Psalm 137 -1-

Psalm 137 -2-

Psalm 137 -3-

Psalm 137 -4-

Psalm 137 -5-

Psalm 137 -6-

Psalm 137 -7-

Psalm 137 -8-

Psalm 137 -10-

Psalm 137 -11-

Psalm 137 -12-

Psalm 137 -13-

Psalm 137 -14-

Psalm 137 -1-: Over psalm 137 gesproken -1-

Psalm 137 -1-

Klacht van de Joden in Babel

1 Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij,
ook weenden wij als wij aan Sion dachten.

2 Wij hadden onze harpen gehangen
aan de wilgen die daarbinnen zijn.

3 Toen zij die ons gevangenhielden, daar woorden van een lied van ons verlangden,
en Ps. 79:1wie ons omvergeworpen hadden, blijdschap:
Zing voor ons een van de liederen van Sion!

4 zeiden wij: Hoe zouden wij een lied van de HEERE zingen
in een vreemd land?

5 Als ik u vergeet, Jeruzalem,
laat dan mijn rechterhand zichzelf vergeten.

6 Laat mijn tong vastkleven aan mijn gehemelte,
als ik niet aan u denk,
als ik Jeruzalem niet doe uitstijgen
boven mijn hoogste blijdschap.

7 HEERE, denk aan de Edomieten,
aan de dag dat Jeruzalem viel,
toen zij zeiden: Haal neer, haal neer die stad,
tot op haar fundament!

8Dochter van Babel, die verwoest zult worden,
Jer. 50:15,29Openb. 18:6welzalig is hij die u uw misdaad vergelden zal,
die u tegen ons begaan hebt.

9 Welzalig is hij die uw kleine kinderen grijpen
en tegen de rots verpletteren zal.

Over psalm 137 gesproken -1-
Wat een verwensing in het laatste vers, vind je ook niet?

Welzalig is hij die uw kleine kinderen grijpen
en tegen de rots verpletteren zal

Eigenlijk te verschrikkelijk voor woorden toch? Het zijn met name deze woorden ook die mij in de afgelopen periode hebben bezig gehouden. Me meer of meer tegengehouden hebben om hier veel over te zeggen. In de afgelopen tijden heb ik veel, heel veel gelezen over welke betekenis anderen aan deze woorden en aan deze psalm gegeven hebben. Maar ik moet zeggen dat het blijft wringen, wanneer ik de woorden lees en tot mij door laat dringen:

Welzalig is hij die uw kleine kinderen grijpen
en tegen de rots verpletteren zal

Het zijn woorden die wij niet gemakkelijk in de mond zouden nemen denken we dan. Wees maar eerlijk toch? En toch? Tijdens de voorbereiding op deze psalm kwam ik een stukje tegen uit de krant uit maand januari 2023, dit jaar dus en ik lees het aan je voor:

Op zaterdag 14 januari 15.40 uur slaat een Russische Kh-22 raket, zo groot als een touringcar, in op een woonblok aan de Overwinningskaai, om precies te zijn: in nr. 118, in Dnipro (stad van ca. 1.000.000 inwoners). Meer dan dertig appartementen zijn onmiddellijk verdwenen (gaan in vlammen op is te vriendelijk: ze ‘verdampen in één klap, inclusief de inwoners). De appartementen zijn met bijna chirurgische precisie aan stukken gescheurd, daken en muren weggeslagen waardoor je plots kunt binnenkijken in de half verwoeste woonkamers, badkamers en keukens. Een schaal met fruit staat nog ongeschonden op tafel in een keuken die opengemaakt lijkt als een poppenhuis. In een andere flat hangt een schilderij van een hond scheef aan een keukenmuur. De rest van de keuken is er niet meer.

Dinsdagochtend komen families van enkele slachtoffers samen op de plaats van de ramp. Ze houden een stille wake. Tot een vader zijn woede begint uit te schreeuwen. “De Russen, laat ze allemaal omkomen, duivels zijn het”, roept hij uit. Hij houdt zijn telefoon omhoog om een filmpje te toen van zijn kleinzoon. “Dit kind ligt nog altijd onder het puin! Ik vervloek ze en ik wens dat van elk Russisch gezin twee of drie kinderen ergens onder brokstukken ligt, net als deze jongen.”

Ach ja, laten we bij wijze van spreken maar niet een al te grote broek aan trekken in de zin dat wij zulke verwensingen niet in de mond zullen nemen. Want in wezen zijn we geen haar beter. Snap je mijn huivering om over deze psalm veel te zeggen? En toch, laten we maar eens een beginnetje maken.

Duiken in de diepten van Psalm 137 kan aanvoelen als het laveren door een doolhof van rauwe emoties en historische context. Dit is een van de meest aangrijpende psalmen, rijk aan beelden die het verschrikkelijke hartzeer ervaren van Israël tijdens hun Babylonische gevangenschap.

Psalm 137 is een aangrijpende uitdrukking van diep verdriet en verlangen zoals ervaren door de verbannen Israëlieten tijdens hun Babylonische gevangenschap.

Deze psalm bevat levendige beelden en rauwe emoties, die dienen als een bewijs van de complexiteit van menselijk lijden en de behoefte aan gerechtigheid in tijden van wanhoop.

Psalm 137 onthult thema's als klaagzang, historische context, vergeving en vertrouwen in Gods soevereiniteit. Het nodigt mij en misschien ook jou uit om te worstelen met moeilijke emoties terwijl we troost zoeken in Gods aanwezigheid.

Het begrijpen psalm 37 benadrukt hoe deze psalm weerkaatst met degenen die door de geschiedenis heen te maken hebben gehad met onderdrukking of ontheemding. Maar misschien is het ook zo dat de woorden uit Psalm 137 ons herinneren aan het feit dat we zelfs in de donkerste momenten van ons leven troost kunnen vinden door ons tot God te wenden.

En dan is er hoop. Hoop volk het volk van God. Ook in de dagen waarin wij leven waarin wij zien dat honderdduizenden Joden week aan week de straat op gaan en de natie tot op /het bot verdeeld is. Maar de God van Abraham, Izak en Jacob zal ze tot een volk maken. En zij zullen Zijn Naam verkondigen. Vanuit Jeruzalem tot aan het einde van de aarde. Daar zien we naar uit. Gods Woord eindigt nooit, maar dan ook nooit in de mineur maar altijd zijn er de woorden van troost en hoop.

En zo is ook het leven van u, jou en mij. Weet je, het kan niet zo zwart zijn in je leven, en degenen die ons gezin kennen, weten dat dat geen loze woorden zijn, maar er is altijd hoop. Want God staat boven elke situatie.
Want we mogen de woorden van de Apostel Paulus als het ware omarmen wanneer hij aan de Filippensen en over de hoofden van de Filippensen als het ware aan u en mij schrijft: God zal u, overeenkomstig Zijn rijkdom, voorzien van alles wat u nodig hebt, in heerlijkheid, door Christus Jezus.

Als dat geen zegen is.

Psalm 137 -2-: Over psalm 137 gesproken -2-

Klacht van de Joden in Babel

1 Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij,
ook weenden wij als wij aan Sion dachten.

2 Wij hadden onze harpen gehangen
aan de wilgen die daarbinnen zijn.

3 Toen zij die ons gevangenhielden, daar woorden van een lied van ons verlangden,
en wie ons omvergeworpen hadden, blijdschap:
Zing voor ons een van de liederen van Sion!

4 zeiden wij: Hoe zouden wij een lied van de HEERE zingen
in een vreemd land?

5 Als ik u vergeet, Jeruzalem,
laat dan mijn rechterhand zichzelf vergeten.

6 Laat mijn tong vastkleven aan mijn gehemelte,
als ik niet aan u denk,
als ik Jeruzalem niet doe uitstijgen
boven mijn hoogste blijdschap.

7 HEERE, denk aan de Edomieten,
aan de dag dat Jeruzalem viel,
toen zij zeiden: Haal neer, haal neer die stad,
tot op haar fundament!

8Dochter van Babel, die verwoest zult worden,
welzalig is hij die u uw misdaad vergelden zal,
die u tegen ons begaan hebt.

9 Welzalig is hij die uw kleine kinderen grijpen
en tegen de rots verpletteren zal.

Over psalm 137 gesproken -2-
Vandaag willen we in het kort stilstaan bij de betekenis en boodschap van Psalm 137

Het begrijpen van de achtergrond van Psalm 137 houdt in dat je je verdiept in een periode die wordt gekenmerkt door diep verdriet en desillusie. Psalm 137 beschrijfteen van de donkerste periodes in de joodse geschiedenis: hun Babylonische ballingschap.

Het volk, verscheurd uit hun door God gegeven vaderland, werden gedwongen om in een vreemd gebied te bewonen, als gevangen zielen onder een buitenlands regime. Hun pijn was onmetelijk en resulteerde in dit treurige 'lied van ballingschap', dat hun wanhoop door de eeuwen heen heeft vereeuwigd.

Inderdaad, Psalm 137 geeft woorden aan het menselijk vermogen in diepgeworteld verlangen en pijnlijke herinnering tijdens moeilijke tijden.

Het verhaal vertelt op een ook voor de Bijbel niet gebruikelijke manier tussen klagen over het persoonlijk verdriet aan de ene kant en het een beroep dat gedaan wordt op goddelijke vergelding op degenen die hen ellende hebben aangedaan. Met name door de Edomieten – oude tegenstanders van de Israëlieten die hun benarde situatie uitbuitten.

Door deze rauwe emoties te verwoorden door middel van onder andere Psalm 137, werd het meer dan alleen een deel van Israëls geschiedenis; het veranderde eerder in een onsterfelijk symbool van identiteit. Het is als een testament dat tot op de dag van vandaag generaties lang doorklinkt. Helaas ook nu nog in de dagen waarin wij leven.

Psalm 137 zouden we in kunnen delen in drie gedeelten:

Het eerste deel (vers 1 – 3) drukt het diepe verdriet en het verlangen uit van het volk terwijl ze aan de rivieren van Babylon of Babel zitten.

Het tweede deel (vers 4 – 6) bestaat uit een wanhopige en wraakzuchtige schreeuw om gerechtigheid, terwijl de schrijver van de psalm God aanroept om te onthouden wat hun vijanden hen hebben aangedaan.

Het derde deel (vers 7 - 9) eindigt met een meedogenloos verzoek om gewelddadige vergelding, waarmee de psalmist het verlangen uitdrukt dat God oordeel over hun tegenstanders zal brengen.

Deze drie gedeelten vormen als het ware de emotionele reis van de schrijver van de psalm. Van klaagzang en verdriet tot woede en zelfs wraakzucht. Het geeft de onvoorstelbare diepte van de pijn weer die het volk in de ballingschap ervoeren en hun overweldigende verlangen naar gerechtigheid.

De uitingen van woede en verlangen naar wraak in Psalm 137 zijn geen oproep tot persoonlijke wraak, maar een schreeuw om gerechtigheid van een volk dat enorm heeft geleden.

Het dient als een aangrijpende herinnering aan de ballingschap, waar het volk met geweld uit hun land werden verdreven en door Babylonische veroveraars in ballingschap werden gedwongen.

Psalm 137 geeft woorden aan zowel de wanhoop gevoeld door degenen die in ballingschap leven als aan onwankelbare hoop op herstel.

Maar misschien geeft psalm 137 ook een belangrijke les over vergeving en verzoening. Hoewel het rauwe emoties en verlangens naar vergelding tegen vijanden bevat, moedigt het uiteindelijk gelovigen aan om op Gods ultieme gerechtigheid te vertrouwen in plaats van het heft in eigen handen te nemen.

Hoe je psalm 137 ook leest, één ding blijft duidelijk: deze psalm nodigt ons uit uit om te worstelen met complexe menselijke emoties terwijl ze troost zoeken in Gods vrijheid of soevereiniteit over alle omstandigheden.

Het dwingt ons na te denken over onze eigen ervaringen met pijn, verdriet en onrechtvaardigheid.

De schrijver van Psalm 137 leert ons dat we onze gevoelens mogen uiten voor God. De psalmist schuwt het niet om hun woede en hun verlangen naar gerechtigheid te uiten.

