Psalm 131 -1-
Helaas geen geluidsopname beschikbaar.
Luister hier.

Psalm 131 -2-
Helaas geen geluidsopname beschikbaar.
Luister hier.

Psalm 131 -3-
Helaas geen geluidsopname beschikbaar.
Luister hier.

Psalm 131 -4-

Psalm 131 -5-

Psalm 131 -6-

Psalm 131 -7-

Psalm 131 -8-

Psalm 131 -9-

Psalm 131 -10-

Psalm 131 -11-

Psalm 131: Tekst Herziene Staten Vertaling

1Een pelgrimslied, van David.
HEERE, mijn hart is niet hoogmoedig,
mijn ogen zijn niet trots,
ook wandel ik niet in dingen
die te groot en te wonderlijk voor mij zijn.

2Voorwaar, ik heb mijn ziel tot rust
en tot stilte gebracht,
als een kind dat de borst ontwend is, bij zijn moeder,
mijn ziel is in mij als een kind dat de borst ontwend is.

3Israël, hoop op de HEERE,
van nu aan tot in eeuwigheid.Deze tekst is slechts ter illustratie. Wat je hier leest is een voorbeeldtekst. Het grappige is, dat mensen deze toch vaak lezen. Zelfs als men weet dat het om een faketekst gaat, lezen ze toch door.

Deze tekst is slechts ter illustratie. Wat je hier leest is een voorbeeldtekst. Het grappige is, dat mensen deze toch vaak lezen. Zelfs als men weet dat het om een faketekst gaat, lezen ze toch door.

Psalm 131 -1-: Over tevredenheid gesproken

Over tevredenheid gesproken
We staan bij wijze van spreken opnieuw op de drempel van een pelgrimslied.
En ik moet u eerlijk bekennen dat deze psalm voor mij persoonlijk niet zozeer bekend was. Misschien bij u wel, maar ik heb er evenmin veel uit horen preken of spreken. Laten we ons daarom laten leren uit het Woord tot eer van de Eeuwige, tot eer van de Heere. Dat deze overdenkingen uit Psalm 131 tot eer van de Heere zullen zijn.

Naast de persoonlijk boodschap en beleving van David, de geliefde naar Gods hart, en waarin we een inkijkje krijgen in het hart van de koning van Israel zien, maar zeker ook dat we een inkijkje mochten krijgen in hart hart van de HEERE, de Aanwezige, waren we in Psalm 130 getuigen van de vervulling van de grote Verzoendag voor het volk Israël. Er is een voorwaarde waaraan iemand moet voldoen, wil hij op de grote Verzoendag de HEERE kunnen ontmoeten en dat is verootmoediging (Lv 23:27-29), want “voorzeker, iedere persoon die zich op diezelfde dag niet verootmoedigt, moet van zijn volksgenoten worden afgesneden” (Lv 23:29).

Verootmoediging is niet maar een Oud Testamentisch principe van lang vervlogen tijden, maar een houding die we de hele Schrift door mogen lezen. De apostel Paulus, de apostel van het Nieuwe of Tweede Testament bij uitstek zou je in een bepaald opzicht kunnen zeggen horen we op de weg naar Damascus roepen wanneer de Heere God hem bij wijze in zijn nekvel grijpt, direct vol verootmoediging, bevend en verbaasd zeggen: Heere, wat wilt U dat ik doen zal?

Zullen we het gedeelte eens lezen?

Saulus nu, die tegen de discipelen van de Heere nog steeds brieste van dreiging en moord, ging naar de hogepriester toe en vroeg van hem brieven voor Damascus, gericht aan de synagogen, opdat, als hij er enigen zou vinden die van die Weg waren, zowel mannen als vrouwen, hij die geboeid naar Jeruzalem zou brengen.

En terwijl hij onderweg was, gebeurde het dat hij dicht bij Damascus kwam. En plotseling omscheen hem een licht vanuit de hemel, en toen hij op de grond gevallen was, hoorde hij een stem die tegen hem zei: Saul, Saul, waarom vervolgt u Mij? En hij zei: Wie bent U, Heere? En de Heere zei: Ik ben Jezus, Die u vervolgt. Het is hard voor u, met de hielen tegen de prikkels te slaan. En hij zei, bevend en verbaasd: Heere, wat wilt U dat ik doen zal?

Ziet u wel? Hij die brieste van dreiging en moord, werd bij wijze van spreken in een kort moment iemand die bevend en verbaasd iemand die vraagt: Heere, wat wilt u dat ik doen zal? Een groter tegenstelling van hoogmoed en verootmoediging is haast niet voor te stellen.

Psalm 131 is de psalm waarin het overblijfsel tot verootmoediging komt, waardoor zij gereed zijn voor de grote Verzoendag. De verzen 1-2 staan in de eerste persoon enkelvoud. Verootmoediging is in de eerste plaats een individuele zaak. Het is iets wat de HEERE bewerkt in de gelovige die in Zijn tegenwoordigheid komt.

Van dit “pelgrimslied”, het twaalfde, wordt weer de naam van de dichter ervan vermeld: het is een pelgrimslied “van David” (vers 1a).

Charles Spurgeon noemde Psam 131 "een van de kortste psalmen om te lezen, maar een van de langste om te leren." En zo is het.

Psalm 131 behoort tot de pelgrimsliederen, liederen die tijdens da reis van Israel naar Sion voor het vieren van de hoge feesten werden gezonden en beleefd. Maar in zekere zijn u en ik eveneens pelgrims. Pelgrims op weg naar Sion, Pelgrims op weg naar de Hoge Feesten. Pelgrims, op weg naar Gods Huis.

Wanneer je jong bent, ook in het geloof,  en nog maar net op weg, lijkt de reis van je leven misschien op een vakantiereis. Je ziet uit naar alle avonturen die je onderweg zal tegen komen. Maar als je wat ouder bent, ook in het geloof, zul je merken dat dat lopen niet altijd even gemakkelijk gaat en veelal gedragen moet worden. Ook in geestelijk opzicht.

De reis is eigenlijk een behoorlijke afstand. Neem nu de reis eens van Psalm 129 tot Psalm 131. Psalm 129 was een psalm waarin de psalm tot vervloeking wachtte op wraak op Gods vijanden. Psalm 130 was een boetepsalm waarin de psalmist om vergeving vroeg voor zijn eigen zonden. En Psalm 131 is een psalm van nederigheid waar de psalmist naar een plaats van stille tevredenheid komt in Gods aanwezigheid.

Laten we hopen en bidden dat ook wij, u en ik deze weg in ons leven zullen wandelen. Op weg naar de plaats van stille tevredenheid in Gods aanwezigheid.

Want, als dat geen zegen is.

Zullen we vanmorgen, in het licht van het de eenvoud en verootmoediging van de psalm eens met een heel eenvoudig kinderlied eindigen. Alhoewel, zo eenvoudig is het niet om de Heere te danken voor de dingen die wij vaak zoals vanzelfsprekend uit Gods zegenende handen mogen ontvangen. Zing daarom dit lied vanmorgen maar gerust mee, als een danklied voor de Heere voor die hele gewone vanzelfsprekende zegeningen mee.


Psalm 131 -2-: Over een hogere weg gesproken -1-

Over een hogere weg gesproken -1-
Terwijl we ons een weg baanden door de Psalmen van de Opgang, kwamen we onderweg nogal wat verrassingen tegen. Een verrassing was dat we na de eerste psalm van triomf teruggingen naar een psalm van moeite. En laten we maar heel eerlijk zijn, we leerden dat ook het christelijke leven niet helemaal van een leien dakje gaat, maar veel ups en downs heeft en vaak drie stappen vooruit en twee stappen terug is.

