duidelijk en ligt in lijn met die van de andere profeten. Er was sprake van verval op zedelijk, religieus en economisch gebied. Dit vloeide voort uit de afval van Gods wet en inzettingen. En let op de eerste aanwijzing: Zij die ontrouw waren zouden geoordeeld worden, terwijl de getrouwen zouden worden gespaard en beloond. Zoals altijd ging de waarschuwing gepaard met de onverwrikbare heilsbeloften van God. Want wat Paulus later schreef in Romeinen 3:3 blijft waar: “Wat toch is het geval? Als sommigen ontrouw zijn, zal dan hun ontrouw de trouw van God tenietdoen? Volstrekt niet!” God is getrouw en Zijn plannen falen niet.
Door het boek heen komt Gods geaardheid, Zijn wezen, macht en majesteit, aan de orde:
1:2 God is de Liefhebbende
1:6 God is de Vader
2:10 God is de Schepper
2:14 God is de Getuige
3:10 God is de Beloner van de getrouwen
4:1 God is de Rechter
4:4 God is de Verlosser
God is de Liefhebbende noemde ik zojuist. Dit blijkt uit de eerste woorden, in vers 2: “Ik heb u liefgehad, zegt de HEERE.” Zijn liefde is o.a. gebleken uit Zijn verkiezing van Israël als Zijn (eigen) volk. En de lijn van die verkiezing liep door de jaren heen door de generaties van erfgenamen die Hij Zelf heeft aangesteld: “Toch heb Ik Jakob liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat.” Hij heeft Abraham destijds geroepen uit de volken en hem uit Ur der Chaldeeën in Mesopotamië overgebracht naar het land Kanaän. En hoewel Ismaël de oudste zoon was, werd Izak aangewezen als de erfgenaam. En Izaks oudste zoon, Ezau, werd door de HEERE ‘gehaat’ (lees: achtergesteld), en de tweede zoon, Jakob, werd op de eerste plaats gezet. En zo gaat het verder. De lijn van het erfgenaamschap is terug te vinden in de geslachtsregisters, zoals beschreven in Mattheüs 1 en Lukas 3.
Uit Jakob is, via de twaalf stamvaders, het volk Israël geboren. Met dat volk sloot de HEERE een verbond, dat (ook) gezien wordt als een huwelijk. De HEERE verklaarde Israël Zijn liefde en zou er alles aan doen om het een bijzondere plaats te geven te midden van de volkeren. Die liefde heeft er zelfs toe geleid dat Hij Zijn Zoon, naar het vlees de laatste erfgenaam, gegeven heeft om de weg te bereiden tot de vervulling van Gods beloften en Israël te maken tot het “hoofd der volkeren” (Jer. 31:7).
Met deze aanzet en dit uitgangspunt, dat God de Liefhebbende is, sluiten we deze eerste overdenking af over teksten die in de Bijbel over haat spreken. En al zouden we bij wijze van spreken nog 1000 overdenkingen hierover hebben, daarboven zal ondanks alles blijven staan dat we met een Liefhebbende God te maken hebben.
En als dat geen zegen is.
https://www.youtube.com/watch?v=y81yIo1_3o8
Uitzending d.d. 18 januari 2024
Psalm 139 -26-: Over Gods gedachten gesproken -2-
13 Want Ú hebt mijn nieren geschapen,
mij in de schoot van mijn moeder geweven.
14 Ik loof U omdat ik ontzagwekkend wonderlijk gemaakt ben;
wonderlijk zijn Uw werken,
mijn ziel weet dat zeer goed.
15 Mijn beenderen waren voor U niet verborgen,
toen ik in het verborgene gemaakt ben
[en] geborduurd werd in de laagste plaatsen van de aarde.
16 Uw ogen hebben mijn ongevormd begin gezien,
en zij alle werden in Uw boek beschreven,
de dagen dat zij gevormd werden,
toen er nog niet één van hen bestond.
17 Daarom, hoe kostbaar zijn mij Uw gedachten, o God,
hoe machtig groot is hun aantal.
18 Zou ik ze tellen? Zij zijn talrijker dan [korrels] zand;
ontwaak ik, dan ben ik nog bij U.
Over Gods gedachten gesproken -2-
Terwijl ik dit opschrift boven deze overdenking plaats komt het ineens bij mij op dat het best wel gewaagd is om iets over Gods gedachten te zeggen. Want wie ben ik dat ik iets zou kunnen zeggen over wat er in Hem omgaat. Het is dus met alle voorzichtigheid dat we dit doen. En dit kunnen we natuurlijk alleen maar doen wat Hij daar Zelf over zegt. Hoe kostbaar zijn mij Uw gedachten o God. Zou ik ze tellen? Zij zijn talrijker dan [korrels] zand.
