Psalm 133 -1-

Psalm 133 -2-

Psalm 133 -3-

Psalm 133 -4-

Psalm 133 -5-

Psalm 133 -6-

Psalm 133 -7-

Psalm 133 -8-

Psalm 133 -9-

Psalm 133 -10-

Psalm 133 -11-

Psalm 133 -12-

Psalm 133 -13-

Psalm 133 -14-

Psalm 133 -15-

Psalm 133: Tekst Herziene Staten Vertaling

Broederlijke liefde

1 Een pelgrimslied, van David.
Zie, hoe goed en hoe lieflijk is het
dat broeders ook eensgezind samenwonen.

2 Het is als de kostelijke olie op het hoofd,
die neerdaalt op de baard, de baard van Aäron,
die neerdaalt op de zoom van zijn priesterkleed.

3 Het is als de dauw van de Hermon
die neerdaalt op de bergen van Sion.
Want daar gebiedt de HEERE de zegen
en het leven tot in eeuwigheid.

Psalm 133 -1-: Over broederlijke liefde gesproken -1-

Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 133 -1-' om te luisteren.

Over broederlijke liefde gesproken -1-

Met deze psalm zijn we aan het laatste pelgrimslied gekomen. Een pelgrimslied van David, de Geliefde zo hebben we met elkaar gelezen. Gezongen op weg naar Jerusjalajim. En wat een rust, vrede en liefde spreekt er uit dit lied. Op het einde van de lange, lange pelgrimsreis.

Psalm 132 gaat over de gezalfde Koning. Psalm 133 gaat over de gezalfde Hogepriester en over het eensgezind samenwonen van een volk dat nu nog over de aarde verstrooid is. Ook in de dagen die wij beleven in de 21e eeuw. Nog steeds. Vertrooid onder de volken. Er zijn er al die thuis gekomen zijn, en nog steeds thuis komen, maar toch…

De psalm is daarom een profetisch vergezicht. Tegelijk zijn er belangrijke lessen voor ons, die leven in een tijd van grote verdeeldheid en verwarring, in aanwezig.

Maar er is nog steeds sprake van het tweestammenrijk en het tienstammenrijk. Om die vijandschap definitief tot een einde te brengen, krijgt het volk een nieuw hart, waardoor de wet in hun harten is geschreven.

Daardoor hebben zij de Aanwezige lief gekregen en gaan ze ook hun naaste liefhebben. Daarover hebben de profeten ook gesproken. Een van de tekstgedeelten dat daarover spreekt vinden we in Ezechiël 37 vers 15 tot en met 28:

15 Het woord van de HEERE kwam tot mij:

16 En u, mensenkind, neem een stuk hout voor uzelf en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de Israëlieten, zijn metgezellen. Neem dan een ander stuk hout en schrijf daarop: Voor Jozef, het stuk hout van Efraïm, en van heel het huis van Israël, zijn metgezellen.

17 Breng ze dan bij elkaar, het ene bij het andere, tot één stuk hout, zodat ze in uw hand één worden.

18 Als dan uw volksgenoten tegen u zeggen: Wilt u ons niet vertellen wat deze dingen voor u betekenen?

19 Spreek dan tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal het stuk hout van Jozef nemen, dat zich in de hand van Efraïm bevindt, en van de stammen van Israël, zijn metgezellen, en Ik zal het bij het stuk hout van Juda voegen, en Ik zal ze tot één stuk hout maken. Ze zullen in Mijn hand één worden.

20 Die stukken hout, die u beschreven hebt, moeten voor hun ogen in uw hand zijn.

21 En spreek tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga de Israëlieten nemen uit de heidenvolken waarheen zij gegaan zijn. Ik zal hen van rondom bijeenbrengen en hen naar hun land brengen.

22 Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen van Israël. Zij zullen allen Joh. 10:16één Koning als koning hebben. Zij zullen niet langer als twee volken zijn, en niet langer nog in twee koninkrijken verdeeld zijn.

23 Dan zullen zij zich niet meer verontreinigen met hun stinkgoden en met hun afschuwelijke afgoden en met al hun overtredingen. Ik zal hen verlossen in al hun woongebieden, waar zij gezondigd hebben, en Ik zal hen reinigen. Dan zullen zij een volk voor Mij zijn en Ík zal een God voor hen zijn.

24 En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn. Voor hen allen zal er één Herder zijn. Zij zullen in Mijn bepalingen wandelen en Mijn verordeningen in acht nemen en die houden.

25 Zij zullen wonen in het land dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob, gegeven heb, waarin uw vaderen gewoond hebben. Zij zullen daarin wonen, zij met hun kinderen en hun kleinkinderen, tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal tot in eeuwigheid hun Vorst zijn.

26Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten. Het zal een eeuwig verbond met hen zijn, Ik zal hun een plaats geven en hen talrijk maken, en Ik zal Mijn 2 Kor. 6:16heiligdom in hun midden zetten tot in eeuwigheid.

27Mijn tabernakel zal bij hen zijn, Ik zal een God voor hen zijn en zíj zullen een volk voor Mij zijn.

28Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, Die Israël heiligt, wanneer Mijn heiligdom voor eeuwig in hun midden zal zijn.

Maar we lezen hier ook over in Jesaja 11 vers 13b en Hosea 1  vers 11:
Dan zullen de Judeeërs bijeengebracht worden samen met de Israëlieten. Zij zullen voor zich één Hoofd aanstellen en uit het land oprukken; want groot zal de dag van Jizreël zijn. Zeg tegen uw broeders: Ammi,en tegen uw zusters: Ruchama.

Deze profetieën zijn nog niet vervuld, maar dat zal gebeuren, wanneer de Messias Koning is over Zijn volk.

Het zal gebeuren wanneer de Geest van God als zalfolie over hen zal komen (vers 2), net zoals de zegen van de HEERE als de dauw van de Hermon over Sion komt (vers 3).

De structuur van de psalm is een piramide chiasma of kruising, waarin de nadruk op het hogepriesterschap (C) valt:

A We Lezen over Zegen (vers 1)

---B Over de vergelijking (met olie) (vers 2a)

------C Hogepriesterschap (vers 2b-c)

---B Over de Vergelijking (met dauw) (vers 3a)

A Over de Zegen (vers 3b)

Al met al een zegenrijke psalm dus die we in de volgende uitzendingen verder zullen onderzoeken.


Psalm 133 -2-: Over broederlijke liefde gesproken -2-

Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 133 -2-' om te luisteren.

Over broederlijke liefde gesproken -2-

Van dit “pelgrimslied”, het veertiende, wordt de dichter weer vermeld: het is “David” (vers 1a). In de vorige psalm is de ark, het middelpunt van de dienst aan God, naar Gods woonplaats in Jeruzalem gebracht. Nu ziet David profetisch alle twaalf stammen in verbinding met die plaats in het hele land samenwonen. Hij wijst er met een “zie” op en roept vol verrukking uit: “Hoe goed en hoe lieflijk is het dat broeders ook eensgezind samenwonen” (vers 1b). De vervulling hiervan wordt door Ezechiël beschreven, wanneer de Aanwezige een verbond van vrede met heel het volk, alle twaalf stammen, zal sluiten. We lazen daar in de voorgaande uitzending over uit Ezechiel 37.

Hier kunnen we denken aan het samenwonen van alle Israëlieten in loofhutten gedurende het Loofhuttenfeest. Het is “goed” om eensgezind samen te wonen, het is een goede zaak en ook gepast om bij elkaar te zijn. Het is ook goed in het oog van God.

Het is tevens “lieflijk”, weldadig aantrekkelijk, het geeft vreugde om eensgezind samen te wonen met hen die vreugde beleven aan het zijn in de tegenwoordigheid van God. Het is de beschrijving van een gevoel dat we krijgen als we iets moois zien of horen.

Het woord ‘hoe’ dat eraan voorafgaat, geeft aan dat het bijzonder goed en lieflijk is. Het woord ‘ook’ onderstreept het bijzondere van het samenwonen. Broeders horen samen, ze vormen samen een familie. Daaraan moeten ze uiting geven door samen te komen, en “ook” door samen te “wonen”.

“Eensgezind” is letterlijk ‘als verenigd’, ‘als eenheid’. Dat kan alleen als er een middelpunt is van hun samenwonen. Zo is de Heere Jezus, de Messias gekomen om het middelpunt van Israël te zijn. Maar helaas, en we zeggen het met droefheid in ons hart, zij weigerden zich door Hem te laten bijeen verzamelen. Mattheüs 23:37 Jeruzalem, Jeruzalem, u die de profeten doodt en stenigt wie naar u toe gezonden zijn! Hoe vaak heb Ik uw kinderen bijeen willen brengen, op de wijze waarop een hen haar kuikens bijeenbrengt onder haar vleugels; maar u hebt niet gewild!
Maar er zal een andere tijd aanbreken binnenkort. Wanneer zij wedergeboren zijn, een nieuw hart hebben gekregen, gaan zij wel gebroederlijk als bijeen verzamelden naar de Aanwezige toe. We lezen daarvan in Jeremia 31 vers 33:

Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de Aanwezige: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn.

We zien daarvan een type wanneer Hizkia heel Israël, alle twaalf stammen, uitnodigt om gezamenlijk het Pascha te vieren. 2 Kronieken 30:5 Zo stelden zij vast dat men door heel Israël, van Berseba tot Dan, een oproep zou laten uitgaan dat zij moesten komen om in Jeruzalem het Pascha te houden voor de HEERE, de God van Israël, want zij hadden het lange tijd niet gehouden zoals het voorgeschreven was.

Voor de gelovigen van nu geldt hetzelfde. Vroeger gingen ook wij als zondaars ieder een eigen weg. We waren hatelijk en elkaar hatend. Dat klink misschien een beetje cru, maar Gods Woord is daar duidelijk over in Titus 3 vers 3. En ik lees voor het verband er een paar verzen omheen:

Herinner (dat zijn de gelovigen die hier aangesproken worden) hen eraan dat zij de overheden en machten onderdanig behoren te zijn, dat zij hun gehoorzaam zijn en dat zij tot elk goed werk bereid zijn,

dat zij niemand belasteren, niet strijdlustig zijn maar welwillend, en alle zachtmoedigheid bewijzen aan alle mensen.

