Psalm 126 -1-

Psalm 126 -2-

Psalm 126 -4-

Psalm 126 -6-

Psalm 126 -7-

Psalm 126 -8-

Psalm 126 -9-

Psalm 126 -10-

Psalm 126 -11-

Psalm 126 -12-

Psalm 126 -13-

Psalm 126 -14-

Psalm 126: Tekst Herziene Staten Vertaling

Danklied na de ballingschap

1 Een pelgrimslied.
Toen de HEERE de gevangenen van Sion terug deed keren,
waren wij als mensen die droomden.

2 Toen werd onze mond vervuld met lachen
en onze tong met gejuich.
Toen zei men onder de heidenvolken:
De HEERE heeft grote dingen bij hen gedaan!

3 De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan,
daarom zijn wij verblijd.

4 HEERE, breng een omkeer in onze gevangenschap,
zoals waterstromen in het zuiden.

5 Wie met tranen zaaien,
zullen met gejuich maaien.

6 Wie het zaad draagt en dat zaait, Letterlijk: wie de zaadbuidel draagt.
gaat al wenend zijn weg;
maar hij zal zeker terugkomen met gejuich,
en zijn schoven dragen.

In de Hebreeuwse Bijbel wordt het vertaald naar het Nederlands zo gelezen:

Een lied van beklimmingen.
Wanneer de HEER het lot van Zion herstelt
- we zien het als in een droom  -

2 onze monden zullen gevuld worden met gelach,
onze tongen met liederen van vreugde.
Dan zullen zij onder de volken zeggen:
"De HEER heeft grote dingen voor hen gedaan!"

3 De HEER zal grote dingen voor ons doen
en we zullen ons verheugen.

4 Herstel ons fortuin,
zoals waterlopen in de Negeb.
Zij die in tranen zaaien,
zullen met gejuich maaien.

6 Ook al gaat hij wenend
met de zaadzak mee,
hij zal terugkomen met vreugdegezangen,
zijn schoven dragend.

Psalm 126 -1-: Over Aliyah maken gesproken -1-

Over Aliyah maken gesproken -1-
Alvorens inhoudelijk in te gaan op deze psalm wil ik even kort stilstaan bij het volgende.

Bij de voorbereiding op deze psalm viel het mij op dat over deze psalm onvoorstelbaar veel gepreekt, gemediteerd en gesproken is. Maar tegelijkertijd moet ik er dan wel bij zeggen dat het met name de laatste twee verzen betreft.

5 Wie met tranen zaaien,
zullen met gejuich maaien.

6 Wie het zaad draagt en dat zaait, Letterlijk: wie de zaadbuidel draagt.
gaat al wenend zijn weg;
maar hij zal zeker terugkomen met gejuich,
en zijn schoven dragen.

Voor wat betreft de daaraan voorafgaande verzen is er aanmerkelijk minder commentaar gegeven. En ik moet u eerlijk bekennen dat het duiden van deze Psalm niet gemakkelijk is. Want om maar een aspect toe noemen is hoe je deze psalm leest. Er blijken namelijk minimaal drie mogelijkheden te zijn:

  1. Historisch
  2. Profetisch
  3. Christocentrisch
  4. Persoonlijk

En de interpretatie of de uitleg van de psalm is steeds maar weer een keus. Je hebt dan de mogelijkheid om de psalm dan maar over te slaan of al zoekend en biddend een weg te zoeken. Voor dat laatste heb ik gekozen. Wellicht dat u gedurende de bespreking van de psalm een andere mening bent toegedaan. Dat mag, en u mag het mij laten weten, maar laten we respect hebben voor wat we gezamenlijk denken te lezen in deze psalm. Uiteindelijk kennen we allemaal ten dele en zullen we straks allemaal veel van onze meningen moeten inleveren voor de waarheid.

In 1 Kor. 13 vers 12 lezen we: Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen gelijk ook ik gekend ben.

Laten we een begin maken.

Vanuit het historisch perspectief gezien is het eerste vers van de psalm niet al te lastig om in te vullen:
Toen de HEERE de gevangenen van Sion terug deed keren,
waren wij als mensen die droomden.

Want wat zijn de ‘gevangenen van Sion’ vaak in ballingschap gevoerd. In dit “pelgrimslied”, het zevende, bezingt de psalmist, en in hem de uitverkorenen die buiten het land verstrooid waren, de terugkeer van “de gevangenen van Sion”. De gevangenschap was een bittere tijd voor iedereen van wie het hart verbonden bleef met Jeruzalem. De duizenden jaren van ballingschap hadden ze aan zichzelf te wijten. We lezen daarvan in (Dt 28:15-19)

Daarentegen zal het gebeuren, als u de stem van de HEERE, uw God, niet gehoorzaam bent door al Zijn geboden en Zijn verordeningen, die ik u heden gebied, nauwlettend te houden, dat al deze vervloekingen over u zullen komen en u zullen treffen: Vervloekt zult u zijn in de stad en vervloekt zult u zijn op het veld. Vervloekt zal zijn uw korf en uw baktrog. Vervloekt zal zijn de vrucht van uw schoot en de vrucht van uw land, de dracht van uw koeien en de jongen van uw kleinvee. 19 Vervloekt zult u zijn bij uw [thuis]komen, en vervloekt zult u zijn bij uw weggaan.

Maar daar blijft het niet bij. Hun herstel hadden ze uitsluitend aan de HEERE te danken (Dt 30:4-10).

Al bevonden uw verdrevenen zich aan het einde van de hemel, [toch] zal de HEERE, uw God, u vandaar bijeenbrengen en u vandaar weghalen. En de HEERE, uw God, zal u naar het land brengen dat uw vaderen in bezit hadden, en u zult het [weer] in bezit nemen; en Hij zal u goeddoen en u talrijker maken dan uw vaderen.  De HEERE, uw God, zal uw hart en het hart van uw nageslacht besnijden, om de HEERE, uw God, lief te hebben met heel uw hart en met heel uw ziel, zodat u leven zult.  De HEERE, uw God, zal al deze vervloekingen op uw vijanden leggen en op hen die u haten [en] die u vervolgd hebben.  En ú zult zich bekeren, de stem van de HEERE gehoorzaam zijn en al Zijn geboden, die ik u heden gebied, houden.  De HEERE, uw God, zal u overvloed geven in al het werk van uw handen, in de vrucht van uw schoot, in de vrucht van uw vee en in de vrucht van uw land, ten goede. Want de HEERE zal Zich weer ten goede over u verblijden, zoals Hij Zich over uw vaderen verblijd heeft, wanneer u de stem van de HEERE, uw God, gehoorzaam bent door Zijn geboden en Zijn verordeningen, die in dit wetboek geschreven zijn, in acht te nemen; wanneer u zich bekeert tot de HEERE, uw God, met heel uw hart en met heel uw ziel.

Wat een onvoorstelbare genade van de Heere God. Alle vervloekingen die rustten op het volk worden stuk voor stuk omgedraaid in zegeningen.

Als de twee stammen hersteld zijn in het land, zowel het overblijfsel dat uit Jeruzalem is gevlucht als het overblijfsel in de stad dat verlost is, dan is het volk nog niet compleet. De tien stammen moeten in het land terug zijn. Er moeten twaalf stammen in het land hersteld worden. Dat wordt opnieuw in de volgende drie psalmen, Psalmen 126-128, voorgesteld.

Op welke situatie in Israëls volksbestaan slaan deze woorden? De meeste uitleggers zijn het er wel over eens dat het hier gaat over de periode aan het eind van de ballingschap in Babel, de tijd dat Ezra en Nehemia met de opbouw van het land bezig waren, materieel en geestelijk. Vreugde en verdriet lagen dicht bij elkaar. Kijk maar eens in Nehemia 8. De herstelwerkzaamheden in Jeruzalem zijn een eind gevorderd, maar als Ezra de wet voorleest, komt het volk diep onder de indruk. Hoever zijn ze van God en van Zijn goede wet vandaan geraakt!

Blijdschap over de terugkeer maakt plaats voor de droefheid over Gods afwezigheid. Er is wel een begin gemaakt met herstel, maar we zijn nog niet verlost! En een aantal jaren later, als Haggaï en Zacharia optreden is er eigenlijk nog niet veel veranderd. Dan is een aantal wel teruggekeerd uit Babel en hebben ze flink wat nieuwe huizen gebouwd, maar er zijn grote problemen: droogte en misoogsten en bovendien ligt de tempel nog in puin.

Deze psalm is een ‘lied hammaäloth’ geworden, een lied van de opgang, het lied van de trappen een pelgrimslied. Het lied over het maken van Alijah. Het is een lied voor mensen die hun veilige woonplaats hebben verlaten, maar in de stad van God nog niet zijn gekomen. Mensen op doortocht, beproefd door de woestijn, kinderen van Abraham, die zijn stad en land verliet en op weg ging naar het land dat God hem wijzen zou. Ze zingen onderweg over de bevrijding die God eens heeft gebracht.

Als dat geen zegen is.

Psalm 126 -2-: Over Aliyah maken gesproken -2-

Over Aliyah maken gesproken -2-
De psalm begint met de woorden ‘een pelgromslied’ of ‘een lied van de beklimmingen’ en de Statenvertaling die volgens de kenners het dichtst bij de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst blijft laat het Hebreeuwse woord onvertaald: Hammaäloth.

Dat was wat voor het volk hoor. Op weg naar het heiligdom. Maar liefst veertien psalmen werden er gezongen onderweg: De psalmen 120 tot en met 134 zijn allemaal psalmen die door het volk gezongen werden wanneer zij tijdens de grote feesten van God opklommen om naar Gods huis op de berg Sion in de Stad van Vrede, Jerusjelajim te gaan. Naar de feesten van JHWH, naar de feesten van de HEERE.

Even een korte woordtudie. Het woord Hammaaloth is afkomstig van het vrouwelijke zelfstandig naamwoord ma`alah, wat trap of treden van een trap betekend. Het ma’alah is heeft weer verband met maʻăleh; van een verhoging, d.w.z. (concreet) een oplopende helling (zoals van een heuvel) of platform; maar abstract heeft het de betekenins van de relatie of toestand. Maar het heeft ook bede betekenis van bovenkamer, de hoogste kamer, de kamer waar belangrijke gebeurtenissen plaats, zoals het Laatste Avondmaal en de uitstorting van de Heilige Geest. Maar ook de kamer waar Daniel drie keer per dag op zijn knieeen ging om de Heere te ontmoeten:

Toen Daniël te weten kwam dat dit bevelschrift ondertekend was, ging hij zijn huis binnen. Nu had hij in zijn bovenvertrek open vensters 1 Kon. 8:44in de richting van Jeruzalem. Op drie tijdstippen per dag ging hij op zijn knieën, bad hij en dankte hij voor het aangezicht van zijn God, precies zoals hij voordien had gedaan.

In het woord ma’aleh horen we het woord ‘aliyah’. Aliyah (meervoud, aliyot) is een Hebreeuws woord dat "naar boven gaan" of "verhoging" betekent. Aliyah heeft een dubbele betekenis in de Joodse gemeenschap. Het kan betekenen dat je naar voren wordt geroepen om de Thora in de synagoge te lezen, op een verhoging, en alijah kan ook verwijzen naar de verhuizing van een Jood naar het land Israël.

In een synagoge is het platform waarop de Thora-rol wordt voorgelezen meestal verhoogd, zodat de aanwezigen beter kunnen horen wat er wordt voorgelezen. Deze fysieke verheffing is ook symbolisch voor de verhoogde eer en verantwoordelijkheid van het lezen van Gods Heilige Woord. Daarom, wanneer een lid van de gemeente wordt gekozen om de Thora te lezen, wordt hij "geroepen" of ontvangt hij een alijah.

Aliyah wordt ook gebruikt om te verwijzen naar de beslissing van een jood om terug te keren naar zijn of haar thuisland Israël. Het idee dat Israël 'op' is, is gebaseerd op Genesis 50:13; nadat Jakob stierf, droegen zijn zonen zijn lichaam uit Egypte naar het land Kanaän om daar te worden begraven zoals hij had gevraagd.

Volgens de Talmoed is het land Israël "hoger" dan alle andere landen - niet fysiek, maar als de meest prominente plaats om contact te maken met de Here God, bij wijze van spreken zoals Daniel naar de bovenzaal ging om drie keer per dag het aangezicht van de Heere te zoeken. Dus, in het joodse denken, is verhuizen naar het Heilige Land " aliya maken ", opstijgen, omhoog gaan in de wereld.

Wanneer de Heere Jezus terugkeert om te heersen en te regeren gedurende de duizend jaren, belooft Hij de ultieme alijah te vergemakkelijken, terwijl Hij het Joodse volk naar hun thuisland verzamelt.

Verschillende profeten voorspellen deze alijah :

“Ik zal ze zeker verzamelen uit alle landen waar ik ze verban in mijn woedende woede en grote toorn; Ik zal ze terugbrengen naar deze plek en ze in veiligheid laten leven. Zij zullen mijn volk zijn, en ik zal hun God zijn' (Jeremia 32:37-38).

“Hij zal een banier opheffen voor de volken en de ballingen van Israël vergaderen; hij zal het verstrooide volk van Juda uit de vier hoeken van de aarde bijeenbrengen” (Jesaja 11:12).

“De HEER bouwt Jeruzalem op; hij verzamelt de ballingen van Israël” (Psalm 147:2).

Het concept van alijahis ook in het Nieuwe Testament aanwezig. Het doel van God die Zijn Zoon in de wereld zond, was dat mensen in de slavernij van de zonde "opgevoerd" kunnen worden in de tegenwoordigheid van God (2 Korintiërs 5:21; Romeinen 8:21).

De enige manier waarop een persoon deze geestelijk alijah kan maken, is door Jezus Christus (Johannes 14:6). Jezus zei tegen hem: Ik ben de Weg, de Waarheid; en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij.

 

 

Geen aardse eer of geografische beweging kan ons dichter bij God brengen. Alleen nederig geloof in de dood en opstanding van zijn Zoon kan ons verheffen in de ogen van God.