Op een andere plaats is Psalm 40 vers 6 zegt David in vergelijkbare bewoordingen:
Psalm 40:6 HEERE, mijn God, veel zijn Uw wonderen, die Ú hebt gedaan, en Uw gedachten, die U over ons hebt. Men kan ze voor U niet uiteenzetten. Zou ik ze verkondigen en uitspreken, dan zijn ze zó machtig veel dat ik ze niet kan tellen.
En in Psalm 92 vers 6: HEERE, hoe groot zijn Uw werken, zeer diep zijn Uw gedachten.
En in Jesaja 55:8 Want Mijn gedachten zijn niet uw gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de HEERE. Want zoals de hemel hoger is dan de aarde, zo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen en Mijn gedachten dan uw gedachten.
Maar waar het mij eigenlijk om gaat vinden we in de woorden van de profeet Jeremia. Het volk Israel zit daar in Babel. Weggevoerd naar een vreemd en vijandig land vanwege hun zonden en omdat zij de God van Israel vergeten hebben.
En dan ontvangen de ballingen een brief uit de hemel, rechtstreeks van de Heere God Zelf. En we mogen vandaag Anno 2024 meelezen:
Jeremia 29:4 Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël, tegen alle ballingen die Ik uit Jeruzalem naar Babel in ballingschap heb gevoerd:
5. Bouw huizen en woon erin, leg tuinen aan en eet de vrucht ervan,
6. neem vrouwen en verwek zonen en dochters, neem vrouwen voor uw zonen en geef uw dochters aan mannen, zodat zij zonen en dochters baren. Word daar talrijk en verminder niet in aantal.
7. Zoek de vrede voor de stad waarheen Ik u in ballingschap heb gevoerd. Bid ervoor tot de HEERE, want in haar vrede zult u vrede hebben.
8. Want zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Laten uw profeten die in uw midden zijn, en uw waarzeggers u niet bedriegen. Luister niet naar uw dromers die u laat dromen,
9. want met leugen profeteren zij tegen u in Mijn Naam. Ik heb hen niet gezonden, spreekt de HEERE.
10. Want zo zegt de HEERE: Voorzeker, pas wanneer zeventig jaren in Babel voorbij zijn, zal Ik naar u omzien en over u Mijn goede woord gestand doen, door u terug te brengen naar deze plaats.
11. Ik immers, Ik ken de gedachten die Ik over u koester, spreekt de HEERE. Het zijn gedachten van vrede en niet van kwaad, namelijk om u toekomst en hoop te geven.
12. Dan zult u Mij aanroepen en heengaan, u zult tot Mij bidden en Ik zal naar u luisteren.
13. U zult Mij zoeken en vinden, wanneer u naar Mij zult vragen met heel uw hart.
14. Ik zal door u gevonden worden, spreekt de HEERE, Ik zal een omkeer brengen in uw gevangenschap en u bijeenbrengen uit alle volken en uit alle plaatsen waarheen Ik u verdreven heb, spreekt de HEERE, en Ik zal u terugbrengen naar de plaats vanwaar Ik u in ballingschap heb gevoerd.
Natuurlijk, deze woorden zijn in eerste instantie gericht aan het volk van Israel, daar in Babel. En er wordt een geweldige belofte door de Heere God over Israel uitgesproken. Maar tegelijkertijd vinden we hier iets van het principe van Gods gedachten. En dat is de volgende: Dat wanneer we Hem zoeken, Hij zegt: Ik zal door u gevonden worden, spreekt de HEERE. Want: Ik immers, Ik ken de gedachten die Ik over u koester, spreekt de HEERE. Het zijn gedachten van vrede en niet van kwaad, namelijk om u toekomst en hoop te geven.
Efeze 2:1 Ook u heeft Hij met Hem levend gemaakt, u die dood was door de overtredingen en de zonden,
2. waarin u voorheen gewandeld hebt, overeenkomstig de leefwijze van deze wereld, overeenkomstig de wil van de aanvoerder van de macht in de lucht, van de geest die nu werkzaam is in de kinderen van de ongehoorzaamheid,
3. onder wie ook wij allen voorheen verkeerden, in de begeerten van ons vlees, door de wil van het vlees en de gedachten te doen; en wij waren van nature kinderen des toorns, evenals de anderen.
