Psalm 127 -1-

Psalm 127 -2-

Psalm 127 -3-

Psalm 127 -4-

Psalm 127 -5-

Psalm 127 -6-

Psalm 127 -7-

Psalm 127 -9-

Psalm 127 -10-

Psalm 127 -11-

Psalm 127 -12-

Psalm 127 -13-

Psalm 127 -14-

Psalm 127 -15-

Psalm 127: Tekst Herziene Staten Vertaling

Gods onmisbare zegen

1 Een pelgrimslied, van Salomo.
Als de HEERE het huis niet bouwt,
tevergeefs zwoegen zijn bouwers eraan;
als de HEERE de stad niet bewaart,
tevergeefs waakt de wachter.

2 Het is tevergeefs dat u vroeg opstaat,
laat opblijft,
brood eet waarvoor u moet zwoegen:
de HEERE geeft het Zijn beminde in de slaap.

3 Zie, kinderen zijn het eigendom van de HEERE,
de vrucht van de schoot is Zijn beloning.

4 Zoals pijlen in de hand van een held,
zo zijn de zonen, ontvangen in de jeugd.

5 Welzalig de man die zijn pijlkoker
daarmee gevuld heeft;
zij worden niet beschaamd,
als zij met de vijanden spreken in de poort.

In de Hebreeuwse Bijbel wordt de psalm zo gelezen:

Een lied van beklimmingen. Van Salomo.

Tenzij de HEER het huis bouwt,
werken zijn bouwers er tevergeefs aan;
tenzij de HEER over de stad waakt, waakt
de wachter tevergeefs.

Tevergeefs sta je vroeg
op en blijf je laat op,
jij die zwoegt voor het brood dat je eet;
Hij geeft evenveel voor zijn dierbaren als ze slapen – Letterlijk: Hij onderhoudt zijn dierbaren als zij slapen.

Zonen zijn de bepaling; Letterlijk, de erfenis van de HEER ;
de vrucht van de baarmoeder, Zijn beloning.

Als pijlen in de hand van een krijger
worden zoons in zijn jeugd aan een man geboren.

Gelukkig is de man die zijn pijlkoker ermee vult;
zij zullen niet beschaamd worden
wanneer zij met de vijand in de poort strijden.

Psalm 127 -1-: Over een huis bouwen gesproken

Over een huis bouwen gesproken
We maken vandaag een begin met Psalm 127. En we hopen en bidden dat de HEERE, JHWH, wiens naam de ‘Aanwezige’ betekend, ook tijdens het overdenken van deze Psalm aanwezig zal zijn. Zonder Hem er bij kunnen en willen we niet. Zonder Hem zijn wij niets.

Van dit “pelgrimslied”, , het lied van de opgang, of het lied van de traptreden, het achtste opgangslied, wordt de dichter weer genoemd: het is een lied “van Salomo” (vers 1).

Niet David wordt hier als de dichter genoemd, maar Salomo, die een type is van de Heere Jezus als de Koning van de vrede, de Koning van de Shalom. Van Salomo zijn twee Psalmen in het Psalmenboek terecht gekomen– Psalm 72 en Psalm 127 .

De psalm begint, net als Psalm 128, als een wijsheidspsalm met de les die de maskilim, de verstandigen, ons willen leren. Met andere woorden, door deze Psalm wil de dichter van de Psalm, Salomo, die bij zijn aantreden om wijsheid gebeden had, en wiens gebed was verhoord, u en mij iets leren. En door de woorden van de aardse Salomo horen we zoals altijd weer de woorden van de meerdere Salomo doorklinken. Van daag en de dagen er na krijgen we dus les, zitten we als het ware op school bij de HEERE, bij JHWH.

En zoals we weten zijn de Vader en de Zoon een, en horen we Jezus deze les zo samenvatten: Zonder Mij kunt u helemaal niets doen” (Jh 15:5b).

Zoals altijd weer kunnen we ook deze psalm benaderen vanuit het historisch, het profetisch, maar ook uit het persoonlijk perspectief. En door deze verschillende benaderingen kunnen de hand van de HEERE, JHWH, in alle gevallen waarnemen. Hij is er bij, Hij is er bij betrokken. Hij is er bij Aanwezig.

In mijn zoektocht naar de betekenis van de woorden uit de Psalm kwam ik een Hebreeuwse benadering tegen die ik graag als overweging doorgeef voor we verder gaan:

Mensen worden gemakkelijk gegrepen door angst. In eenvoudige situaties kan een beetje angst nuttig zijn, een persoon motiveren om actie te ondernemen tegen een bedreiging of om een veiliger leven te creëren. Maar voortdurende angst, net als voortdurend lijden, schaadt zowel iemands fysieke gezondheid als iemands vermogen om goede beslissingen te nemen.

Psalm 127 begint met drie verschillende voorbeelden van hoe we onze eigen veiligheid niet kunnen garanderen, hoeveel we ook doen. Dit wetende maakt mensen angstig. Hoe kunnen we rust vinden ondanks onze onzekerheid? Volgens Psalm 127 is het antwoord de HEERE, JHWH, God.

Tenzij God een bayit (een huis of huishouden) bouwt
Tevergeefs zwoegen zijn bouwers.

Tenzij God over een stad waakt
Tevergeefs is de wachter

Psalm 127 is geschreven door koning Salomo, die de Israëlitische tempel in Jeruzalem bouwde.

Hij getuigt er van dat ondanks al het materiaal en het werk de tempel geen huis en geen thuis voor God had kunnen worden als God er niet voor had gekozen om daar te wonen.

Het woord bayit voor huis betekent een fysiek huis dat bescherming biedt tegen het weer, wilde beesten en vijanden. Maar dat niet alleen, een bayit is tevens een thuis een plek waar je je veilig voelt, een plek om uit te rusten in comfort en veiligheid; en een huishouden of familie die wederzijdse steun biedt.

Een ommuurde stad bood haar inwoners ook bescherming, veiligheid en wederzijdse steun. De wachters dienden als bewakers om alarm te slaan als ze iets bedreigends zagen. Tegenwoordig worden natiestaten geacht de functie van oude steden te vervullen, hun inwoners te beschermen tegen aanvallen van buitenaf en interne misdaad, en te voorzien in systemen voor wederzijdse hulp en ondersteuning.

Het punt van het eerste vers is dat hoe hard we ook werken om veiligheid te bereiken, we die niet kunnen garanderen. Een huis met sloten en alarmen en tralies voor de ramen kan nog steeds worden vernield door een bom of een aardbeving; terwijl het instellen van de sloten en alarmen en het zien van de tralies helpen om de bewoners in een staat van nutteloze angst te houden.

Een volk met muren en bewakers aan haar grenzen, en röntgenapparaten op haar luchthavens, is nog steeds niet veilig voor haar eigen inboorlingen (vooral als ze gewapend zijn); terwijl praten over "homeland security" meer nutteloze angst oplevert.

Echte zekerheid komt niet van angstige arbeid, maar van een andere gemoedstoestand. Een gemoedstoestand die door de HEERE, de Aanwezige wordt bewerkt. Bij Hem, en in Hem zijn we werkelijk veilig. Zowel fysiek als geestelijk. Hij heeft woning in ons gemaakt en bij Hem Zijn wij thuis.

Het volgende vers van Psalm 127 blijft een raadsel voor vertalers en commentatoren.

Tevergeefs sta je vroeg op
En stoplaat om te zitten,
Het brood van het lijden eten;
[God] geeft inderdaad „zijn” geliefden sheina . (Psalm 127:2)

De verwijzing in de psalm naar het eten van 'het brood van het lijden' verwijst naar het verhaal van de Hof van Eden. Daar zegt God tegen Adam:
“… vervloekt is de aarde vanwege u; in lijden zult u ervan eten al de dagen van uw leven. Doorns en distels, het zal voor u ontkiemen... In het zweet uws aanschijns zult u brood eten ..." (Genesis 3:17-19).

Psalm 127 suggereert dat zelfs als mensen vroeg opstaan en zwoegen, en alleen laat op de dag gaan zitten, hun arbeid nog steeds tevergeefs kan zijn, tenzij God het juiste weer voor hun gewassen stuurt.

We zeiden het al eerder: Psalm 127 is een wijsheidspsalm met de les die de maskilim, de verstandigen, ons willen leren. Met andere woorden, door deze Psalm wil de dichter van de Psalm, Salomo, die bij zijn aantreden om wijsheid gebeden had, en wiens gebed was verhoord, u en mij iets leren. En door de woorden van de aardse Salomo horen we zoals altijd weer de woorden van de meerdere Salomo doorklinken. Vandaag kregen we dus les. En wel deze:

Wanneer we ons vertrouwen stellen op de HEERE, JHWH, want dat is geloven, je vertrouwen op Hem stellen, dan, hebben een andere houding. We werken, maar rusten ook. In het geloof, in het vertrouwen dat Hij ons werk zegent.

Dat is een totaal andere houding dan onze uitputtende prestatiemaatschappij ons wil doen geloven. Waarin ik talloze mensen, ook jonge mensen, ontmoet en spreek die totaal opgebrand zijn en voor hun leven getekend zijn vanwege een burnout. En ik moet ook mijn hand in eigen boezem steken waarin ik jaren en jarenlang werkdagen van 18 uur maakte. Totdat ik uiteindelijk aan de rand van een faillissement met lege handen stond.

En we kunnen angst hebben voor van alles en nog wat, en de verzekeringsmaatschappijen willen het ons allemaal aanpraten, maar de beste verzekering waar we vanmorgen over gehad hebben is een verzekering zonder kleine lettertjes. En glashelder: de HEERE geeft Zijn beminde slaap.

In het begin zei ik het al en ik wil het nog een keer in herinnering roepen:
De psalm is wijsheidspsalm met de les die de maskilim, de verstandigen, ons willen leren.

Als dat geen zegen is.

Psalm 127 -2-: Over een pelgrim gesproken -1-

Over een pelgrim gesproken
Het is nu denk ik twee jaar geleden dat ik tijdens een wandeling een oud-collega van mijn werk tegenkwam, eigenlijk achterop liep. Wat een verrassing om na meer dan dertig jaar Hans te ontmoeten. Zo maar op het onverwachts. We gingen er even bij zitten daar in Zwammerdam. Op een bankje langs de Oude Rijn. En we haalden herinneringen op. Van vroeger, maar ook wat het leven ons daarna gebracht had. We vertelden ons levensverhaal. En we spraken van hart tot hart. En Hans vertelde me: Gelukkig heb ik mijn geloof nog behouden…

Tsja, daar moest ik vanmorgen aan denken. Aan die gebeurtenis. En waarom? Later bekeek ik namelijk zijn Facebookpagina waarop onder zijn naam zijn status vermeld stond: Pelgrim. En dat raakte me.

Ook vanmorgen weer. Want boven deze prachtige Psalm staat het opschrift: Pelgrimslied. Ja inderdaad, het was en is een lied van de pelgrims die naar Jeruzalem optrekken. Toen duizenden jaren geleden, en ja, het is een lied voor de mensen die vandaag-de-dag aliyah maken naar Jeruzalem, en ja, het is een lied voor de toekomst, de volgende dag, de dag van de HEERE, de dag die komen gaat.