Jezus zegt: Ik ben de Weg. De weg naar de opgang, de trap tot de Vader. De weg van de beklimming. De weg naar het feest. Wanneer we deze Weg bewandelen hebben we in geestelijk opzicht al aliyah gemaakt. Zijn we in de Bovenkamer, gekomen. Is het in geestelijk opzicht feest.

Paulus zegt daarover:
Ef. 2:6 En Hij heeft ons medeopgewekt, en heeft ons medegezet in den hemel in Christus Jezus.

Filipp. 3:20 Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus

Als dat geen zegen is.

Psalm 126 -3-: Over Aliyah maken gesproken -3-

Over Aliyah maken gesproken -3-
In de voorgaande aflevering stonden we stil bij de introductie, het begin van dit lied van de beklimmingen, het lied van de traptreden, het lied van de bovenkamer. De aanleiding voor dit lied volgt in vers 1 met de woorden: Toen de HEERE de gevangenen van Sion terug deed keren.

Historisch gezien spreken deze woorden over de vreugdevolle tijd "toen JHWH degenen terugbracht die naar Sion terugkeerden."Dit verwijst vrijwel zeker naar de wonderbaarlijke terugkeer van Joodse ballingen uit Babylonië, die plaatsvond toen Cyrus, de koning van Perzië, Babylonië versloeg en in 538 v.Chr. de ballingen vrijliet om terug te keren naar Jeruzalem.

Zie ze daar gaan. Die lange weg te voet, de ballingen, jarenlang in ballingschap doorgebracht vanwege hun zonden. En nu op weg naar Sion, op weg naar Jeruzalem, op weg naar de tempel, op weg naar huis. Door JHWH teruggebracht naar Sion. Ja, ze moeten zelf lopen. En toch teruggebracht door JHWH. Toen en ook straks. JHWH brengt terug. Zelf terug gaan is geen optie. Hij brengt terug.

Het sleutelwoord in het erste vers van de psalm is terugbrengen, terugkeren. Terug naar je herkomst. Terug waar je vandaan komt. Terug naar de oorsprong. Terug naar het land. Terug naar de Bovenkamer. Terug naar God. Maar ook: Terug naar waar we vandaan komen. Terug naar de aarde.

Want het Hebreeuwse woord voor terugkeren, of in de Hebreeuwse Bijbel, het lot hetstellen inde tekst: Toen de HEERE de gevangenen van Sion terug deed keren is ‘shuv’. JHWH doet de gevangenen terugkeren naar ‘shuv’.

En de eerste keer dat we dit woord in de bijbel lezen vinden we het in Genesis 3 vers 19: In het zweet van uw gezicht zult u brood eten, totdat u tot de aardbodem terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want stof bent u en u zult tot stof terugkeren.

We moeten terug naar waar we vandaan komen. Terug naar de oorsprong, Het zaad moet de aarde weer in em… opstaan. Tot leven komen. Want bij Genesis 3 vers 19 stop het niet. Is het verhaal niet uit. Gelukkig niet. Hallelujah. Luister maar eens naa Zijn Woord:

28 Vader, verheerlijk Uw Naam. Er kwam dan een stem uit den hemel, zeggende: En Ik heb hem verheerlijkt, en Ik zal hem wederom verheerlijken.

29 De schare dan, die daar stond en dit hoorde, zeide dat er een donderslag geschied was. Anderen zeiden: Een engel heeft tot Hem gesproken.

30 Jezus antwoordde en zeide: sNiet om Mijnentwil is deze stem geschied, maar om uwentwil.

31 Nu is het oordeel dezer wereld; nu zal de overste van deze wereld (van deze aioon van deze eeuw) buitengeworpen worden

32 En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal hen allen tot Mij trekken.

En ik zal he allen tot mij trekken.

Ziet u de vergelijking met de tekst uit Psalm 122: Toen de HEERE de gevangenen van Sion terug deed keren

Door JHWH teruggebracht naar Sion. Ja, ze moeten zelf lopen. En toch teruggebracht door JHWH. Toen en ook straks. JHWH brengt terug. Zelf terug gaan is geen optie. Hij brengt terug.

Terug naar je herkomst. Terug waar je vandaan komt. Terug naar de oorsprong. Terug naar het land. Terug naar de Bovenkamer. Terug naar God. Maar ook: Terug naar waar we vandaan komen.

Tsja, dat geldt voor het hele volk. Want heel Israel zal zalig worden.

1 Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Volstrekt niet! Ik ben immers ook een Israëliet, uit het nageslacht van Abraham, van de stam Benjamin.

2God heeft Zijn volk, dat Hij van tevoren kende, niet verstoten. Of weet u niet wat de Schrift zegt in de geschiedenis van Elia, hoe hij God aanspreekt over Israël en zegt:

3 Heere, Uw profeten hebben zij gedood en Uw altaren afgebroken, en ik ben alleen overgebleven. Ook staan zij mij naar het leven.

4 Maar wat zegt het Goddelijk antwoord tegen hem? Ik heb voor Mijzelf nog zevenduizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baäl niet gebogen hebben.

5 Zo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel ontstaan, overeenkomstig de verkiezing van de genade.

6 Maar als het door genade is, is het niet meer uit de werken, anders is genade geen genade meer. En als het uit de werken is, is het geen genade meer, anders is het werk geen werk meer.

7 Wat dan? Wat Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen, maar het uitverkoren deel heeft het verkregen en de anderen zijn verhard,

8 zoals geschreven staat: God heeft hun een geest van diepe slaap gegeven, ogen om niet te zien en oren om niet te horen, tot op de dag van heden.

9 En David zegt: Laat hun tafel voor hen worden tot een strik, tot een valkuil, tot een struikelblok en tot vergelding.

10 Laat hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien en maak hun rug voor altijd krom.

11 Ik zeg dan: Zijn zij soms gestruikeld met de bedoeling dat zij vallen zouden? Volstrekt niet! Door hun val echter is de zaligheid tot de heidenen gekomen om hen tot jaloersheid te verwekken.

12 Als dan hun val voor de wereld rijkdom betekent en hun verlies rijkdom voor de heidenen, hoeveel te meer hun volheid!

13 Want tegen u, de heidenen, zeg ik: Voor zover ik de apostel van de heidenen ben, maak ik mijn bediening heerlijk,

14 om daardoor zo mogelijk mijn verwanten wat betreft het vlees tot jaloersheid te verwekken en enigen uit hen te behouden.

15 Want als hun verwerping verzoening voor de wereld betekent, wat betekent dan hun aanneming anders dan leven uit de doden?

16 En als de eerstelingen heilig zijn, dan het deeg ook, en als de wortel heilig is, dan de takken ook.

17 Als nu enige van die takken afgerukt zijn, en u, die een wilde olijfboom bent, in hun plaats - Letterlijk: in hen; of: tussen hen. bent geënt en mede deel hebt gekregen aan de wortel en de vettigheid van de olijfboom,

18 beroem u dan niet tegenover de takken. En als u zich beroemt: U draagt de wortel niet, maar de wortel u.

19 U zult dan zeggen: De takken zijn afgerukt, opdat ik zou worden geënt.

20 Dat is waar. Door ongeloof zijn zij afgerukt en u staat door het geloof. Heb geen hoge dunk van uzelf, maar vrees.

21 Want als God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, dan is het ook mogelijk dat Hij u niet spaart.

22 Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God: strengheid over hen die gevallen zijn, over u echter goedertierenheid, als u in de goedertierenheid blijft. Anders zult ook u afgehouwen worden.

23 2 En ook zij zullen, als zij niet in het ongeloof blijven, geënt worden, want God is machtig hen opnieuw te enten.

24 Want als u afgehouwen bent uit de olijfboom die van nature wild was, en tegen de natuur in op de tamme olijfboom geënt bent, hoeveel te meer zullen zij die natuurlijke takken zijn, geënt worden op hun eigen olijfboom.

25 Want ik wil niet, broeders, dat u geen weet hebt van dit geheimenis (opdat u niet wijs zou zijn in eigen oog), dat er voor een deel verharding over Israël is gekomen, totdat de volheid van de heidenen is binnengegaan.

26 En zo zal heel Israël zalig worden, zoals geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.

27 En dit is het verbond van Mij met hen, wanneer Ik hun zonden zal wegnemen.

28 Zij zijn weliswaar wat het Evangelie betreft vijanden vanwege u, maar wat de verkiezing betreft geliefden vanwege de vaderen.

29 Want de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk.

30 Zoals ook u immers voorheen God ongehoorzaam was, maar nu ontferming verkregen hebt door hun ongehoorzaamheid,

31 zo zijn ook zij nu ongehoorzaam geworden, opdat ook zij door de ontferming die u bewezen is, ontferming zouden verkrijgen.

32 Want God heeft hen allen in hun ongehoorzaamheid opgesloten om Zich over allen te ontfermen.

33 O, diepte van rijkdom, zowel van wijsheid als van kennis van God, hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen!

34 Want wie heeft de gedachten van de Heere gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?

35 Of wie heeft Hem eerst iets gegeven en het zal hem vergolden worden?

36 Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid, tot in eeuwigheid. Amen.

Weet u, ik hoop en bid dat ook u de vergelijking met de woorden uit Psalm 122 ook zult zien: Toen de HEERE de gevangenen van Sion terug deed keren,

Hier in Romeinen 11 zien we ze bij wijze van spreken terugkeren. Vanuit de ballingschap, terug naar hun herkomst. Terug waar ze vandaan komt. Terug naar de oorsprong. Terug naar het land. Terug naar de Bovenkamer. Terug naarde HEERE, terug naar JHWH. De Aaanwezige, Hij Die al die verschrikkelijke eeuwen van ballingschap aanwezig was, Hij die aanwezig is en altijd zal zijn. Ik Ben.


Als dat geen zegen is.

Psalm 126 -4-: Over Aliyah maken gesproken -4-

Over Aliyah maken gesproken -4-
In de voorgaande aflevering hebben we met elkaar aan de hand van deze indrukwekkende Psalm gezien hoe hele volk, niet alleen het tweestgammenrijk, maar alle 12 stammen zullen terugkeren (shuva, aliyah maken) vanuit de ballingschap vanuit Babel en alle windstreken van deze wereld naar Sion, naar huis naar huis. Naar de Bovenkamer.

Devoorgaande keren hebben we voornamelijk naar het historische karakte van de tekst gekeken. Hebben we gezien hoe de HEERE de twee stammen, vanuit Babel deed terugkeren naar Sion. Vandaag wil ik wil bij een aantal aspecten stilstaan vanuit het perspectief van de toekomst nog een keer stil staan.

Gods plan om Zijn Messiaanse Koninkrijk te vestigen op aarde was geen geheim voor de Joden in de dagen van de Messias. Het Koninkrijk is juist het thema van de profetie van de voorzeggingen vanuit het oude- of beter gezegd eerste testament en wordt daar zeer gedetailleerd beschreven. We zullen dat aan de hand van de Schrift vanmorgen illustreren.

Wanneer Zijn volk in zijn geheel naar Sion zal zijn terug gebracht zal Zijn Messiaanse Koninkrijk

  1. Gevestigd worden op aarde

"Ik zal volken geven tot uw erfdeel, de einden der aarde tot uw bezit." (Ps. 2:8) "Een koning zal regeren en voorspoedig zijn, en zal gerechtigheid en recht oefenen op de aarde." (Jer. 23:5) De engelen bevestigden dit toen zij bij Zijn geboorte God prezen, door te zeggen: "Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen!" (Luk. 2:14)

Ook onze Here bevestigde dit toen Hij zei: "Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven." (Matt. 5:5) Hij leerde Zijn discipelen bidden: "Uw koninkrijk kome, Uw wil geschiede, zoals in de hemel zo ook op de aarde." (Matt. 6:10)

Het Koninkrijk dat Johannes de Doper, onze Heer, en de Twaalven verkondigden als "nabij gekomen", was inderdaad "het Koninkrijk der hemelen" (Matt. 3:1,2;4:17;10:5-7), dat op aarde zou worden gevestigd.

Wanneer Zijn volk in zijn geheel naar Sion zal zijn terug gebracht zal in Zijn Messiaanse Koninkrijk

  1. een theocratie gevestigd worden zijn

"En de Here zal tot koning over de ganse aarde zijn." (Zach. 14:9) "Koning, de Here der heerscharen." (Zach. 14:16)

Wanneer Zijn volk in zijn geheel naar Sion zal zijn terug gebracht zal in Zijn Messiaanse Koninkrijk

  1. Israels hoofdstad, Jeruzalem het centrum zal zijn

"Want uit Sion zal de wet uitgaan, en des HEREN Woord uit Jeruzalem." (Jes. 2:3) "...als de Here der heerscharen regeren zal op de berg Sion en te Jeruzalem." (Jes. 24:23) "Te dier tijd zullen zij Jeruzalem noemen: des HEREN troon." (Jer. 3:17) Zo zal Hij ten eerste regeren over Israel (Mic. 5:1).

Dit werd bevestigd door de engel Gabriël (Luk. 1:32,33) door de wijzen (Matt. 2:12) en door de Here Zelf (Matt. 19:28).

Wanneer Zijn volk in zijn geheel naar Sion zal zijn terug gebracht zal Zijn Messiaanse Koninkrijk

  1. zich uitbreiden over de gehele aarde

"Ja, alle koningen zullen zich voor Hem nederbuigen, alle heidenen zullen Hem dienen." (Ps. 72:11) "En Hem werd gegeven heerschappij, en eer, en het koninkrijk, dat Hem alle volken, natiën en tongen eren zouden." (Dan. 7:14) "Alzo zullen vele volken, en machtige heidenen komen, om de Heer der heerscharen te Jeruzalem te zoeken, en om het aangezicht des Heren te smeken." (Zach. 8:22)

Wanneer Zijn volk in zijn geheel naar Sion zal zijn terug gebracht zal Zijn Messiaanse Koninkrijk zal

  1. geheel Israël behouden zijn

"Zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe." (Jer. 31:34) "Ik zal ze verlossen... en zal ze reinigen; zo zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn." (Ezech. 37:23) Dit werd bevestigd door Paulus in Romeinen 11:26, etc.