In een van de vele toespraken van Jezus vergelijkt Hij het leven van Zijn volgelingen met het bouwen van een toren. Laten we ons door Hem onderwijzen in het volgende verhaal:

En vele menigten trokken met Hem mee, en terwijl Hij Zich omkeerde, zei Hij tegen hen:

Als iemand tot Mij komt en niet haat zijn eigen vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn.

En wie zijn kruis niet draagt en achter Mij aan komt, kan geen discipel van Mij zijn.

Want wie van u die een toren wil bouwen, gaat niet eerst zitten om de kosten te berekenen, of hij de middelen wel heeft om het werk te voltooien?

Opdat niet misschien, als hij het fundament gelegd heeft en niet in staat is het te voltooien, allen die het zien, hem beginnen te bespotten,

en zeggen: Deze man begon te bouwen, maar heeft het werk niet kunnen voltooien.

Inderdaad, geloven kost wat. Het kost je je leven. Want: Of weet u niet dat wij allen die in Christus Jezus gedoopt zijn, in Zijn dood gedoopt zijn? Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat evenals Christus uit de doden is opgewekt tot de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in een nieuw leven zouden wandelen. (romeinen 6)

De grote verrassing als we bij Psalm 131 komen, is dat dit een psalm van triomf is, maar Gods triomf ziet er heel anders uit dan de triomf van de wereld. In plaats van te praten over macht en rijkdom en roem, gaat Psalm 131 over nederigheid en tevredenheid, zachtmoedigheid. En hoewel dit een Psalm van Opstijgen is, leert Psalm 131 ons dat de weg omhoog eigenlijk omlaag is. Psalm 131 lijkt misschien een stap naar beneden, maar dit is echt een stap omhoog naar God. Zoals Jakobus 4:10 zegt: "Vernedert u voor de Heer, en Hij zal u verhogen.”

Laten we dan eens luisteren naar het onderwijs van Jezus, wat Hij hier Zelf over zegt:

Er ontstond een meningsverschil onder hen over de vraag wie van hen de belangrijkste was. Maar toen Jezus de overweging van hun hart zag, nam Hij een kind en zette dat bij Zich. En Hij zei tegen hen: Wie dit kind ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem Die Mij gezonden heeft. Want wie de minste onder u allen is, die zal belangrijk zijn.

Zo, daar kunnen we het mee doen denk ik.

Psalm 131 is een Psalm van David. Er zijn vier psalmen van David in de Psalmen van Opstijging, en dit is de derde van vier. (Psalmen 122, 124, 131, 133) David is een goed voorbeeld van iemand die de waarheden van deze psalm goed heeft geleerd, en doorleefd.

Toen David door Saul werd opgejaagd, weigerde hij het heft in eigen handen te nemen, maar vertrouwde erop dat God hem koning zou maken wanneer de tijd rijp was. David is een prachtig voorbeeld van iemand die de dubbele waarheden van nederigheid en tevredenheid leerde.

Een van de kostbaarste ervaringen in het leven is om je ziel tot rust te brengen in Gods aanwezigheid - om zijn vrede, zijn rust, zijn troost te kennen. Mag ik je eens een persoonlijke vraag stellen? Is je ziel vandaag stil of verstoord? Weet dat God altijd en op elk moment Zijn vrede, rust en toost wil en kan schenken. Zullen we er ook gebruik van maken??

Er kunnen zoveel redenen zijn waarom je ziel verstoord kan zijn. U kunt een schuldig geweten hebben; je kunt je ergens zorgen over maken of jaloers op iemand zijn; u kunt afgeleid of vermoeid zijn. Maar God wil dat je een rustig hart hebt, een ziel in rust.

Soms vragen we ons af waarom we zo ontevreden zijn in het leven en zo angstig in onze ziel. De Bijbel maar ook deze Psalm vertelt ons dat het ten diepste te maken heeft met een houding van hoogmoed, eigenbelang en trots.

En zo komen we bij Psalm 131. Psalm 131 is slechts drie verzen, maar wijst ons een belangrijke levensles waar we ons hele leven voor nodig hebben om die te leren. Een heilzame weg naar rust en vrede in Gods aanwezigheid.

Als dat geen zegen is.

Psalm 131 -3-: Over een hogere weg gesproken -2-

Over een hogere weg gesproken -2-
We horen de woorden van David: “Mijn hart is niet trots, o Heer, mijn ogen zijn niet hooghartig; Ik houd me niet bezig met grote zaken of dingen die te wonderbaar zijn voor mij.”

De woorden drukken de nederige houding van David ten volle uit. Daar kunnen we denk ik allemaal wel wat van leren. Want trots en hooghartigheid zit ergens allemaal wel in ons. En bezig zijn met grote en wonderlijke dingen is velen van ons ook niet vreemd. En laat ik maar eerlijk zijn, dat ligt meer op de weg van de mannen onder ons dan bij de vrouwen. Ergens diep bij de mannen zit er iets van een carrière tijger. We willen een grote en succesvolle carrière, een grote zaak, en predikers willen veelal een grote schare aan toehoorders. Veel rijkdom, een grote auto, een groot huis, op de voorste bank in de kerk of gemeente. Velen snakken naar aanzien, succes en applaus. Ook binnen de christelijke wereld, laten we maar heel eerlijk zijn. Bewijsdrang en betekenisvol zijn. Verschil kunnen maken. En hoeveel predikers zijn er niet die gewillig zich op het schild laten tillen? Maar tegelijkertijd: Hoevelen zijn er niet die op deze weg gestruikeld zijn.

We hebben allemaal nog veel te leren van de les die Jezus ons leert in Mattheus 25:
Wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon van Zijn heerlijkheid.

En vóór Hem zullen al de volken bijeengebracht worden, en Hij zal ze van elkaar scheiden zoals de herder de schapen van de bokken scheidt.

En Hij zal de schapen aan Zijn rechterhand zetten, maar de bokken aan Zijn linkerhand.

Dan zal de Koning zeggen tegen hen die aan Zijn rechterhand zijn: Kom, gezegenden van Mijn Vader, beërf het Koninkrijk dat voor u bestemd is vanaf de grondlegging van de wereld.

Want Ik had honger en u hebt Mij te eten gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en u hebt Mij gastvrij onthaald.

Ik was naakt en u hebt Mij gekleed; Ik ben ziek geweest en u hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis en u bent bij Mij gekomen.

Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden: Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien en te eten gegeven? Of dorstig en te drinken gegeven?

Wanneer hebben wij U als een vreemdeling gezien en gastvrij onthaald, of naakt en hebben U gekleed?

Wanneer hebben wij U ziek gezien of in de gevangenis en zijn bij U gekomen?

En de Koning zal hun antwoorden: Voorwaar, Ik zeg u: voor zover u dit voor een van deze geringste broeders van Mij gedaan hebt, hebt u dat voor Mij gedaan.

We horen Jezus niets zeggen over grote evangelisatiecampagnes die we voor de Heer organiseren, geweldige gebedsbijeenkomsten, aanbiddingsdiensten. En allemaal niets op tegen hoor maar we horen Hem wel spreken over een hongerige een bord eten geven of een glas water aan iemand die dorst heeft of een bed aan een dakloze. Nee, daar halen we de krant en het journaal en het kerkblaadje niet mee, maar het is wel de weg die de Heere God u en mij wijst willen we in Zijn weg gaan en onthaald worden in Zijn Koninkrijk. En wat kunnen we ons allemaal druk maken over de ware leer. We slaan elkaar bij wijze van spreken om de oren met allerlei eindtijd theorieën, dopen, opname scenario’s en Israel visies, maar als puntje bij het paaltje komt gaat, wanneer we Hem te dienen met een bord eten, een glas water en een bed.

Weet u, het is een beetje kort vandaag, maar laten we het daar maar eens bij houden. En laten we onszelf, ons eigen handelen en doen en laten maar eens tegen het licht houden en onszelf onderzoeken. Wat zijn de drijfveren van ons doen en laten? David begint deze Psalm met de woorden: O, HEERE.