Maar het is ook een lied voor u en mij. Dit lied heeft ook u en mij iets te zeggen. Ook wij zijn in zekere zin pelgrims. Ook wij zijn op weg. Ook wij lopen de weg, de weg van de opgang, de weg naar het hemels Jeruzalem. Op weg waar we vandaan komen. Op weg naar de hemel. Niet gisteren, ja dat ook, en niet morgen, ja dat ook, maar ook vandaag. We zijn pelgrim: altijd maar op weg.

Wij leven als pelgrim in een spanningsveld. Tussen nu en later. Tussen hier en daar. Tussen de aarde en de hemel. Van de geloofshelden in Hebreeën 11:16 wordt gezegd dat zij 'reikhalzend uitkeken naar een beter vaderland: het hemelse'. Tegelijk roept de Bijbel ons op om volledig in het hier en nu te 'zijn', ons in te zetten voor ons huis, ons huisgezin om dat in de bewoordingen van de psalm te bouwen.

Maar onze onvoorstelbare valkuil is dat wij ons verliezen in het hier en nu en vergeten dat we ergens anders thuis horen. Vroeger gingen we voor een huisje, een boompje en een beestje. Voordat we het wisten veranderde dat in een huis, de boom dicht bij huis is ingeruild voor een verre vakantie en het beestje is ingeruild voor een vette auto. We willen steeds meer en vinden dat ook vanzelfsprekend. Iedereen om ons heen doet dat toch ook?

De woorden uit Spreuken 30 vers 15 komen in mijn gedachten: De bloedzuiger heeft twee dochters: Geef, geef. Geef je geld, geef je energie, geen je tijd, nota bene het kostbaarste wat je hebt, je tijd aan mij zegt de bloedzuiger. En we weten allemaal wie dat is. Maar laat niet de bloedzuiger het in uw leven voor het zeggen hebben, maar Hij die Zijn bloed voor u gegeven heeft.

Want het gevolg van de bloedzuiger is dat we bloedarmoede oplopen en het gevolg van bloedarmoede is dat we dood en doodmoe worden. Letterlijk. Het gevolg is dat we uit balans raken en het zicht op de hemel verliezen.

Psalm 127 wijst alle pelgrims die door alle eeuwen heen op weg zijn naar hun bestemming de Weg met een hoofdletter.

C.S. Lewis zei: 'Zij die zich richten op de hemel krijgen de aarde erbij. Zij die zich richten op de aarde, verliezen zowel de hemel als de aarde.'

Richt je op de hemel en je krijgt er de aarde bij. Mooi gezegd, maar hoe doe je dat?
Praktisch gezien? Misschien kunnen we van de ouderen onder ons iets leren, hoe zij dat gedaan hebben in hun leven. In de Hebreeënbrief leven we over hen.

In Hebreeën 11:8 lezen we: 'Door zijn geloof gíng Abraham, toen hij geroepen werd.' Wees altijd vrij om te kunnen reageren op de roepstem van God. Abraham werd door God geroepen om zijn land en familie te verlaten - en hij gehoorzaamde. Wanneer ons leven te zwaar belast is met allerlei verplichtingen, zijn we niet langer in staat om mee te bewegen met de fluisteringen van God. In het aangaan van financiële verplichtingen, het beheren van onze agenda en het hechten aan één plek. Ik maak het vanmorgen maar even praktisch voor mezelf: Tweemaal heeft God mij geroepen. Twee keer heb ik geweigerd om te luisteren: De eerste keer vanwege mijn te hoge hypotheek en de tweede keer omdat mijn carrière in de weg stond. En pas de derde keer, toen ik voor een faillissement stond was ik bereid om op Zijn roepstem in de gaan te komen.
Daarom les 1: Wees altijd vrij om te kunnen reageren op de roepstem van God

Hebreeën 11:13 zegt ook: Deze allen zijn in het geloof gestorven. Zij hebben de vervulling van de beloften niet verkregen, maar hebben die vanuit de verte gezien en geloofd en begroet, en zij hebben beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners op de aarde waren.
Véél land en nog veel meer nakomelingen had God aan Abraham beloofd. Toch zien we Abraham op 137-jarige leeftijd nog altijd met lege handen staan. Hij bezit nog geen enkel stukje van het Beloofde Land.

Isaäk, de zoon van de belofte is weliswaar geboren, maar nog niet getrouwd. Waar blijft de vervulling van de belofte? Abraham gaat vervolgens aan het werk. Tot in detail beschrijft de Bijbel hoe hij een eerste stukje land koopt en vervolgens zijn vertrouwde slaaf op pad stuurt om een vrouw voor Isaäk te zoeken.

Daarna is het leven van Abraham 'klaar'. Hij heeft zich maximaal ingezet voor een minimale verwezenlijking van de belofte. Abraham was bereid om te gaan op grond van de belofte. Van verre gezien, een glinstering.

Hij had het vermogen om over zijn eigen leven en situatie heen te kijken en te gelóven dat God doorgaat en afmaakt waar hij mee begonnen is. Zonder de gevolgen te kunnen overzien gehoorzaamde hij de roepstem van JHWH, de Aanwezige. De pelgrim is bereid om te gaan voor de roepstem, de glimp.

Daarom les 2: Wees bereid om te gáán voor de glimp, zonder alles te kunnen overzien.

Hebreeën 13:15 zegt: Laten wij dan altijd door Hem een lofoffer brengen aan God, namelijk (Hos. 14:3) de vrucht van lippen die Zijn Naam belijden.
Het kenmerk van de pelgrim is dat hij zingend zijn weg vervolgt. De psalmen 120 tot en met 134 dragen het opschrift: 'Een pelgrimslied'. Het zijn vijftien korte psalmen die bij elkaar staan. En oei, oei, oei, wat ligt hier een les voor ons. In ieder geval wel voor mij. Want we klagen wat met elkaar af. Over het weer, over onze gezondheid, over werkelijk van alles en nog wat.

Daarom les 3: Laten wij dan altijd door Hem een lofoffer brengen aan God, namelijk de vrucht van lippen die Zijn Naam belijden.

Pelgrims verlangen naar de hemel, zoals Abraham en Sara en al die andere geloofshelden met reikhalzend verlangen uitkeken naar hun thuis, hun hemelse vaderland. Verlang jij naar de hemel? Droom je er wel eens over hoe het daar zal zijn? In de hemel zijn geen ziekenhuizen, geen begraafplaatsen, geen gillende sirenes. Daar is geen misbruik, geen verkrachting, geen terrorisme.

In de hemel zullen wij zingen, jazeker. Begeleid door een achtergrondkoor van een talloze schare engelen zullen wij samen met 'alles wat leeft' zingen voor Koning Jezus.

God zelf zal de tranen van de ogen afwissen. Wat een moment van intimiteit zal dat zijn!

De tranen van de in de steek gelaten vrouw, in haar houten huisje met het golfplaten dak, die niet weet hoe haar kinderen de volgende dag te voeden...

De tranen van de getraumiseerde militair die niet weet hoe verder te gaan met zijn leven...

De tranen van de miljoenen kinderen, zwervend over de vuilnisbelten van planeet aarde, plastic flessen verkopend voor bijna niks...

God zal de tranen afwissen. En wij zullen bij Jezus zijn. Wij zullen hem zien. Wij zullen kennen zoals we gekend zijn. Eindelijk thuis. Eindelijk bayat.

Daarom: Zoek eerst de hemel en je krijgt de aarde erbij. Levend als pelgrim kijken wij reikhalzend uit naar ons nieuwe vaderland.

Vanmorgen zaten we samen als het ware weer op school.
De psalm is wijsheidspsalm met de les die de maskilim, de verstandigen, ons willen leren.

Als dat geen zegen is.

Psalm 127 -3-: Over een pelgrim gesproken -2-

Over een pelgrim gesproken
De voorgaande aflevering dachten we met elkaar na over het feit dat we een pelgrim zijn. Psalm 127 is het lied van Israel. Psalm 127 is het lied van Abraham: Hij was de Pelgrim bij uitstek. Altijd maar onderweg. Van plaats naar plaats. Nooit een vaste woonplaats. Nooit in een huis gewoond. Altijd maar ronddolend.

Door het geloof is Abraham, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest om uit te gaan naar de plaats die hij tot een erfdeel ontvangen zou; en hij is uitgegaan, niet wetende waar hij komen zou.

Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land der belofte als in een vreemd land, en heeft in tenten gewoond met Izak en Jakob, die mede-erfgenamen waren van dezelve belofte.

Want hij verwachtte de stad die fundamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is.

Abraham, geroepen, gehoorzaam, niet wetend waar hij komen zou. In tenten gewoond, verwachtend een stad die fundamenten heeft.

Voelt u de tragiek van het leven van Abraham. Voelt u de tragiek van het leven van de pelgrim. Abraham, Izak, Jacob en Israel. Voelt u de tragiek van het volk Israel? Geroepen, gehoorzaam, niet wetend waar zij terecht zouden komen. Altijd maar dolend over deze aarde, verwachtend de stad die fundamenten heeft. Pelgrims op weg naar de stad. Pelgrimslied. Want

Als de HEERE het huis niet bouwt,
tevergeefs zwoegen zijn bouwers eraan;
als de HEERE de stad niet bewaart,
tevergeefs waakt de wachter.

En deze dingen alle zijn hunlieden overkomen tot voorbeelden, en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn. Schrijft Paulus aan de mensen in Korinthe.

Want alles wat eertijds geschreven is, is tot onze onderwijzing eerder geschreven, opdat wij in de weg van volharding en vertroosting door de Schriften de hoop zouden behouden.

Lieve mensen, u en ik, we worden er vanmorgen aan herinnerd dat we pelgrims zijn. En dat gaat zo tegen alles in waar wij van nature naar streven. Een vaste plek om te wonen, de zekerheid van een huis, wetend waar we aan toe zijn, zekerheid en veiligheid zoekend. De verzekeringsmaatschappijen varen er wel bij.

Maar eigenlijk weten we het wel: We hebben hier geen vaste woon- en verblijfplaats. Met Abraham, Izak en Jacob zijn we Pelgrim

1 Kor. 15:53 Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning.

Want ook wij, die in dezen tabernakel, deze tent zijn, zuchten, bezwaard zijnde; nademaal wij niet willen ontkleed, maar overkleed worden, opdat het sterfelijke van het leven verslonden worde.

Ook vanmorgen zaten we samen als het ware weer op school.
De psalm is wijsheidspsalm met de les die de maskilim, de verstandigen, ons willen leren.

Als dat geen zegen is.

Psalm 127 -4-: Over slapen gesproken

Over slapen gesproken
Tenzij de HEER het huis bouwt,
werken zijn bouwers er tevergeefs aan;
tenzij de HEER over de stad waakt, waakt
de wachter tevergeefs.
Het is tevergeefs dat u vroeg opstaat,
laat opblijft,
brood eet waarvoor u moet zwoegen:
de HEERE geeft het Zijn beminde in de slaap.