Wanneer Zijn volk in zijn geheel naar Sion zal zijn terug gebracht zal Zijn Messiaanse Koninkrijk zal

  1. Israëls lijden en verdriet over zijn

"Spreekt naar het hart van Jeruzalem... dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is." (Jes. 40:2) "...dat hun gegeven worde sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwde geest." (Jes. 61:3) "… vrolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvlieden." (Jes. 35:10).

Wanneer Zijn volk in zijn geheel naar Sion zal zijn terug gebracht zal Zijn Messiaanse Koninkrijk zal

  1. Israël een zegen zijn voor alle volkeren

"En de heidenen zullen tot uw licht gaan, en koningen tot de glans, die u is opgegaan." (Jes. 60:3) "En het zal geschieden, gelijk als gij, o huis van Juda! en gij, o huis Israels! geweest zijt een vloek onder de heidenen, alzo zal Ik ulieden behoeden, en gij zult een zegening wezen." (Zach. 8:13) "Het zal in die dagen geschieden, dat tien mannen, uit allerlei tongen der heidenen, grijpen zullen, ja, de slip grijpen zullen van een Joodse man, zeggende: Wij zullen met ulieden gaan, want wij hebben gehoord, dat God met ulieden is." (Zach. 8:23)

Deze beloften dateren uit de tijd van het verbond van God met Abraham: "Ik zal uw zaad zeer vermenigvuldigen... en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde." (Gen. 22:17,18)

Wanneer Zijn volk in zijn geheel naar Sion zal zijn terug gebracht zal Zijn Messiaanse Koninkrijk zal

  1. de regering gereinigd zijn

"Maar Hij zal de armen met gerechtigheid richten, en de zachtmoedigen des lands met rechtmatigheid bestraffen." (Jes. 11:4) "Want gelijk de aarde haar spruit voortbrengt, en gelijk een hof, hetgeen in hem gezaaid is, doet uitspruiten; alzo zal de Here HERE gerechtigheid en lof doen uitspruiten voor al de volken." (Jes. 61:11) "Een koning zal regeren en voorspoedig zijn, en recht gerechtigheid doen op de aarde." (Jer. 23:5)

Wanneer Zijn volk in zijn geheel naar Sion zal zijn terug gebracht zal Zijn Messiaanse Koninkrijk zal

  1. oorlog en bloedvergieten zijn afgeschaft

"Zijn naam zal genoemd zijn... Vredevorst." (Jes. 9:6). "En Hij zal rechten onder de heidenen, en bestraffen vele volken; en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden, en hun spiesen tot sikkelen; het éne volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren." (Jes. 2:4)

Wanneer Zijn volk in zijn geheel naar Sion zal zijn terug gebracht zal Zijn Messiaanse Koninkrijk zal

  1. gezondheid en lang leven worden hersteld

"Alsdan zullen der blinden ogen opengedaan worden, en der doven oren zullen geopend worden. Alsdan zal de kreupele springen als een hert, en de tong des stommen zal juichen." (Jes. 35:5,6) "Daar zal niet meer wezen een zuigeling van weinig dagen, noch een oud man, die zijn dagen niet zal vervullen; want een jongeling zal sterven, honderd jaren oud zijnde, maar een zondaar, honderd jaren oud zijnde, zal vervloekt worden." (Jes. 65:20)

 

Wanneer Zijn volk in zijn geheel naar Sion zal zijn terug gebracht zal Zijn Messiaanse Koninkrijk zal

  1. de dierlijke schepping zal worden getemd

"De wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij de geitenbok nederliggen; en het kalf en de jonge leeuw, en het mestvee tezamen, en een klein jongske zal ze drijven. De koe en de berin zullen tezamen weiden, haar jongen zullen tezamen nederliggen, en de leeuw zal stro eten, gelijk de os. En een zoogkind zal zich vermaken over het hol van een adder; en een gespeend kind zal zijn hand uitsteken in de kuil van de basilisk. Men zal nergens leed doen noch verderven op de ganse berg Mijner heiligheid; want de aarde zal vol zijn van de kennis des HEREN." (Jes. 11:6-9)

Wanneer Zijn volk in zijn geheel naar Sion zal zijn terug gebracht zal Zijn Messiaanse Koninkrijk zal 

  1. de vloek zal weggenomen zijn van de plantaardige schepping

"De woestijn en de dorre plaatsen zullen hierover vrolijk zijn, en de wildernis zal zich verheugen, en zal bloeien als een roos. Zij zal lustig bloeien... want in de woestijn zullen wateren uitbarsten, en beken in de wildernis. En het dorre land zal tot staand water worden, en het dorstige land tot springaders der wateren." (Jes. 35:1,2,6,7)

Als dat geen zegen is

Psalm 126 -5-: Over Aliyah maken gesproken -5-

Over Aliyah maken gesproken -5-
In het tweede vers van de psalm horen we de woorden: Toen de HEERE de gevangenen van Sion terug deed keren. Het historisch- en toekomstig of profetisch perspectief van deze tekst hebben we met elkaar in de voorgaande afleveringen met elkaar behandeld. Maar hoe zit het dan met de tijd waarin wij leven?

Inderdaad we zien vele Joden van het tweestammenrijk nu naar Israel optrekken, alijah maken. En hoewel het er velen zijn, in het grote geheel van Gods plan met heel zijn volk en ik wil het echt niet kleineren, is het nog maar mondjesmaat. Om over de overige tien stammen nog maar niet te spreken. En hoewel we de eerste tekenen van het herstel met Israel zien, en sommigen van het volk Jezus of Jeshua erkennen en herkennen is er nog geen sprake dat het hele volk zich tot Hem keert en uit de ballingenschap, letterlijk en geestelijk teruggebracht wordt door de HEERE.

Ik lees Romeinen 11:
17 Als nu enige van die takken afgerukt zijn, en u, die een wilde olijfboom bent, in hun plaats - Letterlijk: in hen; of: tussen hen. bent geënt en mede deel hebt gekregen aan de wortel en de vettigheid van de olijfboom,

18 beroem u dan niet tegenover de takken. En als u zich beroemt: U draagt de wortel niet, maar de wortel u.

19 U zult dan zeggen: De takken zijn afgerukt, opdat ik zou worden geënt.

20 Dat is waar. Door ongeloof zijn zij afgerukt en u staat door het geloof. Heb geen hoge dunk van uzelf, maar vrees.

21 Want als God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, dan is het ook mogelijk dat Hij u niet spaart.

22 Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God: strengheid over hen die gevallen zijn, over u echter goedertierenheid, als u in de goedertierenheid blijft. Anders zult ook u afgehouwen worden.

23 En ook zij zullen, als zij niet in het ongeloof blijven, geënt worden, want God is machtig hen opnieuw te enten.

24 Want als u afgehouwen bent uit de olijfboom die van nature wild was, en tegen de natuur in op de tamme olijfboom geënt bent, hoeveel te meer zullen zij die natuurlijke takken zijn, geënt worden op hun eigen olijfboom.

25 Want ik wil niet, broeders, dat u geen weet hebt van dit geheimenis (opdat u niet wijs zou zijn in eigen oog), dat er voor een deel verharding over Israël is gekomen, totdat de volheid van de heidenen is binnengegaan.

26 En zo zal heel Israël zalig worden, zoals geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.

27 En dit is het verbond van Mij met hen, wanneer Ik hun zonden zal wegnemen.

28 Zij zijn weliswaar wat het Evangelie betreft vijanden vanwege u, maar wat de verkiezing betreft geliefden vanwege de vaderen.

29 Want de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk.

Voor hen die Israel van harte liefhebben, en ik reken mezelf daar bij, doen de woorden die we zojuist gelezen hebben pijn en verdriet.

Wanneer ik lees dat Israël tijdelijk terzijde gesteld is, niet verkregen heeft wat het zoekt." (Rom. 11:7), wanneer ik lees over hun val (Rom. 11:12), Hun verwerping." (Rom. 11:15) door ongeloof afgebroken, (Rom. 11:20), want God heeft hen allen besloten in ongehoorzaamheid (Rom. 11:32), dan doet me dat pijn en verdriet. Het roept bij mij de gedacht op: zij voor mij. En tegelijkertijd zie ik de overeenkomsten met de Zoon van God, uit Egypte geroepen: Hij voor mij. Het volk Israel wordt immers eveneens ‘de Zoon’ genoemd. Terzijdestelling van Israel. Al tweeduizend jaren van verdrukking en ballingschap. Terzijde gesteld. De gaskamers in. Tweeduizend jaar gehaat door ge volkeren wat antisemitisme heet. Verschrikkelijk. En waarom?

"Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen barmhartig zou zijn.“ (Rom. 11:32) "Want er is geen onderscheid tussen Jood en Griek: want Dezelfde is Heer over allen, rijk voor allen die Hem aanroepen. Want een ieder die de Naam des Heren zal aanroepen, zal zalig worden." (Rom. 10:12,13) "Want er is één God, er is ook één Middelaar tussen God en mensen, de Mens Christus Jezus." (1 Tim. 2:5)

"Want God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende." (2 Kor. 5:19) "Opdat Hij die beiden (Joden en Heidenen) met God zou verzoenen... door het Kruis." (Efe. 2:16) "Toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon." (Rom. 5:10) "En Hij heeft u, die vroeger vervreemd waart, en vijanden... nu ook verzoend in het lichaam van Zijn vlees, door de dood." (Kol. 1:21,22)

"Opdat Hij die beiden met God in één lichaam zou verzoenen door het kruis." (Efe. 2:16) "Dat de heidenen medeërfgenamen zijn, en van hetzelfde lichaam (van een samengevoegd lichaam) en mededeelgenoten aan Zijn belofte in Christus, door het Evangelie." (Efe. 3:6) "Eén lichaam is het." (Efe. 4:4)

"En (God) heeft ons mee (samen) opgewekt, en heeft ons mee (samen) gezet in de hemel in Christus Jezus." (Efe. 2:6). "(God) heeft ons gezegend met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus." (Efe. 1:3)

"Maar onze wandel is in de hemelen." (Fil. 3:20) "Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt dan de dingen die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand van God. Bedenkt de dingen die boven zijn... want… uw leven is met Christus verborgen in God." (Kol. 3:1-3).

Woorden schieten me werkelijk te kort wanneer ik deze woorden op mij in laat werken. Hij, de Zoon van God, die de weg van de vernedering ging voor mij. Maar tegelijkertijd, wanneer ik me indenk dat Israel nu al tweeduizend jaar terzijde is gesteld, vernederd, gehaat door de wereld tot op de huidige dag opdat de heidenen, zij die niet tot het volk behoren, tot het geloof zouden komen… echt woorden schieten te tekort.

Weet u, in de voorgaande afleveringingen hebben we stilgestaan bij het woord Het woord Hammaaloth is afkomstig van het vrouwelijke zelfstandig naamwoord ma`alah, wat trap of treden van een trap betekend. Het ma’alah is heeft weer verband met maʻăleh; van een verhoging, d.w.z. (concreet) een oplopende helling (zoals van een heuvel) of platform; maar abstract heeft het de betekenins van de relatie of toestand. Maar het heeft ook bede betekenis van bovenkamer, de hoogste kamer.

In het woord ma’aleh horen we het woord ‘aliyah’. Aliyah (meervoud, aliyot) is een Hebreeuws woord dat "naar boven gaan" of "verhoging" betekent. Aliyah heeft een dubbele betekenis in de Joodse gemeenschap. Het kan betekenen dat je naar voren wordt geroepen om de Thora in de synagoge te lezen, op een verhoging, en alijah kan ook verwijzen naar de verhuizing van een Jood naar het land Israël.

Maar ook de gelovige in onze tijd mag weten Aliyah gemaakt te hebben. Hij of zij mag weten naar boven gegaan te zijn. Oook wij zijn verhoogd en naar de soreekwoordelijke Bovenkamer gegaan.

"En (God) heeft ons mee (samen) opgewekt, en heeft ons mee (samen) gezet in de hemel in Christus Jezus." (Efe. 2:6). "(God) heeft ons gezegend met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus." (Efe. 1:3)

"Maar onze wandel is in de hemelen." (Fil. 3:20) "Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt dan de dingen die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand van God. Bedenkt de dingen die boven zijn... want… uw leven is met Christus verborgen in God." (Kol. 3:1-3).

Als dat geen zegen is.

Psalm 126 -6-: Over Aliyah maken gesproken -6-

Over Aliyah maken gesproken -6-
Vanmorgen wil ik nog eenmaal met u stilstaan bij het eerste vers van deze bijzondere psalm. Want wat hebben we allemaal al niet ontdekt in de eerste paar woorden van de psalm. We lezen: Toen de HEERE de gevangenen van Sion terug deed keren. Of zoals de Hebreeuse bijbel zegt: Wanneer de HEERE het lot van Zion herstelt. Opvallend is dat de HEERE, JHWH, het volk doet terug keren, dat de HEERE Zion herstelt.

En ik zei het al eerder tijdens dit programma: Zie ze daar gaan. Die lange weg te voet, de ballingen, jarenlang in ballingschap doorgebracht vanwege hun zonden. En nu op weg naar Sion, op weg naar Jeruzalem, op weg naar de tempel, op weg naar huis. Door JHWH teruggebracht naar Sion. Ja, ze moeten zelf lopen. En toch teruggebracht door JHWH. Toen en ook straks. JHWH brengt terug. Zelf terug gaan is geen optie. Hij brengt terug.

Misschien lijkt het voor de omstanders van hen die terugkeren, en misschien zijn zij die gedachten ook wel toegedaan, dat zij uit eigen beweging op weg gaan. Maar zo is het niet. Het is het werk van de HEERE, JHWH, Hij brengt terug, Hij herstelt. En dan gaan ze. Ook in die volgorde.