David begint met te bidden: O HEERE, JHWH, Aanwezige. Deze woorden komen eerst in het Hebreeuws, en ik geloof dat het belangrijk is. Hij begint met het aanspreken van zijn God, zijn Heer, zijn Meester, zijn Eigenaar. Nederigheid begint met gericht zijn op de HEERE. Op Hem en op Hem alleen.

En als dat geen zegen is.

Psalm 131 -4-: Over een hogere weg gesproken -3-

Over een hogere weg gesproken -3-
Tsja, in de voorgaande uitzending hebben we wel een lesje in nederigheid met elkaar gehad. En ik sluit me daar zelf bij in hoor. Het zet ons bij wijze van spreken weer eens met beide benen op de grond.

David schept niet op over zijn nederigheid tegenover anderen. In plaats daarvan belijdt hij zijn nederigheid aan God. De hele psalm spreekt van een eenvoudige nederigheid voor de Heere. David is niet aan het opscheppen; hij vernedert zich voor God.

David begint met te bidden: O HEERE, JHWH, Aanwezige. Deze woorden komen eerst in het Hebreeuws, en ik geloof dat het belangrijk is. Hij begint met het aanspreken van zijn God, zijn Heer, zijn Meester, zijn Eigenaar. Nederigheid begint met gericht zijn op de HEERE. Op Hem en op Hem alleen. Niet gericht op de mensen, hoe goed bedoelt misschien ook, maar alleen en uitsluitend op Hem.

Alles wat volgt, vindt plaats in de context van die ene kreet: "Oh HEERE!". Hij roept als het ware de Aanwezige als getuige er bij. Hij weet zich in deze psalm, in het uitspreken van deze woorden, deze getuigenis, in de tegenwoordigheid van JHWH.

Er zijn verschillende dingen die we kunnen leren van Davids gebed hier in deze psalm. Wees allereerst niet trots in je hart. Zo begint David zijn gebed: Mijn hart is niet trots. Het woord dat in dit vers met "trots" is vertaald, is een woord dat "hoog, verheven of lang" betekent. Het is hetzelfde woord dat wordt gebruikt om Saul te beschrijven in het boek 1 Samuël, waar ons wordt verteld dat Saul "een hoofd groter was dan een van de anderen" (1 Samuël 10:23). Wanneer het met het hart wordt gebruikt, krijgt dit woord de betekenis van trots of hooghartig zijn, je hart omhoog heffen. Het trotse hart is trots in relatie tot jezelf. Trots zijn in boven het volk, boven de anderen om je heen verheven willen zijn. Gezien willen worden.

Je trots is het belangrijkste obstakel tussen jou en God. Trots en hoogmoed, en ik zeg het met alle eerbied, zijn een uitvinding van de Tegenstander. Hoogmoed is de oorzaak van de val van Satan, en hoogmoed heeft ervoor gezorgd dat Adam en Eva in de tuin naar Satan hebben geluisterd. Spreuken 18:12 zegt: Voor zijn val is het hart van een man trots, maar nederigheid gaat vóór eer.

Voordat je valt, is je hart trots of opgetild. Spreuken 16:5 waarschuwt ons: “De HEER verafschuwt alle hoogmoedigen van hart. Wees hier zeker van: ze zullen niet ongestraft blijven.

Wil je nederigheid beoefenen? Het begint bij je hart. Wees niet trots in je hart.

De schrijver van het Boek Spreuken zegt het zo:

Er is een generatie die zijn vader vervloekt
en zijn moeder niet zegent,
een generatie die rein is in zijn eigen ogen,
maar van zijn vuil niet gewassen is,

een generatie -wat hebben zij een hoogmoedige oogopslag
waarvan de wimpers opgetrokken zijn,

een generatie waarvan de tanden zwaarden,
de hoektanden messen zijn,
om de ellendigen van de aarde
en de armen onder de mensen te verslinden.

De bloedzuiger heeft twee dochters: Geef, Geef.
Deze drie dingen worden niet verzadigd,
vier zeggen niet: Het is genoeg.

Het graf, een gesloten baarmoeder,
een land dat niet van water verzadigd is
en het vuur zeggen niet: Het is genoeg.

Tsja, het wordt er allemaal niet leuker op in dit programma vindt u ook niet? Maar ik herinner mijzelf er ook aan dat het hier om een pelgrimslied gaat. En we op de reis naar Jeruzalem er bijna zijn. En willen we in de tegenwoordigheid van de Aanwezige, in Zijn tegenwoordigheid komen, dan zal er ruimte in ons hart gemaakt moeten zijn. He eigen ‘ik’ moet er uit en Hij er in.

En in het tweede testament lezen we het in Romeinen 12 zo:

Laat de liefde ongeveinsd zijn. Heb een afkeer van het kwade en houd vast aan het goede.

Heb elkaar hartelijk lief met broederlijke liefde. Ga elkaar voor in eerbetoon.

Wees niet traag wat uw inzet betreft. Wees vurig van geest. Dien de Heere.

Verblijd u in de hoop. Wees geduldig in de verdrukking. Volhard in het gebed.

Wees deelgenoot in de noden van de heiligen. Leg u toe op de gastvrijheid.

Zegen wie u vervolgen. Zegen hen en vervloek hen niet.

Verblijd u met hen die blij zijn, en huil met hen die huilen.

Wees eensgezind onder elkaar. Streef niet naar de hoge dingen, maar houd u bij de nederige. Wees niet wijs in eigen oog.

Vergeld niemand kwaad met kwaad. Wees bedacht op wat goed is voor alle mensen.

Leef, zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, in vrede met alle mensen.

Wreek uzelf niet, geliefden, maar laat ruimte voor de toorn, want er staat geschreven: Deut. Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, zegt de Heere.

Als dan uw vijand honger heeft, geef hem te eten, als hij dorst heeft, geef hem te drinken, want door dat te doen, zult u vurige kolen op zijn hoofd hopen.

Word niet overwonnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.

Tsja, als ik deze woorden lees moet ik denken aan de woorden van Jezus, zoals we die in de voorgaande uitzending met elkaar gelezen hebben uit Mattheus 25.

Paulus geeft een hele korte samenvatting van het geheel: Wees bedacht op wat goed is voor alle mensen.

Als dat geen zegen is.

Psalm 131 -5-: Over een hogere weg gesproken -4-

Over een hogere weg gesproken -4-
De Psalm en daarmee David spreekt in deze Psalm nadrukkelijk en indringend over het thema nederigheid. In de voorgaande uitzending hebben we met elkaar nagedacht over zijn uitspraak met betrekking tot hoogmoed. En misschien is dat wel de kern, de oorsprong van de zonde. Daar ging het al mee fout in Genesis 3. We wilden als God zijn. Hoogmoed is iets wat diep, diep in ons wezen verankerd ligt.

In de tijd waarin wij leven hoor ik vaak de uitspraak: Je moet eerst van jezelf houden, wil je van anderen kunnen houden. Dat klink natuurlijk heel mooi en nobel. Maar dat is niet wat het Woord van God ons leert. In 2 Timotheüs 3 vers 2 lezen we: En weet dit dat in de laatste dagen zware tijden zullen aanbreken. Want de mensen zullen liefhebbers zijn van zichzelf, geldzuchtig, grootsprekers, hoogmoedig, lasteraars, hun ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig en zo gaat het rijtje nog een stuk verder. Tsja, het mes gaat er bij wijze van speken diep in vanmorgen.

Hoogmoed noemt Paulus hier, maar wordt eveneens door David genoemd in Psalm 131. We zien dit in het tweede deel van Davids gebed: "Mijn ogen zijn niet hoogmoedig”. Hoog van gemoed, of hooghartig.