Daarbij leren ze ons dat het oké is om onze rauwe emoties voor God te brengen, wetende dat Hij ons geschreeuw hoort en begrijpt. Bovendien ligt de toepassing van Psalm 137 in het begrijpen ervan oproep tot meeleven en mededogen tegenover hen die lijden. Als gelovigen zijn we geroepen om naast hen te staan

Maar leren we uit deze psalm dat zelfs te midden van lijden of gevoelens van onrechtvaardigheid, God onze kreten, de kreten van u, jou en mij, ook nu, hoort en troost biedt in tijden van nood.

Als dat geen zegen is.

Psalm 137 -3-: Over zingen door je tranen heen gesproken

Klacht van de Joden in Babel

1 Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij,
ook weenden wij als wij aan Sion dachten.

2 Wij hadden onze harpen gehangen
aan de wilgen die daarbinnen zijn.

3 Toen zij die ons gevangenhielden, daar woorden van een lied van ons verlangden,
en Ps. 79:1wie ons omvergeworpen hadden, blijdschap:
Zing voor ons een van de liederen van Sion!

4 zeiden wij: Hoe zouden wij een lied van de HEERE zingen
in een vreemd land?

Over zingen door je tranen heen gesproken
Vandaag willen we een begin maken met een meer inhoudelijke bespreking van de Psalm. Psalm 137 is geschreven na de terugkeer van een overblijfsel van Israël uit de Babylonische ballingschap in het beloofde land. De Godvrezende Jood kijkt op die periode terug en uit daarover zijn gevoelens.

Profetisch zien we dat in het Loofhuttenfeest, het laatste feest van Leviticus 23. Dit feest wijst naar het vrederijk. Terwijl ze in het land wonen, herdenken ze in dit feest de woestijnreis, waaronder het wonen in loofhutten, dat spreekt van de tenten (Lv 23:43). Zo kijkt ook het overblijfsel dat onder leiding van Zerubbabel uit de ballingschap naar het land is teruggekeerd, terug naar de ballingschap. Zo zullen de teruggekeerde twaalf stammen terugkijken naar hun ballingschap.

Vers 1 geeft de omstandigheden aan waaronder de psalm is gedicht en maakt daardoor duidelijk wat de aanleiding tot het dichten ervan is. De psalmist schrijft de eerste vier verzen in de “wij”-vorm. Hij vertegenwoordigt het in ballingschap gevoerde volk die in hun hart een onophoudelijk heimwee naar Sion ofwel Jeruzalem hadden.

Veel van de ballingen hadden zich aangepast aan het leven in Babel en hadden geen verlangen om naar Jeruzalem terug te gaan toen daarvoor de mogelijkheid geboden werd. En laten we maar eerlijk zijn: Ook in de dagen die wij beleven zien we dat. Hoeveel joden zijn er niet die geen verlangen hebben om naar het door God gegeven land terug te keren. Er ging slechts een klein aantal Joden terug. De profeet Jeremia had hen wel aangemoedigd zich daar te vestigen, echter niet met de bedoeling daar voor altijd te blijven wonen, maar totdat de tijd, die God voor deze tucht had bepaald, voorbij zou zijn (Jr 29:4-7,10).

Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël, tegen alle ballingen die Ik uit Jeruzalem naar Babel in ballingschap heb gevoerd:

5 Bouw huizen en woon erin, leg tuinen aan en eet de vrucht ervan,

6 neem vrouwen en verwek zonen en dochters, neem vrouwen voor uw zonen en geef uw dochters aan mannen, zodat zij zonen en dochters baren. Word daar talrijk en verminder niet in aantal.

7 Zoek de vrede voor de stad waarheen Ik u in ballingschap heb gevoerd. Bid ervoor tot de HEERE, want in haar vrede zult u vrede hebben.

10 Want zo zegt de HEERE: Voorzeker, pas wanneer zeventig jaren in Babel voorbij zijn, zal Ik naar u omzien en over u Mijn goede woord gestand doen, door u terug te brengen naar deze plaats.

De psalmist beschrijft het lot van de ballingen die door koning Nebukadnezar waren weggevoerd. Ze herinneren zich dat ze aan de rivieren van Babel zaten (Ezechiel 1:1; 3:15).

Berooid, uitgeput en diep verdrietig rustten zij, na de lange wandeling uit het beloofde land, uit aan de vele waterkanalen die Babel rijk is. Ze kwamen daar samen met hun volksgenoten en spraken over Sion. Als zij daaraan dachten, kwamen de tranen van verdriet tevoorschijn. Sion was voor hen het centrum. Daar draaide het om in hun leven. Daar gingen ze elk jaar drie keer heen en beleefden daar een intense vreugde in de tegenwoordigheid van God.

En nu, daar in dat verre en goddeloze land, daar aan de rivier, verlangden de Babyloniërs van hen blijdschap, zoals we lezen in vers 3 met de woorden: Zing voor ons een van de liederen van Sion! Verdriet overmande hen want: Hoe zouden wij een lied van de HEERE zingen in een vreemd land?

En als zij aan Sion, Jeruzalem dachten, dan werden zij overmand door verdriet en pijn. Het centrum van Gods aanwezigheid, de tempel was door deze Babyloniërs totaal verwoest en met de grond gelijk gemaakt. Hoe zouden ze daar in dit vreemde land met blijdschap zoals de Babyloniërs van hen verlangden, kunnen zingen. Voel je iets van de spot van het verzoek van de Babyloniërs? Zeker wanneer we ons herinneren dat juist deze twee steden, Babel en Jeruzalem in geestelijke zin twee tegenpolen zijn. Babel vertegenwoordigd alles wat tegen JHWH is, terwijl Jeruzalem de stad van JHWH is, waar Hij woont? Het verzoek van de Babyloniërs was niet zomaar een verzoek om bij wijze van spreken een liedje te zingen, maar met de achtergrond die ik zojuist aanhaalde een barbaars, goddeloos en onmogelijk verzoek. Daar zaten zij dan, aan de rivieren van Babel.

Maar de God van Israel vergat hen niet, want we lezen, terwijl zij daar zitten in Ezechiel 1 het hoopgevende woord:

In het dertigste jaar, in de vierde maand, op de vijfde van de maand, toen ik te midden van de ballingen aan de rivier de Kebar was, gebeurde het dat de hemel geopend werd en ik visioenen van God kreeg te zien.

Kijk, Gods volk is nooit zonder hoop. Ook al zien zij het misschien niet altijd. Maar in de diepste diepte, daar in dat goddeloze land gebeurde het dat de hemel geopend werd. Ja, Hij met een hoofdletter is er nog en laat zijn geliefde Israel niet in de steek. Er is hoop, hoop voor de toekomst. Altijd.

Maar mag ik het ook eens toepassen in ons eigen leven? Ook wij kunnen al of niet door onze eigen ongehoorzaamheid op een plaats terecht komen waar we diep en diep verdrietig zijn en bij wijze van spreken ook onze harpen maar aan de wilgen hangen. Blijdschap en van vreugde opspringen om een lied over de HEERE te zingen lukt niet meer. Maar put dan hoop uit deze geschiedenis. Onze situatie kan zo beroerd niet zijn of de Heere God ziet je en op Zijn tijd zal de hemel open gaan en Hij Zichzelf aan ons bekend maken. Zie hier ben Ik. Hoe ik dat zo zeker weet? Gewoon, omdat Hij zegt dat Hij gisteren en heden Dezelfde is. Ton in der eeuwigheid. Er is hoop, hoop voor de toekomst.

Als dat geen zegen is.

In de nacht van strijd en zorgen
Kijken wij naar U omhoog
Biddend om een nieuwe morgen
Om een toekomst vol van hoop

Ook al zijn er duizend vragen
Al begrijpen wij U niet
U blijft ons met liefde dragen
U die alles overziet

U geeft een toekomst vol van hoop
Dat heeft U aan ons beloofd
Niemand anders, U alleen
Leidt ons door dit leven heen

U heeft ons geluk voor ogen
Jezus heeft het ons gebracht
Mens, als wij, voor ons gebroken
In de allerzwartste nacht

U geeft een toekomst vol van hoop
Dat heeft U aan ons beloofd
Niemand anders, U alleen
Leidt ons door dit leven heen

U bent God, de Allerhoogste
God van onbegrensde macht
Wij geloven en wij hopen
Op het einde van de nacht

U geeft een toekomst vol van hoop
Dat heeft U aan ons beloofd
Niemand anders, U alleen
Leidt ons door dit leven heen

Psalm 137 -4-: Over verlangen gesproken

Psalm 137 -4-

1 Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij,
ook weenden wij als wij aan Sion dachten.

2 Wij hadden onze harpen gehangen
aan de wilgen die daarbinnen zijn.

3 Toen zij die ons gevangenhielden, daar woorden van een lied van ons verlangden,
en wie ons omvergeworpen hadden, blijdschap:
Zing voor ons een van de liederen van Sion!

4 zeiden wij: Hoe zouden wij een lied van de HEERE zingen
in een vreemd land?

5 Als ik u vergeet, Jeruzalem,
laat dan mijn rechterhand zichzelf vergeten.

6 Laat mijn tong vastkleven aan mijn gehemelte,
als ik niet aan u denk,
als ik Jeruzalem niet doe uitstijgen
boven mijn hoogste blijdschap.

Over verlangen gesproken
We maken vandaag weer een stapje in de Psalm en denken na over de verzen 5 en 8 waar gesproken wordt over Jeruzalem. De psalmist wordt nu persoonlijk. Na het gebruik van “ons” in de vorige verzen spreekt hij nu in de “ik”-vorm. Hij legt zijn diepste zielenroerselen bloot. Hij spreekt niet tot de soldaten die hem bewaakten, nee, hij spreekt nu persoonlijk rechtstreeks tot Jeruzalem (vers 5). Niet meer over Jeruzalem zingen is één ding, Jeruzalem vergeten en er niet meer aan denken is wat anders.

De Godvrezende maakt heel duidelijk hoe zijn hart verknocht is aan Jeruzalem. Als het ooit mocht gebeuren dat hij Jeruzalem vergeet, dan moet zijn rechterhand maar verdorren en krachteloos worden, zodat hij nooit meer de harp kan bespelen. Hij wil hiermee maar zeggen dat het onmogelijk is dat hij Jeruzalem vergeet.

Ook in zijn gedachten is hij altijd met Jeruzalem bezig (vers 6). Aan Jeruzalem denken betekent het beleven van de allerhoogste blijdschap. Jeruzalem stijgt uit boven alles wat iemand blij kan maken. Als het ooit mocht gebeuren dat hij niet aan Jeruzalem denkt, dan moet zijn tong maar vastkleven aan zijn gehemelte. Dan zal hij nooit meer de prachtige liederen over Sion zingen en zich over de HEERE kunnen uiten. Hij wil hiermee maar zeggen dat het onmogelijk is dat hij niet aan Jeruzalem denkt. Jeruzalem vult zijn hart en zijn gedachten. Zijn hele leven draait om die stad.

Tsja, voor ons is het misschien moeilijk voor te stellen, dat verlangen naar Jeruzalem. Ik kan mij tenminste maar moeilijk voor stellen dat ik in een dergelijke situatie in die bewoordingen zou nadenken over Amsterdam. Maar misschien is het niet zozeer de stad Jeruzalem zelf, maar het feit dat de God van Israel in Jeruzalem zijn woning had gebouwd. Zou het niet zo kunnen zijn dat het volk daar in Babel, hartstochtelijk verlangden naar zijn aanwezigheid?

Ik moest daar aan denken toen ik Psalm 84 las waarin de dichter van de Psalm zijn verlangen naar het heiligdom in woorden uitdrukt:

1Voor de koorleider, op ‘De Gittith’; een psalm, van de zonen van Korach.

2Hoe lieflijk zijn Uw woningen,
HEERE van de legermachten.

  1. Mijn ziel verlangt, ja, bezwijkt zelfs van verlangen
    naar de voorhoven van de HEERE;
    mijn hart en mijn lichaam
    roepen het uit tot de levende God.

4 Zelfs vindt de mus een huis
en de zwaluw haar nest,
waarin zij haar jongen legt:
bij Uw altaren,
HEERE van de legermachten,
mijn Koning en mijn God.