Eerder zagen we al dat het Hebreeuws woord voor terugkeren, voor herstellen het woord ‘shuv’ is. En dat woord vinden we ook in de volgende drie teksten waar het opvallend genoeg met het begrip ‘bekering’ terug vinden. Ik lees ze aan je voor:

1 Koningen 8:47 en volgend.
Wanneer zij tegen U hebben gezondigd - er is immers geen mens die niet zondigt – en U toornig op hen bent, en hen overlevert aan de vijand, zodat zij die hen gevangengenomen hebben, hen als gevangenen wegvoeren naar het land van de vijand, ver weg of dichtbij, en zij het in het land waarheen zij als gevangenen werden weggevoerd, ter harte nemen, zich bekeren en tot U smeken in het land van hen die hen gevangengenomen hebben, door te zeggen: Wij hebben gezondigd en ons misdragen, wij hebben goddeloos gehandeld, luistert U dan in de hemel, Uw vaste woonplaats, naar hun gebed en hun smeekbede en verschaf hun recht.
Vergeef Uw volk datgene waarmee zij tegen U zondigden, en al hun overtredingen waarmee zij tegen U overtraden, en geef hun ontferming bij hen die hen als gevangenen wegvoerden, zodat die zich over hen ontfermen.
Want zij zijn Uw volk en Uw eigendom, door U uit Egypte geleid, uit het midden van de ijzeroven.
Laten Uw ogen dan open zijn voor de smeekbede van Uw dienaar en voor de smeekbede van Uw volk Israël, door naar hen te luisteren bij al hun roepen tot U,
want Ú hebt hen voor Uzelf als Uw eigendom afgezonderd uit alle volken van de aarde, zoals U gesproken hebt door de hand van Mozes; Uw dienaar, toen U onze vaderen uit Egypte leidde, Heere HEERE!

Ik hoop zo dat u het concept dat we ook hier lezen, en daarmee bedoel ik de volgorde op grond waarvan de bevrijding uit de gevangenschap plaatsvindt ziet: Bekering, vergeving en uitleiding.

Een volgende tekst waarin we het grondwoord met betrekking tot terugkeren, herstellen vinden is Ezechiël 14:6

Zeg daarom tegen het huis van Israël: Zo zegt de Heere HEERE: Bekeer u, keer u af van uw stinkgoden en keer uw gezichten af van al uw gruweldaden.

7Voorzeker, iedere man uit het huis van Israël en uit de vreemdelingen die in Israël verblijven, die zich van achter Mij afwendt, zijn stinkgoden doet opkomen in zijn hart en het struikelblok van zijn ongerechtigheid vóór zich zet, en naar de profeet toe komt om Mij door hem te raadplegen – Ik ben de HEERE, door Mij zal hem antwoord gegeven worden.

8Ik zal Mijn aangezicht tegen die man zetten en zal hem tot een spreekwoordelijk teken stellen en hem uitroeien uit het midden van Mijn volk. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.

9Wanneer een profeet zich laat misleiden en een woord spreekt, zal Ik, de HEERE, die profeet Zelf misleiden, Mijn hand tegen hem uitstrekken en hem wegvagen uit het midden van Mijn volk Israël.

10Dan zullen zij hun ongerechtigheid dragen. Zoals de ongerechtigheid van de vrager, zo zal de ongerechtigheid van de profeet zijn,

11opdat het huis van Israël niet weer van achter Mij vandaan zal afdwalen en zij zich niet weer zullen verontreinigen met al hun overtredingen. Dan zullen zij Mij tot een volk zijn en Ík zal hun tot een God zijn, spreekt de Heere HEERE.

Ezechiël 18:30

Daarom zal Ik u berechten, huis van Israël, ieder overeenkomstig zijn wegen, spreekt de Heere HEERE. Keer terug en bekeer u van al uw overtredingen, dan zal de ongerechtigheid u geen struikelblok worden.

En zo hebben we in de afgelopen afleveringen het historisch, profetisch en persoonlijk perspectief in deze tekst mogen ontdekken.

Als dat geen zegen is.

Psalm 126 -7-: Over Aliyah maken gesproken -7-

Over Aliyah maken gesproken -7-
U zult ongetwijfeld ook wel eens een foto gezien hebben van mensen die op het vliegveld van Tel Aviv aankomen en Aliyah maken. Wat een vreugde en wat een plezier stralen deze mensen uit. Sommigen zijn zo blij dat ze zelfs vreugdetranen uiten. Werekelijk een droom komt voor ze uit. Jaren en jarenlang soms op gewacht en dan… eindelijk thuis. Zij zijn als degenen die dromen. Iets vergelijkbaars lezen we in de psalm.

'Wij waren als degenen die dromen' (vers 1b). De ballingen hadden jarenlang van Jeruzalem gedroomd. Ze herinnerden zich hoe geweldig het was en hoe vrij ze daar waren geweest. Ze herinnerden zich de grootsheid van de tempel van Salomo en hun aanbidding daar. Ze droomden ervan op een dag terug te keren - hoewel ze zich nauwelijks konden voorstellen hoe dat mogelijk zou zijn.

Toen JHWH Cyrus op de troon van Perzië zette en hem ertoe bracht de ballingen naar Jeruzalem terug te laten keren, was hun droom uitgekomen. Toen ze op pad gingen, konden ze nauwelijks geloven dat ze vrij waren - en eigenlijk op weg waren naar de realisatie van hun droom.

Toen ze eindelijk in Jeruzalem aankwamen, hoewel het in puin lag, konden ze zich voorstellen dat het in zijn oude glorie hersteld zou worden. Het leek te mooi om waar te zijn. Droomden ze nog? Zouden ze wakker worden en zich nog steeds onder de Babylonische verdrukking bevinden?

Ze waren zo verrast en verbaasd over het bericht dat zij bijna hun ogen en oren niet konden geloven en dachten dat zij droomden.
 
Een herstel dat zo compleet, zo vreemd en onverwacht was, in een keer tot stand gebracht, zonder enige inspanning van de zijde van Israël, leek in al deze opzichten een droom; en de zij konden, toen ze zulke dingen zagen en hoorden, nauwelijks geloven dat ze wakker waren.

De Hebreeuwse uitdrukking, hier vertaald als degenen die dromen, is door veel uitleggers vertaald als degenen die weer gezond zijn. Deze wonderlijke verandering wordt vanuit het Hebreeuws ook omschreven als een verlossing van een hevige pijn; of het herstel van de gezondheid na een erg lange en vervelende ziekte; of zelfs als leven uit de dood.

En als je er bij nadenkt is dat het ook. Wat een verschrikkingen heeft het volk al niet doorgemaakt. Als we alleen al denken aan de holocoust en het feit dat nu duizenden joden uit allerlei landen Aliyah maken dan is het toch bij wijze van spreken alsof het volk uit de as van de verbrandingsover herreist? Vanuit de dood tot het leven?

De HEERE, JHWH bracht het volk uit de gevangenschap weer terug in de vrijheid. Gratis en voor niets. Want let er op dat Kores het gevangen genomen volk zonder geld en zonder prijs wegstuurde, om naar hun eigen land stad en tempel terug te keren, en vooral dat hij hen beladen met geschenken naar huis zou sturen. We lezen daarover in Ezra 1:1-4.

1 In het eerste jaar nu van Kores, de koning van Perzië, wekte de HEERE de geest van Kores op, de koning van Perzië, opdat het woord van de HEERE, dat Hij bij monde van Jeremia gesproken had, vervuld zou worden om door zijn hele koninkrijk een boodschap te laten gaan, ook in geschrifte:

2 Zo zegt Kores, de koning van Perzië: Alle koninkrijken van de aarde heeft de HEERE, de God van de hemel, aan mij gegeven, en Hij is het Die mij heeft opgedragen om een huis voor Hem te bouwen in Jeruzalem, dat in Juda ligt.

3 Wie er onder u ook maar tot al Zijn volk behoort – zijn God zij met hem – laat hij optrekken naar Jeruzalem, dat in Juda ligt, en laat hij het huis van de HEERE, de God van Israël, bouwen; Hij is de God Die in Jeruzalem woont.

4 En ieder die achtergebleven is, uit alle plaatsen waar hij als vreemdeling verblijft, laten zijn plaatsgenoten hem helpen met zilver, met goud, met allerlei bezittingen en met vee, naast de vrijwillige gave voor het huis van God, Die in Jeruzalem woont.

Wie had dat ooit kunnen denken. Wie had dat ooit kunnen dromen!

Kijk zo werkt God. Ook hierin zien we weer een patroon in het Woord van God. Toen zij uit Egypte werde uitgeleid door de Heere God waren zij beladen met zillver en goud, we hebben daar nog niet zo lang geleden bij stil gestaan. En nu, wanneer Kores hen de vrijheid terug geeft uit opnieuw de ballingschap, worden zij opnieuw beladen met zilver en goud.

En weet u, zo, is het precies hetzelfde wanneer wij uit de geestelijke ballingschap, op grond van Gods genade overgezet worden vanuit de geestelijke dood en tot het Leven met een hoofdlettter gebracht worden. Leven uit de dood.

Joh. 12:24: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Indien het tarwegraan in de aarde niet valt en sterft, zo blijft hetzelve alleen; maar indien het sterft, zo brengt het veel vrucht voort.

En in Kolossenzen 12 lezen we: U bent immers met Hem begraven in de doop, waarin u ook met Hem bent opgewekt, door het geloof van de werking van God, Die Hem uit de doden heeft opgewekt.

En Hij heeft u, toen u dood was in de overtredingen en het onbesneden zijn het onbesneden zijn - Letterlijk: de voorhuid. van uw vlees, samen met Hem levend gemaakt door u al uw overtredingen te vergeven,

en het handschrift dat tegen ons getuigde, uit te wissen. Dit handschrift was met zijn bepalingen tegen ons gericht, en Hij heeft dat uit het midden weggenomen door het aan het kruis te nagelen.

Hij heeft de overheden en de machten ontwapend, die openlijk te schande gemaakt en daardoor over hen getriomfeerd.

Aliyah maken, zo bezien, houd dus ook verband met met de overgang van dood tot het leven.

Als dat geen zegen is.

Psal,m 126 -8-: Over Aliyah maken gesproken -8-

Over Aliyah maken gesproken -8-
In de voorgaande aflevering hebben we gezien dat de HEERE, JHWH het volk terugbracht vanuit de gevangenschap in de vrijheid. Gratis en voor niets. Want let er op dat Kores het gevangen genomen volk zonder geld en zonder prijs wegstuurde, om naar hun eigen land stad en tempel terug te keren, en vooral dat hij hen beladen met geschenken naar huis stuurde. We hebben ook de vergelijking daarmee gezien met de verlossing van het volk vanuit Egypte waarin het eveneens met zilver en goud beladen het land verliet.

Maar we hebben ook de geestelijke vergelijking gezien vanuit het tweede testament waarin ook wij vanuit de dood tot het leven geroepen werden. In alle drie de gevallen is het het werk van uitsluitend God Zelf Die verlossing schonk in het verleden, verlossing schenkt in het heden en verlossing zal schenken in de toekomst. Op grond van genade. Geen verdienste voor het volk, geen verdienste voor en van u en mij.

En zoals het was in het verleden alsof het volk droomde, zoals we uit de woorden van Psalm 126 lazen, zo is het ook nu en zo zal het ook in de toekomst zijn.

Want mag ik er vanmorgen eens een persoonlijke toepassing van maken? Ik herinner mij nog toen de Heere God mij vanuit de dood tot het leven riep ik de eerste periode er niet over uit kon dat ik het Leven gevonden had. Iedereens die het maar horen wilde of niet moest horen welk een geweldige verlossing Hij voor mij teweeg gebracht had. De eerste liefde: Kent u die ervaring? Het was alsof er een droom uitgekomen was. Ik moet ineens denken aan dat lied dat we in die tijd veel met elkaar in de gemeente waar wij kwamen met elkaar zongen:

O, welk een wond're Verlosser
vond ik in mijn Heiland en Heer.
Lofprijs vervult nu mijn harte,
mijn zonden gedenkt Hij niet meer.

Genade kocht mij vrij!
Mijn ziele juicht: Halleluja!
Genade kocht mij vrij!

Stromen van licht en genade
vervullen mijn ziel, meer en meer.
'k Weet: al mijn schuld is vergeven
door 't bloed van mijn Heiland en Heer.

Niets kan van Jezus mij scheiden,
Hij woont door zijn Geest in mijn hart.
In Hem ben 'k veilig geborgen,
in uren van zorg en van smart.

'k Werd niet gered door mijn werken,
zelfs niet door berouwvol geween,
noch door mijn worst'ling en strijden,
doch slechts door genade alleen.

Genade kocht mij vrij!
Mijn ziele juicht: Halleluja!

Misschien kent u het wel. Voor een keer onderbreken we even voor het lied:
https://youtu.be/i2r_bSqKVxA

Wat een geweldige verlossing is u en mij ten deel gevallen wanneer we de God van Israel persoonlijk hebben mogen leren kennen. En zoals het volk beladen met zulver en goud de vrijheid in mochten gaan zo zijn ook wij beladen met alle geestelijke zegening het nieuwe Leven in gegaan. Niet op grond van verdienste van u en mij. Maar op grond van Gods genade. Zullen we nog eens in herinnering roepen wat een geweldige rijkdom ons ten deel is gevallen? Laten we de schatkamer maar eens binnengaan in Efez 1:

1 Paulus, een apostel van Jezus Christus door de wil van God, aan de heiligen en gelovigen in Christus Jezus die in Efeze zijn:

2 genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heere Jezus Christus.

3 G ezegend zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegen in de hemel in Christus,

4 omdat Hij ons vóór de grondlegging van de wereld in Hem uitverkoren heeft, opdat wij heilig en smetteloos voor Hem zouden zijn in de liefde.

5 Hij heeft ons voorbestemd om als Zijn kinderen aangenomen te worden, door Jezus Christus, in Zichzelf, overeenkomstig het welbehagen van Zijn wil,

6 tot lof van de heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde.

7 In Hem hebben wij de verlossing, door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de overtredingen, overeenkomstig de rijkdom van Zijn genade,

8 die Hij ons overvloedig geschonken heeft, in alle wijsheid en bedachtzaamheid,

9 toen Hij ons, overeenkomstig Zijn welbehagen, dat Hij in Zichzelf voorgenomen had, het geheimenis van Zijn wil bekendmaakte,

10 om in de bedeling van de volheid van de tijden alles weer in Christus bijeen te brengen, zowel wat in de hemel als wat op de aarde is.