Want ook wij waren voorheen onverstandig, ongehoorzaam, dwalend, verslaafd aan allerlei begeerten en hartstochten, levend in slechtheid en afgunst, hatelijk en elkaar hatend.

Maar toen de goedertierenheid van God, onze Zaligmaker, en Zijn liefde tot de mensen verschenen is,

maakte Hij ons zalig, niet op grond van de werken van rechtvaardigheid die wij gedaan hadden, maar vanwege Zijn barmhartigheid, door het bad van de wedergeboorte en de vernieuwing door de Heilige Geest.

Die heeft Hij in rijke mate over ons uitgegoten door Jezus Christus, onze Zaligmaker,

opdat wij, gerechtvaardigd door Zijn genade, erfgenamen zouden worden, overeenkomstig de hoop van het eeuwige leven.

8Dit is een betrouwbaar woord en ik wil dat u deze dingen sterk benadrukt, opdat zij die in God geloven, ervoor zorgen dat zij anderen voorgaan in het doen van goede werken. Deze dingen zijn goed en nuttig voor de mensen.

Als dat geen zegen is.

Psalm 133 -3-: Over eenheid in de Messias gesproken

Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 133 -3-' om te luisteren.

Over eenheid in de Messias gesproken

Ik wil nog even met u terug maar de oorsprong, het ontstaan van de Psalm
Psalm 133 is een van de vijftien Songs of Ascents ( Shir Ha-ma'alot ), en een van de drie Songs of Ascents bestaande uit slechts drie verzen (131; 134). Het is niet bekend wanneer David deze psalm schreef, maar sommigen suggereren dat het werd geschreven ter gelegenheid van zijn zalving als koning ter viering van de eenwording van het volk onder zijn regering.

We lezen daarvan in 2 Samuel 5 waarin we de eenheid van het volk van God lezen in de geschiedenis, maar door de woorden ook de profetische woorden horen van de dagen die komen gaan wanneer de Messias, de meerdere David, de Geliefde met een hoofdletter Koning zal zijn over alle broeders van Israel. Luister maar:

1 Toen kwamen alle stammen van Israël naar David in Hebron en zeiden: Zie, wij zijn uw beenderen en uw vlees.

2 Al eerder, Letterlijk: zowel gisteren als eergisteren. toen Saul koning over ons was, was ú het die Israël liet uitgaan en ingaan. Ook heeft de HEERE tegen u gezegd: Ú zult Mijn volk Israël weiden en ú zult tot vorst zijn over Israël.

3 Zo kwamen alle oudsten van Israël bij de koning in Hebron. En koning David sloot met hen in Hebron een verbond voor het aangezicht van de HEERE, en zij zalfden David tot koning over Israël.

Mooie geschiedenis, toch? Maar wat is het geweldig wanneer we deze woorden ook profetisch mogen zien. Wat een rijkdom, alleen al in het eerste vers: Toen kwamen alle stammen van Israël naar David in Hebron en zeiden: Zie, wij zijn uw beenderen en uw vlees! Wat een geweldige en zegenrijke tijd en getuigenis zal dat zijn, voor Israel en de wereld!

Maar we moeten verder. Anderen suggereren dat Psalm 133 werd geschreven na de het onderdrukken van Absaloms opstand, toen de stammen van Israël streden om de eer om David terug te brengen naar zijn rechtmatige plaats in Jeruzalem (2 Sam. 19:9).

We lezen er van in 2 Samuel 19 vers 9:

Intussen was Israël gevlucht, ieder naar zijn tenten.

9 En onder heel het volk, alle stammen van Israël, was er tweedracht. Men zei: De koning heeft ons gered uit de hand van onze vijanden en hij heeft ons bevrijd uit de hand van de Filistijnen, en nu is hij het land uit gevlucht voor Absalom!

10 En Absalom, die wij tot koning over ons gezalfd hadden, is in de strijd gestorven. Nu dan, waarom laat u na om de koning terug te halen?

11Toen stuurde koning David de priesters Zadok en Abjathar een bode om te zeggen: Spreek tot de oudsten van Juda: Waarom zou u de laatsten zijn om de koning terug te halen naar zijn huis? (De woorden van heel Israël hadden namelijk de koning bereikt in zijn huis.)

12U bent mijn broeders, u bent mijn beenderen en mijn vlees; waarom zou u dan de laatsten zijn om de koning terug te halen?

13En tegen Amasa moet u zeggen: Bent u niet mijn beenderen en mijn vlees? God mag zó en nog veel erger met mij doen, als u niet alle dagen voor mij legerbevelhebber zult zijn in plaats van Joab.

14Zo won hij het hart van alle mannen van Juda als één man, en zij stuurden een bode naar de koning om te zeggen: Keer terug, u en al uw dienaren.

15Toen keerde de koning terug en kwam bij de Jordaan. En Juda was naar Gilgal gekomen om de koning tegemoet te gaan, om de koning de Jordaan te helpen oversteken.

Ook in deze geschiedenis wordt de eenheid van het volk en haar koning, David beschreven en treffend vergeleken met dezelfde woorden uit 2 Samuel 2 wat we zojuist gelezen hebben:

U bent mijn broeders, u bent mijn beenderen en mijn vlees

Weer anderen maken een meer algemene veronderstelling dat David de Psalm schreef terwijl hij zag hoe Israël bijeenkwam voor een van de Regaliym/Aliyot, een van de Feesten zoals bijvoorbeeld Pesach, Yom Kippur, Soekot.

Sommige Joodse commentatoren zien deze psalm als profetisch over de tijden van de Messias in de toekomst, en beschouwen het als een voorspelling van de vrede die zal bestaan tussen de Koning Messias en de Hogepriester van Israël. Daarover willen we de volgende keer met elkaar nadenken.

Psalm 133 -4-: Over priesterschap gesproken -1-

Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 133 -4-' om te luisteren.

Over priesterschap gesproken -1-
De voorgaande keer sloten we af met de woorden: Sommige Joodse commentatoren zien deze psalm als profetisch over de tijden van de Messias in de toekomst, en beschouwen het als een voorspelling van de vrede die zal bestaan tussen de Koning Messias en de Hogepriester van Israël.

Dit komt overeen met de typering van Jozua  zoals we lezen in Zacharia 6:11-13:

Neem zilver en goud en maak kronen, en zet die op het hoofd van de hogepriester Jozua, de zoon van Jozadak,
en zeg tegen hem: Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Zie, een Man – Zijn Naam is SPRUIT –
zal uit Zijn plaats opkomen,
en Hij zal de tempel van de HEERE bouwen.

13Ja, Híj zal de tempel van de HEERE bouwen,
Híj zal met majesteit bekleed zijn,
Hij zal zitten en heersen op Zijn troon.
Hij zal Priester zijn op Zijn troon;
tussen die Beiden zal vredesberaad plaatsvinden.

In feite verenigde Yeshua het koningschap en het priesterschap van Israël door zijn doop, zijn dood en opstanding. Hij heiligde hij het Koningschap en Priesterschap met het al bestaande priesterschap vergelijkbaar met de orde van Malkiy-Tzedek (Mijn Koning der Gerechtigheid): een volmaakt priesterschap (Hebreeën 7) dat functioneert om allen die geloven met de Vader te verzoenen, waardoor zowel Jood als heiden echt samen blijven in een eeuwigdurende verbintenis, verkregen door het bloed van de volmaakte plaatsvervanger van de Messias offer.

We haalden zojuist Hebreeën 7 aan waarin we lezen over Christus, de Messias en Melchizedek.  En omdat Psalm 133 eveneens spreekt over het Priesterschap dat uiteindelijk duid op de Messias is het zo mooi om in dit verband Hebreen 7 met elkaar te lezen zodat onze gedachten gericht worden op het Priesterschap van de Messias.

1 Deze Melchizedek was namelijk koning van Salem, een priester van de allerhoogste God. Hij ging Abraham tegemoet, toen die terugkeerde na het verslaan van de koningen, en zegende hem.

2Aan hem gaf Abraham ook van alles het tiende deel. In de eerste plaats was hij – aldus de vertaling van zijn naam – koning van de gerechtigheid en verder was hij ook koning van Salem, dat is koning van de vrede.

3Zonder vader, zonder moeder, zonder stamboom kent hij geen begin van dagen en ook geen levenseinde, maar aan de Zoon van God gelijkgemaakt, blijft hij in eeuwigheid priester.

4Merk nu op hoe groot hij geweest is, iemand aan wie de aartsvader Abraham zelfs een tiende deel van de buit gegeven heeft.

5Diegenen uit de zonen van Levi die het priesterschap ontvangen, hebben wel volgens de wet de opdracht om tienden te nemen van het volk, dat is van hun broeders, hoewel die ook uit het lichaam  Letterlijk: lendenen; van Abraham voortgekomen zijn.

6Hij echter, die niet van hen afstamt, heeft van Abraham tienden genomen, en hij heeft hem gezegend die de beloften gekregen had.

7Nu is het ontegenzeglijk zo dat wat minder is, gezegend wordt door wat meer is.

8En hier nemen sterfelijke mensen tienden, maar daar nam iemand ze van wie getuigd wordt dat hij leeft.

9En – om zo te zeggen – ook Levi, die tienden neemt, heeft door Abraham tienden gegeven.

10Want hij was nog in het lichaam van zijn vader, toen Melchizedek hem tegemoet ging.

11Als dan door het Levitische priesterschap de volmaaktheid bereikt had kunnen worden – want onder dit priesterschap had het volk de wet ontvangen – waarom was het dan nog nodig dat er een andere Priester naar de ordening van Melchizedek zou opstaan, Eén van Wie niet gezegd kan worden dat Hij naar de ordening van Aäron was?