Het woord voor hooghartig in dit vers betekent "verheven of verheven worden". Het werd vaak gebruikt om alleen een voorwerp op te tillen, bijvoorbeeld Mozes die zijn staf ophief in het boek Exodus (Exodus 7:20). Het is hetzelfde woord dat van de Heere wordt gebruikt in Jesaja 6:1, waar Jesaja zegt: "Ik zag de Heer gezeten op een troon, hoog en verheven, en de zoom van zijn mantel vulde de tempel." (Jesaja 6:1)

Er is een goede opheffing van onze ogen zoals we zagen in Psalm 121, waar we onze ogen opheffen naar de Heer: “Ik hef mijn ogen op naar de heuvels – waar komt mijn hulp vandaan? Mijn hulp komt van de Heer, de Maker van hemel en aarde.” (Psalm 121:1-2)

Maar er is ook een verkeerde opheffing van onze ogen waar we ze alleen opheffen om op andere mensen neer te kijken. En dat is wat David bedoelt met "hooghartige ogen" hier in Psalm 131. De dichter van de Spreuken zegt: Er is een generatie die zijn vader vervloekt en zijn moeder niet zegent, een generatie die rein is in zijn eigen ogen, maar van zijn vuil niet gewassen is, een generatie – wat hebben zij een hoogmoedige oogopslag –waarvan de wimpers opgetrokken zijn. (Spreuken 30:11-13)

Hooghartige ogen zijn degenen die andere mensen minachten en op hen neerkijken. Je kunt opkijken naar de Heere of neerkijken op andere mensen. Maar je kunt niet beide tegelijk doen.

Als het trotse hart te maken heeft met trots in relatie tot jezelf, hebben hooghartige ogen te maken met trots in relatie tot anderen. Dit is de trots die anderen voortdurend naar beneden haalt. Wanneer jezelf constant vergelijkt met anderen, jezelf er telkens van overtuigt dat je beter bent dan anderen.

Romeinen 12:16 vertelt ons: Wees niet trots, maar wees bereid om omgang te hebben met mensen met een lage positie. Of zoals de Herziene Staten Vertaling zegt: Wees eensgezind onder elkaar. Streef niet naar de hoge dingen, maar houd u bij de nederige. Wees niet wijs in eigen oog.

Dit kleine lied is ingeschreven omdat het als een echo is van het antwoord (2 Samuël 6:21).) waarmee David de spottende opmerking van Michal afweerde toen hij voor de Ark danste in een linnen efod, en daarom niet in koninklijke kleding, maar in de gewone kleding van de priesters: ik acht mezelf nog minder dan ik het nu laat zien, en Ik lijk laag in mijn eigen ogen.

In het algemeen is David het model van de gemoedstoestand die de dichter hier uitdrukt. Hij duwde zichzelf niet naar voren, maar liet zich uit de afzondering voorttrekken. Hij nam de troon niet met geweld in bezit, maar nadat Samuël hem gezalfd heeft, gaat hij gewillig en geduldig de lange, doornige, omslachtige weg van diepe vernedering af, totdat hij uit Gods hand ontvangt wat Gods belofte hem had verzekerd.

De vervolging door Saul duurde ongeveer tien jaar, en zijn koningschap in Hebron ving pas aan in Hebron voor een periode van zeven en een half jaar. Hij liet het aan God over om Saul en Isboset te verwijderen. Hij verliet Jeruzalem vóór Absalom. Onderwerping aan Gods leiding, tevreden met wat hem was toebedeeld, zijn de kenmerkende eigenschappen van zijn karakter. David, de dichter van de Psalm houdt deze houding zichzelf en zijn tijdgenoten als een spiegel voor, nl. aan het Israël van de periode na de ballingschap, dat in verband met een klein begin onder moeilijke omstandigheden nederigheid en tevredenheid was geleerd.

En ook nu leven we in een tijd waarin we een deel van Israel terug zien keren na eeuwen van ballingschap. En wat de toekomst zal brengen daarover zijn we niet in het ongewisse, want het profetisch Woord verteld het ons in Jeremia 23:

1 Wee de herders die de schapen van Mijn weide ombrengen en overal verspreiden, spreekt de HEERE.

2 Daarom, zo zegt de HEERE, de God van Israël, van de herders die Mijn volk weiden: Ú hebt Mijn schapen overal verspreid en verdreven, en u hebt niet naar ze omgezien. Zie, Ik ga u uw slechte daden vergelden, spreekt de HEERE.

3 Ik echter, Ik zal het overblijfsel van Mijn schapen bijeenbrengen uit al de landen waarheen Ik hen verdreven heb. Ik zal hen terugbrengen naar hun schaapskooien, en zij zullen vruchtbaar zijn en talrijk worden.

4 Ik zal over hen herders doen opstaan die hen weiden zullen. Zij zullen niet meer bevreesd zijn, ontsteld zijn of gemist worden, spreekt de HEERE.

5 Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik voor David een rechtvaardige SPRUIT zal doen opstaan. Hij zal als Koning regeren en verstandig handelen, Hij zal recht en gerechtigheid doen op de aarde.

6 In Zijn dagen zal Juda verlost worden en Israël onbezorgd wonen. Dit zal Zijn Naam zijn waarmee men Hem noemen zal: DE HEERE ONZE GERECHTIGHEID.

7 Daarom zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat men niet meer zal zeggen: Zo waar de HEERE leeft, Die de Israëlieten geleid heeft uit het land Egypte,

8 maar: Zo waar de HEERE leeft, Die het nageslacht van het huis van Israël geleid heeft en Die het gebracht heeft uit het land in het noorden en uit al de landen waarheen Ik hen verdreven had: zij zullen wonen in hun eigen land.

Zo mogen we Psalm 131 ook profetisch zien en lezen: Dat Israel zich onderwerpt aan Gods leiding, tevreden met wat haar is toebedeeld. Inderdaad, David, de dichter van de Psalm houdt deze houding zichzelf en zijn tijdgenoten als een spiegel voor toen, maar door middel van Psalm 131 ook nu in de tijd waarin wij leven, nl. aan het Israël van de periode na de ballingschap, dat in verband met een klein begin onder moeilijke omstandigheden nederigheid en tevredenheid was geleerd.

Als dat geen zegen is.

Psalm 131 -6-: Over een hogere weg gesproken -5-

Over een hogere weg gesproken -5-
In de afgelopen dagen hebben we stil gestaan bij de gedachte: Wees niet trots in je hart. Wees niet trots op je houding ten opzichte van anderen. En dat naar aanleiding van de woorden van David uit het eerste vers van de Psalm:
HEERE mijn hart is niet hoogmoedig,
mijn ogen zijn niet trots,

En dan vervolgt David met de woorden:
ook wandel ik niet in dingen
die te groot en te wonderlijk voor mij zijn.

Of met andere woorden: Heb niet het gevoel of denk niet dat je alles moet weten of begrijpen.

In Deuteronomium 29:29 lezen we de wijze les al: De verborgen dingen zijn voor de HEERE, onze God, maar de geopenbaarde dingen zijn voor ons en onze kinderen, tot in eeuwigheid, om al de woorden van deze wet te doen.

En dan Job, u weet wel, de rechtvaardige Job, die de Heere God ter verantwoording roept over Zijn daden. En wanneer hij dan na 41 hoofdstukken letterlijk aan het eind van zijn latijn is, dan doet hij boete voor zijn gedrag met de woorden:
Toen antwoordde Job de HEERE en zei: Ik weet dat U alles vermag, en geen plan is onmogelijk voor U. Wie is hij, zegt U, die Mijn raad verbergt zonder kennis? Zo heb ik verkondigd wat ik niet begreep, dingen die te wonderlijk voor mij zijn en die ik niet weet.