11 In Hem zijn wij ook een erfdeel geworden, wij, die daartoe voorbestemd waren, naar het voornemen van Hem Die alle dingen werkt overeenkomstig de raad van Zijn wil,

12 opdat wij tot lof van Zijn heerlijkheid zouden zijn, wij, die al eerder onze hoop op Christus gevestigd hadden.

13 In Hem bent ook u, nadat u het Woord van de waarheid, namelijk het Evangelie van uw zaligheid, gehoord hebt; in Hem bent u ook, toen u tot geloof kwam, verzegeld met de Heilige Geest van de belofte,

14 Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verlossing die ons ten deel viel, de verlossing tot lof van Zijn heerlijkheid.

Wat een rijkdom, wat een positie is u en mij ten deel geworden. Van straat en straat arm, overgezet naar de positie van een Koningskind.

En hoort u de woorden doorklinken… het was alsof wij droomden? Het laatste vers van Efeze wat we hier lazen spreekt over lof en heerlijkheid. Daarin hoor ik de woorden van Psalm 126 doorklinken:

2 Toen werd onze mond vervuld met lachen
en onze tong met gejuich.
Toen zei men onder de heidenvolken:
De HEERE heeft grote dingen bij hen gedaan!

Als dat geen zegen is.

Psalm 126 -9-: Over Aliyah maken gesproken -9-

Over Aliyah maken gesproken -9-
Toen de HEERE de gevangenen van Sion terug deed keren,
waren wij als mensen die droomden.

Voor vanmorgen heb ik mij afgevraagd hoe de oude Hebreeuwse taal dromen begreep. En hoe meer ik hierover onderzocht hoe meer ik tot de conclusie kom dat er talloze joodse geleerden er van gedroomd hebben om achter de betekenis van het Hebreeuwse woor ‘chalam’ te komen. Sommigen denken denken dat het woord is afgeleid van het het Hebreeuwse woord voor ziek. We lezen dan:
Toen de HEERE de gevangenen van Sion terug deed keren,
waren wij als mensen die ziek zijn.

Sommige Rabbijnen bregen het in verband met het woord Chalon wat o.a. venster betekent. Een droom is soort venster, waardoor men een kijkje kan nemen in een andere wereld. Deze wereld is onder normale omstandigheden niet toegankelijk,. In een droom kan een mens inzicht worden verschraft in zijn onbewuste drijfveren en motieven.

Anderen denken juist weer dat het te maken heeft met het tegenovergestelde van ziek zijn, namelijk met gezond zijn en gnezen. In de Tanach vinden we een voorbeeld daarvan in Jesaja  38 vers 1


We lezen daar:
Heere, bij deze dingen leeft men, en in al deze dingen is het leven van mijn geest. Want U hebt mij gezond gemaakt en mij genezen.

In de Hebreeuwse Bijbel lezen we in Psalm 126:

Wanneer de HEER het lot van Zion herstelt
- we zien het als in een droom- of 'we waren als dromers'.

De gedachten gang is dan: De gang van zaken was zo verrassend dat het onwerkelijk was.

Interessant is dat de Targum een ​​andere interpretatie biedt: "We waren als mensen die werden genezen." Sommige Joodse Prfessoren nemen het standpunt in dat dit hoogstwaarschijnlijk de juiste interpretatie is!

We lezen in dat geval in Psalm 126 vers 1:

Toen de HEERE de gevangenen van Sion terug deed keren,
waren wij als mensen die waren genezen.

Eerder hebben we in dit programma en in relatie tot de behandeling van dit eerste vers met elkaar stilgestaan bij het terugkeren van de ballingen van Sion. We ontdenkten toen juist ook dat het Hebreeuwse woord voor ‘shuva’ ‘omkeren‘ of ‘bekeren’ kan betekenen.

Zo gelezen dan lezen we in Psalm 126:

Toen de HEERE de gevangenen van Sion bekeerde,
waren wij als mensen die waren genezen.

In het verlengde daarvan moet ik denken aan een geweldige profetie die we uit de mond van Jesaja horen klinken in hoofdstuk 57:19

Ik schep de vrucht der lippen, vrede, vrede dengenen die verre zijn, en dengenen die nabij zijn, zegt de HEERE, en Ik zal hen genezen.

Ik hoop zo dat u het verband met Psalm 126 ziet.

Jer. 30:17 Want Ik zal u de gezondheid doen rijzen, en u van uw plagen genezen, spreekt de HEERE; omdat zij u noemen: De verdrevene. Het is Sion, zeggen zij, niemand vraagt naar haar.

Jer. 33:6 Zie, Ik zal haar de gezondheid en de genezing doen rijzen en zal henlieden genezen, en zal hun openbaren overvloed van vrede en waarheid.

Hos. 6:1 KOMT en laat ons wederkeren tot den HEERE, want Hij heeft verscheurd en Hij zal ons genezen;

Als dat geen zegen is.

Psalm 126 -10-: Over blijdschap gesproken -1-

Over blijdschap gesproken -1-
"Toen werd onze mond gevuld met gelach en onze tong met gezang" (Hebreeuws: re nanah ) zo lezen we in vers 2a. Deze twee regels herhalen dezelfde gedachte in verschillende woorden, net als veel psalmverzen. Dit staat bekend als parallellisme en is de meest voorkomende vorm van Hebreeuwse poëzie.

Lachen en zingen zijn uitingen van vreugde. Beide zijn gevuld met positieve energie.

Dit woord renanah betekent een vreugdevolle schreeuw of zang. Het wordt soms gebruikt voor de vrolijke kreten van een overwinningsviering. De psalmist beschrijft zingen aangedreven door uitbundigheid en energie en enthousiasme.

Toen werd onze mond gevuld met gelach,...

Zij die voorheen treurde en hun harpen aan de wilgen hing en het lied niet kon zingen in een vreemd land; maar nu hun hart gevuld was met vreugde, werd dit uiterlijk en zichtbaar en uitgedrukt met hun mond en door hun uiterlijk.

Het was zo groot, ze konden het niet bevatten.

In Jesaja 35 lezen we daar veel meer van. Luister maar eens, want daar lezen we meer over de blijdschap om de terugkeer van de vrijgekochten

1 De woestijn en de dorre plaatsen zullen vrolijk zijn,
de wildernis zal zich verheugen en in bloei staan
als een roos.

2 Zij zal welig in bloei staan en zich verheugen,
ja, zij zal zich verheugen en juichen.
De luister van de Libanon is haar gegeven,
de glorie van de Karmel en de Saron.
Ze zullen zien de heerlijkheid van de HEERE,
de glorie van onze God.

3 Versterk de slappe handen,
verstevig de wankele knieën;

4 zeg tegen onbedachtzamen van hart:
Wees sterk, wees niet bevreesd!
Zie, uw God!
De wraak zal komen,
de vergelding van God;
Híj zal komen en u verlossen.

5 Dan zullen de ogen van de blinden worden opengedaan,
de oren van de doven zullen worden geopend.

6 Dan zal de kreupele springen als een hert,
de tong van de stomme zal juichen.
Want in de woestijn zullen wateren zich een weg banen
en beken in de wildernis.

7 Het dorre land zal tot een waterpoel worden,
het dorstige land tot waterbronnen;
op de woonplaats van jakhalzen, waar hun rustplaats was,
zal gras zijn, met riet en biezen.

8 Daar zal zijn een effen baan, een weg;
de heilige weg zal hij genoemd worden.
Een onreine zal er niet over gaan,
zelfs dwazen zullen niet dwalen.

9Daar zal geen leeuw zijn,
geen verscheurend dier zal erop komen;
ze zullen daar niet aangetroffen worden,
maar de verlosten zullen die bewandelen.

10 Want wie door de HEERE zijn vrijgekocht, zullen terugkeren;
zij zullen Sion binnenkomen met gejuich.
Eeuwige blijdschap zal op hun hoofd zijn,
vreugde en blijdschap zullen zij verkrijgen,
verdriet en gezucht zullen wegvluchten.

Ziet u in met name het laatste vers de analogie, de overeenkomst met Psalm 126?

Nog een keer:
Want wie door de HEERE zijn vrijgekocht, zullen terugkeren;
zij zullen Sion binnenkomen met gejuich.
Eeuwige blijdschap zal op hun hoofd zijn,
vreugde en blijdschap zullen zij verkrijgen,
verdriet en gezucht zullen wegvluchten.

Als dat geen zegen is

Psalm 126 -11-: Over blijdschap gesproken -2-

Over blijdschap gesproken -2-
Ik wil vanmorgen nog een keer met u stil staan bij het eerste gedeelte van vers 2:
Toen werd onze mond vervuld met lachen
en onze tong met gejuich.

En in de Hebreeuwse tekst wordt het weergegeven met:
onze monden zullen gevuld worden met gelach,
onze tongen met liederen van vreugde.

Opvallend is dat de vertalers van de Herziene Vertaling het in de verleden tijd vorm hebben vertaald en de Hebreeuwse Bijbel het hier in de toekomende tijd als een profetie hebben beschreven.

En beiden is het waar. Toen de ballingen, de gevangenen uit Babel mochten terug keren was er inderdaad sprake van vreugde en blijdschap.

Maar we moeten eerlijk zijn, het was den dele. De vreugde en de blijdschap was niet volkomen.

De ballingschap van de 2 stammen Juda en Benjamin, duurde 70 jaar. Toen Cyrus of Kores koning was in Perzië en Zerubabel de leider van de Joden was, werd het volk opgeroepen om de tempel in Jeruzalem te herstellen.

In 538 voor Christus begint de terugkeer naar Jeruzalem. Een klein deel keert terug, een groot deel blijft wonen in Perzië.

In 485 voor Christus kwam een tweede deel terug, toen de herbouw van de tempel al was begonnen.

In 444 voor Christus, toen de muren van de stad herbouwd waren kwam nog een deel van de Joden terug naar Jeruzalem.

Maar we zien temidden van de mensen die blij en verheugd waren over de herbouw van de tempel dat er sprake is van mensen die juichen als van mensen die treuren. We lezen daarvan in Ezra 3:

11 Zij zongen in beurtzang bij het prijzen en bij het danken van de HEERE dat Hij goed is, dat Zijn goedertierenheid over Israël tot in eeuwigheid is. Heel het volk hief een groot gejuich aan bij het prijzen van de HEERE, omdat de fundering voor het huis van de HEERE gelegd was.

12 Maar velen van de priesters en de Levieten en de familiehoofden, namelijk de ouderen die het eerste huis op zijn fundering gezien hadden, huilden met luide stem toen zij dit huis voor hun ogen zagen, terwijl vele anderen met gejuich en met blijdschap hun stem verhieven.

13 En het volk kon geen onderscheid maken tussen het geluid van het vreugdegejuich en het geluid van het huilen van het volk, want het volk hief een groot gejuich aan en het geluid werd tot ver gehoord.

De Joodse uitleggers zeggen over dit gedeelte van Psalm 126:
Het kan worden weergegeven: 'dan zal onze mond gevuld worden met gelach'; dat wil zeggen, als we wakker worden, zegt Arama; of liever wanneer de gevangenschap wordt teruggebracht, hetzij in letterlijke of in geestelijke zin, beide zijn een zaak van grote vreugde: de midrasj zegt, dit zal in de komende wereld zijn, en niet in deze.

En misschien moeten we de tijd waarin wij leven en Israel deel bij deel terugkomt, net als in de tijd van Kores en zijn opvolgers zoals we zojuist aanhaalden wel vergelijken met de tijd waarin wij leven.

Ook nu keert het volk niet terug in vrede, in Shalom. Wellicht is er sprake van een analogie met de tijd van Nehemia. We lezen daar in hoofdtuk 4 het volgende over:

1 Het gebeurde, toen Sanballat gehoord had dat wij de muur herbouwden, dat hij in woede ontstak en zeer geërgerd was. Hij bespotte de Joden.

Voor we verder gaan: Sanballat betekend: Sin heeft gezond gemaakt. En Sin is Sumerische maangod, patroongod van Ur. U weet wel, Babel. De tegenhanger van Jeruzalem. Er bestaat dus geen twijfel over wie deze Sanballat in werkelijkheid was, de tegenstander van JHWH. En hij bespotte de Joden. Tsaj, er is niets nieuws onder de zon als e zien hoe de Joden ook nu bespot en geplaagd worden door middel van het hand over hand toenemende antisemitisme.

We lezen weer verder in Nehemia.

2 en zei in tegenwoordigheid van zijn broeders en het leger van Samaria: Wat doen die zwakke Joden? Zal men hen hun gang laten gaan? Gaan ze offers brengen? Willen ze het vandaag nog klaarkrijgen? Willen ze de stenen uit de puinhopen weer tot leven wekken, hoewel die verbrand zijn?

3 En Tobia, de Ammoniet, stond naast hem en zei: Ook al bouwen ze, als er slechts een vos op klimt, maakt hij een bres in hun stenen muur.

4 Hoor, onze God, dat wij een voorwerp van verachting zijn en doe hun smaad terugkeren op hun eigen hoofd: geef hen over als buit in een land van gevangenschap.

5 Bedek hun ongerechtigheid niet en laat hun zonde niet uitgewist worden van voor Uw aangezicht, want zij hebben U getergd tegenover de bouwers.

6 Maar wij bouwden de muur, zodat heel de muur tot de helft ervan aaneengevoegd werd, want het hart van het volk was erop gericht om te werken.

7 Het gebeurde, toen Sanballat, Tobia, de Arabieren, de Ammonieten en de inwoners van Asdod hoorden dat het herstel van de muren van Jeruzalem vorderde en dat de bressen gedicht begonnen te worden, dat ze in hevige woede ontstaken.

8 Zij spanden allemaal samen om tegen Jeruzalem te gaan strijden en verwarring te stichten.

9 Maar wij baden tot onze God en plaatsten een wacht tegen hen, dag en nacht, vanwege hen.

10 Toen zei Juda: De kracht van de lastdragers schiet tekort en er is veel puin; wij zijn daarom niet in staat de muur te herbouwen.