12Als het priesterschap verandert, vindt er immers ook noodzakelijkerwijs een verandering van de wet plaats.

13Want Hij van Wie deze dingen gezegd worden, behoort tot een andere stam, waarvan niemand zich ooit tot de altaardienst begeven heeft.

14Het is immers overduidelijk dat onze Heere van Juda afstamt, over welke stam Mozes niets gezegd heeft in verband met het priesterschap.
15En dit wordt nog veel duidelijker, als er naar het evenbeeld van Melchizedek een andere Priester opstaat,

16Die dat niet geworden is op grond van een wettelijk voorgeschreven afstamming wettelijk Letterlijk: wet van het vleselijk gebod. maar uit kracht van onvergankelijk leven.

17Hij getuigt immers: Ps. 110:4; bent Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek.

18Want de terzijdestelling van het voorgaande gebod vindt plaats vanwege zijn zwakheid en nutteloosheid.

19De wet heeft namelijk niets tot volmaaktheid gebracht, maar de totstandbrenging van een betere hoop, waardoor wij tot God naderen, doet dat wel.

20En in zoverre Hij geen Priester is geworden zonder het zweren van een eed – want zij zijn wel zonder het zweren van een eed priester geworden,

21maar Hij is het geworden met het zweren van een eed door God, Die tegen Hem gezegd heeft: Ps. 110:4 De Heere heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen: U bent Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek –

22in zoverre is Jezus Borg geworden van een zoveel beter verbond.

23En zij zijn wel in groten getale priester geworden, omdat zij door de dood verhinderd werden altijd te blijven,

24maar Hij, omdat Hij blijft tot in eeuwigheid, heeft een Priesterschap dat niet op anderen overgaat.

25Daarom kan Hij ook volkomen zalig maken wie door Hem tot God gaan, omdat Hij altijd leeft om voor hen te pleiten.

26Want zo'n Hogepriester hadden wij nodig: heilig, onschuldig, onbesmet, afgescheiden van de zondaars en boven de hemelen verheven.

27Hij heeft het niet nodig, zoals de hogepriesters, elke dag eerst voor zijn eigen zonden slachtoffers te brengen en pas daarna voor die van het volk. Want dat heeft Hij eens en voor altijd gedaan, toen Hij Zichzelf offerde.

28Want de wet stelt mensen, die met zwakheid behept zijn, aan als hogepriester. Maar het woord van de eed die na de wet gezworen is, stelt de Zoon aan, Die tot in eeuwigheid volmaakt is.

Als dat geen zegen is

Psalm 133 -5-: Over priesterschap gesproken -2-

Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 133 -5-' om te luisteren.

Over priesterschap gesproken -2-
De twee figuren van de olie die langs Aärons baard stroomt en de dauw op de berg Hermon geven een gevoel van een buitengewone zegen en de kracht van Gods uitverkoren volk Israël weer.

Deze Hebreeuwse woorden duiden een stevig verankerde toekomst voor het Joodse volk aan, in feite onthullen en vestigen ze in de context van deze psalm de eeuwigheid. De beeldtaal is meer dan vergelijking, het is bijzonder vanwege deze gelijkenissen dat broers en zussen samenwonen in eendracht.

Er zijn veel zogenoemde zijkamers in deze psalm die ons naar een dieper begrip leiden.
Elk beeld dat in de woorden van de Psalm wordt gebruikt brengt het bijzondere van God tot leven. En dat terwijl Hij een beeld van eenheid weeft dat zelfs onze grootste pogingen om eenheid tot stand te brengen te boven gaat.

Want hoe kunnen we de woorden werkelijk doorgronden wanneer we de woorden lezen:

Zie, hoe goed en hoe lieflijk is het
dat broeders ook eensgezind samenwonen.

2 Het is als de kostelijke olie op het hoofd,
die neerdaalt op de baard, de baard van Aäron,
die neerdaalt op de zoom van zijn priesterkleed.

3 Het is als de dauw van de Hermon
die neerdaalt op de bergen van Sion.

De Hebreeuwse poëtische woorden versterken de kracht en zekerheid van de profetische woorden.
Zij herinneren ons opnieuw aan de eeuwige waarde van de beloften die door God bij wijze van spreken zijn gezaaid door de mond van Zijn dienaar David, koning van Israël, geliefd door God.

Zoals in heel veel psalmen, kunnen stappen van de komende Messias worden gehoord.

Wanneer we nu weer twrug gaan naar de inhoudelijke kant van de Psalm lezen we in het Hebreeuws in vers 1

Shir ha-ma'alot        dat wat omhoog gaat, dat wat in je opkomt,  trappen, stijgingen;
David                     geliefde van God).   
Hineih                    Zie, let nu op,
mah                       hoe (wat)
tov                        goed
umah-nayim            en hoe (wat) verrukkelijk, aangenaam(heid), lieflijkheid(heid) het is, shevet                        zitten, wonen, blijven, blijven
achiym                   broeders en zusters
gam -yachad            nogmaals, ook, verenigd, in eenheid, gelijk, als één!

Een andere manier om dit te lezen zou zijn: Een lied over de opkomst van David: Kijk nu, wat is dit goed en wat is dit lieflijk; het zijn broeders en zusters die ook in eenheid bij elkaar zitten. de broeders en zusters niet alleen dicht bij elkaar zitten, maar dat ze zitten en verenigd zijn.

De komende tijd willen w de tekst van de Psalm bij wijze van spreken op de voet volgen om op die manier bij wijze van spreken een poging te doen wat de diepe en rijke betekenis is van de woorden van deze rijke psalm.

We hebben zojuist de openingszin met elkaar gelezen in het Hebreeuws:

Shir ha-ma'alot David Hineih          mah tov umah-nayim  shevet achiym gam -yachad

De Psalm opent met de woorden Shir ha-ma'alot: Dat van dat wat omhoog gaat, dat wat in je opkomt, toegeschreven aan David.

De openingszin kan, zeggen de Joodse geleerden, op meer manieren worden opgevat, zowel geestelijk als letterlijk. De geestelijke uiteg zou dan volgns de Joodse tradietie alsvolgt zijn: Een lied over de gedachten (bv. 'opwaarts' denken naar de dingen van God). Misschien is het geestelijk denken te illustreren met de woorden uit 1 Korinthe 2 vers 13, waar we lezen: Dewelke wij ook spreken, niet met woorden die de menselijke wijsheid leert, maar met woorden die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende.

Een lied gezongen door degenen die opklimmen, in verlossende of geestelijke zin, geschreven door David.

En de letterlijk invulling zou dan volgens de Joodse uitleg luiden: Een lied gesproken toen iemand (een priester) letterlijk de trap opliep naar de tempel in Jeruzalem, voor die gelegenheid geschreven en aangesteld door koning David.

We kunnen volgens dezelfde Joodse uitleg in eigen woorden vertalen voor iedereen die gelooft:
We hebben allemaal een lied dat we aan de Vader opdragen, een lied dat in ons opkomt als we in geestelijk opzicht worden opgetrokken door het verlossende werk van de Koning Messias, een lied dat getuigt van Zijn liefde, bezongen door de geliefde van God.

Echter, de tekst verwijst naar de beklimming van de Tempelberg in Jeruzalem, in het land Israël en in relatie tot het Joodse volk.

Als dat geen zegen is.

Psalm 133 -6-: Over priesterschap gesproken -3-

Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 133 -6-' om te luisteren.

Over priesterschap gesproken -3-
De woorden uit deze psalm zijn "van koning David", een van de meest invloedrijke en profetische koningen uit de geschiedenis van Israël, en degene uit wie de Messias zou voortkomen naar het vlees gerekend.

Het lied Hineh, mah tov, kennen velen wel. Maar het is meer dan een populair Israëlisch lied, deze 133e psalm. Ik was eens in een dienst waar het lied eveneens gezongen werd en het lied ligt best wel lekker in het gehoor om zo te zeggen. Aan het eind van het lied stond een broeder op die de vraag stelde wat we nu eigenlijk gezongen hadden. Waarna hij in het kort de woorden van de psalm vertaalde naar het Nederlands vanuit de Herziene Staten Vertaling.

Maar misschien is er wel meer over de Psalm te zeggen wanneer we de woorden eens goed vanuit het Hebreeuws proberen te vertalen. En we maken daarbij in de komende tijd gebruik van een Joods Messiaanse uitleg.

Om te beginnen kunnen we het eerste vers, zoals we ook de voorgaande uitzending gezien hebben als volgt vertalen:
Hineih           Zie, let nu op,
mah             hoe (wat)
tov               goede
umah-nayim   en hoe (wat) verrukkelijk, aangenaam(heid), lieflijkheid(heid) het is,
shevet          zitten, wonen, blijven,
achiym          broeders en zusters nogmaals
gam-yachad   ook - verenigd, in eenheid, gelijk, als één!

De meeste vertalingen vertalen het ‘mah’ metg ‘hoe’, maar zo zeggen de Joden, het is beter om te vertalen met ‘wat’.

Daarom leest de Jood dit vers liever zo:

 

Wauw, kijk, let op, wat is dit voor goedheid en genot? Broeders en zusters, die in eenheid blijvend bij elkaar zijn, zitten en wonen.

Of met andere woorden vertaald de Jood: Wat is dit ongelooflijk mooie en echt onmogelijke ding dat ik zie? Echte goddelijke eenheid tussen broeders en zusters.

We horen als het ware in deze woorden het enthousiasme van koning David, en daarbovenuit de woorden van de Messias over het samen een zijn van de broeders en zusters.

De nadruk van de woorden is niet het simpelweg wonen van broeders en zusters is goed en aangenaam, maar dat zowel wonen als eenheid is goed en aangenaam. De woorden van de psalm benadrukken dat Goddelijke eenheid de vrucht is van Gods Geest, die uitgedrukt wordt in de olie die in ruime mate over wordt uitgegoten en die de vrucht van eenheid voortbrengt.