Twee keer lezen we het woord ‘tevergeefs’ in het eerste vers. Het is te vergeefs om je huis te bouwen, je thuis, je gezin te bouwen, en het is tevergeefs om daarover te waken zonder de HEERE. Want zonder Hem kunnen we niets doen lezen we in de Schrift.

Het Hebreeuwse woord voor tevergeefs wordt op andere plaatsen in de Schrift wel vertaald met ijdel, nutteloos, kwaad en zelfs afgoderij.

Dat laatste, afgoderij, klinkt nogal zwaar, vind u ook niet? Maar afgoderij is iets anders in de plaats stellen voor de HEERE, de God van Israel. Wat of wie het dan ook is. Als ik denk dat ik mijn huis, mijn carrière, mijn kerk, mijn gemeente en vult u maar in kan realiseren dan beoordeelt d HEERE God dat als ijdel, nutteloos, kwaad en zelfs afgoderij omdat ik mijzelf op de plaats van God zet.

Want "Het is tevergeefs dat u vroeg opstaat, laat opblijft, brood eet waarvoor u moet zwoegen: de HEERE geeft Zijn beminden slaap

Sommige teksten zijn niet wat het lijkt. Dat komen we ook in deze tekst tegen. De psalm begint met iets heel herkenbaars en misschien zelfs ook wel woorden die maar al te vaak worden uitgesproken.

Alles is tevergeefs als God Zijn zegen er niet aan geeft. En, wordt er dan bij gezegd, de zegen van de HEER krijgen Zijn kinderen in de slaap. Maar staat dat er ook echt?

Ik denk dat we eerlijk kunnen zeggen dat wij soms zwoegen in ons leven alsof alles van ons zwoegen afhangt. Ja, natuurlijk zeggen we wel dat we de zegen van God nodig hebben, maar toch, we sloven wat af.

Het kost ons zelfs onze nachtrust. Soms lig je wakker van al je zorgen en soms werk je tot diep in de nacht door. Je wilt toch wat verdienen, de tijd is economisch al niet zo makkelijk en iedereen verwacht toch van alles van je? En toch is dat nu juist wat deze pelgrim je wilt leren onderweg naar Huis.

Je kunt je namelijk druk maken zoveel je wilt, maar zonder de zegen van God mislukt het. Maar daar blijft het niet bij, want dat kunnen wij dan wel zeggen dat we de zegen van de HEERE nodig hebben, maar een pelgrim zegt dit niet alleen, maar een pelgrim past zijn agenda daar ook op aan.

Want weet je wat er letterlijk staat in het tweede vers? Het is tevergeefs dat u vroeg opstaat, laat opblijft, brood eet, moet zwoegen: Hij geeft Zijn beminden slaap. We ontvangen de zegen van de HEERE niet in de slaap, maar Hij geeft ons slaap. Dat staat er in het Hebreeuws.

Weet je wat wij mogen leren beseffen? Dat te druk zijn, niet is wat God bedoelt. Want tè druk zijn heeft te maken met zwoegen in eigen kracht. God is anders, God geeft Zijn beminden slaap!

We mogen als beminden slapen, omdat God ons die slaap ook wil geven. Verantwoordelijk zijn in je werk, dat is zoals God het wil, maar je rust nemen is ook je verantwoordelijkheid.

Onder de zegen van de HEER hoeven we niet uren over te werken, tot diep in de nacht, onder de zegen van de HEERE is er ook een tijd van rusten. Tot we uiteindelijk echt mogen rusten tot in eeuwigheid! En tot dat moment krijgen we onze slaap van God Zelf!

Ook vanmorgen zaten we samen als het ware weer op school.
De psalm is wijsheidspsalm met de les die de maskilim, de verstandigen, ons willen leren.

Als dat geen zegen is.

Psalm 127 -5-: Over beminden gesproken

Over beminden gesproken
In vers 2 lazen we dat de pelgrim is “Zijn beminde”. Het woord ‘beminde’ is de vertaling van het Hebreeuwse woord jedid. Dit woord komt ook voor in de naam die God aan Salomo heeft gegeven bij diens geboorte “Jedid-Jah” – dat betekent de ‘beminde van de HEERE’ –, want de HEERE had hem lief (2Sm 12:24-25).

De gezinnen mogen opgroeien in het besef dat elk lid van het gezin een beminde van de HEERE is. Het is belangrijk om onze kinderen onze liefde te laten merken en dat wij ons bewust zijn van het feit dat zij de beminden van de Heer zijn: “Jezus echter zei: Laat de kinderen [begaan] en verhindert ze niet bij Mij te komen; want van de zodanigen is het koninkrijk der hemelen” (Mt 19:14; vgl. Mt 18:10).

Mooi woord eigenlijk dat ‘beminde’ vindt u ook niet. In het huidige Nederlands horen we het eigenlijk niet meer. Andere woorden voor bemind zijn is dierbaar, geliefd, na aan het hart, gewild, begeerd, gewenst, gezocht. Jedid-Jah, bemind van de HEERE. Je zal maar met deze naam door het leven mogen gaan.

Ik ben eens op zoek gegaan wie er door de HEERE, JHWH, de Aanwezige bemind worden.
De eerste keer dat we over Jedid-Jah lezen, vinden we in Deuteronomium 33:12 Over Benjamin zei Mozes bij zijn afscheid van de twaalf stammen het volgende:
De door de HEERE beminde, hij zal onbezorgd bij Hem wonen.
Hij zal hem heel de dag beschermen,
en tussen zijn schouders zal Hij wonen!

Benjamin: Zoon van mijn rechterhand.

God doet inderdaad grootse dingen met rechts, zo lezen we in het lied van Mozes nadat het volk Israël door de Schelfzee was gegaan: “Uw rechterhand, Heere, was heerlijk in macht; Uw rechterhand Heere verpletterde de vijand” (Exod. 13:6) en vers 12: “U strekte Uw rechterhand uit en de aarde verzwolg hen.”

Nog een mooi voorbeeld van Gods unieke rechterhand vinden we in Psalm 80, vers 15: “O God van de legermachten, keer toch terug: kijk neer uit de hemel en zie. Zie om naar deze wijnstok (= Israël), de stam die Uw rechterhand geplant heeft, en dat om de Zoon, Die voor Uzelf sterk gemaakt hebt.”

En ook in Psalm 118:15 en 16 waar het over vreugdezang gaat, een lied van verlossing: “De rechterhand van de Heere doet krachtige daden, de rechterhand van de Heere is hoogverheven, de rechterhand van de Heere doet krachtige daden. Ik zal niet sterven maar leven.”

De tweede keer dat er over de Beminde gesproken wordt in het Eerste Testament vinden we in Psalm 45, het Bruiloftslied waar over een Koning met een hoofdletter wordt gesproken. En we zeten allemaal denk ik wel Wie dat is.

De derde keer dat we over beminden lezen vinden we in Psalm 60 waar we lezen over het volk Israel:
U hebt een banier gegeven aan wie U vrezen,
om die op te heffen als teken van de waarheid, Sela
Opdat Uw beminden gered worden.
Verlos door Uw rechterhand en antwoord ons.

Israel, bemind door de HEERE, de Aanwezige. Israel, ook de zoon van God. Door Hem bemind.

En in het tweede testament horen we direct al in het begin tweemaal een stem uit de wolken spreken, aan het begin en aan het einde van Zijn rondwandeling hier op deze aarde van de Messias:

Matth. 3:17 En zie, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb.

Matth. 17:5 Terwijl hij nog sprak, zie, een luchtige wolk heeft hen overschaduwd; en zie, een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem.

Tweemaal, en in de mond van twee of drie getuigen alle woord bestaan.

Rom. 11:28 getuigt Paulus over zijn broeders naar het vlees: Zo zijn zij wel vijanden aangaande het Evangelie, om uwentwil, maar aangaande de verkiezing zijn zij beminden, om der vaderen wil.

En wat een wonder, ook wij, stervelingen van vlees en bloed mogen weten dat wanneer we tot het geloof in de Heere Jezus Christus gekomen zijn, in de Messias, in Christus, we geliefd zijn:

Ef. 1:6 Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde;

Bemind, Jedid-Jah. Zo mogen we deze nieuwe dag beginnen. Gezegend met de gedachte dat we door onze hemelse Vader op grond van de verdienste van de Messias, dierbaar, geliefd, na aan het hart, gewild, begeerd, gewenst en gezocht zijn.

Als dat geen zegen is.

Ik vond een mooi toepasselijk lied:

‘k Ben een koninklijk kind,
door de Vader bemind
en ‘k zal wonen in ’s Konings paleis.
In die stad nooit aanschouwd,
met straten van goud.
Glorievol als een schoon paradijs.

‘k Ben een koninklijk kind,
door de Vader bemind
en zijn oog rust zo teder op mij.
Als de dageraad straks gloort,
de bazuin wordt gehoord,
roept Hij mij om te staan, aan zijn zij.

‘k Ben een koninklijk kind,
niet slechts dienstknecht of vrind.
‘k Ben gekocht met het bloed van mijn Heer.
En dat bloed geeft mij recht,
meer te zijn dan een knecht.
‘k Ben Gods kind dat verblijdt mij zo zeer.

‘k Ben een koninklijk kind,
door de Vader bemind
en zijn oog rust zo teder op mij.
Als de dageraad straks gloort,
de bazuin wordt gehoord,
roept Hij mij om te staan, aan zijn zij.

‘k Ben een koninklijk kind,
dat zijn vreugd daarin vindt,
God te loven met juub’lende stem.
Tot ik sta voor de poort,
van het hemelse oord,
waar ik zijn zal voor eeuwig met Hem.

 

‘k Ben een koninklijk kind,
door de Vader bemind
en zijn oog rust zo teder op mij.
Als de dageraad straks gloort,
de bazuin wordt gehoord,
roept Hij mij om te staan, aan zijn zij.

Geweldig om deze dag zo met elkaar te mogen beginnen. En zing gerust mee. Het zal als balsem voor uw ziel zijn.

Psalm 127 -6-: Over kinderen en zonen gesproken (1)

Over kinderen en zonen gesproken (1)
Vandaag wil ik met u nadenken over de woorden uit het derde vers:

Zie, kinderen zijn het eigendom van de HEERE,
de vrucht van de schoot is Zijn beloning.

Of zoals we in de Hebreeuwse vertaling kunnen lezen:
Zonen zijn de bepaling; Letterlijk, de erfenis van de HEER ;
de vrucht van de baarmoeder, Zijn beloning.

Wat al direct opvalt in de vertaling tussen de beide teksten is dat de HSV het Hebreeuwse woord (ben) vertaald met ‘kinderen’, terwijl de Hebreeuwse bijbel het vertaald met ‘zoon’.

Maar ‘ben’ betekend toch echt zoon.  Denk bijvoorbeeld maar aan de naam ‘Benjamin’ dat we vertalen met ‘zoon van de rechter/ of rechterhand’.