Het is interessant, in het eerste deel van vers één sprak David over het hart. In het tweede deel sprak hij over de ogen. En nu heeft hij het hier metaforisch over de voeten, omdat het woord dat vertaald is met lopen is. Het kan worden gebruikt om fysiek te lopen, maar het wordt ook gebruikt in de zin van hoe je loopt of je gedraagt ​​in het leven. Wat je levensloop is. Hoe sta je in het leven?

De woorden van Job resoneren als het waren nog in mijn hart en gedachten: Zo heb ik verkondigd wat ik niet begreep, dingen die te wonderlijk voor mij zijn en die ik niet weet.

Ach, ach, nu ik wat ouder geworden ben denk ik wel eens: Het zouden mijn woorden geweest kunnen zijn. Die woorden van Job. Ook ik dacht alles wel te begrijpen wat God geopenbaard had. Maar nu ik wat ouder geworden ben, denk ik wel eens: Des te ouder ik word, des te minder weet ik met zekerheid. Alleen weet ik beter dat we met een genadig God te maken hebben.

En wat een onheilige discussies vinden er te vaak plaats over om maar eens een onderwerp te noemen, de opname plaats. Wat een discussies over de plaats van Israel in Gods heilsplan. Wat een discussies over het herstel van Israel. En te vaak met hete hoofden en koude harten. Maar Gods Woord is geen discussiestuk, maar het Woord om geloofd te worden.

De woorden van Paulus in Filippensen 3 zijn in dit verband wel heel gepast:
Broeders, ikzelf denk niet dat ik het gegrepen heb,

14 maar één ding doe ik: vergetend wat achter is, mij uitstrekkend naar wat voor is, jaag ik naar het doel: de prijs van de roeping van God, die van boven is, in Christus Jezus.

15 Laten wij dan, voor zover wij geestelijk volwassen Letterlijk: volmaakt. zijn, deze gezindheid hebben; en als u iets anders gezind bent, ook dat zal God u openbaren. Het grondwoord betekent letterlijk volmaakt zijn. Hiermee doelt de apostel echter niet op mensen door de onderhouding van de wet helemaal zijn geworden, want in de verzen 12 en 13 heeft hij al met het oog op zichzelf gezegd dat dat in dit leven onmogelijk is. Hij doelt hier met name op mensen die de Schrift goed en grondig hebben leren begrijpen, en zo de volwassenheid bereikt hebben. Dit in tegenstelling tot anderen die wat hun kennis betreft nog kinderen zijn.

16 Maar tot zover wij gekomen zijn, laten wij naar dezelfde regel wandelen, laten wij eensgezind zijn.

Laten we niet wandelen ik niet in dingen
die te groot en te wonderlijk voor mij zijn.

Het woord dat vertaald is met "te wonderlijke dingen" wordt vaak gebruikt in de Psalmen en wordt vooral gebruikt om te spreken van Gods wonderen of machtige daden. Met andere woorden, dit zijn dingen die te hoog voor ons zijn, dingen die buiten onze macht liggen of die te moeilijk voor ons zijn om te begrijpen.

Dus wat zegt David in dit vers? Hij zegt: “Ik heb geleerd niet boven mijn stand te leven. Ik heb geleerd om niet buiten mijn bereik te reiken. Ik heb geleerd om geen grote moeite te doen om dingen te doen die mijn vermogen te boven gaan of om dingen te begrijpen die mijn bevattingsvermogen te boven gaan. Ik ben bereid toe te geven dat er dingen zijn die ik niet kan, en veel dingen die ik niet begrijp.

Gods Woord is ons niet gegeven om te begrijpen, maar om te geloven.

Wil je een simpele vertaling van dat alles? David zegt eigenlijk: "Ik stop met proberen om als God te zijn."  David spreekt over zijn hart, over zijn ogen en over zijn levensloop.
Zijn, maar ook uw en mijn trotse hart heeft te maken met trots in relatie tot onszelf, ons ik.
Zijn, maar ook uw en mijn en trotse ogen hebben te maken hebben met trots in relatie tot anderen.
Zijn, maar ook uw en mijn heeft de trotse levenshouding heeft te maken met trots in verhouding tot God.

En daarmee zijn we terug bij af. Terug bij Genesis 3.

Echt, we hoeven niet alles te weten of te begrijpen. En we hoeven niet iedereen te laten weten wat we van elk probleem vinden. Het lijkt erop dat iedereen tegenwoordig een mening heeft, of we de feiten nu kennen of niet, en sociale media maken het nog gemakkelijker om die meningen aan anderen te verspreiden. Maar kom tot rust.

Het is helemaal niet erg om toe te geven dat je niet alles weet. Toen God Job aan het einde van zijn proces confronteerde, was Job terecht vernederd. Hij bekende: „Ik heb gesproken over dingen die ik niet begreep, dingen die te wonderbaarlijk waren om te weten.” (Job 42:3) Onze kennis is niet zoals Gods kennis. David schrijft in Psalm 139 :

HEERE, U doorgrondt en kent mij.
Ú kent mijn zitten en mijn opstaan,
U begrijpt van verre mijn gedachten.

U onderzoekt mijn gaan en mijn liggen,
U bent met al mijn wegen vertrouwd.

Al is er nog geen woord op mijn tong,
zie, HEERE, U weet het alles.

U sluit mij in van achter en van voren,
U legt Uw hand op mij.

Dit kennen – het is mij te wonderlijk,
te hoog, ik kan er niet bij.

Psalm 131 heeft ook te maken met je buitensporige verlangen om belangrijk te zijn. Zoveel van het leven is gewoon, we doen onze dagelijkse taken tot eer van God en voor het welzijn van anderen, en zo vaak willen we zoveel meer. Sommigen van ons moeten Gods berisping aan Baruch, de zoon van Neria, in Jeremia 45:5 horen : Zou je dan grote dingen voor jezelf moeten zoeken? Zoek ze niet. En in Jeremia 45:5: Zoek grote dingen voor de Heerw, maar niet voor jezelf.

Psalm 131 leert ons nederig te zijn in onze wandel voor de Heer. Wees tevreden met wie God je heeft gemaakt en wees tevreden met de gaven die God je heeft gegeven. Vraag God nooit om de positie van iemand anders in het leven.

Robert Murray M'Cheyne schreef: Het is altijd mijn doel geweest, en het is mijn gebed, om geen plan te hebben met betrekking tot mezelf; Ik ben er zeker van dat de plaats waar de Heiland mij heeft geplaatst, de beste plaats voor mij moet zijn.

Het is tijd om nederigheid te oefenen. Wees niet trots in je hart. Wees niet trots op uw houding tegenover anderen. Heb niet het gevoel dat je alles moet weten of begrijpen. God weet het, en dat is genoeg.

En als dat geen zegen is.

Psalm 131 -7-: Over een hogere weg gesproken -7-

Over een hogere weg gesproken -7-
In de voorgaande uitzending hebben we met elkaar stilgestaan bij het persoonlijke aspect van de woorden uit vers 2: Ik heb mijn ziel tot rust gebracht en tot stilte gebracht.

We zagen dat het woord dat in dit vers met 'stil' is vertaald, is een woord dat 'stil maken of egaliseren of gladmaken' betekent. Hier verwijst het naar het ophouden van beweging.  Dat is wat dit woord betekent. En hier spreekt David over het kalmeren of kalmeren van zijn eigen ziel. David zegt dat hij die dingen in zijn leven zijn geëlimineerd die zijn ziel in beroering brengen, juist die dingen waar we zojuist in vers één naar hebben gekeken - trots op zichzelf, trots op anderen (door onszelf te vergelijken met anderen en) en trots op God (proberen ons eigen leven te leiden).