Maar let op: Eenheid is mooi, niet het uiteindelijke doel. De Messias, Christus is het doel en eenheid is de vrucht van de Messias, van Christus, door het werk van de Heilige Geest. Dit geestelijke principe dat op alle gelovigen kan worden toegepast, in de eerste plaats specifiek profetisch voor Israëls toekomst. Zoals we uit de laatste verzen zien, is de zegen die daaruit vloeit voor een specifiek volk in een specifiek land: Israel. Alle twaalf stammen bij elkaar. Geen verdeeldheid meer. Geen twee- en tien stammenrijk meer, maar het gein is weer bij elkaar onder de regering van de Messias.

Helaas moeten we constateren dat die eenheid in het huidige Israel ver te zoeken is. Alleen al wanneer we zien op de politieke situatie in Israel die uiterst verdeeld is. Maar eenmaal zullen alle muren geslecht worden.

Maat laten we bij wijze van spreken maar dicht bijhuis blijven. Ook in eigen land is in politiek opzicht sprake van een enorme versplintering en neemt polarisatie hand over hand toe, niet in het minst door de mensen die ons vertegenwoordigen in de Tweede kamer.

Maar laten we als gelovigen maar niet te veel met de vinger wijzen naar anderen, want ook onder de gelovigen is sprake van een ontstellende verdeeldheid. Hoeveel kerkverbanden, gemeenten, al of niet Messiaans, zijn er al niet alleen in ons kleine Nederland. En wanneer we er niet voor bewaard worden roepen we allemaal: Des Heeren tempel, des Heeren tempel is hier. Met alle respect gesproken, maar alleen al in Nederland is het aantal filialen waar gelovigen elkaar ontmoeten schier ontelbaar.

Een dan nog, ook binnen kerkverbanden en gemeenten is te vaak sprake van elkaar tolereren in plaats van echte goddelijke eenheid tussen broeders en zusters zoals Psalm 133 die bij wijze van spreken uitademt.

Hoewel er heel veel goedbedoelde pogingen worden ondernomen om samen op te trekken zal ook binnen kerken en gemeente pas werkelijke eenheid zijn wanneer de Messias Zijn rijk van vrede op deze aarde zal vestigen.

Waarom vinden we het als gelovigen zo moeilijk om elkaar minimaal te accepteren om maar niet te spreken over het waarderen van elkaar?  Waarom bestrijden we elkaar veel te veel, in plaats van dat we elkaar versterken in het geloof? Waarom zoveel strijd binnen en buiten kerkverbanden? Waarom willen we zo graag dat andere precies hetzelfde denken als wij op geloofsgebied, in plaats dat we elkaar versterken en waarderen om de verschillen? Zijn we daarmee, als we heel eerlijk zijn, niet bezig om onze eigen toren van Babel op te richten? Allemaal dezelfde taal spreken en samen een toren bouwen tot in de hemel?

Maar we weten allemaal hoe het afgelopen is met dat eenheidsstreven in Babel:

Genesis 11:1 Heel de aarde had één taal en eendere woorden.

2 En het gebeurde, toen zij naar het oosten trokken, dat zij een vlakte in het land Gen. Sinear vonden. Daar gingen zij wonen.

3 En zij zeiden allen tegen elkaar: Kom, laten wij kleiblokken maken en die goed bakken! En de kleiblokken dienden hun tot steen en het asfalt diende hun tot leem.

4 En zij zeiden: Kom, laten wij voor ons een stad bouwen, en een toren waarvan de top in de hemel reikt, en laten we voor ons een naam maken, anders worden wij over heel de aarde verspreid!

5 Toen daalde de HEERE neer om de stad en de toren te zien die de mensenkinderen aan het bouwen waren,

6 en de HEERE zei: Zie, zij vormen één volk en hebben allen één taal. Dit is het begin van wat zij gaan doen, en nu zal niets van wat zij zich voornemen te doen, voor hen onmogelijk zijn.

7 Kom, laten Wij neerdalen en laten Wij hun taal daar verwarren, zodat zij geen van allen elkaars taal zullen begrijpen.

8 Zo verspreidde de HEERE hen vandaar over heel de aarde, en zij hielden op met het bouwen van de stad.

9Daarom gaf men haar de naam Babel want daar verwarde de HEERE de taal van heel de aarde, en vandaar verspreidde de HEERE hen over heel de aarde.

Kijk, de mens zoekt naar eenheid, maar de Aanwezige zoekt naar eenheid in verscheidenheid. 1 Korinthe 12 is daar heel duidelijk over.

Want zoals het lichaam één is en veel leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, hoewel het er veel zijn, één lichaam zijn, zo is het ook met Christus.

13Ook wij allen immers zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, Gal. 3:28hetzij dat wij Joden zijn, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen; en wij allen zijn van één Geest doordrenkt.

14Want ook het lichaam bestaat niet uit één lid, maar uit vele.

15Als de voet zou zeggen: Omdat ik geen hand ben, ben ik niet van het lichaam, is hij daarom dan niet van het lichaam?

16En als het oor zou zeggen: Omdat ik geen oog ben, ben ik niet van het lichaam, is het daarom dan niet van het lichaam?

17Als het hele lichaam oog was, waar zou het gehoor zijn? Als het hele lichaam gehoor was, waar zou de reuk zijn?

18Maar nu heeft God de leden, elk van hen afzonderlijk, in het lichaam een plaats gegeven zoals Hij gewild heeft.

19Als zij alle één lid waren, waar zou het lichaam zijn?

20Nu echter zijn er wel veel leden, maar is er slechts één lichaam.

21 En het oog kan niet zeggen tegen de hand: Ik heb je niet nodig, of vervolgens het hoofd tegen de voeten: Ik heb jullie niet nodig.

22 Ja, meer nog, de leden van het lichaam die de zwakste schijnen te zijn, zijn echter juist noodzakelijk.

23 En aan de leden van het lichaam die wij als minder eervol beschouwen, verlenen wij groter eer en onze oneerbare leden krijgen een grotere eer.Het gaat hierbij om die delen van het lichaam die ofwel een gebrek hebben ofwel vanwege de eerbaarheid bedekt moeten worden. Deze krijgen extra eer omdat wij die bedekken. Op dezelfde wijze mogen de minder aanzienlijke leden van de gemeente niet veracht worden, maar behoren zij juist meer eer en respect te krijgen. Een andere mogelijke vertaling is: onze onsierlijke leden krijgen een grotere versiering.

24 Onze eerbare leden echter hebben dat niet nodig. Maar God heeft het lichaam zo samengesteld, dat Hij aan het lid dat tekortkomt, groter eer gaf,

25 opdat er geen verdeeldheid in het lichaam zou zijn, maar de leden voor elkaar gelijke zorg zouden dragen.

26 En als één lid lijdt, lijden alle leden mee. Als één lid eer ontvangt, verblijden alle leden zich mee.

27 Samen bent u namelijk het lichaam van Christus, en ieder afzonderlijk Zijn leden.

Als dat geen zegen is.

Psalm 133 -7-: Over priesterschap gesproken -4-

Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 133 -7-' om te luisteren.

Over priesterschap gesproken -4-
Vandaag wil ik nog eenmaal stilstaan bij de eenheid die met name het eerste vers als het ware, net als in de hele psalm ademt.

Zie, hoe goed en hoe lieflijk is het
dat broeders ook eensgezind samenwonen.

2 Het is als de kostelijke olie op het hoofd,
die neerdaalt op de baard, de baard van Aäron,
die neerdaalt op de zoom van zijn priesterkleed.

3 Het is als de dauw van de Hermon
die neerdaalt op de bergen van Sion.

En de voorgaande keer hebben we stilgestaan bij de enorme verscheidenheid ook binnen gelovig Nederland, waar mensen bij wijze van spreken, maar zeker ook letterlijk niet met elkaar door een deur kunnen. Maar tegelijker tijd hebben we 1 Korinthe 12 gelezen waar juist de verscheidenheid van het Lichaam van Christus wordt geïllustreerd.

Dat lijken op het eerste gezicht misschien tegenstrijdigheden ten opzichte van elkaar, maar dat is het niet. Want 1 hoofdstuk verder in 1 Korinthe 13 wordt de oplossing beschreven. Want wat blijkt? Wij mensen streven vaak naar eenheid, maar deze eenheid heeft vaak een babylonische achtergrond, we moeten immers binnen deze eenheid allemaal dezelfde taal spreken. Maar dat is juist niet de eenheid die de Aanwezige zoekt, die brengt daarom een spraakverwarring, hij brengt verscheidenheid, maar dan wel binnen hetzelfde Lichaam, binnen zijn Gemeente met een hoofdletter. Hoe dat kan legt hij namelijk uit in hoofdstuk 13 van dezelfde brief aan de Korinthen, en niet alleen aan de Korinthen van toen en nu, maar ook aan u en mij, anno nu:

1 Al zou ik de talen van de mensen en van de engelen spreken, maar ik had de liefde niet, dan zou ik klinkend koper of een schallende cimbaal zijn geworden.

2 En al zou ik de gave van de profetie hebben en alle geheimenissen weten en alle kennis bezitten, en al zou ik al het geloof hebben zodat ik bergen zou verzetten, maar ik had de liefde niet, dan was ik niets.

3 En al zou ik al mijn bezittingen uitdelen tot levensonderhoud van de armen, en al zou ik mijn lichaam overgeven om verbrand te worden, maar ik had de liefde niet, het baatte mij niets.

4 De liefde is geduldig,
De liefde is vriendelijk,
de liefde is niet jaloers,
de liefde pronkt niet,

5 De liefde handelt niet ongepast,
De liefde zoekt niet haar eigen belang,
De liefde wordt niet verbitterd,
De liefde denkt geen kwaad,

6 De liefde verblijdt zich niet over de ongerechtigheid,
maar verheugt zich over de waarheid,

7 De liefde bedekt alle dingen,
De liefde gelooft alle dingen,
De liefde hoopt alle dingen,
De liefde verdraagt alle dingen.