4. Maar God, Die rijk is in barmhartigheid, heeft ons door Zijn grote liefde, waarmee Hij ons liefgehad heeft,
5. ook toen wij dood waren door de overtredingen, met Christus levend gemaakt – uit genade bent u zalig geworden –
6. en heeft ons met Hem opgewekt en met Hem in de hemelse gewesten gezet in Christus Jezus,
7. opdat Hij in de komende eeuwen de allesovertreffende rijkdom van Zijn genade zou bewijzen, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus.
8. Want uit genade bent u zalig geworden, door het geloof, en dat niet uit u, het is de gave van God;
9. niet uit werken, opdat niemand zou roemen.
10. Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus om goede werken te doen, die God van tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.
Als dat geen zegen is.
https://www.youtube.com/watch?v=-XfJNbKrLqU
Uitzending 17 januari 2024
Psalm 139 -25: Over Gods gedachten gesproken -1-
13 Want Ú hebt mijn nieren geschapen,
mij in de schoot van mijn moeder geweven.
14 Ik loof U omdat ik ontzagwekkend wonderlijk gemaakt ben;
wonderlijk zijn Uw werken,
mijn ziel weet dat zeer goed.
15 Mijn beenderen waren voor U niet verborgen,
toen ik in het verborgene gemaakt ben
[en] geborduurd werd in de laagste plaatsen van de aarde.
16 Uw ogen hebben mijn ongevormd begin gezien,
en zij alle werden in Uw boek beschreven,
de dagen dat zij gevormd werden,
toen er nog niet één van hen bestond.
17 Daarom, hoe kostbaar zijn mij Uw gedachten, o God,
hoe machtig groot is hun aantal.
18 Zou ik ze tellen? Zij zijn talrijker dan [korrels] zand;
ontwaak ik, dan ben ik nog bij U.
Over Gods gedachten gesproken -1-
In de voorbije dagen hebben we met elkaar nagedacht over het feit dat JHWH, de HEERE, overal aanwezig is, alom tegenwoordig zeggen we dan. En dat Hij alles van jou en mij weet, alwetend, is. Niets is voor Hem verborgen. En dat Hij alle macht heeft. Hij is almachtig. Niets is voor Hem onmogelijk.
Voor sommigen kan dat natuurlijk beangstigend zijn, want vluchten voor Hem kan niet. Maar voor hen die de HEERE God kennen is het een geweldige troost en bemoediging dat zij als het ware een open boek voor Hem zijn.
Als David dit zich allemaal realiseert dan komt hij tot de slotsom:
Daarom, hoe kostbaar zijn mij Uw gedachten, o God,
hoe machtig groot is hun aantal.
Zou ik ze tellen? Zij zijn talrijker dan [korrels] zand;
ontwaak ik, dan ben ik nog bij U
En in Psalm 40 vers 6 drukt hij het in deze woorden uit:
HEERE, mijn God, veel zijn Uw wonderen, die Ú hebt gedaan,
en Uw gedachten, die U over ons hebt.
Men kan ze voor U niet uiteenzetten.
Zou ik ze verkondigen en uitspreken,
dan zijn ze zó machtig veel dat ik ze niet kan tellen.
Inderdaad, als we stilstaan, als we diep tot ons door laten dringen Wie Hij is en wat Hij voor u, jou en mij gedaan heeft, dan kunnen we er met onze gedachten niet bij. En hebben we de eeuwigheid nodig om Hem daarvoor te danken, te loven en te prijzen. Maar daar hoven we net mee te wachten tot het zover is hoor, maar daar mogen en kunnen we nu al mee beginnen. David deed dat ook in deze Psalm.
In een andere door David gedichtte Psalm 31 vers 20 drukt hij het in deze woorden uit: Hoe groot is Uw goed, dat U weggelegd hebt voor wie U vrezen, dat U bereid hebt voor wie tot U de toevlucht nemen ten aanschouwen van de mensenkinderen.
Of zoals David schrijft in Psalm 36:
Psalm 36:6 HEERE, Uw goedertierenheid reikt tot in de hemel,
Uw trouw tot de wolken.
7. Uw gerechtigheid is als de machtige bergen,
Uw oordelen zijn als de grote watervloed;
mensen en dieren verlost U, HEERE.
8. Hoe kostbaar is Uw goedertierenheid, o Elohim, God!
Daarom nemen de mensenkinderen de toevlucht
onder de schaduw van Uw vleugels.
9. Zij worden verzadigd met de overvloed van Uw huis;
U laat hen drinken uit Uw beek vol verrukkelijke gaven.
10. Want bij U is de bron van het leven;
in Uw licht zien wij het licht.
11. Strek Uw goedertierenheid uit over wie U kennen,
en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.