5 Welzalig zijn zij die in Uw huis wonen,
zij loven U voortdurend. Sela

6Welzalig de mens van wie de kracht in U is
– in hun hart zijn de gebaande wegen.

7Gaan zij door het dal van de moerbeibomen,
dan maken zij God tot hun bron;
ook zal de regen hen overvloedigovervloedig -

8Zij gaan voort van kracht tot kracht,
zij zullen verschijnen voor God in Sion.

9HEERE, God van de legermachten, luister naar mijn gebed,
neem het ter ore, o God van Jakob. Sela

10O God, ons schild, zie
en aanschouw het aangezicht van Uw gezalfde.

11Want één dag in Uw voorhoven
is beter dan duizend elders;
ik verkoos liever te staan op de drempel van het huis van mijn God
dan lang te wonen in de tenten van de goddeloosheid.

12Want God, de HEERE,
is een zon en een schild,
de HEERE zal genade en eer geven,
Hij zal het goede niet onthouden
aan hen die in oprechtheid hun weg gaan.

13HEERE van de legermachten,
welzalig de mens die op U vertrouwt.

Tsja, wat een verlangen he, als we lezen:

3. Mijn ziel verlangt, ja, bezwijkt zelfs van verlangen
naar de voorhoven van de HEERE;
mijn hart en mijn lichaam
roepen het uit tot de levende God.

Ik weet niet wat deze woorden met u doen. Maar bij mij roepen ze een soort van heimwee op. Een verlangen om meer en meer in Gods aanwezigheid te leven. Want, welzalig de mens die op U vertrouwt.

Als dat geen zegen is.

Christian Verwoerd zingt over dit verlangen:

De heldere lucht boven de bergen
De geur van cederhout
Wordt door de zachte wind gedragen
Daar rond die stad van goud

De stenen liggen kaal te rusten
Zij zien al eeuwenlang
Hoe mensen deze stad begeren
De pelgrim droomt hiervan

Jeruzalem, oh stad van goud
De stad die God herstelt en bouwt
Ik zal jou nooit, nee, nooit vergeten

Psalm 137 -5-: Over Jeruzalem, de stad van de grote Koning, gesproken -1-

Psalm 137 -5-

1 Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij,
ook weenden wij als wij aan Sion dachten.

2 Wij hadden onze harpen gehangen
aan de wilgen die daarbinnen zijn.

3 Toen zij die ons gevangenhielden, daar woorden van een lied van ons verlangden,
en wie ons omvergeworpen hadden, blijdschap:
Zing voor ons een van de liederen van Sion!

4 zeiden wij: Hoe zouden wij een lied van de HEERE zingen
in een vreemd land?

5 Als ik u vergeet, Jeruzalem,
laat dan mijn rechterhand zichzelf vergeten.

6 Laat mijn tong vastkleven aan mijn gehemelte,
als ik niet aan u denk,
als ik Jeruzalem niet doe uitstijgen
boven mijn hoogste blijdschap.

Over Jeruzalem, de stad van de grote Koning, gesproken -1-
De voorgaande keer maakte ik de vergelijking tussen Jeruzalem en Amsterdam in het kader van het verlangen naar je herkomst wanneer je bent verbannen naar een ver land. Maar eigenlijk is dat een onvergelijkbare vergelijking natuurlijk. Want wat zouden Amsterdam en Jeruzalem met elkaar gemeen hebben. Jeruzalem is de woonplaats van de Heere God. En dat kunnen we van Amsterdam bepaald niet zeggen. In Bijbelse termen heeft die stad meer verwantschap met het goddeloze Babel. De plaats waar de Psalm over spreekt.

Dat brengt mij er toe om wat langer stil te staan bij Jeruzalem om zo het verlangen van de weggevoerde Joden in Babel naar de stad beter te leren begrijpen.

Hoewel de betekenis van de naam Jeruzalem niet helemaal duidelijk is kunnen we wel vaststellen dat De naam Jeruzalem komt van Jeru = vastzetten, grondvesten en shalem = het vredige, volkomene. Dus: de plaats/stad waar de vrede, het volkomene is gegrondvest, oftewel: stad/hut/woning/fundament van de vrede. Te denken valt aan Jesaja 28 vers 16 waar we lezen;

Ik leg in Sion een steen ten grondslag,
een beproefde steen,
een kostbare hoeksteen, die vast gegrondvest is.
Wie gelooft, zal zich niet weghaasten.

In de Bijbel wordt de stad met vijf namen genoemd. Drie keer vóór de komst van de Messias en tweemaal in de tijd van Zijn wederkomst. In de periode daartussenin komen we nog twee namen tegen.

Zo’n 4000 jaar geleden had Abram een ontmoeting met Melchizedek, die in Genesis 14:18 de koning van Salem genoemd wordt. Hij was een priester van God, de Allerhoogste en zegende Abram en zijn nageslacht. De meeste (Joodse) Schriftonderzoekers gaan ervan uit dat Salem dezelfde plaats is als het latere Jeruzalem. Dit lijkt door Asaf bevestigd te worden in een van zijn psalmen: “God is bekend in Juda, Zijn Naam is groot in Israël. In Salem is Zijn hut, en Zijn woning in Sion” (Ps. 76:1-2).

Salem betekent: vrede. En de naam Melchizedek: koning van de gerechtigheid. Heel typerend eigenlijk want gerechtigheid en vrede horen bij Degene van wie Melchizedek een schaduwbeeld is: de Koning der koningen en Heere der heren. Psalm 85:11 spreekt over de grondslagen van Zijn heerschappij: “Goedertierenheid en trouw ontmoeten elkaar, gerechtigheid en vrede kussen elkaar.”

Even tussendoor: Ook Den Haag heeft zichzelf benoemd tot stad van vrede en recht, maar laten we dat maar scharen onder de spreekwoordelijke Haagse bluf. Maar in wezen is het natuurlijk, wanneer de bedenkers hiervan de Schrift beter hadden gelezen, zich beter drie keer hadden kunnen bedenken.

Jesaja spreekt ook over die vrede en gerechtigheid als hij de komst van de Messias aankondigt. We lezen daarvan in Jesaja 9 vers 5 en 6:

Want een Kind is ons geboren,
een Zoon is ons gegeven,
en de heerschappij rust
op Zijn schouder.
En men noemt Zijn Naam
Wonderlijk, Raadsman,
Sterke God,
Eeuwige Vader,
Vredevorst.

6 Aan de uitbreiding van deze heerschappij
en aan de vrede zal geen einde komen
op de troon van David
en over zijn koninkrijk,
om het te grondvesten
en het te ondersteunen
door recht en gerechtigheid,
van nu aan tot in eeuwigheid.
De na-ijver van de HEERE van de legermachten
zal dit doen.

In hoofdstuk 32:17 zegt de profeet over de Koning die ooit zal regeren: “De vrucht van de gerechtigheid zal vrede zijn, en de uitwerking van de gerechtigheid: rust en veiligheid tot in eeuwigheid.”

De naam ‘Jeruzalem’ wordt in de Bijbel voor het eerst genoemd in Jozua 10:1. We lezen daar:
Het gebeurde, toen Adoni-Zedek, de koning van Jeruzalem, gehoord had dat Jozua Ai ingenomen en het met de ban geslagen had, en met Ai en zijn koning hetzelfde gedaan had als hij met Jericho en zijn koning gedaan had, dat de inwoners van Gibeon vrede met Israël gesloten hadden en in hun midden verbleven, dat zij zeer bevreesd werden.

Misschien lezen we er zo maar overheen, maar in Gods Woord staat er nooit iets zomaar voor niets. Zo wordt hier Adoni-Zedek, de koning van Jeruzalem genoemd. Zijn naam bestaat uit twee deken: Adoni, waarin we het woord Adonai horen doorklinken, hetgeen ‘Heer’ betekend, en het Hebreeuwse woord ‘Zedek’ hetgeen we kunnen vertalen met ‘rechtvaardig’ of ‘gerechtigheid’. Op deze manier kunnen we lezen: Adoni-Zedek: Mijn Meester, mijn Heere is rechtvaardig of Mijn meester is gerechtigheid. En Hij is Koning van Jeruzalem. Hoe bijzonder rijk is het Woord van God. Over schatgraven in het Woord gesproken. Met welk een geweldige God hebben wij niet te maken. Met een God van rechtvaardigheid en recht. Waar vind je in de wereld verder zo’n God? Nergens toch? Wat zijn wij dan, wanneer we hem kennen, ongelooflijk bevoorrecht.

Als dat geen zegen is.

De Joodse zanger Yaakov Shwekey zingt 'Im Eshkachech Yerushalayim'. De tekst van het lied is ontleend aan Ps. 137:5-6:

5 Als ik u vergeet, Jeruzalem,
laat dan mijn rechterhand zichzelf vergeten.

6 Laat mijn tong vastkleven aan mijn gehemelte,
als ik niet aan u denk,
als ik Jeruzalem niet doe uitstijgen
boven mijn hoogste blijdschap.

Psalm 137 -6-: Over Jeruzalem, de stad van de grote Koning, gesproken -2-

1 Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij,
ook weenden wij als wij aan Sion dachten.

2 Wij hadden onze harpen gehangen
aan de wilgen die daarbinnen zijn.

3 Toen zij die ons gevangenhielden, daar woorden van een lied van ons verlangden,
en wie ons omvergeworpen hadden, blijdschap:
Zing voor ons een van de liederen van Sion!

4 zeiden wij: Hoe zouden wij een lied van de HEERE zingen
in een vreemd land?

5 Als ik u vergeet, Jeruzalem,
laat dan mijn rechterhand zichzelf vergeten.

6 Laat mijn tong vastkleven aan mijn gehemelte,
als ik niet aan u denk,
als ik Jeruzalem niet doe uitstijgen
boven mijn hoogste blijdschap.

Over Jeruzalem, de stad van de grote Koning, gesproken -2-
We denken weer wat verder na over Jeruzalem, de stad waarvan de bannelingen in Babel over zongen:

5 Als ik u vergeet, Jeruzalem,
laat dan mijn rechterhand zichzelf vergeten.

6 Laat mijn tong vastkleven aan mijn gehemelte,
als ik niet aan u denk,
als ik Jeruzalem niet doe uitstijgen
boven mijn hoogste blijdschap.

in het voorgaande stonden we stil bij een andere naam van Jeruzalem, de  naam Salem, waar Adoni-Zedek koning over was. Adoni-Zedek waarvan we ontdekten dat zijn naam: Mijn Meester, mijn Heere is rechtvaardig of Mijn meester is gerechtigheid betekend.

Verderop in het boek Jozua lezen we over Jebus of Jebusi (18:28). Er hoeft geen twijfel over te bestaan dat dit Jeruzalem is, want dat wordt in een aantal teksten gewoon gezegd. Bijvoorbeeld in Richt. 19:10 waar we lezen:

De man wilde echter niet blijven overnachten, maar stond op en ging weg. En hij kwam tot bij Jebus (dat is Jeruzalem) met het span gezadelde ezels. Zijn bijvrouw was ook bij hem.

Jebus betekent: dorsvloer en behoorde tot het erfdeel van Benjamin. De Jebusieten waren de oorspronkelijke bewoners van Jeruzalem voordat David de stad veroverde en tot hoofdstad van Israël maakte.

Jebus betekent ‘dorsvloer’. En dat woordje dorsvloer deed mij denken aan de geschiedenis die we lezen in Mattheus 3 waar we Jezus bij wijze van spreken de dorsvloer zien betreden. En laten we voor het verband deze hele geschiedenis met elkaar lezen in Mattheus 3:

1 In die dagen trad Johannes de Doper op en hij predikte in de woestijn van Judea,
2. en zei: Bekeer u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.
3 van iemand die roept in de woestijn: Maak de weg van de Heere gereed, maak Zijn paden recht.
4 Deze Johannes had kleding van kameelhaar en een leren gordel om zijn middel; zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honing.
5 Toen liep Jeruzalem, heel Judea en heel het land rondom de Jordaan naar hem uit,
6 en zij werden door hem gedoopt in de Jordaan, terwijl zij hun zonden beleden.
7 Toen hij velen van de Farizeeën en Sadduceeën op zijn doop zag afkomen, zei hij tegen hen: Adderengebroed! Wie heeft u laten weten dat u moet vluchten voor de komende toorn?
8 Breng dan vruchten voort in overeenstemming met de bekering,
9 en denk niet dat u bij uzelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham als vader; want ik zeg u dat God zelfs uit deze stenen voor Abraham kinderen kan verwekken.
10 De bijl ligt zelfs al aan de wortel van de bomen; elke boom dan die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen.
11 Ik doop u wel met water tot bekering, maar Hij Die na mij komt, is sterker dan ik; ik ben het niet waard Hem Zijn sandalen na te dragen. Hij zal u dopen met de Heilige Geest en met vuur.
12 Zijn wan is in Zijn hand en Hij zal Zijn dorsvloer grondig reinigen en Zijn tarwe in de schuur verzamelen en Hij zal het kaf met onuitblusbaar vuur verbranden.