8 De liefde vergaat nooit.
Wat dan profetieën betreft,
zij zullen tenietgedaan worden,
wat talen betreft, zij zullen ophouden,
wat kennis betreft, zij zal tenietgedaan worden.

9 Want wij kennen ten dele en wij profeteren ten dele,

10 maar wanneer het volmaakte zal gekomen zijn,
zal wat ten dele is, tenietgedaan worden.

11 Toen ik een kind was,
sprak ik als een kind,
Toen ik een kind was,
dacht ik als een kind,
Toen ik een kind was,
overlegde ik als een kind,
maar nu ik een man geworden ben,
heb ik het kinderlijke tenietgedaan.

Nu immers kijken wij door middel van een spiegel in een raadsel,
maar dan zullen wij zien van aangezicht tot aangezicht.

Nu ken ik ten dele,
maar dan zal ik kennen,
zoals ik zelf gekend ben.

13 En nu blijven geloof, hoop en liefde, deze drie,
maar de meeste van deze is de liefde.

Als dat geen zegen is.

Psalm 133 -8-: Over tov gesproken -1-

Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 133 -8-' om te luisteren.

Over tov gesproken -1-
In vers 1 zegt David:
Zie, hoe goed en hoe lieflijk is het
dat broeders ook eensgezind samenwonen.

En in het Hebreeuws vinden we hier het woord ‘tov’ dat we in het Nederlands ook wel kennen.

Zo om me heen te horen, is het Jiddische woord ‘tov’ aardig ingeburgerd in ons Nederlands taalgebruik. En het gebruik ervan heeft ons veel te vertellen over Gods bedoeling met ons.

Zomaar even een paar gedachten naar aanleiding van een klein stukje Hebreeuws en wat rondstruinen in het Oude Testament – de eerste en grootste ‘helft’ van de Bijbel. Wat ik ontdekte, fascineerde me enorm.

De herkomst van het woordje ‘tof’

" Tov ", is goed in de meest pure zin. Yeshua onthulde Zijn eigen godheid en zei: "Waarom noemt u mij goed, alleen God is goed" (Marcus 10:18). Dat iets goed is in al zijn volheid is dat het "op aarde is zoals in de hemel" (Matt. 6:10).

Het woordje ‘tof’ heeft al een heel lange geschiedenis. Zoals ik hierboven al even noemde: het komt van het Jiddische ‘tov’. En dat is op zijn beurt weer afkomstig van het oud Hebreeuwse tôbh uitgesproken als ‘tov’. En dat is al héél oud. Volgens Mozes was dit het woord dat God in Genesis 1 bij elke scheppingsdag gebruikte om te zeggen dat de schepping, zoals Hij die gemaakt had, ‘goed’ was, zoals de meeste vertalingen het weergeven. Maar wat bedoelde God met dat woordje ‘tov’?

Weet u, eigenlijk is het in zekere zin jammer dat daar in de Nederlandse vertalingen dat afgezaagde en platgetreden woord ‘goed’ gebruikt is. Want het klinkt toch anders als je aan een tiener vraagt hoe het feest was, en hij of zij zegt: “o, goed”, dan wanneer die tiener zegt: “het was een tof feest!” Een ‘tof’ feest lijkt feestelijker dan een ‘goed’ feest. En dat klopt, want het Hebreeuwse ‘tov’ heeft ook betekenissen als ‘plezierig’, ‘vrolijk’, ‘aangenaam’, ‘behaaglijk’, ‘gezellig’, ‘mooi’ en ‘genoeglijk’ in zich.

Dat Hebreeuwse ‘tov’ komt in verschillende hoofdvormen in totaal maar liefst 549 keer voor in het Oude of eerste testament. En dan nog in allerlei afgeleide vormen, zoals eigennamen als Tobia (God is goed) of Achitub (broer van goedheid). Heel vaak komt het voor in samenhang met werkwoorden als ‘kijken’ of afgeleiden daarvan – zoals in Genesis 1 waar God zag dat hetgeen Hij geschapen had, ‘tov’ was.

Het was helemaal áf; een feest om naar te kijken. De mens zelf werd door God zelfs tov-meod; dat is ‘uitermate tof’ genoemd, of ‘in overvloede tof’ (gebruikelijk vertaald met ‘zeer goed’). Gods bedoeling: een ‘toffe’ aarde en een ‘toffe’ samenleving. En juist zó, als een ‘toffe’ plek om te leven voor ons mensen, had God de schepping ook bedoeld.

Want het ‘tof-zijn’ in de Bijbel is bovenal een eigenschap van God. Aan Hem weten we wat ‘tof’ is.

Hij zet de norm. Het ‘goed’ waar de Bijbel in deze zin over spreekt is altijd verbonden met God. Tof zijn naar Bijbelse zin heeft altijd te maken met leven in nauwe verbondenheid met God, anderen, de schepping om ons heen, en met jezelf. In die verbondenheid is er de blijdschap van het bij elkaar zijn, van ergens thuishoren, bovenal van Iemand hebben Die blij met je is; kortom: de blijdschap van verbondenheid. Daarin is er Leven met een hoofdletter. Daarin kunnen volledig tot ons recht komen; tot onze bestemming.

Daarom:
Zie, hoe tov en hoe lieflijk is het
dat broeders ook eensgezind samenwonen

Als dat geen zegen is.

Psalm 133 -9-: Over tov gesproken -2-

Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 133 -9-' om te luisteren.

Over tov gesproken -2-
Vandaag willen we een vervolg maken met na te denken over het woord ‘tov’ zoals we dat tegenkomen in het Hebreeuws in vers 1 waar het vertaald is met ‘goed’.

We zagen het al: Want het ‘tof-zijn’ in de Bijbel is bovenal een eigenschap van God. Aan Hem weten we wat ‘tof’ is.

Hij zet de norm. Het ‘goed’ waar de Bijbel in deze zin over spreekt is altijd verbonden met God. Tof zijn naar Bijbelse zin heeft altijd te maken met leven in nauwe verbondenheid met God, anderen, de schepping om ons heen, en met jezelf. In die verbondenheid is er de blijdschap van het bij elkaar zijn, van ergens thuishoren, bovenal van Iemand hebben Die blij met je is; kortom: de blijdschap van verbondenheid. Daarin is er Leven met een hoofdletter. Daarin kunnen volledig tot ons recht komen; tot onze bestemming.

Het hoofdkenmerk van zonde, daarentegen, is het gescheiden-zijn van God. De duivel is bij uitstek niet ‘tof’. Er is geen vreugde en geen schoonheid en geen heelheid aan wat hij wil. Sprekend over Zichzelf en de tegenstander, gebruikte Jezus de metafoor of het beeld van de goede Herder versus de slachter.

Dat is nogal een extreem verschil! De goede Herder is erop uit om de schapen ’t goede te geven – mals gras, een goede, veilige plek om te leven, en vers water. De slachter is erop uit om de schapen te slachten om ze vervolgens als vlees te verkopen of zelf op te kunnen eten. De goede Herder heeft een band met Zijn schapen, de slachter niet, integendeel. De slachter is geïnteresseerd in het doden van de schapen, hoe meer gedode schapen, hoe beter zijn ‘business’.

Terug naar Gods karakter en wat dat zegt over wat ‘tof’ is en wat niet. We zien in de Bijbel een beschrijving van wat Gods Geest in ons wil uitwerken van het geschapen-zijn naar Gods beeld en gelijkenis. Het staat in Paulus’ brief aan de Galaten in hoofdstuk 5 vers 22: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, en zelfbeheersing. Liefde staat bij God op de eerste plaats. Maar wat is liefde als het uit plichtsbesef is? Stel dat mijn of uw vrouw of man iets voor u of mij doet en zegt: “schat, ik doe dit voor je uit liefde, omdat ik me ertoe verplicht heb toen we elkaar trouw beloofden”. Dat komt niet echt spontaan en liefdevol over, vind je ook niet?

Daarom is blijdschap – in het bijzonder het blij zijn met elkaar – ook een essentiële betekenis  van het ‘tof’ zijn. In het ‘tof’ zijn is er geen ruimte om in één of ander opzicht in onvrede met elkaar te leven. Waarom zond God Zijn Zoon? Hij wilde niet langer dat er onvrede zou zijn tussen u en Hem! Daarom zei Jezus ook: “Zalig de vredestichters!”

God wil ons zegenen met al wat ‘tof’ is:

We lezen in Deuteronomium 30 vers 9: De HEERE, uw God, zal u overvloed geven in al het werk van uw handen, in de vrucht van uw schoot, in de vrucht van uw vee en in de vrucht van uw land, ten goede. Want de HEERE zal Zich weer ten goede over u verblijden, zoals Hij Zich over uw vaderen verblijd heeft,…

Hoe zou de aarde eruit zien, hoe zou de samenleving eruit zien, zowel op wereldschaal als in ons dorp, wijk, en of gezin, als we in al deze aspecten wat meer van Gods ‘toffe’ karakter zouden weerspiegelen? Ons meer van Gods vreugde met ons bewust zouden zijn?

In Psalm 143 vers 10 lezen we in de Statenvertaling: “Leer mij Uw welbehagen doen, want U bent mijn God! Uw goede (toffe) Geest geleide mij in een effen land. ...”

De NBG vertaling vervlakt deze zin tot: “Leer mij uw wil te doen,...” Maar ook hier zien we hetzelfde als hierboven: in de Hebreeuwse tekst wordt een woord gebruikt dat ‘plezier’ betekent. De Psalmist weet dat Gods toffe Geest hem kan leiden tot gedrag waar God vreugde aan beleeft.

Daarom: Hoe tov is het dat broeders ook eensgezind samenwonen.

God beleeft daar, met alle eerbied gesproken, plezier aan.

Als dat geen zegen is.

Psalm 133 -10-: Over liefde en eensgezindheid gesproken

Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 133 -10-' om te luisteren.