11 Onze tegenstanders zeiden: Zij zullen het niet te weten komen en het niet zien tot wij in hun midden gekomen zijn en hen doodgeslagen hebben; zo zullen we het werk laten ophouden.

1 2Het gebeurde, toen de Joden die bij hen woonden, ons wel tienmaal vanuit alle plaatsen kwamen zeggen: Jullie moeten naar ons terugkeren,

13 dat ik mannen opstelde op de laagste plaatsen achter de muur bij de open plekken. Ik stelde het volk op, ingedeeld naar hun geslachten, met hun zwaarden, hun speren en hun bogen.

14 Ik zag erop toe en stond op en zei tegen de edelen, de machthebbers en de rest van het volk: Wees niet bevreesd voor hen. Denk aan de grote en ontzagwekkende Heere, en strijd voor uw broeders, uw zonen en uw dochters, uw vrouwen en uw huizen

15 Daarna gebeurde het, toen onze vijanden hoorden dat hun plan ons bekend was geworden en God hun plan verijdeld had, dat wij allen terugkeerden naar de muur, ieder naar zijn werk.

16 Vanaf die dag was het zo dat de ene helft van mijn knechten met het werk meedeed en de andere helft van hen de speren, de schilden, de bogen en de harnassen vasthield, terwijl de vorsten opgesteld stonden achter heel het huis van Juda.

17 Zij die aan de muur bouwden, zij die de lasten droegen en zij die ze oplaadden, deden met één hand het werk, en de andere hand hield de werpspies vast.

18 De bouwers hadden elk zijn zwaard aan zijn heup gegord terwijl zij aan het bouwen waren, maar de bazuinblazer bleef bij mij.

19 Ik zei tegen de edelen, de machthebbers en het overige volk: Het werk is veel en uitgebreid. Wij staan verspreid over de muur, de een ver van de ander.

20 Op de plaats waar u het bazuingeschal hoort, daar moet u zich bij ons voegen. Onze God zal voor ons strijden.

21 Zo deden wij het werk. De helft van hen hield de speren vast, van het aanbreken van de dageraad tot het opkomen van de sterren.

22 Ook zei ik in die tijd tegen het volk: Ieder moet met zijn knecht binnen Jeruzalem overnachten, zodat zij voor ons 's nachts wacht en overdag werkploeg zijn.

23 Noch ik, noch mijn broers, noch mijn knechten, noch de mannen van de wacht die achter mij kwamen, trokken in die tijd onze kleren uit; ieder had zijn werpspies en water.

Ik hoop zo dat u de analogie, de overeenkomsten met de ijd waarin wij leven ziet. Ook nu komen vele Joden uit alle windstreken terug naar het land om het land weer op te bouwen. Maar helaas zie we ook nu dat een groot deel van de wereld, Sanballat, de grote tegenstander, het volk bespot, hen in een kwaad datlicht stelt, en het werk wil verijdelen. Samen met de tegenwoordige Tobia, de Arabieren, de Ammonieten en de inwoners van Asdod.

En dat zorgt er voor tijdens de herbouw van het land ook nu, evenals in de geschiedenis met Nehemia, een groot deel van het volk bewapend is om zich tegen de tegenstanders te verweren. Het huidige Israel kan zich evenals toen geen zwak momen veroorloven. We lazen: Noch ik, noch mijn broers, noch mijn knechten, noch de mannen van de wacht die achter mij kwamen, trokken in die tijd onze kleren uit; ieder had zijn werpspies en water.

Maar er is hoop: Hoop voor de toekomst want we lezen ook in deze geschiedenis met Nehemia: Op de plaats waar u het bazuingeschal hoort, daar moet u zich bij ons voegen. Onze God zal voor ons strijden.

En wanneer binnenkort, op dat moment het bazuin geschal wordt gehoort, daar moet u zich bij ons voegen. Onze God zal voor ons strijden.

Als dat geen zegen is.

Psalm 126 -12-: Over de dag van JHWH gesproken -1-

Over de dag van JHWH gesproken -1-

"Toen zeiden zij onder de volken: (Hebreeuws: goyim ) 'YHWH heeft grote dingen voor hen gedaan'" (vs. 2b). Hoewel het woord goyim naties in het algemeen kan betekenen, werd het vaak gebruikt om heidense naties aan te duiden - heidenen.

De psalmist zegt dat de goyim (de naties, de volken, de heidenen, degenen die geen verbondsrelatie met God hebben) hebben opgemerkt wat JHWH voor Israël heeft gedaan.

Dit brengt de eer van God onder de goddelozen. Het wekt ook respect op voor Israël, dat duidelijk Gods bescherming geniet.

“Jahweh heeft grote dingen (Hebreeuws: gadal )  voor ons gedaan” (vs. 3a). De goyim (naties) hebben de acties van Jahweh namens Israël bevestigd, en Israël heeft ze ook erkend.

Het woord gadal (grote dingen) heeft verschillende betekenissen. In deze context betekent het dat JHWH grote dingen heeft gedaan - geweldige dingen - voor Israël.

En opnieuw ontdekken we een patroon in de Schrift. We zien het hier wanneer de ballingen uit Babel terugkeren dat de volkeren zeggen: JHWH heeft grote dingen gedaan. Zij zien en erkennen het werk van de HEERE. Maar we lezen er ook. Van op een eerder moement in de geschiedenis van God met Zijn volk. In Numeri 23, waat we uit de mond van Bileam het volgende horen:

22God heeft hen uit Egypte geleid;
Hij is hem als de hoorns van een wilde os.
23Want er bestaat geen bezwering tegen Jakob
of waarzeggerij tegen Israël.
Er wordt in deze tijd over Jakob gezegd,
en over Israël, wat God gedaan heeft.

En in de tijd waarin wij leven mogen velen buiten Israel de oprichting van de staat Israel in 1948 erkennen en herkennen als een wonder van God. Maar we moeten ook eerlijk zijn. De volkeren en naties, en mag ik het vanmorgen eens zo zeggen, de Verenigde Naties, zien Isrel in de tijd waarin wij leven, nu niet bepaald als een wonder en werk van JHWH. In tegendeel zou ik haast zeggen. Het antisemitisme en de haat tegen zijn volk vieren hoogtij en vertaalt zich in de Verenigde Naties in veroordeling op veroordeling.

De situatie zoals beschreven in Psalm 126 is bepaald nog niet aan de orde: Toen werd onze mond vervuld van gelach en onze tong van gezang; toen zeiden zij onder de heidenen: De HEERE heeft grote dingen voor hen gedaan...

Maar, zoals ik wel vaker zeg: We zijn er bijna, maar nog niet helemaal. Want wanneer de dag van de HEERE, de dag van JHWH aanbreekt, en als u mij vraagt zijn we daar niet ver meer van verwijderd dan zal plaatsvinden waarover de profeet Joel profeteerd in Joel 2 en we lezen het hele hoofdstuk omdat het een sleutel is om het handelen van de God van Israel met Zijn volk, in de dagen die we nu beleven te begrijpen:

De vertalers van de HSV hebben er boven gezet: De dag van de HEERE is nabij

1 Blaas de bazuin in Sion,
sla alarm op Mijn heilige berg,
laat alle inwoners van het land sidderen,
want Joël de dag van de HEERE komt, ja, is nabij!

2Het is een dag van duisternis en donkerheid,
een dag van wolken en donkerheid.
Zoals de dageraad zich over de bergen verspreidt,
verspreidt zich een groot en machtig volk,
zoals er niet geweest is
van oude tijden af,
en er hierna niet meer zal zijn,
jarenlang, van generatie op generatie.

3Ervóór verteert een vuur,
en erachter verzengt een vlam;
ervóór is het land als de hof van Eden,
en erachter is het een woeste wildernis.
Ook is er geen ontkomen aan.

4Als het uiterlijk van paarden is zijn uiterlijk,
en als renpaarden, zo rennen zij voort.

5Als het geluid van wagens
springen zij over de toppen van de bergen,
als het geluid van een vuurvlam
die stoppels verteert,
als een machtig volk
opgesteld voor de strijd.

6Bij die aanblik krimpen de volken ineen,
alle gezichten verschieten van kleur.

7Als helden rennen zij,
als strijdbare mannen
klimmen zij tegen de muren op;
ieder gaat op zijn eigen weg
en zij wijken niet van hun paden af.

8Zij verdringen elkaar niet,
ieder gaat zijn eigen weg.
Al stuiten zij op weerstand,
zij zijn niet tegen te houden.

9Zij stormen op de stad af,
zij rennen op de muren,
zij klimmen tegen de huizen op.
Als een dief komen zij
door de vensters binnen.

10Bij die aanblik siddert de aarde,
beeft de hemel.
Zon en maan worden in het zwart gehuld
en de sterren trekken hun licht in.

11En de HEERE laat Zijn stem klinken
voor Zijn leger uit,
want Zijn leger is zeer groot,
ja, machtig is Hij, Die Zijn woord ten uitvoer brengt.
Groot is immers de dag van de HEERE
en zeer ontzagwekkend. Wie zal hem kunnen verdragen?

12Ook nu echter, spreekt de HEERE,
bekeer u tot Mij met heel uw hart,
namelijk met vasten, met geween en met rouwklacht.

13En scheur uw hart
en niet uw kleren.
Bekeer u tot de HEERE, uw God,
want Hij is genadig en barmhartig,
geduldig en rijk aan goedertierenheid,
en Hij heeft berouw over het kwaad.

14Wie weet zal Hij Zich omkeren en berouw hebben,
zodat Hij een zegen achter Zich overlaat:
een graanoffer en een plengoffer
voor de HEERE, uw God.

15Blaas de bazuin in Sion,
kondig een vastentijd af,
roep een bijzondere samenkomst bijeen.

16Verzamel het volk,
heilig de gemeente,
breng de oudsten bijeen,
verzamel de kleine kinderen
en de zuigelingen.

Laat de bruidegom uit zijn binnenkamer gaan,
de bruid uit haar slaapkamer.

17Laten de priesters, de dienaren van de HEERE, wenen
tussen de voorhal en het altaar,
en laten zij zeggen:
Ontzie Uw volk, HEERE,
geef Uw erfelijk bezit niet over aan smaad,
zodat de heidenvolken over hen zouden heersen.
Waarom zouden ze onder de volken zeggen:
Waar is hun God?

18Toen nam de HEERE het op voor Zijn land,
en Hij spaarde Zijn volk.

19De HEERE antwoordde en zei tegen Zijn volk:
Zie, Ik zend u het koren, de nieuwe wijn en de olie,
zodat u ermee verzadigd wordt.
Ik zal u niet meer overgeven
als voorwerp van smaad onder de heidenvolken.

20Ik zal die uit het noorden
ver van u wegdoen.
Ik verdrijf hem naar
een dor en woest land,
zijn voorhoede naar de zee in het oosten,
zijn achterhoede naar de zee in het westen.
Zijn stank stijgt op,
zijn walm stijgt op,
want hij heeft grote dingen gedaan.

21Wees niet bevreesd, land,
verheug u en wees blij,
want de HEERE heeft grote dingen gedaan.

22Wees niet bevreesd, dieren van het veld,
want de weiden van de woestijn worden groen,
de bomen dragen hun vrucht,
de wijnstok en de vijgenboom geven hun opbrengst.

23En u, kinderen van Sion,
verheug u en wees blij
in de HEERE, uw God,
want Hij zal u geven
de Leraar tot gerechtigheid.
Die zal regen op u doen neerdalen,
vroege regen en late regen in de eerste maand.

24De dorsvloeren zullen vol koren zijn,
de perskuipen stromen over van nieuwe wijn en olie.

25Ik zal u de jaren vergoeden
die de veldsprinkhaan, de jonge sprinkhaan, de zwermsprinkhaan en de treksprinkhaan hebben opgegeten,
Mijn grote leger,
dat Ik op u had afgestuurd.

26Dan zult u overvloedig en tot verzadiging eten,
en de Naam van de HEERE, uw God, prijzen,
Die wonderlijk met u heeft gehandeld.
Mijn volk zal voor eeuwig niet beschaamd worden.

27Dan zult u weten dat Ik te midden van Israël ben,
dat Ik, de HEERE, uw God ben, en niemand anders:
Mijn volk zal voor eeuwig niet beschaamd worden!

Belofte van de Geest
28Daarna zal het geschieden
dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees:
uw zonen en uw dochters zullen profeteren,
uw ouderen zullen dromen dromen,
uw jongemannen zullen visioenen zien.

29Ja, zelfs op de dienaren en op de dienaressen
zal Ik in die dagen Mijn Geest uitstorten.

30Ik zal wondertekenen geven aan de hemel en op de aarde:
bloed en vuur en rookzuilen.

31De zon zal veranderd worden in duisternis
en de maan in bloed,
voor die dag van de HEERE komt,
die grote en ontzagwekkende.

32Het zal geschieden dat ieder die de Naam van de HEERE zal aanroepen, behouden zal worden.

Want op de berg Sion en in Jeruzalem zal ontkoming zijn,
zoals de HEERE gezegd heeft,
namelijk bij hen die ontkomen zijn,
die de HEERE roepen zal.

Als dat geen zegen is.

Psalm 126 -13-: Over de dag van JHWH gesproken -2-

Over de dag van JHWH gesproken -2-
Ik wil vandaag nog een keer stil staan bij vers 2:

Toen werd onze mond vervuld met lachen
en onze tong met gejuich.
Toen zei men onder de heidenvolken:
De HEERE heeft grote dingen bij hen gedaan!

We hebben in de eerdere afleveringen gezien dat deze woorden op meerdere gebeurtenissen met betrekking tot het volk van God, Israel betrekking hebben. De woorden dat de heidenvolken erkenden dat de HEERE grote dingen aan het volk gedaan heeft hoorden we uit de mond van Bileam die betrekking hadden op de verlossing van de Egyptenaren, we horen dezelfde woorden met betrekking tot de ballingen die uit Babel kwamen, maar we lazen ook uit Joel waar ocer de toekomstige dag van de HEERE wordt gesproken, in de nabije toekomst.