(En vervolgens zien wij dan dat Jezus de dorsvloer als het ware komt betreden, wanneer we lezen:)

  1. Toen kwam Jezus van Galilea naar de Jordaan, naar Johannes, om door hem gedoopt te worden.
    14 Maar Johannes wilde Hem hiervan weerhouden en zei: Ik heb het nodig door U gedoopt te worden, en komt U naar mij?
    15 Maar Jezus antwoordde hem en zei: Laat het nu gebeuren, want op deze wijze past het ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij het Hem toe.
    16 En nadat Jezus gedoopt was, kwam Hij meteen op uit het water; en zie, de hemelen werden voor Hem geopend, en Hij zag de Geest van God als een duif neerdalen en op Zich komen.
    17 En zie, een stem uit de hemelen zei: Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb!

Dan nog even dit. Zo’n 4000 jaar geleden had Abram een ontmoeting met Melchizedek, die in Genesis 14:18 de koning van Salem genoemd wordt. Hij was een priester van God, de Allerhoogste en zegende Abram en zijn nageslacht. De meeste (Joodse) Schriftonderzoekers gaan ervan uit dat Salem dezelfde plaats is als het latere Jeruzalem. Dit lijkt door Asaf bevestigd te worden in een van zijn psalmen: “God is bekend in Juda, Zijn Naam is groot in Israël. In Salem is Zijn hut, en Zijn woning in Sion” (Ps. 76:1-2).

Salem betekent: vrede. En de naam Melchizedek: koning van de gerechtigheid. Daar hebben we het opnieuw, net zoals bij die andere koning: Adoni-Zedek wiens naam eveneens koning , meester of heer van gerechtigheid betekend zoals we eerder zagen. Heel typerend eigenlijk want gerechtigheid en vrede horen bij Degene van wie Melchizedek een schaduwbeeld is: de Koning der koningen en Heere der heren.
Psalm 85:11 spreekt over de grondslagen van Zijn heerschappij: “Goedertierenheid en trouw ontmoeten elkaar, gerechtigheid en vrede kussen elkaar.”

Jesaja spreekt ook over die vrede en gerechtigheid als hij de komst van de Messias aankondigt (Jes. 9:5-6).

Want een Kind is ons geboren,
een Zoon is ons gegeven,
en de heerschappij rust
op Zijn schouder.
En men noemt Zijn Naam
Wonderlijk, Raadsman,
Sterke God,
Eeuwige Vader,
Vredevorst.

Aan de uitbreiding van deze heerschappij
en aan de vrede zal geen einde komen
op de troon van David
en over zijn koninkrijk,
om het te grondvesten
en het te ondersteunen
door recht en gerechtigheid,
van nu aan tot in eeuwigheid.
De na-ijver van de HEERE van de legermachten
zal dit doen.

In hoofdstuk 32:17 zegt de profeet over de Koning die ooit zal regeren: “De vrucht van de gerechtigheid zal vrede zijn, en de uitwerking van de gerechtigheid: rust en veiligheid tot in eeuwigheid.”

Als dat geen zegen is.

Psalm 137 -7-: Over Jeruzalem, de stad van de grote Koning, gesproken -3-

1 Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij,
ook weenden wij als wij aan Sion dachten.

2 Wij hadden onze harpen gehangen
aan de wilgen die daarbinnen zijn.

3 Toen zij die ons gevangenhielden, daar woorden van een lied van ons verlangden,
en wie ons omvergeworpen hadden, blijdschap:
Zing voor ons een van de liederen van Sion!

4 zeiden wij: Hoe zouden wij een lied van de HEERE zingen
in een vreemd land?

5 Als ik u vergeet, Jeruzalem,
laat dan mijn rechterhand zichzelf vergeten.

6 Laat mijn tong vastkleven aan mijn gehemelte,
als ik niet aan u denk,
als ik Jeruzalem niet doe uitstijgen
boven mijn hoogste blijdschap.

Over Jeruzalem, de stad van de grote Koning, gesproken -3-
We denken weer opnieuw na naar aanleiding van de laatste verzen:

5 Als ik u vergeet, Jeruzalem,
laat dan mijn rechterhand zichzelf vergeten.

6 Laat mijn tong vastkleven aan mijn gehemelte,
als ik niet aan u denk,
als ik Jeruzalem niet doe uitstijgen
boven mijn hoogste blijdschap.

In het voorgaande dachten we na over twee andere namen die we in de Schrift voor Jeruzalem vinden: Jebus en Salem. Beiden door Adoni-Zedek en Melchizedek, die in alleen al in hun naamgeving Koning van vrede en gerechtigheid betekenen. Hoe onvoorstelbaar rijk is het Woord van God. Wie anders kan de geschiedenis van de schepping zo geschreven en ingeregeld hebben dan de God van hemel en aarde! Wat een wijsheid zien we hier al in!

Vandaag willen we stilstaan bij opnieuw een andere naam voor Jeruzalem of Yerushalayim, namelijk Sion.

Dit is wel de bekendste naam voor Jeruzalem. Sion betekent: verdroogd, verdord; mogelijk ook: vesting, versterkte plaats of burcht.

Het is oorspronkelijk de naam van de zuidoostelijke berg in Jeruzalem, waarop 'de stad van David' was gebouwd (2 Sam. 5:7; 1 Kron. 11:5; Mich. 3:10,12). Later werd 'Sion' de naam van de stad Jeruzalem zelf. Er zou over Sion als plaatsbepaling heel veel te zeggen zijn, maar dat valt wat buiten het kader van deze overdenkingen.

Eigenlijk is Sion de aanduiding voor de heuvel waarop Jeruzalem is gebouwd, de ‘berg Sion’: “De HEERE is groot en zeer te prijzen, in de stad van onze God, op Zijn heilige berg. Mooi van ligging, een vreugde voor heel de aarde, is de berg Sion aan de noordzijde, de stad van de grote Koning!” (Ps. 48:2-3).

Sion, de stad van David, en Jeruzalem worden dikwijls in één adem genoemd, zoals in Psalm 135: “Geloofd zij de HEERE vanuit Sion, Hij Die in Jeruzalem woont. Halleluja!” (vs. 21). De namen worden afwisselend gebruikt, ook in het talloze profetieën. Profetisch gezien is Sion de aanduiding van de plaats waar de HEERE, JHWH, Zijn heilige Naam zal vestigen, waar Hij Zijn koningschap en al Zijn heerlijkheid zal openbaren.

Jesaja 2 bijvoorbeeld beschrijft de toekomstige status van de stad, in de tijd dat het beloofde Koninkrijk op aarde gevestigd zal zijn: “Vele volken zullen gaan en zeggen: Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE, naar het huis van de God van Jakob; dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen, en zullen wij Zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van de HEERE uit Jeruzalem” (vs. 3). Prachtig vooruitzicht!

Sommigen gaan jammer genoeg totaal aan deze woorden voorbij, maar het zou goed zijn aandacht aan deze woorden te geven. Of het vooruitzicht wat door de Profeet Jesaja wordt voorzegt wordt vergeestelijkt of gezien als een soort van sprookje. Denk je nu echt dat God terugkomt en vanuit Jeruzalem zal regeren?

Maar weet je, die mensen kennen de geschiedenis niet, want Sion is de plaats waar God al eerder woonde:

In Jesaja 8:18 lezen we: Ziet, ik en de kinderen, die mij de HEERE gegeven heeft, zijn tot tekenen en tot wonderen in Israël, van den HEERE der heirscharen, Die op den berg Sion woont. (SV)

En in Psalm 76 lezen we:
2 God is bekend in Juda,
Zijn Naam is groot in Israël.
3 In Salem is Zijn hut,
en Zijn woning in Sion.
4 Daar brak Hij de vurige pijlen van de boog,
het schild, het zwaard en de strijd.

Lieve mensen, laat je niks wijs maken dat iets niet kan. Dat de God van hemel en aarde niet in Jeruzalem zou kunnen wonen. En vandaaruit de wereld zou kunnen regeren. In de tijd waarin wij leven wordt er een bloedige strijd geleverd tussen het Palestijnse volk en de Joden die beiden aanspraak willen maken op Jeruzalem. Maar met alle eerbied gesproken, waar twee honden vechten om een been, gaat de Derde, met een hoofdletter geschreven er mee hoon want lezen we: De berg Sion is de berg van Gods heiligheid of de berg van Gods heiligdom. God spreekt, doelend op de berg Sion, van 'de berg van Mijn heiligheid' (of 'van Mijn heiligdom').

En in Ps 2:6  Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid. (SV)

Jes 11:9  Men zal nergens leed doen noch verderven op de ganse berg Mijner heiligheid; want de aarde zal vol van kennis des HEEREN zijn, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken. (SV)

In de toekomst zal Sion gekend worden als de berg van Gods heiligheid, de woonplaats van God op aarde. Op de dag van JHWH zal Hij vanaf Sion brullen als een leeuw.

We lezen in Joel 3:16 tot 21:
16 De HEERE zal vanaf Sion brullen als een leeuw,
vanuit Jeruzalem zal Hij Zijn stem laten klinken,
zodat hemel en aarde zullen beven.
Maar de HEERE is een toevlucht voor Zijn volk
en een vesting voor de Israëlieten.

17 Dan zult u weten dat Ik, de HEERE, uw God ben,
Die op Sion, Mijn heilige berg, woont.
Jeruzalem zal een heiligdom zijn
en vreemden zullen er niet meer doorheen trekken.

18 Op die dag zal het gebeuren
dat de bergen van jonge wijn zullen druipen,
de heuvels van melk zullen stromen,
en alle waterstromen van Juda
zullen overlopen van water.
Een bron zal uit het huis van de HEERE ontspringen,
die het dal van Sittim zal bevochtigen.

19 Egypte zal worden tot een woestenij,
Edom zal worden tot een woeste wildernis
vanwege het geweld tegen de Judeeërs:
in hun land hebben zij onschuldig bloed vergoten.

20 Maar Juda zal voor eeuwig blijven,
Jeruzalem van generatie op generatie.

21 Ik zal hun bloed voor onschuldig houden,
dat Ik niet voor onschuldig gehouden had.
En de HEERE zal wonen in Sion.

Zie je wel, er is niets nieuws onder de zon; Salomo zei het al. En die kon het weten zullen we maar zeggen. Hij schreef daar:

Wat er geweest is, dat zal er weer zijn.
Wat er plaatsvindt, dat zal weer plaatsvinden.
Er is niets nieuws onder de zon.

Is er iets waarvan men kan zeggen:
Kijk eens, dat is nieuw?
In de eeuwen die voor ons geweest zijn,
is het er al geweest.

Dat zouden meer mensen moeten weten, toch? Juist ook bij het lezen in de Schrift, waarin ons steeds opnieuw patronen worden ontwikkeld en duidelijk worden gemaakt met betrekking tot de geschiedenis en nabije toekomst.

Tenslotte nog dit: Uit Sion, uit Jeruzalem zal de wet uitgaan:

Jes 2:3  En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot den berg des HEEREN, tot het huis van den God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des HEEREN woord uit Jeruzalem.

Als dat geen zegen is.

Psalm 137 -8-: Over Jeruzalem, de stad van de grote Koning, gesproken -4-

1 Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij,
ook weenden wij als wij aan Sion dachten.

2 Wij hadden onze harpen gehangen
aan de wilgen die daarbinnen zijn.

3 Toen zij die ons gevangenhielden, daar woorden van een lied van ons verlangden,
en wie ons omvergeworpen hadden, blijdschap:
Zing voor ons een van de liederen van Sion!