Over liefde en eensgezindheid gesproken
In de voorgaande twee uitzendingen hebben we gezien dat de HEERE, de AANWEZIGE het ‘tov’ vindt dat broeders eensgezind samenwonen. Zie, hoe goed en hoe lieflijk is het
dat broeders ook eensgezind samenwonen.

Maar in het vers wordt niet uitsluitend gesproken over het feit dat het samenwonen ‘tov’ is, maar eveneens vertaald naar het Nederlands ‘lieflijk’ of in het Hebreeuws ‘Nayim’ is.

" Nayim ", is aangenaam voor de reuk. Met andere woorden, dit zal niet alleen aangenaam zijn op basis van zicht, maar ook op basis van geur. Er gaat bij wijze van spreken naar de omstanders een goede geur van uit. De omgeving bemerkt het. Daarom gebruikt de psalmist vervolgens de geurige zalfolie als vergelijking.

De omgeving merkt van deze vorm van eenheid een gevoel van " tov " goedheid, welzijn, plezier en van " nayim " met zich meebrengt.” Een aangename ervaring, verrukking enz.

Maar ik vertel u niets nieuws wanneer de broederschap in de dagen die wij beleven, maar eveneens in alle eeuwen er voor in deze door zonde geteisterde wereld, zelfs niet door de gemeenschap van gelovigen veelal gepraktiseerd wordt.

Juist om die reden is de situatie zoals beschreven in e Psalm profetisch bedoeld.. Het is een eenheid die ervaren zal worden bij de komst van Koning der koningen: de Messias.

Ik weet niet hoe u het beleeft, maar wat kan ik er soms naar uitzien dat we ook als gelovigen onder elkaar meer bestrijden met woorden en beoordelen naar gewoonten, maar dat we elkaar waarderen in wie we in christus, in de Messias geworden zijn. En dat allemaal, u, ik en al die anderen op grond van Gods genade. Dat alleen.

Het volgende woord dat we in het Hebreeuws tegenkomen is ‘Yachad en betekent eenheid, eenheid, samen, allemaal samen, gelijk. Het komt 147 keer voor in de Tenach(OT) en wordt meestal (124 keer) gebruikt om saamhorigheid aan te duiden, dat wil zeggen individuele personen die dicht bij elkaar staan. Het is verwant aan het Hebreeuwse woord " echad ", dat "één" betekent en wordt gebruikt om de intieme verbintenis van man en vrouw te beschrijven "de twee zullen één vlees worden" (Gen. 2:24).

" Yachad " verwijst naar afzonderlijke entiteiten of wanneer we over mensen spreken, twee afzondertijke mensen in de nabijheid van elkaar. Dus wanneer een man en vrouw samen wandelen zijn ze yachad , maar wanneer ze samenkomen in gemeenschap zijn ze echad, een. De twee zullen één vlees worden" (Gen. 2:24).

De eerste keer dat het woord Yachad wordt gebruikt vinden we in Genesis 13 vers 6, en dat is tekenend voor de betekenis van het woord. We lezen daar immers: En dat land liet het niet toe dat zij bij elkaar woonden, want zij hadden veel bezittingen, zodat zij niet bij elkaar konden wonen. Zij konden niet meer bij elkaar wonen. Het tegenovergestelde van bij elkaar wonen. Met elkaar optrekken. Samen door dezelfde deur.

En weet u wat daarvan niet in alle gevallen, maar vaak wel de oorzaak is? We vinden daarvan een voorbeeld in hetzelfde Genesis, hoofdstuk 36  waar we lezen: Ezau nam zijn vrouwen, zijn zonen en zijn dochters, en alle personen die tot zijn huis behoorden, zijn vee en al zijn dieren, en al zijn bezit, dat hij in het land Kanaän verworven had, en ging naar een ander land, weg van zijn broer Jakob, want hun bezittingen waren te groot dat zij bij elkaar zouden kunnen wonen;…

De bezittingen van Ezau en Jacob waren de oorzaak dat Ezau en Jacob de oorzaak van de scheiding. En zo is het in onze tijd vaak niet anders. Ook in geestelijk opzicht waar voorgangers gaan denken dat het hun kerk of gemeente is terwijl er slechts 1 gemeente met een hoofdletter is. Of dat gelovige volgelingen gaan denken dat hun waarheid de waarheid met een hoofdletter is terwijl er maar een Waarheid met een hoofdletter is. En dat is niet onze waarheid maar Zijn Waarheid en wij mogen in de tijd waarin wij het leven hebben zien  door een duistere reden. Maar pas straks in de toekomst zullen wij zien van aangezicht tot aangezicht en zullen we al onze waarheden, leerstellingen en gebruiken in moeten leveren en met lege handen staan zodat Hij die kan vervullen. Amen?

Deze eenheid waarover in dit eerste vers in Psalm 133 wordt gesproken is alleen mogelijk  door Christus, de Messias. Alleen door Hem is werkelijke eenheid mogelijk.

Iedereen die gelooft dat Jezus de Messias is, is uit God geboren, en iedereen die van de Vader houdt, houdt van degene die uit Hem geboren is.
Hierdoor weten we dat we van Gods kinderen houden — als we God liefhebben en zijn geboden gehoorzamen.
Want dit is de liefde van God: dat wij zijn geboden onderhouden. En Zijn geboden zijn niet zwaar.
Want iedereen die uit God geboren is, overwint de wereld. En de overwinning die de wereld heeft overwonnen is deze: ons geloof.
Wie is het die de wereld overwint, zo niet degene die gelooft dat Yeshua Ben-Elohim is? 1 Johannes 5:1-5 (TLV)

Als dat geen zegen is.

Psalm 133 -11-: Over olie als beeld van de Heilige Geest gesproken -1-

Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 133 -11-' om te luisteren.

Over olie als beeld van de Heilige Geest gesproken -1-
Vandaag maken we een stapje in de psalm naar het tweede vers waarin de eensgezindheid van de broeders wordt vergeleken met de kostelijke olie op het hoofd, die neerdaalt op de baard, de baard van Aäron, die neerdaalt op de zoom van zijn priesterkleed.

In het Hebreeuws zijn er redenen om de tekst iets anders te lezen vinden de Joodse uitleggers, namelijk zo:
Zie, hoe goed en hoe lieflijk is het
dat broeders ook eensgezind samenwonen.
Omdat de kostbare olie op het hoofd van Aäron langs de baard loopt, de baard van Aäron..."

Weet u, het Hebreeuws, maar eveneens het oosterse taalgebruik was niet alleen in de tijd dat de bBijbel geschreven werd, maar eveneens in de tijd waarin wij leven veel meer dan ons Nederlands een beeldende taal.
Want wat moeten we aan of wat wordt er eigenlijk bedoeld met de beelden die David beschrijft. In welke zin is de eenheid van de broeders die in eensgezindheid samenwonen te vergelijken met de beelden van olie op Aärons baard en dauw op de berg Hermon?

Of zijn meer dan vergelijkingen, zijn de beelden de uitwerking van de zegen die de eenheid tot stand brengt die door David in het eerste vers van deze psalm wordt gezien.

De poëtische beeldtaal die hier wordt gebruikt is volgen de Joodse geleerden van groot belang. De olie is niet zomaar olie, maar "De goede olie" of "De kostbare olie", en verwijst specifiek naar het mengsel van olie dat door God is aangewezen voor gebruik bij het zalven van de Cohen Ha-gadol (De Hogepriester) en sprenkeling op de priesters.

Het mocht niet worden gebruikt voor een gemeenschappelijk doel of door een gewone Israëliet. We lezen van deze gebeurtenis in Exodus 30 vers 23 tot 33 vanuit de Hebreeuwse vertaling:

Neem de beste specerijen: van vloeibare mirre 500 sikkels, en van zoetgeurende kaneel de helft, dat wil zeggen 250, en 250 van aromatisch riet, en 500 van cassia, volgens de sikkel van het heiligdom, en een scheutje olijfolie. En u zult hiervan een heilige zalfolie maken, vermengd zoals door de parfumeur; het zal een heilige zalfolie zijn. Daarmee zult gij de tent der samenkomst en de ark der getuigenis zalven, en de tafel en al zijn gerei, en de kandelaar en zijn gerei, en het reukofferaltaar en het brandofferaltaar met al zijn keukengerei en het bekken en zijn standaard. U zult ze heiligen, opdat ze allerheiligst zullen zijn. Alles wat hen aanraakt, wordt heilig. U zult Aäron en zijn zonen zalven en hen heiligen, zodat zij mij als priesters kunnen dienen. En u zult tegen het volk van Israël zeggen: 'Dit zal mijn heilige zalfolie zijn voor al uw generaties. Het zal niet worden uitgegoten op het lichaam van een gewoon persoon, en u zult geen ander vergelijkbaar maken in samenstelling. Het is heilig en het zal heilig voor u zijn. Wie iets dergelijks samenstelt of wie er iets van op een buitenstaander legt, zal van zijn volk worden afgesneden.

De olie moest op het hoofd van Aäron worden gegoten na het aantrekken van de priesterlijke kleding, inclusief de hoofdbedekking en moest overlopen tot aan de uiteinden van de kleding. Het is interessant om op te merken dat Aäron nooit zijn hoofd mocht ontbloten of zijn kleren zou scheuren (Lev. 21:10).

De hier beschreven gebeurtenis kwam maar één keer voor. Dat wil zeggen, het is uitsluitend en exclusief de zalving van Aäron die wordt beschreven en vergeleken met een tijd waarin broeders en zusters samen zullen leven in eendracht. Als een heilig en geheiligd volk.

Aäron was de eerste Levitische hogepriester en vader van Israëls daaropvolgende levitische priesterschap. Daarom is dit beeld van Aaron niet bedoeld als een algemeen beeld dat vergeleken kan worden met elke daad van zalving die ooit is uitgevoerd, maar verwijst het uitsluitend en alleen naar de zalving van Israëls eerste Levitische hogepriester Aäron, en naar het mengsel van olie dat werd gebruikt om hem te zalven.