Maar de Psalm, en daarmee David, spreekt in vers 3 eveneens over Israel: Israël, hoop op de HEERE, van nu aan tot in eeuwigheid. De vraag dringt zich dus op wat het verband zou kunnen zijn tussen deze verzen, dit onderwerp dat David aansnijdt en Israel. En vooraf wil ik zeggen dat ik met alle voorzichtigheid vanmorgen daar iets over wil zeggen. Want we spreken over het volk van God, Gods oogappel, en we weten wat daarover God zelf zegt.

In psalm 46 vers 10 spreekt de dichter van de Psalm over het aspect van stil zijn in relatie tot het volk van God. We lezen daar: Wees stil en weet dat ik God ben; Ik zal verhoogd worden onder de volken, ik zal verhoogd worden op de aarde.

Wees stil en weet dat ik God ben.

Laten we voor het verband Psalm 46 eens in zijn geheel lezen.

Een lied op Alamoth, voor de koorleider, van de zonen van Korach.
God is ons een toevlucht en kracht;
Hij is in hoge mate een hulp gebleken in benauwdheden.

Daarom zullen wij niet bevreesd zijn, al veranderde de aarde van plaats
en werden de bergen verzet naar het hart van de zeeën.

Laat haar water bruisen, laat het schuimen,
laat de bergen beven door haar onstuimigheid. Sela

De beekjes van de rivier verblijden de stad van God,
het heiligdom, de woningen van de Allerhoogste.

God is in haar midden, zij zal niet wankelen;
God zal haar helpen bij het aanbreken van de morgen.

De heidenvolken tierden, de koninkrijken wankelden;
Hij liet Zijn stem klinken: de aarde smolt weg.

De HEERE van de legermachten is met ons;
de God van Jakob is voor ons een veilige vesting. Sela

Kom, zie de daden van de HEERE,
Die verwoestingen op de aarde aanricht;

Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde der aarde,
de boog breekt en de speer in stukken slaat,
de wagens met vuur verbrandt.

Geef het op en weet dat Ik God ben;
Ik zal geroemd worden onder de heidenvolken,
Ik zal geroemd worden op de aarde.

De HEERE van de legermachten is met ons;
de God van Jakob is voor ons een veilige vesting. Sela

Weet u, ik hoop zo dat u het verband ziet tussen de weg die het volk van Israel nu in de tijd waarin wij leven volgt en psalm 132. En ik zeg het met schroom want ik wet hoe gevoelig dit vaak ligt bij hen die Israel van harte liefhebben, en geloof mij, ook ik doe dat, maar tegelijkertijd moeten we er voor oppassen ook Israel niet tot onze God te maken, te verafgoden als het ware.

In de tijd waarin wij leven zien we ook een Israel dat het zonder God wel denkt te kunnen oplossen. Vrede te kunnen stichten met de haar omringende landen. Waarbij ik denk aan de Abrahamakkoorden die worden afgesloten maar uiteindelijk een product zijn van het menselijk denken en doen. De Abrahamakkoorden waarvan hoog wordt opgegeven, waar Israel trots op is die gerealiseerd te hebben. Als ik denk aan de overeenkomst met Libanon over de mediterrane grenzen die een dezer dagen zijn overeengekomen. Die als een ‘wonder’ worden benaderd. En ja, inderdaad, Israel speelt op het wereldtoneel een belangrijke rol waar het gaat over tal van gebieden waar het de wetenschap betreft. Bijna dagelijks wordt er melding gemaakt van opnieuw een uitvinding die een zegen is voor deze wereld. Maar tegelijkertijd lezen we door al deze berichten toch ook vaak een ondertoon van trots en hoogmoed, iets van: Kijk ons eens. En ik ben misschien wel de allerlaatste die dat niet zou begrijpen, echt waar. Want er vinden heel, heel bijzonder gebeurtenissen plaats in en rond Israel. Denk alleen maar is aan het feit dat er na eeuwen van verstrooiing nu een plaats is waar zij mogen en kunnen wonen in het land van God.

Maar we zien ook een trots op zichzelf, trots op anderen in de zin er bij willen horen in deze wereld en trots op God door te proberen hun eigen leven te leiden. Het zelf allemaal te regelen en te organiseren. Hoe goed bedoelt ook, mar de dichter zegt:

Israël, hoop op de HEERE,
van nu aan tot in eeuwigheid.

Weet u, alle goede bedoelingen van Israel ten spijt, maar uiteindelijk zal blijken dat ook zij Jezus, hun Yeshua, nodig zullen hebben om alle stormen die over Israel heen gekomen zijn en nog zullen komen, nodig hebben. Hem afwijzen is geen optie, echt niet. En ik zeg het met pijn in mijn hart.

Paulus zegt het zo in Romeinen 9 en ik voel met hem mee:
Ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet en mijn geweten getuigt mee door de Heilige Geest, dat het een grote bron van droefheid voor mij is, en een voortdurende smart voor mijn hart. Want ik zou zelf wel wensen vervloekt te zijn, weg van Christus, ten gunste van mijn broeders, mijn verwanten wat het vlees betreft. Zij zijn immers Israëlieten; voor hen geldt de aanneming tot kinderen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften. Tot hen behoren de vaderen, en uit hen is, wat het vlees betreft, de Christus voortgekomen, Die God is, boven alles, te prijzen tot in eeuwigheid. Amen!

In eigen kracht zal het Israel niet gelukken om tot rust te komen, en het hoeft ook niet. Daarover is Psalm 46 wel heel duidelijk:

De heidenvolken tierden, de koninkrijken wankelden;
Hij liet Zijn stem klinken: de aarde smolt weg.

De HEERE van de legermachten is met ons;
de God van Jakob is voor ons een veilige vesting. Sela

Kom, zie de daden van de HEERE,
Die verwoestingen op de aarde aanricht;

Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde der aarde,
de boog breekt en de speer in stukken slaat,
de wagens met vuur verbrandt.

Geef het op en weet dat Ik God ben;
Ik zal geroemd worden onder de heidenvolken,
Ik zal geroemd worden op de aarde.

De HEERE van de legermachten is met ons;
de God van Jakob is voor ons een veilige vesting. Sela

Als dat geen zegen is.

Psalm 131 -8-: Over een hogere weg gesproken -8-

Over een hogere weg gesproken -8-
Zoals eerder in dit programma aangegeven blijken drie aspecten in vers 2 aanwezig die ons iets willen leren over tevredenheid. En het eerste aspect van deze tevredenheid is om stil te zijn voor de HEERE. Dat aspect hebben we in de voorgaande twee afleveringen met elkaar besproken. Vandaag willen we met elkaar bij het tweede aspect stil staan. Het tweede aspect is om onze ziel tot rust te. Voorwaar, ik heb mijn ziel tot rust en tot stilte gebracht. Vanuit het Hebreeuws zouden we ook kunnen vertalen met: Ik ben verstild en tot rust gebracht. Ik heb mijn ziel, mijn wezen, mijzelf tot verstilling gebracht en tot rust gebracht.

Het woord "rustig" betekent hier onbeweeglijk of stil zijn. Dus David heeft zijn ziel tot rust gebracht - geen opwinding meer. Geen hoogmoed meer, geen trots meer, geen opwinding meer, maar rustig en stil zijn, zoals een baby die net van de borst komt. Geen onrust meer. Net als David heeft hij zijn ziel tot rust gebracht, geen geschreeuw en gedoe meer.

Kent u dat, deze rust in God? Gistermiddag op de tuin sprak ik met een broeder in Christus die mij vertelde dat hij twee weken alleen naar de Veluwe was geweest, Alleen, los van vrouw en kinderen om stil te worden. Geen televisie, geen telefoon geen radio. Alleen zijn Bijbel. Geen prikkels van buitenaf. Stil worden voor God. De eerste week had hij daar erg veel moeite mee, maar uiteindelijk, de tweede week kwam hij tot rust.