4 zeiden wij: Hoe zouden wij een lied van de HEERE zingen
in een vreemd land?

5 Als ik u vergeet, Jeruzalem,
laat dan mijn rechterhand zichzelf vergeten.

6 Laat mijn tong vastkleven aan mijn gehemelte,
als ik niet aan u denk,
als ik Jeruzalem niet doe uitstijgen
boven mijn hoogste blijdschap.

Over Jeruzalem, de stad van de grote Koning, gesproken -4-
Ook nu weer willen we nadenken over Jeruzalem, de stad van de grote Koning met elkaar nadenken. Na de verwoesting van Jeruzalem door de Babyloniërs en de daarop volgende herbouw door Ezra en Nehemia, zijn er in de geschiedenis nog nagenoeg talloze oorlogen gevoerd om de door God begeerde residentie. In de geschiedenis zijn er talrijke perioden geweest waarin Jeruzalem herbouwd en vernietigd zijn. En in de dagen van vandaag is het al niet anders. Er is geen andere plaats op de aarde die zo betwist wordt dan Jeruzalem en waar bijna dagelijks sprake is van bloedvergieten.

Maar gelukkig betekent die verwoesting niet het einde van Jeruzalems bestaan. Het oordeel van God is geen vernietiging, maar een tuchtiging. Uit de puinhopen zal de HEERE iets nieuws doen verrijzen. De naam Jeruzalem komt van Jeru = vastzetten, grondvesten en shalem = het vredige, volkomene. Dus: de plaats/stad waar de vrede, het volkomene is gegrondvest, oftewel: stad/fundament van de vrede. In Jesaja 28 vanaf vers 16 lezen we:

Daarom, zo zegt,
de Heere HEERE:
Zie, Ik leg in Sion een steen ten grondslag,
een beproefde steen,
een kostbare hoeksteen, die vast gegrondvest is.
Wie gelooft, zal zich niet weghaasten.
Ik stel het recht tot meetlint,
en de gerechtigheid tot paslood.

God Zelf komt in actie en zal Zich ontfermen over wat er van Jeruzalem en Israël is overgebleven:

Want we lezen in Jeremia 30:18 “Zo zegt de HEERE: Zie, Ik ga een omkeer brengen in de gevangenschap van de tenten van Jakob en zal Mij ontfermen over zijn woningen. De stad zal herbouwd worden op haar ruïne en het paleis zal op zijn rechtmatige plaats gelegen zijn”

Zacharia 8:3 “Zo zegt de HEERE: Ik ben naar Sion teruggekeerd en Ik zal midden in Jeruzalem wonen. Jeruzalem zal 'stad van de waarheid' genoemd worden, de berg van de HEERE van de legermachten 'de heilige berg'”.

Ezechiël 36:35-36 “Zij zullen zeggen: Dit land, dat verwoest was, is als de hof van Eden geworden. De steden die verwoest lagen, verwoest en afgebroken, zijn versterkt en bewoond. Dan zullen de heidenvolken die om u heen overgebleven zijn, weten dat Ik, de HEERE, Zelf herbouw wat afgebroken is en beplant wat verwoest is. Ík, de HEERE, heb gesproken en Ik zal het doen”.

De HEERE, de God van Israël, zal in die dagen een machtig werk doen, waaruit voor elk mens in de wereld ook zal blijken dat Hij God is en niemand anders!

In en door Zijn Zoon, Jezus Christus, Yeshua ha Messiach, zal Hij al Zijn zegenrijke beloften vervullen. En als Hij daarmee klaar is en zelfs een compleet nieuwe tempel is verrezen op de daartoe geheiligde plaats (zie Ezech. 40-48), zal Zijn heerlijkheid tot Jeruzalem terugkeren en dan zegt het laatste vers van Ezechiëls profetie: “En de naam van de stad zal vanaf die dag zijn: DE HEERE IS DAAR”, Jahweh Sjammah.

Dan komt Jeruzalem eindelijk definitief op haar plaats van bestemming:
de hoofdstad van het Koninkrijk van Israël en van de wereld
de stad van de grote Koning
een bedevaartsoord der volkeren
het politieke en godsdienstige centrum der wereld
een sierlijke kroon in de hand van de HEERE
stad van de vrede, d.w.z. de stad die rijk is aan heil! (heelmaking)

Ik heb het niet verzonnen hoor, lees het allemaal maar na in bijvoorbeeld Ezechiël 40 tot en met 48.

Bedenk wel dat we het nu gehad hebben over het huidige Jeruzalem dat op deze (oude) aarde haar plaats heeft. God is echter nog meer van plan! Openbaring 21 leert ons dat er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde komt. Een hele nieuwe schepping wordt dan zichtbaar.

Dan is al het oude voorbijgegaan. Er zal dan zelfs een compleet Nieuw Jeruzalem neerdalen uit de hemel van God. Met recht een ‘heilige stad’. Een glorieuze stad van twaalfduizend stadiën (zo’n 2000 kilometer) lang, breed en hoog zal in het midden der aarde de verbinding zijn met de hemel. Dan zal er geen tempel meer zijn, want “de Heere, de almachtige God, is haar tempel, en het Lam” (Openb. 21:22).

Het herstelde Jeruzalem dat straks op deze aarde de hoofdstad der wereld zal zijn, blijkt dus nog maar een afspiegeling te zijn van het Nieuw Jeruzalem, waarin de volle glorie en heerlijkheid van de almachtig God geopenbaard wordt. Dat belooft dus nog wat te worden!

En als dat geen zegen is.

De heldere lucht boven de bergen
De geur van ceder hout
Wordt door de zachte wind gedragen
Daar op die stad van goud

De stenen liggen koud te rusten
Zei zien al eeuwenlang, hoe mensen deze stad begeren
De pelgrim droomt hiervan

Jeruzalem, o stad van goud
De stad die God hersteld en bouwt
Ik zal jou nooit, nee nooit vergeten
Jij bent van mij

Het water stroomt weer uit de bronnen
De pleinen zijn gevuld
Je hoort de show-var bij de tempel, hier word god's woord vervuld
Kom neem van hier de weg nu oostwaarts, richting de dode zee
Langs Jericho daar in de verte, dalen we af, daar heen

Oh, er zijn er veel die jou bezingen
Ik ben maar een van hen
Toch wil ook ik mijn liefde tonen, aan jou met hart en stem
Als ik je naam hoor, ga ik stralen, oh, mooiste woonstad ooit
Ik mag mijn rechter hand vergeten, maar jou vergeet ik nooit

Psalm 137 -9-: Over de Edomieten gesproken

Klacht van de Joden in Babel

1 Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij,
ook weenden wij als wij aan Sion dachten.

2 Wij hadden onze harpen gehangen
aan de wilgen die daarbinnen zijn.

3 Toen zij die ons gevangenhielden, daar woorden van een lied van ons verlangden,
en wie ons omvergeworpen hadden, blijdschap:
Zing voor ons een van de liederen van Sion!

4 zeiden wij: Hoe zouden wij een lied van de HEERE zingen
in een vreemd land?

5 Als ik u vergeet, Jeruzalem,
laat dan mijn rechterhand zichzelf vergeten.

6 Laat mijn tong vastkleven aan mijn gehemelte,
als ik niet aan u denk,
als ik Jeruzalem niet doe uitstijgen
boven mijn hoogste blijdschap.

7 HEERE, denk aan de Edomieten,
aan de dag dat Jeruzalem viel,
toen zij zeiden: Haal neer, haal neer die stad,
tot op haar fundament!

8Dochter van Babel, die verwoest zult worden,
welzalig is hij die u uw misdaad vergelden zal,
die u tegen ons begaan hebt.

9 Welzalig is hij die uw kleine kinderen grijpen
en tegen de rots verpletteren zal.

Over de Edomieten gesproken
Ik denk zomaar dat je niet veel preken gehoord zult hebben over Psalm 137, en mogelijk helemaal niet over het laatst gelezen vers. Het is geen psalm die zich leent voor gemakkelijke preek. Sommige teksten zijn betrekkelijk toegankelijk omdat ze duidelijk nuttig en gemakkelijk toe te passen zijn. Niet Psalm 137. Er staan moeilijke woorden in.

In feite is vers 9 waarschijnlijk het moeilijkste vers in de Psalmen. Het schokt ons. Het is een vers dat sommigen kan doen twijfelen aan de inspiratie van de Bijbel. Hoe kan de Bijbel geïnspireerd worden door een God van liefde als er een vers in staat als: "Hoe gezegend zal degene zijn die uw kinderen grijpt en tegen de rots slaat"? Hoe kan zo'n vers verzoend worden met Jezus' gebod om onze vijanden lief te hebben?

Weet je, en dat is nu juist de strijd die ik in de afgelopen periode heb doorleeft. En eerlijk is eerlijk, heel vaak heb ik de neiging gehad om deze woorden maar te laten staan en door te gaan naar een volgende Psalm. Te moeilijk. Pure weerstand vanwege de verschrikkelijke woorden die je leest en de beelden die onwillekeurig bij je naar boven komen.

Psalm 137 is een van de psalmen die vloekpsalmen worden genoemd. In deze psalmen wordt de auteur (meestal David, hoewel niet in Ps. 137) roept God aan om het oordeel of de straf over zijn vijanden uit te voeren.

Er zijn meer van dit soort psalmen. En laten we eerlijk zijn. Het zijn, de uitspraken waarin de dichter de Heere oproept om Zijn oordelen over de vijanden uit te voeren, ook deze passages die twijfels en vragen oproept. Bij oprechte gelovigen die de bijbel van kaft tot kaft als Gods Woord erkennen. Maar hoeveel te meer ook bij mensen die de Bijbel afwijzen. Want hoe kan het zijn dat Jezus oproep om onze vijanden lief te hebben enerzijds en anderzijds wanneer we lezen tot een oproep om de kinderen te pletter te slaan tegen de rotsen?

Om te beginnen moet ik zeggen dat er simpele oplossing is voor dergelijke psalmen. En daarmee wil ik maar direct zeggen dat alles wat hierna over de psalm gezegd wordt onvolledig is. Het is een poging om tot een verklaring te komen. Met alle lek en gebrek. Er gaan een poging doen.

Er zijn drie benaderingen om deze, maar ook vergelijkbare psalmen en uitspraken de andere psalmen, kunnen volgen:
1. We kunnen ze zien in het licht van Gods voornemens. Gods plan.

  1. We kunnen ze zien in het licht van de houding van de psalmist, en

3 We kunnen ze zien in het licht van de nieuwtestamentische openbaring.

Geen van deze op zichzelf zal een volledig antwoord geven, maar hopelijk zullen alle drie samen in de richting van een oplossing wijzen.

Wanneer we ze zien in het licht van Gods voornemens. Gods plan, dan kunnen we het bezien vanuit het feit dat God zonde, wil en moet straffen en gerechtigheid beloont.


Want God is rechtvaardig en billijk of eerlijk. Hij zou God niet zijn als Hij dat niet was. Omdat God Zichzelf aan Zijn schepping heeft geopenbaard als rechtvaardig en billijk, is het noodzakelijk dat Hij zonde straft en gerechtigheid beloont.

Als mensen afschuwelijke misdaden zouden kunnen begaan en nooit zouden betalen of als volken wreedheden zouden mogen plegen en nooit ter verantwoording zouden worden geroepen, zouden we terecht kunnen concluderen dat er geen rechtvaardige God in de hemel is.

Dat doet hij op twee manieren. Ten eerste zal er een toekomstig oordeel zijn over alle volken en over elke persoon. Gods Woord is op dit punt overvloedig duidelijk 2 Thess. 1:6-9 waar we lezen:

Het is immers rechtvaardig van God verdrukking te vergelden aan hen die u verdrukken,
en aan u die verdrukt wordt, samen met ons verlichting te geven bij de openbaring van de Heere Jezus vanuit de hemel met de engelen van Zijn kracht, wanneer Hij met vlammend vuur wraak oefent over hen die God niet kennen, en over hen die het Evangelie van onze Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn. Zij zullen als straf het eeuwig verderf ondergaan, weg van het aangezicht van de Heere en van de heerlijkheid van Zijn macht, wanneer Hij zal gekomen zijn om op die dag verheerlijkt te worden in Zijn heiligen en bewonderd te worden in allen die geloven (want bij u vond ons getuigenis geloof).