Maar tegelijkertijd is het een beeld dat eenmaal het gehele volk Israel in de Hogepriester met heilige zalf, als teken van de Heilige Geest gezalfd zal zijn en in zijn geheel als broeders zullen samenkomen. Hoe tov is dat.

Als dat geen zegen is.


Psalm 133 -12-: Over olie als beeld van de Heilige Geest gesproken -2-

Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 133 -12-' om te luisteren.

Over olie als beeld van de Heilige Geest gesproken -2-
We denken vandaag weer verder over vers twee waar gesproken wordt over de geheiligde zalfolie die op het hoofd van Aaron werd gegoten. Het betrof shemen ha -tov, kostbare olie,

De fijne verse olijfolie rook sterk naar kaneel (cassia komt uit dezelfde familie, een schors), mirre en een onzeker zoet aromatisch riet, mogelijk uit Sheba of een deel van Arabië. Het is misschien voor onze eigen bescherming dat de exacte mix tegenwoordig onmogelijk te fabriceren is.

De geparfumeerde zalfolie is een beeld van de Heilige Geest. De Ruach of Geest van God wordt in de psalm uitgebeeld met een geur van zoete verlossing voor hen die verlost worden.

De zalfolie werd niet over de zonen van Aäron werd uitgegoten, maar wel over hen werd gesprenkeld. Aäron is dus "Ha-Cohein Ha-Mashiyah ” (de priester de gezalfde), terwijl latere priesters “ masha” (zalvingen, door middel van besprenkelen of inwrijven) ontvangen. Deze zalf mocht ook nooit op de gewone Israëliet worden gebruikt. Daarom is de zalving voorbehouden aan priesters, en de volkomen zalving op het hoofd van de Hogepriester.

De zalfolie loopt langs Aärons baard en over zijn schouders, langs zijn borst en tot aan de randen van zijn priesterlijke kleding. Dat betekent dus dat er een grote hoeveelheid olie werd gebruikt is. De olie droopmoet over zijn schouders, over de stenen die gegraveerd waren met de namen van de stammen van Israël, beneden achter de borstplaat over de uriym (lichten) en tumiym (voltooiingen) die in een zak achter het borstharnas werden gestopt, over het blauwe bovenkleed, over het zuiver witte linnen kledingstuk, doordrenkt tot op zijn huid.

Elk aspect van zijn priesterschap, letterlijk van top tot teen was de Hoge Priester de gezalfde en in zijn hoedanigheid als Hoge Priester de geestelijke herder van Israël bedekten. Gezalfd met geheiligde olie. Daarmee zien we een grote vergelijking met de Heere Jezus als de werkelijk Hoge Priester van het vlok Israel.

De tekst wijst op een stortvloed van speciaal samengestelde geurige zalfolie, als beeld van de Heilige Geest.

De olie wordt uit een hoorn (Ramshoorn) gegoten, wat duidt op Degene door Wie alle gelovigen op een dag de beloofde Ruach Ha-Kodesh Heilige Geest ontvangen

Maar is het u wel eens opgevallen dat de zalving van Aaron zoals beschreven in hoofdstuk 33 van Exodus voorafgegaan werd aan een heel andere betekenis volle handeling? Want in Exodus 29 lezen we dat door Aäron en zijn zonen deelnemen aan het offeren van plaatsvervangend offer voor de verzoening van zonde en een maaltijd van matzot (ongezuurd brood).

Daarom werd de zalving met de kostbare olie pas uitgevoerd nadat de juiste relatie met God tot stand was gebracht (althans symbolisch). Dit is natuurlijk een beeld van het voor ons gebroken lichaam van de Messias (het ziet op de gebroken matzot ) en de bloedverzoening die voor ons door het bloed van de Messias uitgegoten op het kruis (hetgeen ziet op de geslachte rammen).

In het Nieuwe Testament of tweede testament  zien we deze volgorde ook. De Heilige Geest (olie) werd pas uitgestort op de gelovige Joodse gemeenschap na de terugkeer van de Messias naar de Vader na Zijn dood en opstanding zoals we lezen in Handelingen 2).

In zekere zin is de uitstorting van de Heilige Geest op de eerste Joodse gelovigen zoals we lezen in de Handelingenperiode in Messias Yeshua, een voorproefje of een voorvervulling van de ultieme manifestatie van de eenheid van Israël bij de terugkeer van de Messias.
Wat een enorme zegen ligt er hier te wachten voor Israel als geheel.

Maar in de tijd waarin wij leven mogen we de woorden van de Apostel Paulus nu reeds op ons betrekken: In Hem bent ook u, nadat u het Woord van de waarheid, namelijk het Evangelie van uw zaligheid, gehoord hebt; in Hem bent u ook, toen u tot geloof kwam, verzegeld met de Heilige Geest van de belofte,Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verlossing die ons ten deel viel, tot lof van Zijn heerlijkheid.

Als dat geen zegen is.

Psalm 133 -13-: Over de Hoge Priester gesproken

Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 133 -13-' om te luisteren.

Over de Hoge Priester gesproken
Het woord voor 'zalven' is masjach, waar het Hebreeuwse masjieach - messias, gezalfde - van is afgeleid.  Een koning en priester werd dus tot dat ambt gezalfd, waarmee hij een gezalfde, een messias, werd.

De Bijbel laat vaak zien dat beeld en profetie hun vervulling vinden in de Heere Jezus. Dat is ook het geval in het begin van Zijn (openbare) bediening. Dat begin vond plaats bij Johannes de doper. Deze doopte een doop van bekering (Matt. 3:11 en Hand. 19:4). "Toen kwam Jezus van Galilea naar de Jordaan, naar Johannes, om door hem gedoopt te worden" (Matt. 3:13).

De reactie van Johannes is begrijpelijk: "Maar Johannes wilde Hem hiervan weerhouden en zei: Ik heb het nodig door U gedoopt te worden, en komt U naar mij?" (vs. 14), waarop de Heere antwoordde: "Laat het nu gebeuren, want op deze wijze past het ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij het Hem toe" (vs. 15).

Toen de Heere op aarde was, was de wet van de HEERE in Zijn binnenste. Psalm 40 spreekt daarvan. We mogen aannemen dat de Heere ook hier met het vervullen van gerechtigheid verwees naar de gerechtigheid der wet. Daarom kan de doop van de Heere Jezus niet vergeleken worden met de doop die gelovigen ondergaan.

Zoals we al eerder zagen, moesten de priesters vóór hun zalving een wassing ondergaan (Lev. 8). Hier zien we dat de Heere hetzelfde onderging, en wel vóór de Geest Gods als een duif op Hem neerdaalde, als vervulling van de zalving in het Oude Testament. (Vergelijk hoe de Geest van de HEERE vaardig werd over David na zijn zalving, 1 Sam. 16:13.)

Aan het einde van Zijn bediening op aarde onderging de Heere opnieuw een doop (Luk. 12:50): de doop in de dood. Maar met Zijn opstanding bewees Hij Zijn Zalving; Hij bewees dat Hij de Christus was, de Zoon van God (Rom. 1:4). Psalm 110:1 voorzegt wat er veertig dagen na Zijn opstanding gebeurde: Zijn hemelvaart, het einde van Zijn aanwezigheid op aarde. Hij is nu Boven. In Zijn positie als Koning en Hogepriester.

Op de Verzoendag, ging de hogepriester het heilige der heiligen binnen. Naast Leviticus 23:26-32 gaat het ook in Leviticus 16 over deze speciale dag. We lezen daar dat de priester eenmaal per jaar (vs. 34) op de 10e van de 7e maand (vs. 29) deze allerheiligste ruimte in het heiligdom mocht binnengaan. In Hebreeën 9:7 staat: "In het tweede deel (= het heilige der heiligen) echter ging alleen de hogepriester eenmaal per jaar binnen, niet zonder bloed, dat hij voor zichzelf offerde en voor de afdwalingen van het volk". En in vers 24 lezen we: "Want Christus is (...) binnengegaan (...) in de hemel zelf, om nu voor het aangezicht van God te verschijnen voor ons". Met ‘ons’ worden de Hebreeën bedoeld. Net zoals de hogepriester onder het oude verbond ná het verschijnen in het binnenste heiligdom weer tevoorschijn kwam, zal ook de Heere Jezus "voor de tweede keer zonder zonde gezien worden door hen die Hem verwachten tot zaligheid".

Al met al kunnen we dus zeggen dat de vervulling van het feest van de Verzoendag nog niet geheel heeft plaatsgevonden: de Heere Jezus is wél de hemel binnengegaan, maar nog niet daaruit teruggekomen om de verzoening die voor het volk gedaan is, bekend te maken.

Waar de hemelvaart van de Heere Jezus voor Israël de vervulling was van het 'eerste gedeelte van de grote verzoendag', daar betekent Zijn hemelvaart voor ons dat we een positie in de hemel hebben ontvangen! God zette de Heere Jezus Christus aan Zijn rechterhand (Efe. 1:20), zoals al voorzegd in het Oude Testament - denk aan Psalm 110.

Maar wat nergens in het Oude Testament te lezen is, is wat dit voor ons betekende: God "heeft ons met Hem opgewekt en met Hem in de hemelse gewesten gezet in Christus Jezus ..." (Efe. 2:6)! En wij mogen hier op aarde leven, maar tegelijk op de hemel gericht zijn: "Als u nu met Christus opgewekt bent, zoek dan de dingen die boven zijn, waar Christus is, Die aan de rechterhand van God zit. Bedenk de dingen die boven zijn en niet die op de aarde zijn, want u bent gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God" (Kol. 3:1-3).

Als dat geen zegen is.

Psalm 133 -14-: Over de zegen gesproken

Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 133 -14-' om te luisteren.

Over de zegen gesproken
We maken vandaag een overstapje naar vers drie waar het eensgezind samenwonen van de broeders wordt vergeleken met de dauw van de Hermon die neerdaalt op de bergen van Sion.
Deze verklaring van de dauw van een berg in het noorden die neerdaalt op een berg in het zuiden.
De vergelijking tussen de berg Hermon en de bergen van Sion is een vergelijkbare beeldtaal van de zalfolie die van Aarons hoofd naar de randen van zijn kleding loopt.