Maar God Woord is ruimhartig, ook hierin. Het betekent ook: “schoonzoon; stiefzoon; een dienaar; een student; een volger”. Zo noemt een leerling zijn rabbijn “vader” en daarmee is de leerling dus de zoon van de rabbijn.

Weet u, het Hebreeuws is de taal die de Heere God spreekt en door Hem ontworpen is.
Hebreeuws is niet zomaar een taal, maar de taal die van de Overkant naar ons toegekomen is. Het woord  עִבְּרִית betekent letterlijk: komend van de overkant. Hebreeuws is de taal waarin God sprak en het geschiedde.

Spreken en taal, zo kunnen we lezen in het boek Genesis, gingen dus vooraf aan het scheppen. Volgens de Joodse overlevering is de schepping van de Taal een nog groter gebeuren dan de creaties van hemel en aarde. De Hebreeuwse Taal heeft zijn bron in God, Die Zelf Taal is: Hij is immers hét Woord: ‘In de beginne was het Woord en het Woord was bij God en  het Woord was God (Joh.1:1).’

Wie zich verdiept in deze bijzonder diepzinnige en fijnzinnige taal, zal beamen dat deze Taal Goddelijk is; dat de God van Israël Zelf verborgen in deze Taal aanwezig is, zelfs tot in de grammaticale spelregels toe.

Hebreeuws is in ieder geval de taal waarin de Bijbel naar ons toekwam. Maar het is ook de taal waarin Jezus/Jehoshua` Zichzelf openbaarde. Zo staat er in Handelingen 26:14 dat Hij Paulus/Shaoel in het Hebreeuws aanspreekt. Die aankondiging: ‘Ik hoorde een Stem tot mij spreken in de Hebreeuwse taal,’ staat er niet toevallig.

Waaron dit allemaal verteld. Wel, de manier waarop het woord ‘ben’ in het Hebreeuws geschreven wordt is een afbeelding van de tent en van een ontkiemend zaadje. Het vertegenwoordigt de continuïteit terwijl het zaad de volgende generatie voortzet.

De gecombineerde betekenis van deze letters betekent "het voortbestaan van het huis".

Nu moet u weten dat de tent was gemaakt van geweven geitenhaar. Na verloop van tijd verbleekt en verzwakt de zon het geitenhaar, waardoor het voortdurend moet worden vervangen.

Elk jaar maakten de vrouwen een nieuw paneel, ongeveer 3 meter breed en de lengte van de tent. Het oude paneel werd dan verwijderd en werd gerecycled tot wand of vloer en het nieuwe gedeelte werd aan de tent toegevoegd.

Omdat de tent slechts een klein stukje per keer wordt vervangen, gaat de tent in wezen voor altijd mee.

Zo gezien zijn er zijn veel overeenkomsten tussen het bouwen van een tent van geitenhaar en het bouwen van een huis met zonen.

Net zoals de tentpanelen worden toegevoegd om de tent voort te zetten, worden er zonen geboren in de familie om de familielijn voort te zetten. Zoals de tent steeds vernieuwd wordt met nieuwe panelen, zo wordt het gezin steeds vernieuwd met nieuwe zonen.

Hoe geweldig zit het Woord van God in elkaar. Vind u ook niet?

Als dat geen zegen is.

Psalm 127 -7-: Over kinderen en zonen gesproken (2)

Over kinderen en zonen gesproken (2)
Kinderen zijn niet alleen een gave van de HEERE, maar ook “het eigendom van de HEERE”. Het Hebreeuwse woord voor “eigendom” wordt elders vertaald met erfdeel. Het is goed om te bedenken dat het erfdeel van de Israëlieten het eigendom van de HEERE blijft. Het land is en blijft van Hem lezen we immers in Leviticus 25:23 Verder mag het land niet voor altijd verkocht worden, want het land behoort Mij toe. U bent immers vreemdelingen en bijwoners bij Mij.

De Israëlieten zijn pachters ofwel rentmeesters van de HEERE. Zo is het ook met de kinderen die de HEERE ons heeft toevertrouwd. Wij mogen hen ‘tijdelijk beheren’, maar zij blijven het eigendom van Hem. Te Zijner tijd zullen we hen moeten loslaten.

Ze zijn ook als “de vrucht van de schoot … [Zijn] beloning”. Beloning is hier niet verbonden aan een prestatie, maar aan een positie. Het is een beloning uit genade, het is een geschenk, zoals de positie ook een geschenk is.

De vrucht van de schoot is door Hem gegeven en blijft van Hem als Zijn eigendom. Door Hem is bij Zijn volk vrucht te vinden die tot Zijn eer is.

Laten we ons ervan bewust zijn dat in het verbond tussen de HEERE en Zijn volk Israël het krijgen van kinderen een van de eerste zegeningen is (Dt 28:4).

In het tweede testament zijn de leden van het lichaam van Christus een hemels volk met hemelse zegeningen. We lezen namelijk in Efeze 1 vers 3: Gezegend zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegen in de hemelse gewesten in Christus.

De aardse zegeningen die wij mogen ontvangen, zijn niet vanzelfsprekend; ze kunnen worden gezien als broodkruimels die van de tafel op de grond vallen.

Zonen die God heeft gegeven, zijn “als pijlen in de hand van een held” (vers 4). Door deze zonen zal de HEERE – Hij is de Held – de macht van de goddelozen tenietdoen.

We lezen daarvan in Zacharia 9 vers 13:
Verheug u zeer, dochter van Sion!
Juich, dochter van Jeruzalem!
Zie, uw Koning zal tot u komen,
rechtvaardig, en Hij is een Heiland,
arm, en rijdend op een ezel,
op een ezelsveulen, het jong van een ezelin.

10Ik zal de strijdwagens uit Efraïm wegnemen,
en de paarden uit Jeruzalem.
De strijdboog zal weggenomen worden.
Hij zal vrede verkondigen aan de heidenvolken.
Zijn heerschappij zal zijn van zee tot zee,
van de rivier de Eufraat tot aan de einden der aarde.

11Wat u aangaat, vanwege het bloed van uw verbond
heb Ik uw gevangenen vrijgelaten uit de put
waar geen water in is.

12Keer terug naar de burcht,
u, gevangenen die hoop hebt!
Ook heden verkondig Ik: Ik zal u dubbel vergoeden,

13als Ik Mij Juda zal hebben gespannen,
en Ik Efraïm op de boog zal hebben gelegd,- Letterlijk: gevuld.
en Ik uw zonen, Sion, zal hebben opgezet
tegen uw zonen, Griekenland,
en Ik u gemaakt zal hebben als het zwaard van een held.

De Zoon van God wordt ook met een pijl vergeleken die in de hand van de Almachtige is (Js 49:1-2). Hier vinden we de belofte dat de kinderen van deze uitverkoren Israëlieten door de HEERE als instrument gebruikt zullen worden in het vrederijk.

Jesaja 59:21 Wat Mij betreft, dit is Mijn verbond met hen, zegt de HEERE: Mijn Geest, Die op U is, en Mijn woorden die Ik U in de mond gelegd heb, zullen uit Uw mond niet wijken, ook niet uit de mond van Uw nakomelingen, evenmin uit de mond van de nakomelingen van Uw nakomelingen, zegt de HEERE, van nu aan tot in eeuwigheid.

“Zo zijn de zonen” die opgevoed zijn om de HEERE te dienen in de kracht die “de jeugd” eigen is, als pijlen. Dit is een belangrijke aanwijzing voor de opvoeding van kinderen als God die in Zijn genade heeft geschonken als vrucht van de schoot (Gn 30:20; 33:5). Wij mogen ze opvoeden voor Hem (Ef 6:4), zodat ze dienaren in Zijn koninkrijk zullen zijn.

De man die deze zegen van de HEERE heeft gekregen en “zijn pijlkoker daarmee gevuld heeft”, is een gelukkig man (vers 5). Zijn zonen zullen niet beschaamd worden als zij het voor hun vader in de poort tegen “de vijanden” opnemen. De poort is de plaats van de uitoefening van macht (Dt 17:5; 21:19; 22:15,24; Am 5:12). Daar zullen de zonen ten gunste van hun vader optreden als zij met vijanden te maken hebben die hem aanklagen.

Als dat geen zegen is.

Psalm 127 -8-: Over kinderen en zonen gesproken (3)

Over kinderen en zonen gesproken (3)
In de afgelopen twee afleveringen hebben we stilgestaan bij het kindschap en zoonschap vanuit het oude of beter gezegd het eerste testament. Maar eveneens in het nieuwe of tweede testament wordt gesproken over de kinderen of de zonen van de Heere God. Daar wil ik vanmorgen met u bij stilstaan.

Wie aan het bijbelse begrip 'zoonschap' denkt, wordt direct bepaald bij het Vaderschap van God. Immers, wil er sprake zijn van zoonschap, dan moet er eerst een vader zijn. In dit geval is dit dan de hemelse Vader, Wiens 'zonen' wij als gelovigen mogen zijn. Of zoals Galaten 4:6 leert: "En, dat gij zonen zijt, God heeft de Geest Zijns Zoons uitgezonden in onze harten, die roept: Abba, Vader." Ook wordt er vaak een link gelegd met het aardse vaderschap. Zoals een aardse vader voor zijn kinderen zorgt, zo doet de hemelse Vader dit in overtreffende trap voor de gelovigen.

Veelal worden de volgende teksten toegepast om duidelijk te maken hoe God in deze tijd als Vader voor ons zorgt:
"Bidt en u zal gegeven worden" (Mat. 7:7)

"Indien dan gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader in de hemelen het goede geven aan hen, die Hem daarom bidden." (Mat. 7:11)
"Indien gij Mij iets vraagt in mijn naam, Ik zal het doen." (Joh. 14:14)

Maar in hoeverre is dit een juiste uitleg van hoe Gods Vaderschap in deze tijd 'werkt'?

Allereerst valt op dat de gebruikte bijbelpassages allemaal over Israël en haar aardse roeping gaan. In de vorige artikelen konden wij zien dat hetgeen in de Bijbel aan Israël geadresseerd is, niet zondermeer op ons toegepast kan worden. Israël wordt in de aardse sfeer gezegend met fysieke en materiële zegeningen. Terwijl wij als leden van het Lichaam van Christus met alle geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend zijn (Efe. 1:3).

Daarnaast wrikt deze uitleg ook in de praktijk van het dagelijks leven. Natuurlijk mag ervaring geen grond zijn voor bijbeluitleg, maar het kan er wel een bevestiging van zijn. Hoe kan het zo zijn dat een in nood verkerende zoon van God tot zijn hemelse Vader bidt en niet door Hem verhoord wordt? Toch gebeurt dit dagelijks onder zowel jongere als oudere gelovigen. Kinderen met kanker, radeloze ouders van een drugsverslaafd kind en depressieve bejaarden. Zij bidden allemaal tot God om hulp. En toch sterven zij, verliezen hun kind of raken dieper in de put. Is dit dan een straf van God? Of is Hij gewoon een barbaarse Vader? Of werkt het toch allemaal anders? In dit artikel zoeken wij vanuit Efeziërs 1 een antwoord.