Ook al lijken de mensen die de Heere God niet kennen nu voorspoedig te zijn, er komt een dag van oordeel. BUITEN JEZUS IS GEEN LEVEN. “Die den Zoon heeft, die heeft het leven; die den Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet”, 1 Joh. 5:12.

De val de verschillende rijken die verbeeld worden in het beeld dat in Daniel wordt beschreven is daar een voorbeeld van. De val van Jeruzalem in 70 na Christus is een ander voorbeeld.

Maar ook dichter bij huis. Daar waar in het recente verleden nog gesproken werd over Nederland als een christelijke natie, geloof ik dat ons volk vanwege onze immoraliteit en geweld ver daarvan is afgeweken en dat dat niet zonder gevolgen is en zal zijn, waarbij ik wel de kanttekening wil maken dat en een tenzij is: tenzij er bekering en opwekking zal plaatsvinden. Want bij God zijn alle dingen mogelijk. Toch?

Gods timing is niet onze timing. Wanneer het tijdelijke oordeel wordt onthouden, is dat omdat God in Zijn genade en geduld de gelegenheid biedt om ons als volk, maar ook individueel te bekeren.

En als dat geen zegen is.

De volgende keer hopen we hier weer verder bij stil te staan.

Psalm 137 -10-: Over Abrahams zaad gesproken

Klacht van de Joden in Babel

1 Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij,
ook weenden wij als wij aan Sion dachten.

2 Wij hadden onze harpen gehangen
aan de wilgen die daarbinnen zijn.

3 Toen zij die ons gevangenhielden, daar woorden van een lied van ons verlangden,
en wie ons omvergeworpen hadden, blijdschap:
Zing voor ons een van de liederen van Sion!

4 zeiden wij: Hoe zouden wij een lied van de HEERE zingen
in een vreemd land?

5 Als ik u vergeet, Jeruzalem,
laat dan mijn rechterhand zichzelf vergeten.

6 Laat mijn tong vastkleven aan mijn gehemelte,
als ik niet aan u denk,
als ik Jeruzalem niet doe uitstijgen
boven mijn hoogste blijdschap.

7 HEERE, denk aan de Edomieten,
aan de dag dat Jeruzalem viel,
toen zij zeiden: Haal neer, haal neer die stad,
tot op haar fundament!

8Dochter van Babel, die verwoest zult worden
welzalig is hij die u uw misdaad vergelden zal,
die u tegen ons begaan hebt.

9 Welzalig is hij die uw kleine kinderen grijpen
en tegen de rots verpletteren zal.

Over Abrahams zaad gesproken
We denken weer wat verder na over de lastige woorden in de laatste drie verzen van deze Psalm. Eerder concludeerden we dat we dat er drie benaderingen zijn om een verklaring te zoeken voor deze woorden. Een daar van is om ze te zien in het licht van Gods voornemens. Gods plan. In het voorgaande zagen we in dit kader dat God, rechtvaardig is en dan kunnen we het bezien vanuit het feit dat God zonde, wil en moet straffen en gerechtigheid beloont.

Een tweede aspect binnen Gods voornemen, Gods plan is dat Gos de aarde wil zegenen door Zijn uitverkoren volk heen.

De HEERE nu zei tegen Abram: Gaat u uit uw land, uit uw familiekring en uit het huis van uw vader, naar het land dat Ik u wijzen zal.
Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken; en u zult tot een zegen zijn.
Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken; en in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.

Hier lezen we dus dat het Gods plan is om alle families op aarde te zegenen door Abrahams zaad, dat in grote lijnen verwijst naar de natie Israël en in het bijzonder naar de Messias, die een directe afstammeling is van Abraham (Gen. 12:1-3).

In Galaten 3 eindigt Paulus met een merkwaardig slotwoord, die voorafgegaan wordt door de stellingen: Christus is het zaad van Abraham (vs.6) en: de voorheen heidense Galaten zijn nu van Christus (vs.29). De conclusie luidt:

‘Dan zijn zij ook zaad van Abraham en naar de belofte erfgenamen, ‘want hoeveel beloften van God er ook zijn, in Hem (Christus) is het: Ja; daarom is ook door Hem (Christus) het: Amen, tot eer van God door ons’ (die het geestelijk Israël vormen) (2 Cor.1:20).

Net zoals Gods doel om zonde te straffen en gerechtigheid te belonen een openbaring is van Zijn rechtvaardige karakter, zo is Zijn doel om de aarde te zegenen door Zijn uitverkoren volk een openbaring van Zijn liefde en barmhartigheid.

Het hele menselijke ras is in opstand gekomen tegen God. Hij had ons allen rechtvaardig kunnen oordelen. Maar vanwege Zijn liefde en barmhartigheid wilde Hij ons zegenen door Zijn heilsplan. Om de wereld voor te bereiden op de komst van de Messias, koos God Abraham en zijn nakomelingen door Jakob. Het volk Israël moest een volk zijn onder Gods heerschappij. Aan zo'n volk zou God de Heiland van de wereld zenden.

Om dit plan uit te voeren, beloofde God degenen te zegenen die Zijn volk zegenen, en degenen die hen vervloeken te vervloeken.

Wanneer de schrijver van Psalm 137 schreeuwt om een oordeel over Babylon, is hij een bondgenoot van God om Zijn verbond met Abraham uit te voeren, zodat uiteindelijk alle volken gezegend zouden worden.

Hoewel Gods uitverkoren volk gezondigd had en Gods tijdelijke oordeel oogstte door de Babylonische ballingschap, vraagt de psalmist God om dat oordeel omver te werpen door het volk te vervloeken dat hen had vervloekt, in overeenstemming met Gods grotere doel om de wereld te zegenen door het zaad van Abraham.

En als dat laatste geen zegen is.

Psalm 137 -11-: Over Babel gesproken

Klacht van de Joden in Babel

1 Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij,
ook weenden wij als wij aan Sion dachten.

2 Wij hadden onze harpen gehangen
aan de wilgen die daarbinnen zijn.

3 Toen zij die ons gevangenhielden, daar woorden van een lied van ons verlangden,
en wie ons omvergeworpen hadden, blijdschap:
Zing voor ons een van de liederen van Sion!

4 zeiden wij: Hoe zouden wij een lied van de HEERE zingen
in een vreemd land?

5 Als ik u vergeet, Jeruzalem,
laat dan mijn rechterhand zichzelf vergeten.

6 Laat mijn tong vastkleven aan mijn gehemelte,
als ik niet aan u denk,
als ik Jeruzalem niet doe uitstijgen
boven mijn hoogste blijdschap.

7 HEERE, denk aan de Edomieten,
aan de dag dat Jeruzalem viel,
toen zij zeiden: Haal neer, haal neer die stad,
tot op haar fundament!

8Dochter van Babel, die verwoest zult worden,
welzalig is hij die u uw misdaad vergelden zal,
die u tegen ons begaan hebt.

9 Welzalig is hij die uw kleine kinderen grijpen
en tegen de rots verpletteren zal.

Over Babel gesproken
We denken weer wat verder na over de lastige woorden in de laatste drie verzen van deze Psalm. Eerder zagen we dat we dat er drie benaderingen zijn om een verklaring te zoeken voor deze woorden. Een daar van is om ze te zien in het licht van Gods voornemens, Gods plan. In het voorgaande zagen we in dit kader dat God, rechtvaardig is en dan kunnen we het bezien vanuit het feit dat God zonde, wil en moet straffen en gerechtigheid beloont.
Een aspect van Gods Plan is dat God de aarde wil zegenen door Zijn uitverkoren volk heen.

Deze keer willen we kijken naar het derde aspect van Gods plan in dit kader en dat is dat God een Waarmaker van Zijn Woord is. Of met andere woorden gezegd: God wil Zijn Woord vervullen.

Gods Woord kunnen we van A tot Z vertrouwen. Het kan en moet vertrouwd worden. Als God zegt dat er iets zal gebeuren, kun je erop rekenen.

God is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens mensen kind, dat het Hem berouwen zou; zou Hij het zeggen, en niet doen, of spreken, en niet bestendig maken? Num 19:23

Net zoals Gods doel om zonde te straffen Zijn gerechtigheid openbaart en Zijn doel om de aarde te zegenen door Zijn uitverkoren volk Zijn liefde openbaart, zo openbaart Zijn doel om Zijn Woord te vervullen Zijn trouw. Je kunt erop vertrouwen dat God doet wat Hij belooft.

Wat had God beloofd met betrekking tot Babylon? Hij beloofde Babylon volledig terug te betalen en de muren te egaliseren (Jer. 51:56, 58).

Want de verwoester zal erover komen, over Babel,
en zijn helden zullen gevangen worden genomen,
hun bogen zijn verbroken,
want de HEERE is een God van vergeldingen,
Hij zal het hem zeker vergelden.

Ik zal zijn vorsten, zijn wijzen, zijn landvoogden, zijn machthebbers en zijn helden dronken maken, en zij zullen een eeuwige slaap slapen en niet ontwaken, spreekt de Koning, van Wie de Naam HEERE van de legermachten is.

Zo zegt de HEERE van de legermachten:
De brede muur van Babel
zal zeker geslecht worden,
en zijn hoge poorten
zullen met vuur aangestoken worden.
Zo hebben de volken zich voor niets moe gemaakt,
de natiën voor vuur – en zij zijn afgemat.

Het is opmerkelijk dat drie van Jeremia's belangrijkste woorden in vers 56 (in het Hebreeuws) gerelateerd zijn aan de drie werkwoorden van Psalm 137:8, waar we lezen:
8Dochter van Babel, die verwoest zult worden, welzalig is hij die u uw misdaad vergelden zal, die u tegen ons begaan hebt.

De psalmist riep God aan om de belofte te vervullen die Hij door Jeremia, de profeet, had gegeven.

Gods belofte om de muren van Babylon omver te werpen was geen kleinigheid! Babylon was omgeven door een buitenmuur tussen 42-56 mijl in omtrek (afhankelijk van de bron), fsy is een lengte omgerekend naar meters van tussen de 67 en 90 kilometer !,  11 voet dik, dat is 3,35 meter en 75 voet. Dat is bijna 23 meter hoog, met wachttorens en een gracht erbuiten!

Dit werd versterkt met een binnenmuur van 21 voet, dat is 6,40 meter dik, 300 voet, ruim 91 meter hoog, met torens van 420 voet, bijna 130 meter hoog om de 60, voet, bijna 20 meter. En er waren andere binnenmuren!

Zelfs voor hedendaagse begrippen is dit een bijna onneembare stad.

Wie konen kan zich voorstellen dat zo'n machtige stad een puinhoop zou worden? Maar God profeteerde dat het zou gebeuren en dat gebeurde ook!

Ook in Jesaja 13:16, in de context van een profetie van Gods oordeel over Babylon voor haar zonden, profeteerde Jesaja specifiek dat hun kleinen voor hun ogen in stukken zouden worden geslagen. Het is een niet in woorden uit te drukken straf, maar feitelijk was het dat wat Babylon dat oogstte wat het had gezaaid. Het had anderen deze vreselijke marteling toegebracht; het zou zelf dezelfde straf oogsten.

Als God iets beloofd heeft in Zijn Woord, zal Hij het vervullen. Maar Hij vervult het in antwoord op de gebeden van Zijn volk in overeenstemming met Zijn Woord. We lezen daarvan een voorbeeld in Dan. 9:2, 3 waar we lezen:

In het eerste jaar van Darius, de zoon van Ahasveros, uit het geslacht van de Meden, die koning gemaakt was over het koninkrijk van de Chaldeeën,
in het eerste jaar van zijn regering, merkte ik, Daniël, in de boeken het aantal jaren op waarover het woord van de HEERE tot de profeet Jeremia gekomen was: zeventig jaar zouden na de verwoesting van Jeruzalem voorbij moeten gaan.
Ik richtte mijn gezicht tot de Heere God, om Hem te zoeken in gebed en met smeekbeden, met vasten, en in zak en as.


Dus wanneer de psalmist God aanroept om Babylon te vernietigen, vraagt hij God om Zijn profetische woord te vervullen en zo Zichzelf trouw te bewijzen.