En hoeveel mensen zijn er niet die een week in een kloosster doorbrengen om rust te vinden. En hoeveel, ook jonge mensen, zijn er niet die moeite hebben met het moordende tempo waarin wij in onze samenleving elkaar opjagen. In toenemende mate met een burnout tot gevolg.

Maar God, de Eeuwige is een God van rust. Het woord "rustig" betekent hier in psalm 131 onbeweeglijk of stil zijn. Een stille ziel komt alleen van God. Het is zijn geschenk aan ons. Hoort u het: Stilte is Zijn geschenk aan ons. In alle drukte en gekte van deze wereld vindt God nog nauwelijks een gelegenheid om tot ons te spreken. O ja, in het beste geval hebben we nog net een gaatje in onze agenda op zaterdag of zondag ochtend om naar de dienst te gaan. Een dienst die veelal voor het grootste deel wordt gevuld door muziek en aanbidding. Althans zoals wij dat vaak noemen. Maar aanbidding heeft dat ook niet te maken met stil worden voor de Aanwezige. Tot rust komen en luisteren naar wat Hij tot ons zegt door Zijn Woord? Zijn Woord, dat vergeleken wordt met melk, en dan moet ik denken aan het gespeende kind, of vaste spijs? Om daarna gespijzigd tevreden en rustig aan Vaders borst te liggen?

Ik herinner mij de vraag die Henk Binnendijk aan een volle zaal aanwezigen stelde: Hoeveel van de mensen zij er in deze zaal die per dag een half uur in de Bijbel lezen. Nee, geen dagboekje. Maar de Bijbel. Steek uw vinger eens op? En u raadt het al: Het aantal vingers bleef beperkt tot een hand vol. En dan vinden wij het gek dat ons geestelijk leven op een laag pitje staat en ons geloofsleven bij wijze van spreken naar de rand van ons leven is verdwenen? Lieve mensen, waar is de houding van u en mij wanneer ik lees over de twee Emmaüsgangers: Was ons hart niet brandende in ons?

Een stille ziel komt alleen van God. Het is zijn geschenk aan ons. David schrijft in Psalm 62:1 : “Mijn ziel vindt rust bij God alleen; mijn redding komt van hem.”

Een stille ziel komt alleen van God. Het is zijn geschenk aan ons. David schrijft in Psalm 62:1 : Mijn ziel vindt rust bij God alleen; mijn redding komt van hem. Jezus, Yeshua,  biedt rust voor de ziel aan allen, aan iedereen die tot hem komt. Niet voor eens en voor altijd, maar elk dag weer opnieuw. Hoevaak leven we niet dat Jezus alleen de berg op ging om in de rust en gemeenschap met de Vader te zijn. En als Jezus dat al nodig had, hoeveel temeer u en ik.

Hij zegt in Mattheüs 11 : Kom naar Mij toe, allen die vermoeid en belast zijn, en Ik zal u rust geven. Neem Mijn juk op u, en leer van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en u zult rust vinden voor uw ziel, want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht.

Wil je rust voor je ziel? Kom tot Jezus en hij zal je rust geven. Als je nederigheid beoefent, leer je tevredenheid. En een deel van die tevredenheid is het hebben van een verstild en rustige ziel.

Als dat geen zegen is

Psalm 131 -9-: Over een hogere weg gesproken -9-

Over een hogere weg gesproken -9-
In de voorbije dagen hebben we met elkaar nagedacht over het stilzijn voor de Heere en het tot rust brengen van onze ziel. In deze uitzending wil ik met u nadenken over de woorden: als een kind dat de borst ontwend is, bij zijn moeder, mijn ziel is in mij als een kind dat de borst ontwend is. Of zoals een andere vertaling zegt: "... als een gespeend kind met zijn moeder, als een gespeend kind is mijn ziel in mij."

Evenals in Psalm 130, waar sprake is van een herhaling van de woorden: meer dan wachters wachten op de ochtend, meer dan wachters wachten op de ochtend, zien we hier een herhaling van de woorden: "... als een gespeend kind met zijn moeder, als een gespeend kind is mijn ziel in mij."

Dit beeld voor zover ik mij kan indenken is een beeld van volmaakte vrede en tevredenheid. Want wat kan een kleine baby niet intens tot rust komen wanneer het zojuist gevoed is bij moeder.

Hetzelfde kind wat even daarvoor met veel ophef, en huilen, is volledig tot rust en tevredenheid gekomen. Er is rust en tevredenheid.

Is dat ook niet zo wanneer we onze trots in ons bestaan loslaten, en onze honger naar meer en meer van deze wereld en we ons voeden met (het Woord van) de HEERE, we een tevreden en rustiger leven kunnen leiden? Sommige dingen hoeven of moeten dan niet meer en krijgen een andere plaats in ons leven wanneer we ons geheel aan de HEERE toevertrouwen.

Wanneer we als kinderen van God willen groeien en volwassen willen worden, moet onze ziel, ons leven, tot rust komen. Zeker wanneer we nog in het volle leven van elke dag staan, worden we veelal geleefd door alles en iedereen om ons heen. Wie neemt de gelegenheid om dagelijks het geestelijke Manna op te rapen voor de zon opkomt? Of knallen we uit ons bed, en staan we bij wijzen van spreken binnen het kwartier buiten om naar ons werk te gaan? Of nemen de we tijd om in gemeenschap met de HEERE, de Aanwezige te zijn?

Om gevoed te worden, is het net zoals de baby, het noodzakelijk om daar tijd voor te nemen. We zullen onze trots, hoogmoed etcetera moeten afleggen en aan de voeten van Jezus plaats moeten nemen.

Jezus zei in Mattheüs 18 : “Ik zeg je de waarheid, tenzij je verandert en wordt als kleine kinderen, zul je het koninkrijk der hemelen nooit binnengaan. Daarom, wie zich vernedert zoals dit kind, is de grootste in het koninkrijk der hemelen.” ( Mattheüs 18:3-4 ) En dus moeten we juist als gelovigen niet langer, en ik zeg het een beetje oneerbiedig, niet langer moeten vechten en klauwen en schreeuwen om de dingen van deze wereld. Hij wil dat we als kinderen zijn, afhankelijk van hem en tevreden met Hem, en Hem alleen. Weet u, het kostbaarste wat God ons in dit leven gegeven heeft is tijd. En het is maar net waar je de tijd die God u en mij geeft aan besteed. Want die kun je maar een keer besteden.

En dat is eigenlijk het punt van dit hele beeld van het kind dat in Psalm 132 wordt gebruikt. Het gespeende kind is tevreden met de moeder en wij zullen tevreden zijn met God.

En net zoals het kind beetje bij beetje de gewoonte afbreekt om zijn moeder alleen te zien als een middel om zijn eigen verlangens te bevredigen en leert om van haar te houden omwille van haarzelf, zo is het ook heel normaal dat een kind van God van de melk af gaat en tot vaste spijs komt. Dat is niet altijd even makkelijk, maar onze eigen individuele, ik gerichte verlangens naar bevrediging in ons leven zullen naar een ander zwaartepunt gekanteld moeten worden. Gericht op de Eeuwige.

Deze rustgevende toestand van de gelovige staat in schril contrast met de rusteloosheid van degene die zonder God leven. We lezen in Jesaja 57 : Maar de goddelozen zijn als de woelige zee, die niet kan rusten, waarvan de golven slijk en modder opwerpen. 'Er is geen vrede', zegt mijn God, 'voor de goddelozen.

Er is geen vrede voor hen die zonder God leven, maar er is volmaakte vrede en tevredenheid voor hen die met Hem leven. Hem betrekken in alle aspecten van het leven. Dus stop met worstelen. Stop met je rusteloosheid. Wees stil voor de Heer. Breng je ziel tot rust. Oefen nederigheid en leer tevredenheid.