Het begrip 'zoonschap' komt in Efeziërs en in de rest van de Bijbel niet zomaar uit de lucht vallen. De apostel Paulus gebruikt hier een veel voorkomende culturele instelling als beeld voor de realiteit van de verhouding tussen God en de gelovige. Aan het zoonschap, als culturele instelling, waren bepaalde kenmerken en regels verbonden. Bij het uitleggen van wat het zoonschap in geestelijke zin inhoudt en hoe dit praktisch toegepast kan worden op ons leven, is het belangrijk om hiermee rekening te houden. Zo krijgen wij namelijk zicht op de juiste betekenis ervan en worden verkeerde verwachtingen voorkomen.

Wanneer in de Grieks/Romeinse cultuur onder vooraanstaande mensen een kind van het mannelijk geslacht geboren werd, was dit nog niet gelijk een zoon. Een kind groeide de eerste jaren van zijn leven op in een buitenverblijf. Daar werd hij voorbereid op het leren dragen van de verantwoordelijkheden van het zoonschap. Eén van de rechten die bij het zoonschap hoorde, was het erfgenaamschap over het bezit van de vader. Het dragen van het erfgenaamschap werd niet lichtvaardig opgevat. Een onbekwaam kind zou namelijk al het bezit, in één of meer mensenlevens van zijn voorouders opgebouwd, in korte tijd te gronde kunnen richten. Daarom was het belangrijk om goed na te gaan of een kind in staat zou zijn om het erfgoed van zijn vader te beheren en hem hierin te bekwamen. Dit gebeurde dus in een verblijf buiten het huis van de vader. De aanstaande zoon stond hier, zolang hij minderjarig was, onder voogdij en toezicht van een opvoeder (Grieks: 'paidagogos'). Deze opvoeder leerde het kind datgene wat hij moest leren om later een goed bestuurder van het huis te worden en zijn weg te vinden in de samenleving.

Op het moment dat het kind meerderjarig werd en bekwaam geacht om de verantwoordelijkheden van het zoonschap te ontvangen, werd hij daadwerkelijk als zoon bij zijn vader in huis opgenomen. Hier ging wel een procedure aan vooraf. Het zoonschap en de hieraan verbonden rechten en plichten, waaronder het erfgenaamschap, werden in een document beschreven. Dit document moest bekrachtigd worden doordat zeven aanwezige getuigen het besloten met hun zegel. Minimaal één van deze zeven getuigen moest bij het overlijden van de vader kunnen getuigen dat de aangestelde zoon daadwerkelijk recht had op de erfenis, wilde de zoon deze daadwerkelijk kunnen ontvangen. (vgl. Efe. 1:13, Rom. 8:16 en Opb. 5)

Maar niet alleen natuurlijke (biologische) kinderen konden aangenomen worden tot zonen. Wanneer een vader kinderloos was, of zijn natuurlijk kind was onbekwaam tot het zoonschap, dan kon hij een 'vreemd' kind adopteren. Dit vreemde kind ontving dan volgens dezelfde procedure als het natuurlijke kind het zoonschap met dezelfde verantwoordelijkheden en rechten als het natuurlijke kind. Maar daarbij veranderde voor hem wel veel meer. Hij liet zijn oude familie achter en trad toe tot een nieuw huishouden. Daarbij ontving hij tegelijkertijd een nieuwe naam, namelijk die van zijn adoptiefamilie. Bovendien kreeg hij nieuwe verantwoordelijkheden en rechten die doorgaans omvangrijker waren dan die in zijn vroegere situatie. Er was dus sprake van een totale ommekeer.

In de Bijbel wordt de procedure tot het verkrijgen van het zoonschap gebruikt als beeld van toenadering van de gelovige tot God. Daarbij worden de gelovigen uit Israël als natuurlijke kinderen aangemerkt en gelovigen uit de heidenen als adoptiekinderen.

Zo staat er in Galaten 4:1-5 het volgende ten aanzien van de gelovigen uit Israël: "Ik bedoel dit: zolang de erfgenaam onmondig is, verschilt hij in niets van een slaaf, al is hij ook eigenaar van alles; maar hij staat onder voogdij en toezicht tot op het tijdstip, dat door zijn vader tevoren bepaald was. Zo bleven ook wij, zolang wij onmondig waren, onderworpen aan de wereldgeesten. Maar toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God zijn Zoon uitgezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, om hen, die onder de wet waren, vrij te kopen, opdat wij het recht van zonen zouden verkrijgen."
En in Galaten 3:24-25 staat ook over de gelovigen uit Israël: "De wet is dus een tuchtmeester (Gr. ´paidagogos´) voor ons geweest tot Christus, opdat wij uit geloof gerechtvaardigd zouden worden. Nu echter het geloof gekomen is, zijn wij niet meer onder de tuchtmeester."

De gelovigen uit Israël hebben door het verlossende werk van Christus het zoonschap ontvangen. Er moet wel direct bij gezegd worden dat dit nog niet het gehele zoonschap is, maar een deel ervan. Dit wordt in Romeinen 8:15 omschreven als 'de geest van het zoonschap'. De gelovige is formeel aangenomen als zoon van de hemelse Vader, maar de zichtbare uitwerking ervan laat nog op zich wachten. Hij is immers nog niet fysiek in het huis van de hemelse Vader ingetrokken. Wel is het zo dat hij in geestelijke zin uit het zoonschap mag leven. Hij leeft namelijk uit de verwachting ervan. In Romeinen 8:23 wordt dit gegeven duidelijk beschreven: "En niet alleen zij, maar ook wij zelf, wij, die de geest <<em>bedoeld wordt de nieuwe natuur> als eerste gave ontvangen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam."

Voor de gelovigen uit Israël gold dus dat zij wel het zoonschap verkregen hadden, maar dat het feitelijk nog niet in werking getreden was. Dit zou pas gebeuren met de verlossing van hun lichaam bij de wederkomst van Christus. Wel mochten zij in geestelijke zin uit het zoonschap leven, alhoewel dit fysiek niet uitwerkte.

De volgende keer hoop ik hier verder met u over na te denken.


Psalm 127 -9-: Over kinderen en zonen gesproken (4)

Over kinderen en zonen gesproken (4)
In deze aflevering denken we aansluitend op de voorgaande aflevering  verder na over het kind- en zoonschap zoals we dat lezen in het nieuwe- of tweede testament.

Voor ons als gelovigen in deze tijd is het zo dat wij als vreemdelingen geadopteerd zijn in het zoonschap: "Maar thans in Christus Jezus zijt gij, die eertijds veraf waart, dichtbij gekomen door het bloed van Christus (…) Zo zijt gij dan geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods" (Efe. 2:13 en 19).

De uitwerking van het zoonschap voor ons is in veel opzichten hetzelfde als voor de gelovigen uit Israël (die uit de hemelse hoop van Romeinen en Galaten leven). Wij hebben het zoonschap ook nog enkel in geestelijke en niet in letterlijke zin ontvangen. Dit blijkt onder meer uit het feit dat wij fysiek nog niet bij de God, de Vader in de hemel zijn ingetrokken, maar nog ver van Hem vandaan in vernederde staat leven. Ook uit Efeziërs 1 blijkt duidelijk dat wij de uitwerking van het zoonschap geestelijk dienen op te vatten:

In Efe. 1:13-14 staat dat wij als gelovigen uit de heidenen ook zullen delen in de voorgaande beloften uit Efe. 1, waaronder het zoonschap. Als onderpand hiervoor hebben wij in Christus de verzegeling met heilige geest der belofte ontvangen. Deze woorden impliceren duidelijk dat het zoonschap iets is dat nog ontvangen gaat worden.

In Efe. 1:3 wordt gesproken over alle geestelijke zegen in de hemelse gewesten in Christus. Hiertoe behoort ook het zoonschap. Daarmee wordt duidelijk aangegeven wat het zoonschap is en waar het zijn uitwerking heeft. Het is namelijk een geestelijke zegen die uitwerkt in de hemel waar Christus woont. Het is dus niet iets dat te maken heeft met ons fysieke leven op aarde.

In Efe. 1:5 staat letterlijk het volgende beschreven: "In liefde heeft Hij ons tevoren bestemd tot in het Zoonschap door Jezus Christus tot in Hem…" Hier wordt bedoeld dat God ons voorbestemd heeft om te delen in het Zoonschap van Jezus Christus, doordat wij in Hem geplaatst zijn. Feitelijk geldt voor ons als gelovigen in deze tijd dat wij niet zo zeer ieder apart een zoon van God worden, maar dat wij, in Jezus Christus geplaatst, aan Hem als Zoon van God gelijkgesteld zijn. Het behoeft geen uitleg dat dit nu, hier op aarde, waar wij in een zondig vlees leven geen realiteit kan zijn.

Als wij het voorgaande samenvatten, dan kunnen wij stellen dat het zoonschap een nu al toegezegde hemelse positie is die God ons in de toekomst geeft. Op het moment dat wij sterven, zullen wij door onze vereniging met Christus in Zijn Zoonschap delen. Het zoonschap is in deze tijd een geestelijke zaak en heeft geen fysieke of materiële uitwerking op ons aardse bestaan. Het zoonschap heeft namelijk betrekking op ons leven in Christus en niet op ons leven in het vlees. God handelt met ons niet naar onze positie in het vlees, maar naar onze positie in Christus Jezus.

Dit lijkt allemaal heel ingewikkeld en moeilijk, maar is het in feite niet. Het is veel ingewikkelder om te menen dat God voor de gelovigen op aarde zorgt, terwijl hen naar willekeur allerlei ziekte en andere ellende treft. Wie legt bijvoorbeeld een kind met kanker uit dat hij een hemelse Vader heeft Die altijd en overal voor Hem zorgt?

Het is uiteindelijk veel duidelijker, begrijpelijker en meer bijbels om een kind te vertellen dat hij (onder normale omstandigheden) twee vaders heeft: één van vlees en bloed, die zo goed mogelijk op aarde voor hem probeert te zorgen en Eén Onzichtbare, Die later in de hemel voor hem zal zorgen.

Is het dan allemaal ook gelijk veel makkelijker? Nee, dat is het zeker niet. Er blijft altijd het verlangen dat God als Vader al ons lijden in het aardse leven wegneemt en dat Hij letterlijk heel dicht bij ons is. In dit geval is het zo dat de bijbelse waarheid over het zoonschap ons des te meer bepaalt bij de gevallen wereld waarin wij leven en het gemis van God in deze schepping. Veelzeggend in dit opzicht was de reactie van mijn dochtertje toen ik haar (zij was drie jaar oud) het vaderschap van God uitlegde. Zij begreep het allemaal en wist te resumeren dat ik op aarde voor haar probeer te zorgen en dat God dit later helemaal goed zal doen in de hemel. Toch lag zij op een avond in bed te huilen van verdriet. Toen ik haar vroeg waarom dit was, vertelde zij dat zij zo graag haar Vader in de hemel wilde gaan om Hem te kunnen zien.