Bij de voorbereiding vanmorgen werd mijn aandacht getrokken naar Jesaja 45,waarin het verleden, het heden en de nabije toekomst samen komen. De woorden uit Jesaja 45 spreken over de dagen van Kores, over de dagen dat hij de balligen naar Israel laat terugkeren, het spreekt over de dagen dat de mensen zich hardop afvragen, waar is God, en zijn dat niet de dagen die wij beleven, maar Jesaja spreekt ook over de nabije dagen. De dagen dat God Zich openbaart, letterlijk open baart, Hij die was en is, Zich zal laten zien in deze wereld.

Ik laat de Schrift vanmorgen spreken uit Jesaja 45:

De vertalers hebben het volgende opschrift er boven gezet: Kores, het werktuig van God

1 Zo zegt de HEERE tegen Zijn gezalfde,
tegen Kores, die Ik vastgrijp bij zijn rechterhand,
om de volken vóór hem neer te werpen,
en de lendenen van koningen zal Ik ontgorden;
om deuren voor hem te openen,
poorten zullen niet gesloten worden:

2Zelf zal Ik voor u uit gaan,
het oneffene zal Ik rechtmaken,
bronzen deuren zal Ik openbreken,
en ijzeren grendels stukbreken.

3En Ik zal u geven schatten die in het duister zijn,
verborgen rijkdommen,
opdat u zult weten dat Ik de HEERE ben, Die u bij uw naam roept,
de God van Israël.

4Ter wille van Jakob, Mijn dienaar,
Israël, Mijn uitverkorene,
riep Ik u bij uw naam;
Ik gaf u een erenaam, hoewel u Mij niet kende.

5 Ik ben de HEERE, en niemand anders,
buiten Mij is er geen God.
Ik zal
u omgorden, hoewel u Mij niet kende,

6opdat men zal weten, vanwaar de zon opkomt tot waar zij ondergaat,
dat er buiten Mij niets is.
Ik ben de HEERE, en niemand anders.

7Ik formeer het licht en schep de duisternis,
Ik maak de vrede en schep  het onheil;

Ik, de HEERE, doe al deze dingen.

8Druip, hemel van boven,
en laten de wolken gerechtigheid uitgieten,
laat de aarde zich openen.
Laten de wolken heil voortbrengen,
en laat de aarde tegelijk gerechtigheid doen opkomen.
Ík, de HEERE, heb het geschapen.

9Wee hem die het tegen zijn Formeerder opneemt
– een potscherf tussen aarden scherven.
Zal het leem soms tegen zijn formeerder zeggen: Wat maakt u?
Of zal uw werk zeggen: Hij heeft geen handen?

10Wee hem die tegen zijn vader zegt: Wat verwekt u?
Of tegen diens vrouw: Wat baart u?

11Zo zegt de HEERE,
de Heilige van Israël, zijn Formeerder:
Zij hebben Mij naar de toekomstige dingen gevraagd, aangaande Mijn kinderen –
zou u Mij bevel geven aangaande het werk van Mijn handen?

12Ik heb de aarde gemaakt
en Ik heb de mens daarop geschapen.
Ik ben het, Mijn handen hebben de hemel uitgespannen
en aan heel zijn sterrenleger geef Ik Mijn bevelen.

13Ík heb Kores doen opstaan in gerechtigheid,
en al zijn wegen zal Ik rechtmaken.
Híj zal Mijn stad bouwen
en hij zal Mijn ballingen vrijlaten,
zonder betaling en zonder geschenk,
zegt de HEERE van de legermachten.

14Zo zegt de HEERE:
De arbeidsopbrengst van de Egyptenaren en de koophandel van de Cusjieten,
en de Sabeeërs, mannen van grote lengte,
zullen naar u overgaan en zullen van u zijn.
Zíj zullen u navolgen, in boeien zullen zij overkomen
en voor u zullen zij zich buigen,
zij zullen u smeken en zeggen:
Voorzeker, God is bij u, en niemand anders;
er is geen andere God.

De Verborgene openbaart Zich

15Voorwaar, U bent een God Die Zich verborgen houdt,
de God van Israël, de Heiland.

16Zij allen zullen beschaamd en ook te schande worden,
tezamen zullen zij met smaad weggaan, de makers van afgodsbeelden.

17Israël echter wordt door de HEERE verlost:
een eeuwige verlossing.eeuwige verlossing - Letterlijk: verlossing van eeuwigheden.
U zult niet beschaamd en niet te schande worden,
voor eeuwig niet, nooit!

18Want zo zegt de HEERE,
Die de hemel geschapen heeft,
die God
Die de aarde geformeerd en haar gemaakt heeft.
Hij heeft haar gegrondvest,
Hij
heeft haar niet geschapen opdat zij woest zou zijn,
maar Hij heeft haar geformeerd opdat men erop zou wonen:
Ik ben de HEERE, en niemand anders.

19Ik heb niet in het verborgene gesproken,
in een duistere plaats op aarde.
Ik heb tegen het nageslacht van Jakob niet gezegd:
Zoek Mij tevergeefs.
Ik ben de HEERE, Die gerechtigheid spreekt,
Die bekendmaakt wat billijk is.

20Verzamel u, kom,
treed tezamen naar voren,
u die bent ontkomen aan de heidenvolken.
Zij weten niets,
zij die hun houten beelden ronddragen,
of een god aanbidden
die niet verlossen kan.

21Maak bekend en breng naar voren,
ja, beraadslaag samen:
Wie heeft dit van oudsher doen horen?
Wie heeft dat van toen af bekendgemaakt?
Ben Ik het niet, de HEERE?
Buiten Mij is er geen andere God,
een rechtvaardig God, een Heiland;
er is niemand behalve Ik.

22Wend u tot Mij, word behouden,
alle einden der aarde,
want Ik ben God en niemand anders.

23Ik heb gezworen bij Mijzelf
– uit Mijn mond is in gerechtigheid
een woord uitgegaan en het zal niet terugkeren –
dat voor Mij elke knie zich zal buigen,
elke tong bij Mij zal zweren.

24Voorzeker, in de HEERE – zal men van Mij zeggen –
zijn rechtvaardige daden en kracht,
tot Hem zal men komen. Maar zij zullen beschaamd worden,
allen die tegen Hem in woede ontstoken zijn.

25In de HEERE zal gerechtvaardigd worden en zich beroemen
heel het nageslacht van Israël.

Als dat geen zegen is.

Psalm 126 -14-: Over de dag van JHWH gesproken -3-

Over de dag van JHWH gesproken -3-
Ik wil vandaag voor een laatste keer in het verband met psalm 126 stil staan bij vers 2:

Toen werd onze mond vervuld met lachen
en onze tong met gejuich.
Toen zei men onder de heidenvolken:
De HEERE heeft grote dingen bij hen gedaan!

Het samenkomen van de HEERE / JHWH met Israel wordt wel vergeleken met het samen komen van de Bruidegom met de Bruid.

Een voorbeeld in negatieve zin vinden we daarvan in Jeremia 7, vers 34

En Ik zal uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem de stem van de vreugde en de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid doen ophouden, want het land zal tot een verwoesting worden.

Maar daar stop het niet bij want we moeten verder lezen. In Jeremiea 33 vers 10 en 11 lezen we dan:

Zo zegt de HEERE: In deze plaats, waarvan u zegt: Zij ligt verwoest, zodat er geen mens en geen dier meer is – in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem, die zo verwoest zijn, dat er geen mens, geen inwoner en geen dier meer in te vinden is, zal weer gehoord worden

11de stem van de vreugde, de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid, de stem van hen die zeggen: Loof de HEERE van de legermachten, want de HEERE is goed, want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig, en de stem van hen die in het huis van de HEERE een lofoffer brengen. Ik zal namelijk een omkeer brengen in de gevangenschap van het land, zodat het weer wordt als vroeger, zegt de HEERE.

En wanneer Bruidegom en bruid bij elkaar komen is er sprake van een bruiloft toch?

In Openbaring lezen we daarvan: Laat ons blij zijn en vreugde bedrijven, en Hem de heerlijkheid geven; ewant de bruiloft des Lams is gekomen, en Zijn vrouw heeft zichzelve bereid.

Over deze geweldige Bruiloft van de ontmoeting tussen JHWH, de Bruidegom en de Zijn Volk, Israel op de bruiloft is een geweldig lied op rijm in een gedicht geschreven. Wat is de Bijbel toch een geweldig Boek toch. Dat we nu al op de hoogte gesteld worden over het verloop van deze Bruiloft. De bruiloft van alle bruiloften. Luister je mee? In Psalm 45:

1Een onderwijzing, een lied over de liefde, voor de koorleider, van de zonen van Korach, op ‘De lelies’.

2Mijn hart brengt een goed woord voort;
ik draag mijn gedichten45:2 mijn gedichten - Letterlijk: mijn werken. voor over een Koning;
mijn tong is een pen van een vaardige schrijver.

3U bent veel mooier dan de andere mensenkinderen;
genade is op Uw lippen uitgegoten,
daarom heeft God U voor eeuwig gezegend.

4Gord Uw zwaard aan de heup, o Held,
het zwaard van Uw majesteit en Uw glorie.

5Rijd voorspoedig uit in Uw glorie,
op het woord van waarheid, zachtmoedigheid en gerechtigheid;
Uw rechterhand zal U ontzagwekkende daden leren

6Uw pijlen zijn scherp;
zij treffen het hart van de vijanden van de Koning.
Volken zullen onder U vallen.

7Uw troon, o God, bestaat eeuwig en altijd;
de scepter van Uw Koninkrijk is een scepter van rechtvaardigheid.

8U hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid;
daarom heeft Uw God U gezalfd, o God,
met vreugdeolie, boven Uw metgezellen.

9Al Uw kleding geurt van mirre en aloë en kaneel,
wanneer U uit de ivoren paleizen komt,
waar men U verblijdt.

10Koningsdochters zijn onder Uw voorname vrouwen;
de koningin staat aan Uw rechterhand, in het fijne goud van Ofir.

11Luister, dochter, en zie, en neig uw oor:
vergeet uw volk en het huis van uw vader.

12Dan zal de Koning verlangen naar uw schoonheid;
omdat Hij uw Heere is, buig u voor Hem neer.

13De dochter van Tyrus zal komen  met een geschenk;
de rijken onder het volk zullen trachten uw aangezicht gunstig te stemmen.

14De koningsdochter is innerlijk één en al heerlijkheid;
haar kleding bestaat uit borduurwerk van gouddraad.

15In kleurrijk geborduurde kleding wordt zij naar de Koning geleid;
jonge meisjes, haar vriendinnen in haar gevolg,
worden bij U gebracht.

16Zij worden geleid in grote blijdschap en vreugde,
zij gaan het paleis van de Koning binnen.

17Uw zonen zullen de plaats van Uw vaderen innemen Letterlijk: zullen zijn in plaats van uw vaderen.
U zult hen tot vorsten aanstellen over heel de aarde.

18Ik zal Uw Naam in herinnering roepen bij alle generaties; Letterlijk: elke generatie en generatie.
daarom zullen de volken U loven, voor eeuwig en altijd.

Ik hoop zo dat u het verband ziet met Psalm 126 vers 2:
2 Toen werd onze mond vervuld met lachen
en onze tong met gejuich.
Toen zei men onder de heidenvolken:
De HEERE heeft grote dingen bij hen gedaan!

Joh. 3:29: Die de bruid heeft, is de Bruidegom, maar de vriend des Bruidegoms, die staat en Hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem des Bruidegoms. Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld geworden.

Want als dat geen zegen is.

Psalm 126 -15-: Over blijdschap gesproken

Over blijdschap gesproken
Tsja, in de oorgaande uitzending hebben we met elkaar nagedacht over het samenkomen van de HEERE, de Bruidegom en Zijn volk, de Bruid. En we hebben een inkijkje via Psalm 45 over dit bruiloftfeest gekregen. Een geweldig feest, de Bruiloft der bruiloften zeiden we.

Logisch tot dat de dichter van Psalm 126 zijn lied vervolgt met de tekst:
De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan,
daarom zijn wij verblijd.

“En wij zijn blij” (Hebreeuws: sameah). Het woord sameah betekent vervuld zijn met vreugde - uitbundig vreugdevol zijn. Dat was de natuurlijke reactie van Israël op het feit dat JHWH een einde maakte aan hun ballingschap. We lezen over deze blijdschap na de ballingschap van het volk uit Egypte waarvan we lezen over het lied van Mozes, waarbij het volk uitbundig was en danste voor de HEERE. We lezen daarvan in Exodus 15.

Maar eveneens was er sprake van grote vreugde na de ballingschap vanuit Babel die 50 jaar duurde. Om na al die jaren weer vrij te zijn en heerlijk vrij te zijn. Als ze weer thuis zijn, op vertrouwd terrein en een gevoel van verbondenheid met het land. Eindelijk thuis…

Maar zo is het ook nu wanneer de mensen Aliyah maken en in het Beloofde Land aankomen. Wat een vreugde en vaak tranen van blijdschap zien we dan al niet. Maar de vreugde zal ten volle zijn wanneer de Bruidigom Zich bij Zijn volk zal voegen.

Het zal sameach zijn, meer dan blijheid, meer dan vreugde zegt het Hebreeuwse woord eigenlijk. Sameach is afgeleid van de wortel simcha.

Waar we blij mee zijn - Het vervult onze ziel met vreugde. Als dit wordt begrepen van de terugkerende Hebreeën - die terugkomen uit de ballingschap in Babylon – zien we hoe passend de Hebreeuwse taal is.

Zo hebben we gezien hoe de woorden uit de eerste drie verzen van Psalm 126 van toepassing zijn in het licht van de historie van God met Zijn volk, maar eveneens zijn de woorden van toepassing gebleken op het heden en de nabije toekomst.

Maar er is ook nog een andere toepassing te maken vanuit het persoonlijk perspectief:
als het wordt toegepast op een zondaar die terugkeert naar God, is het niet minder waar, want er is niets dat de geest zo met vreugde vervult als een ware bekering tot God.