Dus een begrip van Gods bedoelingen om zonde te straffen en gerechtigheid te belonen, om de aarde te zegenen door Zijn uitverkoren volk, en om Zijn Woord te vervullen door Zijn profeten, helpt om iets van de harde woorden van de psalmist tegen Babylon te verklaren.

Ik wil afsluiten met de woorden uit Openbaring 18. Want de verwoesting van Babel is niet alleen een historisch feit vanuit het verre verleden, maar eveneens een vooruitblik in de toekomst. Een profetie:

1Hierna zag ik een andere engel neerdalen uit de hemel. Hij had grote macht, en de aarde werd verlicht door zijn heerlijkheid.

2En hij riep uit met krachtige stem: Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon, en een woonplaats van demonen geworden, een schuilplaats voor allerlei onreine geesten en een schuilplaats voor allerlei onreine en weerzinwekkende vogels.Demonen:

3Want van de wijn van de toorn van haar hoererij hebben alle volken gedronken, en de koningen van de aarde hebben hoererij met haar bedreven, en de kooplieden van de aarde zijn rijk geworden door de kracht van haar losbandig leven.

4En ik hoorde een andere stem uit de hemel zeggen: Ga uit haar weg, Mijn volk, opdat u geen deelhebt aan haar zonden, en opdat u niet van haar plagen zult ontvangen.

5Want haar zonden hebben zich opgestapeld tot aan de hemel, en God herinnerde Zich haar ongerechtigheden.

6Vergeld haar zoals zij ook u vergolden heeft, en vergeld haar dubbel naar haar werken. Schenk in de drinkbeker waarin zij voor anderen ingeschonken heeft, voor haar het dubbele in.

7Overeenkomstig de maat waarin zij zichzelf heeft verheerlijkt en losbandig heeft geleefd, geef haar naar die maat pijniging en rouw. Want in haar hart zegt zij: Ik zit als een koningin en ben geen weduwe en ik zal zeker geen rouw zien.

8Daarom zullen op één dag haar plagen komen: dood, rouw en honger, en Openb. 17:16met vuur zal zij verbrand worden, want sterk is de Heere God, Die haar oordeelt.

9En de koningen van de aarde die hoererij met haar bedreven hebben en losbandig geleefd hebben, zullen huilen en rouw over haar bedrijven, wanneer zij de rook van haar verbranding zullen zien.

10Zij blijven van verre staan uit vrees voor haar pijniging en zeggen: Wee, wee de grote stad Babylon, de sterke stad, want in één uur is uw oordeel gekomen.

11En de kooplieden van de aarde zullen over haar huilen en treuren, omdat niemand hun waren meer koopt:

12koopwaar van goud, zilver, edelgesteente, parels, fijn linnen, purper, zijde en scharlaken, allerlei geurig hout, allerlei ivoren voorwerpen en allerlei voorwerpen van zeer kostbaar hout, koper, ijzer en marmer,

13en kaneel, reukwerk, mirre, wierook, wijn, olie, meelbloem en tarwe, lastdieren en schapen, paarden en wagens, en lichamen en zielen van mensen.

14 En de rijpe vrucht van de begeerte van uw ziel. is van u geweken. Al wat glansrijk en sierlijk was, is van u weggegaan en u zult dat beslist niet meer terugvinden.

15De kooplieden van deze waren, die door haar rijk zijn geworden, zullen huilend en treurend op grote afstand blijven staan uit vrees voor haar pijniging,

16en zeggen: Wee, wee de grote stad, die bekleed was met fijn linnen, purper en scharlaken, en getooid met goud, edelgesteente en parels. Want in één uur is die grote rijkdom verwoest.

17En elke stuurman, al het volk op de schepen, zeelieden en allen die op zee hun werk doen, bleven van verre staan,

18en zij riepen toen zij de rook van haar verbranding zagen: Welke stad was aan deze grote stad gelijk?

19En zij wierpen stof op hun hoofd en riepen huilend en treurend: Wee, wee de grote stad, waarin allen die schepen op zee hadden, rijk zijn geworden door haar weelde. Want in één uur is zij verwoest.

20Verblijd u over haar, hemel, heilige apostelen en profeten, want God heeft uw vonnis aan haar voltrokken.

21En een sterke engel hief een steen op als een grote molensteen, en wierp die in de zee, en zei: Zó zal Babylon, de grote stad, met geweld neergeworpen worden, en het zal nooit meer gevonden worden.

22En het geluid van citerspelers, zangers, fluitspelers en bazuinblazers zal beslist niet meer in u gehoord worden. En er zal geen enkele beoefenaar van welke kunst dan ook meer in u gevonden worden, en het geluid van de molen zal zeker niet meer in u gehoord worden.

23En het lamplicht zal nooit meer in u schijnen en de stem van een bruidegom of van een bruid zal nooit meer in u gehoord worden. Want uw kooplieden waren de groten van de aarde. Door uw tovenarij immers werden alle naties misleid.

24En het bloed van profeten en heiligen en van allen die geslacht zijn op de aarde, is in deze stad gevonden.

Psalm 137 -12-: Over wraaknemen gesproken

Klacht van de Joden in Babel

1 Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij,
ook weenden wij als wij aan Sion dachten.

2 Wij hadden onze harpen gehangen
aan de wilgen die daarbinnen zijn.

3 Toen zij die ons gevangenhielden, daar woorden van een lied van ons verlangden,
en wie ons omvergeworpen hadden, blijdschap:
Zing voor ons een van de liederen van Sion!

4 zeiden wij: Hoe zouden wij een lied van de HEERE zingen
in een vreemd land?

5 Als ik u vergeet, Jeruzalem,
laat dan mijn rechterhand zichzelf vergeten.

6 Laat mijn tong vastkleven aan mijn gehemelte,
als ik niet aan u denk,
als ik Jeruzalem niet doe uitstijgen
boven mijn hoogste blijdschap.

7 HEERE, denk aan de Edomieten,
aan de dag dat Jeruzalem viel,
toen zij zeiden: Haal neer, haal neer die stad,
tot op haar fundament!

8Dochter van Babel, die verwoest zult worden,
welzalig is hij die u uw misdaad vergelden zal,
die u tegen ons begaan hebt.

9 Welzalig is hij die uw kleine kinderen grijpen
en tegen de rots verpletteren zal.

Over wraaknemen gesproken
Wanneer we ook vandaag weer een poging doen om iets van de woorden van met name de drie laatste verzen te begrijpen zeg ik het nog maar eens dat er geen simpele oplossing is om deze woorden te verklaren. En daarmee wil ik maar direct zeggen dat alles wat hierna over de psalm gezegd wordt onvolledig is. Het is een poging om tot een verklaring te komen. Met alle lek en gebrek. Eerder zagen we al dat er drie benaderingen mogelijk zijn om deze, maar ook vergelijkbare psalmen en uitspraken van andere psalmen, te kunnen volgen:
We kunnen ze zien in het licht van Gods voornemens. Gods plan. Daarover hebben we de afgelopen drie keren bij stilgestaan.

Waar we nu bij stil willen staan is dat we de woorden kinnen bezien in het licht van de houding van de psalmist.

We kunnen twee aspecten van de houding van de psalmist overwegen.

De eerste daarvan is dat de Schrijver van de Psalm niet uit was op persoonlijke wraak, maar dat hij de HEERE, JHWH vroeg om actie te ondernemen.

Zijn gebed was niet: "Geef me de kans om gelijk te krijgen met die schurken!" Het was eerder: "HEERE, U wreekt het kwaad dat Uw volk is aangedaan." Dat is een belangrijk verschil. We zien dit verschil in de praktijk wanneer we Davids psalmen vergelijken met zijn persoonlijke daden. Hij bad vaak dat God actie zou ondernemen tegen zijn vijanden. Zijn passie voor rechtvaardigheid zorgde er vaak voor dat hij verontwaardigd was als hij hoorde van onrecht en kwaad. Maar toen hij de kans kreeg om zijn persoonlijke vijanden, zoals Saul, te doden, weigerde hij dat te doen.

De woorden van deze psalm zijn niet geworteld in een geest van persoonlijke wraak, maar eerder in een hartstochtelijk verlangen naar God om Zijn volk te rechtvaardigen door de goddelozen te oordelen. Het is dezelfde soort rechtvaardige woede die ons ertoe zou brengen te bidden dat een moordenaar voor het gerecht wordt gebracht.

Ten tweede was de schrijver van de Psalm niet bezig met zijn eigen zaak, maar met Gods zaak.

Er is geen sprake van persoonlijke jaloezie, wrok of ambitie in deze psalm. Integendeel, er is een diepe bezorgdheid voor Gods volk. Er is een verlangen om Gods heerlijkheid te tonen. In het geval van Davids onwaarheden verzetten degenen die zich tegen de koning verzetten zich tegen God, omdat de koning, David, Gods gezalfde was. In het geval van de andere zogenoemde wraak psalmen zijn ze allemaal nationaal, en niet persoonlijk van karakter. De psalmisten hadden in alle gevallen een diep verlangen dat Gods plan door Zijn volk vervuld zou worden tot Zijn eer.

Het helpt dus om deze woorden te begrijpen als we ze zien in het licht van Gods doel en in het licht van de houding van de psalmist. Hij was niet uit op wraak. In plaats daarvan vroeg hij God om Zijn volk dat mishandeld was te rechtvaardigen en Zijn plan door hen te vervullen.

Psalm 137 -13-: Over het profetisch perspectief gesproken -1-

Klacht van de Joden in Babel

1 Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij,
ook weenden wij als wij aan Sion dachten.

2 Wij hadden onze harpen gehangen
aan de wilgen die daarbinnen zijn.

3 Toen zij die ons gevangenhielden, daar woorden van een lied van ons verlangden,
en wie ons omvergeworpen hadden, blijdschap:
Zing voor ons een van de liederen van Sion!

4 zeiden wij: Hoe zouden wij een lied van de HEERE zingen
in een vreemd land?

5 Als ik u vergeet, Jeruzalem,
laat dan mijn rechterhand zichzelf vergeten.

6 Laat mijn tong vastkleven aan mijn gehemelte,
als ik niet aan u denk,
als ik Jeruzalem niet doe uitstijgen
boven mijn hoogste blijdschap.

7 HEERE, denk aan de Edomieten,
aan de dag dat Jeruzalem viel,
toen zij zeiden: Haal neer, haal neer die stad,
tot op haar fundament!

8Dochter van Babel, die verwoest zult worden,
welzalig is hij die u uw misdaad vergelden zal,
die u tegen ons begaan hebt.

9 Welzalig is hij die uw kleine kinderen grijpen
en tegen de rots verpletteren zal.

Over het profetisch perspectief gesproken -1-

Eerder zagen we al dat er drie benaderingen mogelijk zijn om deze, maar ook vergelijkbare psalmen en uitspraken van andere psalmen, te kunnen volgen:
We kunnen ze zien in het licht van Gods voornemens. Gods plan. Daarover hebben we de afgelopen drie keren bij stilgestaan. Ook stonden we stil bij de gedachte dat we de woorden kunnen bezien in het licht van de houding van de psalmist.

Deze keer willen we stilstaan bij het profetisch perspectief van de psalm. Want het Woord van God staat ook vol met allerlei patronen. Gebeurtenissen die eerst in het klein plaatsvinden en vervolgens steeds meer plaatsvinden in een groter geheel. En ook hier zien we dat.

Door de witte bladzijde tussen het zoals wij het vaak noemen het oude- en nieuwe testament wordt vaak onwillekeurig een scheiding in de heilsgeschiedenis met Israel en de overige volken.

Sommige mensen denken wellicht daardoor ten onrechte dat Jezus de oudtestamentische wet heeft afgeschaft of tegengesproken. Maar Jezus zei: Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen; Ik ben niet gekomen om die af te schaffen, maar te vervullen. Want, voorwaar, Ik zeg u: Luk. 16:17 Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota of één tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles geschied is.

Het Nieuwe of Tweede Testament is onder andere een voortschrijdende openbaring dan het Eerste. Het eerste Testament was geen foutieve openbaring die het Nieuwe Testament corrigeerde, maar eerder een onvolledige of verhulde openbaring die het Tweede Testament onthulde. Om deze psalm in het licht van het tweede Testament te zien, moeten we vier dingen begrijpen.