Deze wens en de bijkomende emotie van gemis is geen ervaring op grond waarvan wij ons beeld van God als Vader moeten bijstellen. Het is veel meer een eerlijke reactie op een realistisch en bijbels gegeven, zoals Paulus die soortgelijk weergaf toen hij aan de Korintiërs schreef:

"Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed, ook al weten wij, dat wij, zolang wij in het lichaam ons verblijf hebben, ver van de Heere in den vreemde zijn (want wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen) maar wij zijn vol goede moed en wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Here onze intrek te nemen." (2 Kor. 5:6-8)

Als dat geen zegen is.

Psalm 127 -10-: Over erfgenamen gesproken (1)

Over erfgenamen gesproken (1)
We lezen in vers 3
Zie, kinderen zijn het eigendom van de HEERE,
de vrucht van de schoot is Zijn beloning.

En in de Hebreeuwse bijbel:
Zonen zijn de bepaling; Letterlijk, de erfenis van de HEER ;
de vrucht van de baarmoeder, Zijn beloning.

Vanmorgen wil ik met u nadenken over het verschil in de vertaling tussen de HSV waarin de kinderen het eigendom van de HEERE worden genoemd en de Hebreeuwse vertaling waarin de kinderen de erfgenaam van de HEERE, JHWH, worden genoemd.

Allereerst wordt hier in het Hebreeuws het woord ‘nachalat’ gebruikt. Het woord wordt vertaald met onder andere de volgende betekenissen: Erfenis, erfdeel, bewoning, een erfstuk, een landgoed, deel. En wanneer we de laatste betekenis gebruiken spreekt dat wel heel erg aan: Zonen zijn deel van de HEERE.

Zo is allereerst het volk Israel het erfdeel, het deel, het erfbezit van de HEERE. We lezen namelijk in Exodus 19 vers 5:: Nu dan, als u nauwgezet Mijn stem gehoorzaamt en Mijn verbond in acht neemt, dan zult u uit alle volken Mijn persoonlijk eigendom zijn, want heel de aarde is van Mij.

En in Deuteronomium 4:20 maar ú heeft de HEERE genomen en uit de ijzeroven, uit Egypte geleid, om voor Hem tot een erfvolk te zijn, zoals het op deze dag is.

Dat zouden meer mensen moeten weten denk ik dan. Handen af van Israel, want het is Zijn bezit, Zijn erfdeel, Zijn nachalat. Daarover laat de Heere God geen enkele

En vervolgens is eveneens het Heilige Land dat aan de stammen is toegewezen het land van de HEERE.

Deuteronomium 4:5 Zie, ik heb u de verordeningen en bepalingen geleerd, zoals de HEERE, mijn God, mij geboden heeft; om zo te handelen in het midden van het land waarin u zult komen om het in bezit te nemen.

Joël 1:6 Want een volk is tegen Mijn land opgetrokken, machtig en niet te tellen; zijn tanden zijn leeuwentanden, het heeft de hoektanden van een leeuwin. Want een volk is tegen Mijn land opgetrokken, machtig en niet te tellen; zijn tanden zijn leeuwentanden, het heeft de hoektanden van een leeuwin.

De volken maken zich ook in onze dagen druk om het land Israel, sterker nog, er zijn en worden talloze oorlogen om uitgevochten, maar laten we ons realiseren dat het Zijn land is, waarin Hij wil en zal wonen, bij Zijn geliefde volk. Amen?

En zijn erfgenamen en Zijn Erfgenaam zal daar in hun erfdeel in Vrede met een hoofletter wonen.

Want zo lezen we in Hebreeën 1: GOD voortijds veelmaals en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon; Welken Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Welken Hij ook de wereld gemaakt heeft;

De Zoon, de Erfgenaam van alles, door Wie Hij ook de wereld gemaakt, geschapen heeft, en binnenkort ook herscheppen zal in een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

Hij de Verlosser is Die de troon van Zijn vader David zal ontvangen en zal heersen over het huis van Jakob. Hij is de door Jesaja aangekondigde Vredevorst. Hij is de geboren Koning der Joden. Eens schitterde Zijn ster aan de hemel als teken van Zijn komst. Destijds kwam Hij als de Vernederde, om te lijden en te sterven als het Lam van God. Straks zal Hij komen als de Verhoogde en Verheerlijkte en zal men Hem noemen: Immanuël, God met ons. Dan zal de Erfgenaam van alle dingen (Hebr. 1:2) de eer gebracht worden die Hem toekomt: Zoon van David, Zoon van Abraham, Zoon van de mens (Adam) en boven alles: Zoon van de Allerhoogste! Glorie voor Zijn Naam!

Als dat geen zegen is.

Psalm 127 -11-: Over erfgenamen gesproken (2)

Over erfgenamen gesproken (2)
In de voorgaande aflevering hebben we met elkaar naar betekenis en de inhoud van het Hebreeuwse woord ‘nachalat’ of erfgenaam, erfbezit etcetera gekeken. Daarin ontdekten we dat het volk Israel het erfbezit is van de Heere God en dat het land Gods erfdeel is en vervolgens, en misschien had ik dat als eerste moeten nomen dat Jezus/Jeshua, de Erfgenaam van de van de Vader is.

Maar ook de gelovige in deze tijd, zij die niet behoren tot het natuurlijke volk Israel mag zich een erfgenaam weten. U en ik dus.
Er bestaat namelijk een allesomvattend goddelijk heilsplan. Daaraan kan elk mens deel krijgen. Het staat zo beschreven: “Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld …, Die ons te voren verordineerd heeft tot (lett.) adoptie, door Jezus Christus….” (Efe. 1:4 en 5, SV)

God stelde dit plan reeds op voor de grondlegging van de wereld. Dit betekent in elk geval, dat Hij Zijn voornemens vastlegde voordat Hij de mens schiep. Door de schepping van de mens werkt God dit voornemen uit. Het is een adoptieplan. Kort gezegd wil God de mensheid aannemen als Zijn kinderen (SV), volgens de NBG als Zijn zonen. Gods kind of zoon zijn, wil zeggen dat deze evenals Hij onsterflijk leeft. Laten we er duidelijk over zijn. God stelt Zijn onvergankelijke kracht niet ter beschikking aan een nieuw te scheppen mensheid. Hij laat de doden niet maar dood in de aarde achter. Nee, volgens Zijn plan openbaart Hij Zijn vernieuwende, geestelijke kracht aan personen – groot en klein - die op aarde leefden en stierven. Herleven zullen de doden! Dit echoot door de gehele Bijbel heen. Door alle eeuwen heen brengt God een grote onsterfelijke familie tot stand, een volk dat zal leven van eeuwigheid tot eeuwigheid.

“In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen (huiothesia) door Jezus Christus, naar het welbehagen van Zijn wil.” (Efe. 1:5).

Elk mens, man of vrouw is bedoeld om in liefde aangenomen te worden als Gods kind (SV) of als Gods zoon (NBG). Dit klinkt misschien wat raar, een vrouw als zoon. Dat komt door de bijbelse vertaling van het Griekse woordje huiothesia, dat adoptie betekent. In de Romeinse tijd kon een gehuwde man, ongeacht of hij wel of geen kinderen had, een slaaf of slavin bevorderen tot eigen kind. Naar het Romeinse recht kreeg de geadopteerde slaaf of slavin dan dezelfde rechten als een eigen kind. Dat is precies wat God wil met de mens. Hij wil hen goddelijke rechten geven. Daarom die bijbelse oproepen: kies, kom, laat, grijp het eeuwige leven! Als de mens op aarde leeft, is er de mogelijkheid om alvast door de Geest geadopteerd te worden. ‘Huiothesia’ komt op deze wijze voor in Romeinen 8:15: “gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap (huiothesia), door welke wij roepen: Abba, Vader.”

Gods geadopteerde kinderen kunnen Hem door de Geest nu al aanroepen als Vader. Zij behoren immers tot Zijn familie. De geadopteerde Romeinse slaaf ontving daardoor ook recht op de erfenis. Exact deze betekenis, maar dan die van de goddelijke erfenis, mocht de apostel Paulus aan ons doorgeven. Gods geadopteerde kinderen hebben recht op een erfdeel (Gal. 4:6). Waar bestaat deze erfenis uit? Het erfdeel dat de Vader zijn geadopteerde kinderen aanbiedt is het eeuwige leven. De Geest Die de adoptie verzorgt, biedt bovendien de ‘heilige garantie’ op de erfenis: “de Heilige Geest der belofte, Die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het volk dat Hij Zich verworven heeft, tot lof Zijner heerlijkheid.” (Efe. 1:14)

Al Gods kinderen zullen van de dood worden verlost. De Heilige Geest die zij als geadopteerden bezitten is daarvan het onderpand. Zij zullen eeuwig leven ontvangen, tot lof van Zijn heerlijkheid.

Een erfenis kan pas worden verkregen als de erflater is gestorven (Hebr. 9:16 en 17). Hoe zit dit nu in het geestelijke leven? Het recht op de erfenis voor Gods kinderen bestaat ook omdat er Iemand is overleden. Het gaat om niemand minder dan Gods Zoon, Jezus Christus. Zijn Vader stelde Hem tot erfgenaam van alle dingen (Hebr. 1:1 en 2). Hij overleed aan het kruis van Golgotha en verzoende daarmee onze zonden. Dit gebeuren geeft recht op een deel van Zijn grote erfenis voor allen die Hem liefhebben: “opdat zij vergeving van zonden en een erfdeel onder de geheiligden zouden ontvangen door het geloof in Mij.” (Hand. 26:18)

Wat is ons perspectief? “Zijn wij dan nu kinderen, dan zijn wij erfgenamen: erfgenamen van God, en mede-erfgenamen van Christus.” (Rom. 8:17)

Kolossenzen 1:12 Daarbij danken wij de Vader, Die ons bekwaam heeft gemaakt om deel te hebben aan de erfenis van de heiligen in het licht. Hij heeft ons getrokken uit de macht van de duisternis en overgezet in het Koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde.In Hem hebben wij de verlossing, door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de zonden.

Als dat geen zegen is.

Psalm 127 -12-: Over strijd gesproken

Over strijd gesproken
We staan vandaag bij het laatste gedeelte van deze indrukwekkende psalm stil, waarin we lezen over pijlen, de pijlkoker, strijd en de Held.Dit gedeelte spreekt van strijd.

Zonen die God heeft gegeven, zijn “als pijlen in de hand van een held” (vers 4). Door deze zonen zal de HEERE – Hij is de Held – de macht van de goddelozen tenietdoen (Zc 9:13).

Gods Woord is een geheel. De profeet Zacharia sluit helemaal aan bij de woorden van Psalm 127 wanneer hij profeteert over deze strijd wanneer de Koning van Sion komt. Zullen we eens luisteren naar deze indrukwekkende profetie?

Verheug u zeer, dochter van Sion!
Juich, dochter van Jeruzalem!
Zie, uw Koning zal tot u komen,
rechtvaardig, en Hij is een Heiland,
arm, en rijdend op een ezel,
op een ezelsveulen, het jong van een ezelin.