Zullen we gewoon eens een aantal situaties vanuit het Woord met elkaar in herinnering roepen die over de blijdschap en vreugde spreken wanneer en gevangene van de tegenstander in vrijheid wordt gesteld? Of met andere woorden wanneer een zondaar zich tot God bekeert?

Psalm 30 vers 12 en 13: U hebt voor mij mijn rouwklacht veranderd in een reidans, U hebt mijn rouwgewaad losgemaakt en mij met blijdschap omgord. Daarom zal mijn eer voor U psalmen zingen en niet zwijgen. HEERE, mijn God, voor eeuwig zal ik U loven.

Ps. 68:4: Maar de rechtvaardigen zullen zich verblijden, zij zullen van vreugde opspringen voor Gods aangezicht, en van blijdschap vrolijk zijn.

Matth. 13:44: Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk een schat, in den akker verborgen, welken een mens gevonden hebbende, verborg dien, en van blijdschap over denzelven gaat hij heen en verkoopt al wat hij heeft, en koopt dienzelven akker.

Handelingen 2: 37 En toen zij dit hoorden, werden zij diep in het hart geraakt en zeiden tegen Petrus en de andere apostelen: Hand. 16:30Wat moeten wij doen, mannenbroeders?
38En Petrus zei tegen hen: Bekeer u en laat ieder van u gedoopt worden in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving van de zonden; en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen.
39Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen die veraf zijn, zovelen als de Heere, onze God, ertoe roepen zal.
40En met veel meer andere woorden legde hij getuigenis af en spoorde hij hen aan met de woorden: Laat u behouden uit dit verkeerde geslacht!
41Zij nu die zijn woord met vreugde aannamen, werden gedoopt; en ongeveer drieduizend zielen werden er op die dag aan hen toegevoegd.

Luk. 15:7: Ik zeg u, dat er alzo blijdschap zal zijn in den hemel over één zondaar die zich bekeert, meer dan over negen en negentig rechtvaardigen, die de bekering niet van node hebben.

Luk. 15:10: Alzo (zeg Ik ulieden) is er blijdschap voor de engelen Gods over één zondaar die zich bekeert.

Hand. 8:39: En toen zij uit het water waren opgekomen, nam de Geest des Heeren Filippus weg, en de kamerling zag hem niet meer; want hij reisde zijn weg met blijdschap.

Gal. 5:22: Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid.

Ik weet niet of het u opgevallen is, maar er is niet uitsluitend sprake van vreugde en blijdschap bij hen die uit de ballingschap tot de vrijheid geroepen zijn, maar er is tevens sprake van blijdschap in de hemel, bij God en bij de engelen.

Luk. 15:7: Ik zeg u, dat er alzo blijdschap zal zijn in den hemel over één zondaar die zich bekeert, meer dan over negen en negentig rechtvaardigen, die de bekering niet van node hebben.

Als dat geen zegen is.

Vreugde, vreugde, louter vreugde
is bij U van eeuwigheid,
Schepper, die ‘t heelal verheugde,
bron van eeuwige vreugde zijt.
Gij, die woont in licht en luister,
drijft de schaduwen uiteen.
Hij, die zoekend doolt in ’t duister,
vindt het licht bij U alleen.

Wil ons van uw vreugde geven,
hef ons op tot U omhoog,
Gever van `t onsterf’lijk leven,
die tot ons U nederboog.

Dan gaan wij hier zingend voorwaarts,
onbevreesd in smart en pijn.
Laat ons Heer, door uwe liefde
eeuwig in uw vreugde zijn

Psalm 126 -16-: Over waterstromen gesproken

Over waterstromen gesproken
Tsja, in de oorgaande uitzendingen hebben we vele keren stil gestaan bij hen die aliyah maakteen en de vreugde en blijdschap die dat teeeg bracht. Hen die deze verlossing meemaakten waren als degenen die droomden.

Toen werd onze mond vervuld met lachen
en onze tong met gejuich.
Toen zei men onder de heidenvolken:
De HEERE heeft grote dingen bij hen gedaan!

De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan,
daarom zijn wij verblijd.

Maar dan in het vervolg is er sprake van een omkeer in de psalm en wordt er geproken over tranen. Wat krijgen we nou zeg. Hoe kan dat en wat is daarvan de oorzaak?

In vers vier wordt een gebed uitgesproken: HEERE, breng een omkeer in onze gevangenschap, zoals waterstromen in het zuiden.

Weet u wat er hier aan de hand is? Zij die teruggekeerd zijn, denken aan degenen die nog in gevangenschap zitten, want eerder zagen we al dat niet het gehele volk terugkeerde, maar dat dat maar steeds mondjes maat gepaard ging.

Het Hebreeuwse woord ‘sub  heeft een aantal betekenissen: Keren, terugkeren en herstellen zijn drie van de meest belangrijke. Terugkeer en herstel zijn verwant, omdat beide spreken van teruggaan naar een eerdere plaats of toestand. Dat is wat er gebeurde toen JHWH Kores inspireerde om de ballingen terug te laten keren naar Jeruzalem.

Ross zegt dat dit een gebed is dat JHWH de overgebleven gevangenen naar Jeruzalem zou terugbrengen.

Dit waren blijkbaar mensen die vrijwillig in Babylonië bleven in plaats van de ontberingen van een reis terug naar Jeruzalem, waarvan ze wisten dat het een verwoeste stad was, onder ogen te zien.

Maar het is ook mogelijk dat het een gebed is dat Jahweh Israël in zijn vroegere welvaart, vandaar dat de Hebreeuwse Bij bel het vertaald met fortuin zou herstellen.

De dichter denkt nu aan de vele ballingen die nog steeds onder de naties zijn verspreid, en bidt om een nieuwe manifestatie van Goddelijke gunst en macht.

Degenen die tot op heden zijn teruggekeerd, uit wiens hart deze psalm als het ware is gecomponeerd, zijn maar een kleine voorhoede ten opzichte van de hele natie.

Op andere plaatsen in de Bijbel lezen we dat Jeruzalem naar haar kinderen smacht, en JHWH plechtig verzekert: Sla uw ogen op, kijk om u heen en zie: zij allen verzamelen zich, komen naar u toe. Zo waar Ik leef, spreekt de HEERE, voorzeker, u zult zich met hen allen als met een sieraad tooien, u zult ze ombinden zoals een bruid doet. (Jesaja 49:18).

Op deze manier gaat de Psalmdichter van psalm 126 hier uit van het idee dat de heilige land hunkert naar een overvloedige, herlevende toestroom van bevolking, zoals de Negeb dorst naar de regenwaterstromen, die in het zomerseizoen verdwijnen en in het winterseizoen regelmatig terugkeren.

Tsja, in de tijd waarin wij leven, laten we voor het gemak de periode van 1948 tot nu toe in ogenschouw nemen, zien we steeds weer opnieuw mensen terugkeren naar het land. Groepen tegelijk aankomen en aliyah maken. Maar het land dat God voor ogen heeft is nog lang niet vol. Miljoenen en miljoenen mensen van Zijn volk moeten nog terugkeren naar het land. Het land dorst zoals de Negev naar waterstromen naar meer en meer mensen die terugkeren naar het land.

Ik weet niet of u wel eens in de Negev geweest bent, en dat doet er eigenlijk ook niet toe, maar in de woestijn zijn zogenaamde wadi’s die bij een regenbui vol stromen met water. En dat gaat heel verschrikkelijk snel. Sommigen mensen die kamperen wel in zo’n Wadi, maar dat is levensgevaarlijk, want wanneer het gaat regenen ontstaat er een waterstroom die totaal vernietigend kan zijn door de grote hoeveelheden water die zich in de wadi’s verzamelen.

Dat beeld gebruikt de dichter hier in Psalm 126.

Zo laten de stromen van de terugkerende mensen, die nu ten opzichte van de toekomst mondjesmaat is, in de nabije toekomst opzwellen door een toenemend aantal dat weer naar hun eigen land komt. Laten de stromen van terugkerende emigranten vol worden, als gezwollen stromen, totdat alles is teruggebracht.

Als dat geen zegen is.

Psalm 126 -17-: Over de zaaier gesproken

Over de zaaier gesproken
We zijn aangekomen bij het laatste gedeelte van deze psalm. Waar gesproken wordt over de Zaaier. Vertaald vanuit het Hebreeuws zouden we ook kunnen zeggen: Zij die zaaien met tranen, zullen oogsten met gejuich.

Dan zullen wij, die nu "met tranen zaaien" (Ezra 3:12, 13 ; Neb. 1:4), Israël in zijn eigen land herstellen te midden van verdriet, pijn en benauwdheid, "met vreugde oogsten". Zo was het in de tijd van Nehemia en Ezra. We hebben daar in eerdere afleveringen van deze Psalm over gelezen dat er bij de eerste ballingen die terugkeerden naar Israel veel sprake was van verdriet, pijn, moeite en benauwdheid, veelal veroorzaakt door de omringende heersers die de ballingen bij de herbouw van de tempel en het land bedreigden.

En we zien dat ook in de tijd waarin wij leven. Zij die Aliyah maken komen niet in een land waarin het bij wijze van spreken allemaal peace en free is. Ja, er is vrede, maar temidden van de vrede weten we dat er omringende landen zijn die de totale vernietiging van het volk op het oog hebben. Temidden van de relatieve vrede wordt Israel met regelmaat bestookt met bommen en granaten, aanslagen en moorden. Dat brengt verdriet, pijn en benauwdheid, te weeg.

Maar er is hoop want zo besluit de psalm: Hij die wenend naar buiten gaat, met zaad om te zaaien, zal zeker terugkomen met vreugde, zijn schoven dragend.

En zo zal het zijn. Want Hij met een hoofdletter die wenend naar buiten is gegaan en het zaad gezaaid heeft, zal zeker terugkomen met vreugde Zijn schoven dragend.

We lezen daar tientallen profetieen over en ik wil er een aantal met u doornemen:

1. Jeremia 23:7,8

Daarom zie, er komen dagen, spreekt de Heere, dat men niet meer zal zeggen: Zo waar de Heere leeft, Die de Israëlieten geleid heeft uit het land Egypte, maar: Zo waar de Heere leeft, Die het nageslacht van het huis van Israël geleid heeft en Die het gebracht heeft uit het land in het noorden en uit al de landen waarheen Ik hen verdreven had: zij zullen wonen in hun eigen land.

 

  1. Jeremia 31:7,8

Want zo zegt de Heere: Zing vrolijk over Jakob, met blijdschap! Juich om het hoofd van de heidenvolken! Laat het horen, prijs Hem en zeg: Verlos Uw volk, Heere, het overblijfsel van Israël. Zie, Ik doe hen komen uit het land van het noorden, Ik zal hen bijeenbrengen van de uithoeken van de aarde; onder hen zijn blinden en verlamden, zwangeren en barenden met elkaar: met een grote menigte zullen zij hierheen terugkomen.

 

  1. Deuteronomium 30:3

Dan zal de Heere, uw God, een omkeer brengen in uw gevangenschap en Zich over u ontfermen. Hij zal u weer bijeenbrengen uit al de volken waarheen de Heere, uw God, u verspreid had.

 

  1. Jesaja 11:12

Hij zal een banier omhoog heffen onder de heidenvolken en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen en hen die vanuit Juda overal verspreid zijn, bijeenbrengen van de vier hoeken van de aarde.

 

  1. Jesaja 43:5

Wees niet bevreesd, want Ik ben met u. Vanwaar de zon opkomt, zal Ik uw nageslacht halen en vanwaar zij ondergaat zal Ik u bijeenbrengen. Ik zal zeggen tegen het noorden: Geef! En tegen het zuiden: Weerhoud niet! Breng Mijn zonen van ver, en Mijn dochters van het einde der aarde.

 

  1. Zacharia 10:8

Ik zal hen naar Mij toe fluiten en hen bijeenbrengen, omdat Ik hen verlost heb, zodat zij talrijk worden, zo talrijk als zij waren.

 

  1. Jeremia 32:37-38,41

Zie, Ik ga hen bijeenbrengen uit al de landen waarheen Ik hen in Mijn toorn, in Mijn grimmigheid en in grote verbolgenheid verdreven zal hebben, en Ik zal hen terugbrengen naar deze plaats en hen onbezorgd doen wonen. Zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ík zal hun tot een God zijn. (…) Ik zal Mij over hen verblijden en hun goeddoen. En Ik zal hen in getrouwheid in dit land planten, met heel Mijn hart en met heel Mijn ziel.

 

  1. Zacharia 8:7,8

Zo zegt de Heere van de legermachten: Zie, Ik ga Mijn volk verlossen uit het land waar de zon opkomt en uit het land waar de zon ondergaat. Ik zal hen hierheen brengen, zij zullen midden in Jeruzalem wonen. Zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ík zal hun tot een God zijn, in waarheid en in gerechtigheid.

 

  1. Amos 9: 14,15

Ik zal een omkeer brengen in de gevangenschap van Mijn volk Israël. Zij zullen de verwoeste steden herbouwen en bewonen, zij zullen wijngaarden planten en de wijn ervan drinken, zij zullen tuinen aanleggen en de vrucht ervan eten. Ik zal hen in hun land planten, en zij zullen nooit meer weggerukt worden uit hun land, dat Ik aan hen gegeven heb, zegt de Heere, uw God.

 

  1. Ezechiël 37:11-14

Toen zei Hij tegen mij: Mensenkind, deze beenderen zijn heel het huis van Israël. Zie, ze zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vergaan, wij zijn afgesneden! Profeteer daarom, en zeg tegen hen: Zo zegt de Heere Heere: Zie, Ik zal uw graven openen en Ik zal u uit uw graven doen oprijzen, Mijn volk, en Ik zal u brengen in het land van Israël. Dan zult u weten dat Ik de Heere ben, als Ik uw graven open en als Ik u uit uw graven doe oprijzen, Mijn volk. Ik zal Mijn Geest in u geven, u zult tot leven komen en Ik zal u in uw land zetten. Dan zult u weten dat Ík, de Heere, dit gesproken en gedaan heb, spreekt de Heere.

Als dat geen zegen is.