Op dezelfde manier loopt de dauw van Hermon vanaf de top van de noordelijke grens van Israël naar de plaats waar Israël omhoog gaat om God te aanbidden tijdens de Regaliym/Aliyot- feesten. Zo wordt heel Israël (het volk) en heel haar land, zowel letterlijk als figuurlijk, bedekt door de dauw van Hermon. De dauw, is hier een beeld van zegening zoals we in het vervolg van vers drie lezen in de woorden: Want daar gebiedt de HEERE de zegen. Net zoals de olie, de Heilige Geest een zegen is.

En laten we niet vergeten dat deze psalm heel duidelijk geadresseerd is. Er wordt immers gesproken over broeders die op Pelgrimsreis zijn in de Psalm en over de Hermon en Zion

De Aanwezige beveelt de zegening. De zegen wordt bevolen op de bergen van Zion wanneer het volk daar samen als één, yachad, wonen. Daarmee is de psalm een profetische uitspraak, zegt de Messias belijdende Jood in onze dagen. . God spreekt in tijd en plaats van de toekomstige verlossing van het hele Israël, etnisch en religieus, wanneer, na de volheid van de volkeren, heel Israël etnisch en religieus zal worden gered (Romeinen 11).

We merken op dat de Hebreeuwse tekst niet zegt: "Daar gebiedt de Heer een zegen", maar eerder: "Daar gebiedt de Heer de zegen." De " berachah ", zegen, voorspoed, geschenk, vredesverdrag, is er een die " chayim " brengt, geen leven maar leven in het meervoud, want chayim eindigt op im, is daarmee meervoud en daarmee eeuwigdurend. Leven dat zal zijn “ ad ha-olam' eeuwig en eeuwig in de wereld rondgaan. De wereld is de Olam Haba, (de komende wereld.

Daarom zegt de tekst niet dat waar gelovigen in het algemeen in eenheid samenwonen, God een zegen zal gebieden, maar zegt het dat wanneer Israël etnisch, religieus en werkelijk met elkaar samenwoont door verlossing en de zalving geleverd door de koning-priester Messias, in het land letterlijk Israël bij de terugkeer van de Messias, dan en alleen dan, daar en alleen daar, zal God bevelen en de zegen van eeuwig leven vestigen op de Nieuwe Aarde.

Als dat geen zegen is.

Psalm 133 -15-: Over de bergen gesproken

Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 133 -15-' om te luisteren.

Over de bergen gesproken
In de Psalm spreekt David over twee bergen, de berg Hermon en de bergen van Zion. Het Hebreeuwse woord voor Hermon, Chermon, is afkomstig van het Hebreeuwse woord charam en dat heeft de betekenis om iemand of iets over te geven aan het hiernamaals of aan de dood.

Zo wordt de wet van charam uiteengezet in Leviticus 27:28-29. We zullen het eerst eens lezen:
Maar als het van een onrein dier is, moet hij het vrijkopen tegen de door u bepaalde waarde en het vijfde deel ervan eraan toevoegen. En als het niet vrijgekocht wordt, dan kan het verkocht worden tegen de door u bepaalde waarde.

Niets echter van wat iemand door de ban aan de HEERE gewijd heeft, van alles wat hij bezit, van mens of dier, of van de akker die hij bezit, mag verkocht of vrijgekocht worden. Alles wat door de ban gewijd is, is voor de HEERE allerheiligst.

Hoer wordt dus gesteld dat alles wat als charam gewijd voor de Aaanwezige wordt bestempeld, niet kan worden teruggekocht of vrijgekocht. Iets of iemand die charam is, is toegewijd, apart gezet aan iets of iemend al of niet met een hoofdletter.

In de Tenach (OT) zijn er geen voorbeelden van mensen die als charam worden aangeduid en die vervolgens niet worden geëxecuteerd, maar er zijn een aantal mensen met namen die zijn afgeleid van dit werkwoord. Wat erop kan wijzen dat het werkwoord ooit verlossing aanduidde.

Niet alles wat met charam werd aangeduid, werd automatisch vernietigd. In Numeri 18:14 verklaart HaShem : “Elk toegewijd ding ( charam ) in Israël is van jou (Aaron en zijn zonen) [zie ook Lev. 27:21 en Ez. 44:29]. Toen Jozua Jericho plunderde, viel de hele stad en alles wat er in zat (behalveRachab en haar huis) werd aangeduid als charam , maar de gouden, zilveren, bronzen en ijzeren voorwerpen gingen in de schatkamer van de tabernakel (Jozua 6:19).

De berg Hermon heeft daarom de symbolische betekenis van charam zijn, toegewijd aan de Heere tot in het hiernamaals, en is ook een beeld voor verlossing.

De Berg Hermon is de hoogste berg in het uiterste Noorden van Israël met een hoogte van 2.814 meter. Het gebied staat nu bekend als de Golanhoogte. Hermon betekent heiligdom of Heilige berg Gods, maar ook afgezonderd en gewijd, maar daar tegenover ook vloek of vernietiging, zoals we hiervoor zagen.

Deze tegenstelling komt doordat daar een hele duistere geschiedenis achter zit van aanbidding. Hij werd in Richteren 3:3 in die tijd Baäl-Hermon (god van destructie) genoemd omdat dit de woonplek van de Nephilims, de reuzen waren en zij daar aanbeden werden. Goliath was één van hen en kwam uit Gat.

Maar wist u dat berg Hermon ook wel de berg Sion genoemd. We lezen daarvan in Deuteronomium 4 vers 47 en 48:
Zij hadden zijn land in bezit genomen en het land van Og, de koning van Basan, twee koningen van de Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan woonden, waar de zon opkomt, het gebied vanaf Aroër, dat aan de oever van de beek Arnon ligt, tot aan de berg Siyon, dat is de Hermon, en heel de vlakte aan de overzijde van de Jordaan, waar de zon opkomt, tot aan de zee van de Vlakte, onder aan de hellingen van de Pisga.

Dit Sion wordt beschouwd als het “eerste” huis van God en is een plaats daar waar ze Zijn grote Naam verheugen en bejubelen. In Psalm 89 lezen we over de Hermon dit:
Het noorden en het zuiden, die hebt Ú geschapen, Tabor en Hermon zingen vrolijk om Uw Naam.

Nu we weten dat de berg Hermon eveneens Sion wordt genoemd moeten we concluderen dat er in de Bijbel sprake is van twee verschillende plaatsen in de Bijbel met deze naam. Maar dat is in het Nederlands ogenschijnlijk zo, want in het Hebreeuws is er duidelijk sprake van een verschil Het Hebreeuwse woord voor Sion zoals gebruikt als andere naam voor de Hermon Sion betekent “verheven”. Dit Sion wordt in het Hebreeuws gelezen met de  21st letter van Shin,, onze ‘S’’ ), terwijl Zion, wat wij veelal aanduiden met Jeruzalem, met de hebreeuwse letter Tsade, onze ‘Z’ wordt geschreven en  “uitgedroogde plaats” betekent.

De naam ציון (Zion H6726) wat betekend “uitgedroogde plaats” in het Hebreeuws kan dus niet worden gelijkgesteld met de שִׂיאן (Sion H7865) in Deuteronomium 4:48 wat betekend “verheven” en wat een andere naam voor de Berg Hermon is. Gewoon omdat het twee totaal verschillende plaatsen zijn.

Dus de twee namen kunnen niet worden gelijkgesteld ondanks hun gelijkenis in de Nederl;andse Bijbel niet duidelijk zichtbaar is, dan alleen uit de grondtekst. We moeten deze verschillende manieren van schrijven Zion met een ‘Z’ en Sion met een ‘S’ en betekenis van deze twee woorden goed onderscheiden, uit elkaar houden.

Sion en Zion zijn twee verschillende bergen. Dus de berg Sion is wellicht, en ik zeg het met enige voorzichtigheid, een beeld van het hemelse, het verheven, Jeruzalem de berg Hermon en niet de berg Zion (H6726 Tsade) in het aardse Jeruzalem, de uitgedroogde plaats.

Dit verschil tussen de oorspronkelijke namen zorgt voor veel verwarring doordat in nagenoeg alle Nederlandse vertalingen het verschil niet zichtbaar gemaakt is.

Het is voor velen verwarrend en misschien ook schokkend om erachter te komen dat de berg Hermon de eerste berg “Sion” was lang voordat Jeruzalem werd gesticht door Koning David en Salomo als de berg “Sion” van God voor Israël en Juda en daar waar de Tempel werd gebouwd.

God heeft de berg Hermon gezien als de originele berg Sion.  Zelfs Mozes toont aan onder goddelijke inspiratie dat de berg Hermon tot Gods heilige “de berg Sion” heeft uitgeroepen.


De bergen van Zion (het uitgedroogde land), hebben ook een grote figuurlijke waarde en tonen Israëls behoefte aan de mayim - wateren van chayim - leven. Wateren die ze ontvangt door de dauw die het resultaat is van de charam (toewijding) van haar Messias, en de redding die het resultaat is van Zijn plaatsvervangende offerdood en opstanding.

Als dat geen zegen is.


Het was vandaag best wel een beetje een technisch verhaal, zeker wanneer u dit voor het eerst hoor over de verschillen tussen Sion en Tziyon. Ik hoop dat u mij dat niet kwalijk neemt, maar ik vond het te belangrijk om te laten liggen. Mocht u het nog eens na willen lezen, dan kunt u het vinden op onze website onder het kopje Radio, uitzending gemist.

Barry & Batya Segal zingen over Zion met de woorden van Jesaja 61 vers 1:
Omwille van Sion zal ik niet zwijgen,
omwille van Jeruzalem zal ik niet stil zijn,
totdat haar gerechtigheid opkomt als een lichtglans,
en haar heil als een brandende fakkel.