10Ik zal de strijdwagens uit Efraïm wegnemen,
en de paarden uit Jeruzalem.
De strijdboog zal weggenomen worden.
Hij zal vrede verkondigen aan de heidenvolken.
Zijn heerschappij zal zijn van zee tot zee,
van de rivier de Eufraat tot aan de einden der aarde.

11Wat u aangaat, vanwege het bloed van uw verbond
heb Ik uw gevangenen vrijgelaten uit de put
waar geen water in is.

12Keer terug naar de burcht,
u, gevangenen die hoop hebt!
Ook heden verkondig Ik: Ik zal u dubbel vergoeden,

13als Ik Mij Juda zal hebben gespannen,
en Ik Efraïm op de boog zal hebben gelegd, Letterlijk: gevuld.
en Ik uw zonen, Sion, zal hebben opgezet
tegen uw zonen, Griekenland,
en Ik u gemaakt zal hebben als het zwaard van een held.

14De HEERE zal boven hen verschijnen:
als een bliksem zal Zijn pijl uitschieten.

De Zoon van God wordt ook met een pijl vergeleken die in de hand van de Almachtige is
Jesaja 49:1
Luister naar Mij, kustlanden, sla er acht op, volken van ver!
De HEERE heeft Mij geroepen van de moederschoot af,
van de baarmoeder af heeft Hij Mijn Naam genoemd.

Hij heeft Mijn mond gemaakt als een scherp zwaard,
in de schaduw van Zijn hand heeft Hij Mij verborgen.
Hij heeft Mij gemaakt tot een puntige pijl,
Hij heeft Mij in Zijn pijlkoker gestoken.

Hoort u als het ware w=de woorden van Psalm 127 in deze profetie van Jesaja doorklinken?

Zoals pijlen in de hand van een held,
zo zijn de zonen, ontvangen in de jeugd.

Welzalig de man die zijn pijlkoker
daarmee gevuld heeft;

Hier vinden we de belofte dat de kinderen van deze uitverkoren Israëlieten door de HEERE als instrument gebruikt zullen worden in het vrederijk

Jesaja 59:21 Wat Mij betreft, dit is Mijn verbond met hen, zegt de HEERE: Mijn Geest, Die op U is, en Mijn woorden die Ik U in de mond gelegd heb, zullen uit Uw mond niet wijken, ook niet uit de mond van Uw nakomelingen, evenmin uit de mond van de nakomelingen van Uw nakomelingen, zegt de HEERE, van nu aan tot in eeuwigheid.

 “Zo zijn de zonen” die opgevoed zijn om de HEERE te dienen in de kracht die “de jeugd” eigen is, als pijlen. Dit is een belangrijke aanwijzing voor de opvoeding van kinderen als God die in Zijn genade heeft geschonken als vrucht van de schoot.. Wij mogen ze opvoeden voor Hem

De man die deze zegen van de HEERE heeft gekregen en “zijn pijlkoker daarmee gevuld heeft”, is een gelukkig man (vers 5). Zijn zonen zullen niet beschaamd worden als zij het voor hun vader in de poort tegen “de vijanden” opnemen.

In eerste instantie hebben deze woorden vanzelfsprekend betrekking op de Zoon met een hoofdletter. Maar ook de zonen van Israel zullen niet beschaamd worden als zij het voor hun vader in de poort tegen “de vijanden” opnemen. Maar ook wij zullen niet beschaamd worden als wij het voor Vader in de poort tegen “de vijanden” opnemen.

De poort is de plaats van de uitoefening van macht. Daar zullen de zonen ten gunste van hun vader optreden als zij met vijanden te maken hebben die hem aanklagen.

Als dat geen zegen is.

Psalm 127 -13-: Over heldendom gesproken -1-

Over heldendom gesproken (1)
Als pijlen in de hand van de krijger, of zoals de HSV vertaald: Zoals pijlen in de hand van een held.
Pijlen in de had van de krijger… Daar moest ik aan denken toen ik dit vers op mij in liet werken. De pijlen zijn in de hand van de held. De kinderen/zonen zijn in de hand van de held.
Wie de zonen zijn hebben we in de voorgaande aflevering uitvoering sproken, maar wie is de krijger, wie is de held dan zou je je af kunnen vragen.

Het Hebreeuwse woord wat we hier vinden kennen we misschien wel, dat is gibbor, en dat is afkomstig van het Hebreeuwse werkwoord gabar’ en heeft de betekenis van sterk of machtig zijn of zegevieren. Geber is van dezelfde woord familie en is een van de weinige woorden voor man, misschien vergelijkbaar met onze woorden "kerel" of "kerel".
Het bijvoeglijk naamwoord of zelfstandig naamwoord גבור ( gibbor ) betekent machtige of sterke of dappere man. En het zelfstandig naamwoord גבורה ( gebura ) betekent kracht of macht. Het verwijst naar een alfamannetje: een heer of meester, en de vrouwelijke equivalenten zijn גבירה ( gebira ) en גברת ( geberet ), minnares of koningin.

Zo dat was het Hebreeuwse lesje weer voor vanmorgen. Zo leren we stapje voor stapje ook een beetje Hebreeuws toch?

Wanneer ik dit alles zo overdenk moet ik denken aan dé Held, dé Strijder en moet ik denken aan Jesaja die over Hem zegt in één van de bekendste verzen uit de Bijbel:
Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven,
en de heerschappij rust
op Zijn schouder.
En men noemt Zijn Naam
Wonderlijk, Raadsman,
Sterke God,
Eeuwige Vader,
Vredevorst.

En men noemt Zijn naam Sterke God, El Gibor…

In dit korte maar ontzagwekkende vers vinden we vier namen voor God die van toepassing zijn op de beloofde Verlosser, de Messias, van wie we vandaag weten dat hij Jezus Christus is.

In onze door oorlog verscheurde wereld deinzen we vaak terug voor militaire taal om God vandaag te beschrijven. Maar hier openbaart God zich in woorden die hem afschilderen als een groot strijder. Moeten we ervoor terugdeinzen om onze God op die manier te beschrijven? Niet als hij zich zo openbaart.

Zowel fysieke als geestelijke gevechten hebben door de menselijke geschiedenis gewoed, met conflicten die iedereen raken die ooit heeft geleefd. En de naam El Gibbor, "Machtige God", verwijst naar de dag waarop al Gods vijanden, fysiek en geestelijk, zullen worden overwonnen en de hele schepping zal buigen aan de voeten van Jezus, de "Wonderbare Raadgever, Machtige God, Eeuwige Vader , Vredesprins."

Hij is in eerste instantie de machtige van Jakob, de Machtige van Israel. We lezen:

Ge 49:24 Maar zijn boog bleef stevig, en zijn armen waren lenig, uit de handen van de Machtige van Jakob.

Ps 132:2 Hoe hij den HEERE gezworen heeft, en gezworen heeft aan de Machtige van Jakob ,

Ps 132:5 Totdat ik een plaats vind voor de HEER, een woonplaats voor de Machtige van Jakob ."

Jes 1:24 Daarom verklaart de Heere Heere der heerscharen, de Machtige van Israël : "Ach, ik zal van mijn tegenstanders worden verlost en mij wreken op mijn vijanden.

Jesaja 49:26 "En Ik zal uw onderdrukkers voeden met hun eigen vlees, en zij zullen dronken worden van hun eigen bloed als van zoete wijn; en alle vlees zal weten dat Ik, de HEERE, uw Redder ben, en uw Verlosser, de Machtige van Jacob."

Jes 60:16 "U zult ook de melk van naties zuigen, en de borst van koningen zuigen; dan zult u weten dat Ik, de HEER, uw Redder ben, en uw Verlosser, de Machtige van Jakob.

El Gibbor, Hij is de Machtige, de Machtige van Jacob, de Machtige van Israel. In verleden, heden en toekomst.

Als dat geen zegen is.

Psalm 127 -14-: Over heldendom gesproken -2-

Over heldendom gesproken (2)
Er is een geweldige belofte in Zefanja gegeven aan Zijn volk Israel maar het is ook een belofte die van toepassing is op de gelovigen van alle tijden. De profeet schrijft:
Zefanja 3 vers 17:

De HEERE, uw God, is in uw midden,
een Held (Gibbor), Die verlossen zal.
Hij zal Zich over u verheugen met blijdschap.
Hij zal zwijgen in Zijn liefde.
Hij zal Zich over u verblijden met gejuich.

Wat een geweldige belofte is dit is dit! De HEERE  God, de Aanwezige is in uw midden. Nota bene in het centrum van Zijn volk in al de majesteit van Zijn macht!

Deze aanwezigheid alleen is voldoende om Zijn volk te bemoedigen, te inspireren met vrede en hoop. En niet alleen Zijn volk, maar ieder die Zijn of haar vertrouwen op Hem gesteld heeft.

Schatten van grenzeloze macht zijn opgeslagen in de machtige God, de El Gibbor van Israel en van u en mij, en Hij woont in het midden van Zijn volk.

Weet u, de gelezen woorden uit Zefanja volgen op de woorden van het voorgaande vers: Op die dag zal tegen Jeruzalem gezegd worden: Wees niet bevreesd; Sion, verlies de moed niet! En op een periode waarin het oordeel over Jeruzalem is uitgesproken.

En dan volgen de woorden:

De HEERE, uw God, is in uw midden,
een Held (Gibbor), Die verlossen zal.
Hij zal Zich over u verheugen met blijdschap.
Hij zal zwijgen in Zijn liefde.
Hij zal Zich over u verblijden met gejuich

Mag ik het vanmorgen eens heel persoonlijk maken? Want worden wij nooit een moe van de moeilijkheden en verliezen wij nooit eens de moed. En al zijn het niet onze persoonlijke moeilijkheden in het leven, dan zijn het soms de moeilijkheden van anderen die je soms de moed in de schoenen doen zinken. Want wat een ellende, verdriet en pijn moeten anderen soms niet doorstaan in hun leven. De ziekte van een familielid waar je misschien al jaren voor bidt en waarin het lijkt dat God schijnbaar de oren heeft toegestopt. Of denk eens aan die duizenden, ja miljoenen broeders en zusters in het geloof die soms jarenlang al geslagen gemarteld in gevangenissen door moeten brengen of zelfs gedood worden om uitsluitend en alleen het feit dat zij de God op wie zij hun hoop gesteld hebben maar niet willen verloochenen? En wie denkt er nooit aan het feit dat Israel, Zijn volk nu al meer dan 2000 jaar verdrukt wordt in deze wereld en het antisemitisme elke keer maar weer oplaait? Wie wordt daar niet moe van? Verschrikkelijk, verschrikkelijk, verschrikkelijk toch?

En misschien staat u voor een schijnbaar onoverkomelijke "berg" van moeilijkheden? Is er een "onmogelijke situatie" in een relatie met uw echtgenoot, een familielid, een vriend, een collega, enz.?