Want als dat geen zegen is.

Psalm 131 -10-: Over leven in hoop gesproken

Over leven in hoop gesproken
Vanmorgen wil ik met u nadenken over het laatste vers van deze psalm. En je zou daar als het waren het thema ‘Leven in hoop’ boven kunnen zetten. En dat in eerste instantie voor het volk Israel. Wanneer trots en hoogmoed voor de voeten van Jezus zijn neergelegd mogen zij in rust met Hem leven en is er hoop op de Aanwezige en mogen zij in deze hoop, deze Tikvah, leven. En dat is geen makkelijke weg, zoals we gezien hebben. Ik roep nog even de woorden in herinnering die we bij het begin van de psalm citeerden: Het is een van de kortste Psalmen om te lezen, maar ook een van de langste om te leren. Dat geldt voor Israel en dat geldt voor u en mij. Maar er is hoop! Hoop voor Israel en hoop voor u en mij. Niemand uitgezonderd. Israel is niet door de Heere God geheiligd, apart gezet om zonder hoop verder te gaan. En zo ook u en ik en geen enkel mens is op deze aarde door de Heere God geplaatst om zonder hoop door het leven te gaan. Daarom: Hoop op de HEERE. Hoop op de Aanwezige.

Zoals we bij de andere Pelgrimspsalmen afgesloten wordt met woorden van triomf, van overwinning, sluit David de psalm af met een woord van zegen of gebed voor of over Israël. Door taal te lenen van drie van de eerdere Pelgrimspsalmen (121, 125 en 130), moedigt David heel Israël aan en nodigt het uit om hun hoop op de Heer te stellen, nu en voor altijd.
Niet op wapens, niet op wapengekletter, niet op eigen kracht, niet op vredesakkoorden, hoe mooi en veel belovend ook, maar hoop op de HEERE, de aanwezige.

En zo roept David door deze woorden ook u en mij op: Laten we ons vertrouwen, onze hoop niet stellen op eigen kracht, dat wij het wel in het leven voor elkaar boksen, dat is allemaal trotst en hoogmoed, laat het allemaal maar los en vallen, maar we mogen rusten in het verlossingswerk van de HEERE God. Hoop op de HEERE.

In de voorgaande Psalm, in Psalm 130 vers 7 lazen we: "O Israël, stel uw hoop op de Heer, want bij de Heer is onwankelbare liefde en bij hem is de volledige verlossing." Tsja, ik zou willen zeggen, wat willen we eigenlijk nog meer in het leven. Bij Hem is onwankelbare liefde en volledige verlossing. Als dat geen genade is. En dat niet voor even, maar zowel nu als voor altijd en eeuwig.

Dit gaat verder met Psalm 121 en 125. Want in Psalm 121 lezen we: “De Heer zal u behoeden voor alle kwaad – hij zal over uw leven waken; de Heer zal waken over uw komen en gaan, nu en voor altijd.” (Psalm 121:7-8).

Tsja, de HEERE beloofd ons, u en mij en Israel geen stil en gerust leven. Daar weet Israel over mee te praten en ik ken u niet, maar ik weet zeker dat ook u en ik daarover mee kunnen praten. Neet geen stil en gerust leven, maar wel een behouden aankomst. Voor Israel, mar ook voor u en mij wanneer we onze hoop en verwachting op Hem stellen.

Zijn dat goedkope woorden. Nee hoor, want Psalm 125, ook een lied van de Pelgrim lezen we: “Zoals de bergen Jeruzalem omringen, zo omringt de Heer zijn volk nu en voor altijd.” (Psalm 125:2).

Het "nu" vertelt je dat Israel en u en ik op God kunnen vertrouwen voor alle huidige behoeften. En de "voor altijd" vertelt ons dat Israel, en u en ik op God kunt vertrouwen voor alle toekomstige behoeften.

Het is interessant, David begon deze psalm door God aan te spreken: "O Heer!" Nu sluit hij de psalm af door tot Gods volk te spreken: “O Israël!” Als je stopt met naar jezelf te kijken en in plaats daarvan naar de Heer gaat kijken, zul je om je heen gaan kijken om te zien hoe je ook anderen kunt helpen en aanmoedigen. Zo zal Israel een zegen voor de volkeren zijn en mogen u en ik dat zijn, vanuit de wetenschap van deze prachtige pelgrimspsalm, voor de mensen om ons heen.

Psalm 131 leert Israel, u en mij, een eenvoudige maar diepe waarheid. Zij die nederig zijn voor de HEERE vinden tevredenheid en rust. Maar als we trots zijn in ons hart, als we arrogant zijn in onze houding tegenover anderen, als we eisen om als God te zijn en alles te weten, dan is ons hart rusteloos en ontevreden.

Wil je een rustige en rustgevende ziel? Dan zal Israel, en zullen u en ik de trots voor God belijden. Oefen nederigheid. Leer tevredenheid. Leef in hoop.

Als dat geen zegen is.

We gaan vanmorgen het Joodse volkslied draaien, waarin de voorden luiden:

1. Zolang in een Joodse borst,
een joods hart klopt.
En Joodse blikken naar het Oosten draaien,
naar Sion met liefde,

Zal onze hoop niet verloren gaan,
Onze oude hoop
Om terug te keren naar het land van onze vaderen
De stad waar David zijn kamp opsloeg

Zolang tranen uit onze ogen
stromen als weldadige regen
zullen drommen van onze landgenoten
nog steeds hulde aan de graven van onze voorvaderen brengen.

Zal onze hoop niet verloren gaan,
Onze oude hoop
Om terug te keren naar het land van onze vaderen
De stad waar David zijn kamp opsloeg

Zolang onze kostbare Muur
voor onze ogen verschijnt
Over de vernietiging van onze Tempel
en onze ogen nog steeds vol met tranen schieten

Zal onze hoop niet verloren gaan,
Onze oude hoop
Om terug te keren naar het land van onze vaderen
De stad waar David zijn kamp opsloeg

Zolang de Jordaan zijn opgekropte vloed
snel naar beneden laat gaat,
En terwijl het glinsterende water glijdt,
Door de blauwe zee van Galilea,

Zal onze hoop niet verloren gaan,
Onze oude hoop
Om terug te keren naar het land van onze vaderen
De stad waar David zijn kamp opsloeg

Zolang de stadspoorten, vernederd zijn
over de dorre wegen lopen
en tussen de ruïnes van Jeruzalem
de dochter van Sion nog steeds huilt

Zal onze hoop niet verloren gaan,
Onze oude hoop
Om terug te keren naar het land van onze vaderen
De stad waar David zijn kamp opsloeg

Zolang de tranen
Vallen uit de ogen van de dochters van onze natie
Rouwend om Zion op het hoogtepunt van de avond
Zal zij nog steeds om middernacht opstaan

Zal onze hoop niet verloren gaan,
Onze oude hoop
Om terug te keren naar het land van onze vaderen
De stad waar David zijn kamp opsloeg

Zolang het bloed door onze aderen loopt
zal de passie voor onze terugkeer vloeien
En zolang op de grafstenen van onze vaders
druppels dauw zullen vallen

Zal onze hoop niet verloren gaan,
Onze oude hoop
Om terug te keren naar het land van onze vaderen
De stad waar David zijn kamp opsloeg

Zolang de diepe nationale liefde
klopt in het hart van de Jood
kunnen we nog een dag overleven
omdat een ijverige God ons genade zal schenken

Zal onze hoop niet verloren gaan,
Onze oude hoop
Om terug te keren naar het land van onze vaderen
De stad waar David zijn kamp opsloeg

Broeder, luister, ver weg
de enige stem, onze visie,
Het laatste woord, o Joodse natie
is ook onze laatste hoop!