Allereerst wordt persoonlijke wraak noch in het eerste noch in het tweede testament geleerd. De wet van de vergelding "oog om oog"; Exod. 21:24-25; Lev. 24:20; Deut. 19:21) betekende niet dat persoonlijke wraak door de wet werd voorgeschreven. De Farizeeën in Jezus' tijd gebruikten het zo.
In feite was het precies het tegenovergestelde. Het 'oog om oog'-principe gold voor het burgerlijk recht in de zin: 'Wreek je niet, maar laat recht spreken.' Op persoonlijk vlak stelde de wet (Lev. 19:18), "Gij zult geen wraak nemen, noch wrok koesteren tegen de zonen van uw volk, maar gij zult uw naaste liefhebben als uzelf; Ik ben de HEERE, JHWH, de Aanwezige."

De apostel Paulus citeerde uit het Oude Testament toen hij christenen gebood geen wraak te nemen. We lezen in Romeinen 12 vers 19 en 20: Als dan uw vijand honger heeft, geef hem te eten, als hij dorst heeft, geef hem te drinken, want door dat te doen, zult u vurige kolen op zijn hoofd hopen. Word niet overwonnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede. Hij citeert met deze woorden uit Deut. 32:35; Spr. 25:21).

Op zich is het al een zegen dat we ook in de tijd waarin wij leven niet voor ons eigen recht op hoeven te komen, maar dat wij weten: God is Rechter we kunnen en mogen het in Zijn hand leggen. Dat is in het klein zo in het persoonlijk leven, maar ook ten aanzien van het wereld gebeuren. Wij hoeven het zwaard niet te trekken en ten strijde te trekken tegen het kwaad in deze wereld maar God zal Zelf ten strijde trekken. In dat verband moest ik denken aan de woorden die we lezen wanneer de Farao het volk achtervolgt en het volk voor de Schelfzee staat. De dood achter zich en voor zich bij wijze van spreken. En dan lezen we de woorden: De HEERE zal voor u strijden, en ú moet stil zijn. En zo is het nu in de tijden waarin wij leven en zo zal het ook zijn in de nabije toekomst. Dat geeft rust, dat geeft vertrouwen.

Als dat geen zegen is.

Psalm 137 -14-: Over het profetisch perspectief gesproken -2-

Klacht van de Joden in Babel

1 Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij,
ook weenden wij als wij aan Sion dachten.

2 Wij hadden onze harpen gehangen
aan de wilgen die daarbinnen zijn.

3 Toen zij die ons gevangenhielden, daar woorden van een lied van ons verlangden,
en wie ons omvergeworpen hadden, blijdschap:
Zing voor ons een van de liederen van Sion!

4 zeiden wij: Hoe zouden wij een lied van de HEERE zingen
in een vreemd land?

5 Als ik u vergeet, Jeruzalem,
laat dan mijn rechterhand zichzelf vergeten.

6 Laat mijn tong vastkleven aan mijn gehemelte,
als ik niet aan u denk,
als ik Jeruzalem niet doe uitstijgen
boven mijn hoogste blijdschap.

7 HEERE, denk aan de Edomieten,
aan de dag dat Jeruzalem viel,
toen zij zeiden: Haal neer, haal neer die stad,
tot op haar fundament!

8Dochter van Babel, die verwoest zult worden,
welzalig is hij die u uw misdaad vergelden zal,
die u tegen ons begaan hebt.

9 Welzalig is hij die uw kleine kinderen grijpen
en tegen de rots verpletteren zal.

Over het profetisch perspectief gesproken -2-
De voorgaande keer zagen we ten aanzien van de laatste verzen in deze psalm dat we de verzen niet moeten lezen in het licht van persoonlijke wraak, wat noch in het eerste noch in het tweede testament geleerd.

De wet van de letterlijke wedervergelding (oog om oog, tand om tand). moest onpartijdig door rechters worden toegepast om recht te spreken en anderen te ontmoedigen van het kwaad (Deut. 19:20-21).

Eén enkele getuige mag tegen niemand opstaan met betrekking tot enige ongerechtigheid of tot enige zonde, bij elke zonde die men ook zou kunnen doen. Op de verklaring van twee getuigen of op de verklaring van drie getuigen staat de zaak vast. Wanneer een misdadige getuige tegen iemand opstaat om hem aan te klagen wegens afvalligheid, dan moeten de twee mannen die dit geschil hebben, voor het aangezicht van de HEERE gaan staan, voor de ogen van de priesters en de rechters die er in die dagen zijn, en de rechters moeten de zaak goed onderzoeken. En zie, is de getuige een valse getuige, heeft hij vals getuigd tegen zijn broeder, dan moet u met hem doen zoals hij met zijn broeder dacht te doen. Zo moet u het kwaad uit uw midden wegdoen. Laten zij die overgebleven zijn, het horen en bevreesd zijn en een dergelijke wandaad niet meer in uw midden verrichten. Laat uw oog hem niet ontzien: leven voor leven, oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet.

In het Tweede Testament wordt de bevoegdheid om het kwaad te straffen en te wreken aan de regering gegeven (Rom. 13:3-4).

Want voor de overheid hoeft men niet te vrezen, wanneer men goede werken doet, maar wel als men kwade werken doet. Wilt u nu van het gezag niets te vrezen hebben, doe het goede en u zult er lof van ontvangen. Zij is immers Gods dienares, u ten goede. Als u echter kwaad doet, vrees dan, want zij draagt het zwaard niet zonder reden. Zij is namelijk Gods dienares, een wreekster tot straf voor hem die het kwade doet.

Wanneer de psalmist bidt dat Babylon zijn kinderen tegen de rotsen laat slaan, vraagt hij dat de wet van vergelding wordt uitgevoerd met Gods voorgeschreven middelen (een strijdende natie) om Babylon te straffen met hetzelfde kwaad dat Babylon Israël had aangedaan. Hij roept God aan voor de gerechtelijke bestraffing van de goddelozen.

En in het licht van het profetisch perspectief weten we allemaal hoe het met Babel zal aflopen. In de Openbaring van Jezus Christus, de Messias, lezen we daarover.

In hoofdstuk 18 lezen we in dit verband over de val van Babel.

1 Hierna zag ik een andere engel neerdalen uit de hemel. Hij had grote macht, en de aarde werd verlicht door zijn heerlijkheid.

2 En hij riep uit met krachtige stem: Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon, en een woonplaats van demonen geworden, een schuilplaats voor allerlei onreine geesten en een schuilplaats voor allerlei onreine en weerzinwekkende vogels.

3 Want van de wijn van de toorn van haar hoererij hebben alle volken gedronken, en de koningen van de aarde hebben hoererij met haar bedreven, en de kooplieden van de aarde zijn rijk geworden door de kracht van haar losbandig leven.

4 En ik hoorde een andere stem uit de hemel zeggen: Ga uit haar weg, Mijn volk, opdat u geen deelhebt aan haar zonden, en opdat u niet van haar plagen zult ontvangen.

5 Want haar zonden hebben zich opgestapeld tot aan de hemel, en God herinnerde Zich haar ongerechtigheden.

En even tussendoor, dan lezen we in het volgende vers het principe van wedervergelding. In dit verband dat wat Israel en Jeruzalem is aangedaan wordt nu Babel aangedaan. Jeruzalem is verwoest door de Babyloniërs. Nu zal Babel verwoest worden, niet door Israel, maar door de Rechter van hemel en aarde. En dan lezen we verder:

6 Vergeld haar zoals zij ook u vergolden heeft, en vergeld haar dubbel naar haar werken. Schenk in de drinkbeker waarin zij voor anderen ingeschonken heeft, voor haar het dubbele in.

7 Overeenkomstig de maat waarin zij zichzelf heeft verheerlijkt en losbandig heeft geleefd, geef haar naar die maat pijniging en rouw. Want in haar hart zegt zij: Ik zit als een koningin en ben geen weduwe en ik zal zeker geen rouw zien.

8 Daarom zullen op één dag haar plagen komen: dood, rouw en honger, en met vuur zal zij verbrand worden, want sterk is de Heere God, Die haar oordeelt.

9 En de koningen van de aarde die hoererij met haar bedreven hebben en losbandig geleefd hebben, zullen huilen en rouw over haar bedrijven, wanneer zij de rook van haar verbranding zullen zien.

10 Zij blijven van verre staan uit vrees voor haar pijniging en zeggen: Wee, wee de grote stad Babylon, de sterke stad, want in één uur is uw oordeel gekomen.

11 En de kooplieden van de aarde zullen over haar huilen en treuren, omdat niemand hun waren meer koopt:

12 koopwaar van goud, zilver, edelgesteente, parels, fijn linnen, purper, zijde en scharlaken, allerlei geurig hout, allerlei ivoren voorwerpen en allerlei voorwerpen van zeer kostbaar hout, koper, ijzer en marmer,

13 en kaneel, reukwerk, mirre, wierook, wijn, olie, meelbloem en tarwe, lastdieren en schapen, paarden en wagens, (en dan volgt er iets opmerkelijks)  en lichamen en zielen van mensen.

14 En de rijpe vrucht waarnaar uw ziel verlangde, En de rijpe vrucht van de begeerte van uw ziel. is van u geweken. Al wat glansrijk en sierlijk was, is van u weggegaan en u zult dat beslist niet meer terugvinden.

15 De kooplieden van deze waren, die door haar rijk zijn geworden, zullen huilend en treurend op grote afstand blijven staan uit vrees voor haar pijniging,

16 en zeggen: Wee, wee de grote stad, die bekleed was met fijn linnen, purper en scharlaken, en getooid met goud, edelgesteente en parels. Want in één uur is die grote rijkdom verwoest.

17 En elke stuurman, al het volk op de schepen, zeelieden en allen die op zee hun werk doen, bleven van verre staan,

18 en zij riepen toen zij de rook van haar verbranding zagen: Welke stad was aan deze grote stad gelijk?

19 En zij wierpen stof op hun hoofd en riepen huilend en treurend: Wee, wee de grote stad, waarin allen die schepen op zee hadden, rijk zijn geworden door haar weelde. Want in één uur is zij verwoest.

20 Verblijd u over haar, hemel, heilige apostelen en profeten, want God heeft uw vonnis aan haar voltrokken.

21 En een sterke engel hief een steen op als een grote molensteen, en wierp die in de zee, en zei: Zó zal Babylon, de grote stad, met geweld neergeworpen worden, en het zal nooit meer gevonden worden.

En dan lezen we de wedervergelding van de woorden uit Psalm 137 waar we lezen:
1 Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij,
ook weenden wij als wij aan Sion dachten.

2 Wij hadden onze harpen gehangen
aan de wilgen die daarbinnen zijn.

En dan lezen we in Openbaring 18 dat Babel bij wijze van spreken de citers aan de wilgen hangt. Luister maar:

22 En het geluid van citerspelers, zangers, fluitspelers en bazuinblazers zal beslist niet meer in u gehoord worden. En er zal geen enkele beoefenaar van welke kunst dan ook meer in u gevonden worden, en het geluid van de molen zal zeker niet meer in u gehoord worden.

23 En het lamplicht zal nooit meer in u schijnen en de stem van een bruidegom of van een bruid zal nooit meer in u gehoord worden. Want uw kooplieden waren de groten van de aarde. Door uw tovenarij immers werden alle naties misleid.

24 het bloed van profeten en heiligen en van allen die geslacht zijn op de aarde, is in deze stad gevonden.

Daarop volgt dan het lied van de overwinning:
En hierna hoorde ik een luide stem van een grote menigte in de hemel zeggen: Halleluja, de zaligheid, de heerlijkheid, de eer en de kracht zij aan de Heere, onze God.

En zo is het. Want als dat geen zegen is.

De zaligheid is van God,
die samen met het Lam
regeert op zijn troon.
Eer en rijkdom, wijsheid en macht.
Heerlijkheid, sterkte en kracht.

Refrein:
Zij onze God
voor eeuwig en eeuwig.
Amen!

En wij de verlosten zijn sterk
door ’t woord van ons getuigenis.
En wij roepen uit:
Eer en rijkdom, wijsheid en macht.
Heerlijkheid, sterkte en kracht.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.