Maar laten we alsjeblieft, alsjeblieft telkens wanneer God ons toestaat om omstandigheden te ervaren waarvan wij denken dat ze te moeilijk zijn onze ogen richten op Jezus, de Auteur en Volmaker van ons geloof, en ervoor kiezen om op Hem te zien Die zo'n vijandigheid van zondaars tegen Zichzelf heeft doorstaan, zodat we niet moe worden en de moed verliezen.

Het Griekse woord voor "richten op" in het voorgaande aangehaalde vers van Hebreeën 12 vers 2 betekent letterlijk onze ogen afwenden van de dingen die dichtbij zijn (bijv. onze moeilijkheden) en in plaats daarvan ze standvastig op iets anders richten, in dit geval IEMAND! Op Hem zien.

Zoals Jeremia getuigde: "Niemand is zoals U, o HEER. U bent groot en uw naam is machtig in kracht." ( Jer 10:6)

Hij is niet alleen in het midden van Zijn volk Israel zo lezen we in Zefanja, maar  We zijn niet alleen in Zijn tegenwoordigheid, maar Hij is Held (Gibbor), Die verlossen zal.

Hij is bezig met Zijn geweldige verlossingswerk. "Hij is MACHTIG OM TE REDDEN!" Hij is altijd aan het redden: Hij ontleent er Zijn Naam Jezus zelfs aan. Zijn volk heeft als puntje bij paaltje komt geen enkel gevaar vrezen, want Hij is MACHTIG OM TE REDDEN.

Ik moet denken aan de woorden van de apostel Paulus, die we lezen in de brief aan de Romeinen in hoofdstuk 8:

Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard?

36 (Gelijk geschreven is: Want om Uwentwil worden wij den gansen dag gedood; wij zijn geacht als schapen der slachting.)

37 Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem Die ons liefgehad heeft.

38 Want ik ben verzekerd dat noch dood noch leven, noch engelen noch overheden noch machten, noch tegenwoordige noch toekomende dingen,

39 Noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere.

Als dat geen zegen is.

Het lied dat we gaan draaien is ontleend aan de woorden uit Jesaja 54 vers 10 waar we lezen:
10Want al zouden bergen wijken
en heuvels wankelen,
Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken
en het verbond van Mijn vrede zal niet wankelen,
zegt de HEERE, uw Ontfermer.

En aan de woorden die we lezen in Openbaringen 21 vers 4:
En God zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal er niet meer zijn; ook geen rouw, jammerklacht of moeite zal er meer zijn. Want de eerste dingen zijn voorbijgegaan.

En tenslotte aan de woorden uit Filippenzen 4 vers 6 en 7:
Wees in geen ding bezorgd, maar laat uw verlangens in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God; en de vrede van God, die alle begrip te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten bewaken in Christus Jezus.

Psalm 127 -15-: Over pijlen en de pijlkoker gesproken

Over pijlen en de pijlkoker gesproken
We zijn inmiddels aangekomen bij het laatste ver van deze Psalm:
5 Welzalig de man die zijn pijlkoker
daarmee gevuld heeft;
zij worden niet beschaamd,
als zij met de vijanden spreken in de poort.

Eerder zeiden we tijdens de behandeling van deze psalm al: In eerste instantie hebben deze woorden vanzelfsprekend betrekking op de Zoon met een hoofdletter. Maar ook de zonen van Israel zullen niet beschaamd worden als zij het voor Vader in de poort tegen “de vijanden” opnemen. Maar ook wij zullen niet beschaamd worden als wij het voor Vader in de poort tegen “de vijanden” opnemen.

Jesaja neemt in hoofdstuk 49 vergelijkbare woorden als in Psalm 127 in de mond wanneer we hem horen spreken:

1Luister naar Mij, kustlanden,
sla er acht op, volken van ver!
De HEERE heeft Mij geroepen van de moederschoot af,
van de baarmoeder af Letterlijk: vanaf de ingewanden van mijn moeder.
heeft Hij Mijn Naam genoemd.

2Hij heeft Mijn mond gemaakt als een scherp zwaard,
in de schaduw van Zijn hand heeft Hij Mij verborgen.
Hij heeft Mij gemaakt tot een puntige pijl,
Hij heeft Mij in Zijn pijlkoker gestoken.

3Hij heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Knecht,
Israël, in Wie Ik Mij zal verheerlijken.

Geweldig toch, de synergie, de overeenkomst tussen Psalm 127 en Jesaja 49 waarin we in beide gedeelten lezen over de vrucht moederschoot waarin de Zoon en de zonen van Israel als pijlen ten dienste mogen staan van Vader?

Het proces van het maken van een pijl omvatte het polijsten van de schacht totdat alle ruwheid was weggenomen. Vóór een gevecht werd er veel zorg aan besteed om ervoor te zorgen dat elke schacht in de pijlkoker van de boogschutter tot in de perfectie werd gepolijst. Alle oneffenheden werden weggenomen en alle oorzaken van onbalans werden geëlimineerd. Dit was een taak die niet in enkele ogenblikken werd volbracht. Vaardigheid, geduld en vastberadenheid waren vereist, maar het zorgde ervoor dat de pijl perfect was voorbereid en niet zou afwijken van de koers waarop hij was verzonden. Zonder het polijstproces zou de pijl van weinig waarde zijn in de strijd. Het zou het doel.

De Zoon van de Vader had geen onvolmaaktheden. Het was niet van hem vereist om door het polijstproces te gaan. In alles was Hij gepolijst en bekwaam voor de dienst die Hij zou verrichten. Hij was een evenwichtige Zoon die nooit faalde om het doel te bereiken. Hij kwam niet te kort en schoot ook niet voorbij. Hij week niet naar rechts of naar linksaf. Hij voltooide perfect alles waar Hij Zijn hand op legde. Er was geen vooroordeel bij Hem. In Zijn leven was er niets dat Hem van Zijn koers zou doen afdwalen.

Hij was echter niet alleen een gepolijste schacht. De Knecht verklaarde: "... in zijn pijlkoker heeft hij mij verborgen". Net zoals het scherpe zwaard dat ook in het vers wordt genoemd "in de schaduw van zijn hand" was, dicht bij de hand van de zwaardvechter, klaar voor onmiddellijk gebruik, zo was een pijl in de koker klaar voor gebruik. Het was niet zomaar een sieraad in huis. Zo was het met de Heiland. Hij was klaar voor dienst en Hij liet geen gelegenheid voorbijgaan om het doel te bereiken.

De zonen zullen zijn als pijlen in de pijlkoker van de Held met een hoofdletter…. Tsja, dat werpt de vraag op of wij, u en ik geschikt gemaakt zijn als zoon in de hand van de Heere. Ik weet het in Zijn ogen zijn wij wanneer wij tot het geloof gekomen zijn volmaakt omdat Hij ons aanziet in Christus. Maar tegelijkertijd horen we Paulus uitroepen in Filippensen 2: Niet dat ik het alrede gekregen heb of alrede volmaakt ben; maar ik jaag daarnaar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben. We zijn er bijna, maar nog niet helemaal. We worden ons leven lang toebereid, klaargemaakt voor de eeuwigheid.

En dan als laatste nog iets over de strijd in de poort waarover in Psalm 127 gesproken wordt. Ik wil er niet te veel meer over zeggen maar het Woord aan het woord laten waarbij mijn gedachten gingen naar 2 Timotheus 2, waar de jonge Timotheus, de geestelijke zoon van de oude Paulus wordt onderwezen voor en in de strijd. Laten we luisteren en onderwezen worden door de oude Paulus, als een vader die zijn zoon als een bruikbare pijl aan het toebereiden is voor de strijd. Een levensles, ook voor u en mij om geschikt gemaakt te worden in de hand van de Heer:

GIJ dan, mijn zoon, word gesterkt in de genade die in Christus Jezus is;

2 En hetgeen gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, betrouw dat aan getrouwe mensen, welke bekwaam zullen zijn om ook anderen te leren.

3 Gij dan, lijd verdrukkingen, als een goed krijgsknecht van Jezus Christus.

4 Niemand die in den krijg dient, wordt ingewikkeld in de handelingen des leeftochts, opdat hij dien moge behagen die hem tot den krijg aangenomen heeft.

5 En indien ook iemand strijdt, die wordt niet gekroond, zo hij niet wettelijk heeft gestreden.

6 De landman als hij arbeidt, moet alzo eerst de vruchten genieten.

7 Merk hetgeen ik zeg; doch de Heere geve u verstand in alle dingen.

8 Houd in gedachtenis dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt, Welke is uit den zade Davids, naar mijn Evangelie,

9 Om hetwelk ik verdrukkingen lijd tot de banden toe, als een kwaaddoener; maar het Woord Gods is niet gebonden.

10 Daarom verdraag ik alles om de uitverkorenen, opdat ook zij de zaligheid zouden verkrijgen, die in Christus Jezus is, met eeuwige heerlijkheid.

11 Dit is een getrouw woord; want indien wij met Hem gestorven zijn, zo zullen wij ook met Hem leven;

12 Indien wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen; indien wij Hem verloochenen, Hij zal ons ook verloochenen;

13 Indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw; Hij kan Zichzelven niet verloochenen.

14 Breng deze dingen in gedachtenis, en betuig voor den Heere, dat zij geen woordenstrijd voeren, hetwelk tot geen ding nut is dan tot verkering der toehoorders.

15 Benaarstig u om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt.

16 Maar stel u tegen het ongoddelijk ijdel roepen; want zij zullen in meerdere goddeloosheid toenemen;

17 En hun woord zal voorteten gelijk de kanker; onder welke is Hymenéüs en Filétus,

18 Die van de waarheid zijn afgeweken, zeggende dat de opstanding alrede geschied is, en verkeren sommiger geloof.

19 Evenwel het vaste fundament Gods staat, hebbende dit zegel: De Heere kent degenen die Zijne zijn; en: Een iegelijk die den Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid.

20 Doch in een groot huis zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden vaten; en sommige ter ere, maar sommige ter onere.

21 Indien dan iemand zichzelven van deze reinigt, die zal een vat zijn ter ere, geheiligd en bekwaam tot gebruik des Heeren, tot alle goed werk toebereid.

22 Maar vlied de begeerlijkheden der jonkheid, en jaag na rechtvaardigheid, geloof, liefde, vrede met degenen die den Heere aanroepen uit een rein hart.

23 En verwerp de vragen die dwaas en zonder lering zijn, wetende dat zij twistingen voortbrengen.

24 En een dienstknecht des Heeren moet niet twisten, maar vriendelijk zijn jegens allen, bekwaam om te leren, en die de kwaden kan verdragen;

25 Met zachtmoedigheid onderwijzende degenen die tegenstaan; of God hun te eniger tijd bekering gave tot erkentenis der waarheid,

26 En zij wederom ontwaken mochten uit den strik des duivels, onder welken zij gevangen waren tot zijn wil.

Waar het mij eigenlijk om ging zijn de woorden uit vers 21, waarin ik een gelijkenis zie met de pijl en de pijlkoker in de hand van de Heere:

21 Indien dan iemand zichzelven van deze reinigt, die zal een vat zijn ter ere, geheiligd en bekwaam tot gebruik des Heeren, tot alle goed werk toebereid.

En als dat geen zegen is.