Psalm 135 -1-

Psalm 135 -2-

Psalm 135 -3-

Psalm 135 -4-

Psalm 135 -5-

Psalm 135 -6-

Psalm 135 -7-

Psalm 135 -8-

Psalm 135 -9-

Psalm 135 -10-

Psalm 135 -11-

Psalm 135 -12-

Psalm 135: Tekst Herziene Staten Vertaling

De HEERE is groot

1Halleluja!
Loof de Naam van de HEERE,
loof Hem, dienaren van de HEERE,

2 u, die staat in het huis van de HEERE,
in de voorhoven van het huis van onze God.

3 Loof de HEERE, want de HEERE is goed;
zing psalmen voor Zijn Naam, want die is lieflijk.

4 Want de HEERE heeft Zich Jakob verkoren,
Israël als Zijn persoonlijk eigendom.

5 Want ík weet: de HEERE is groot;
onze Heere gaat alle goden te boven.

6 Al wat de HEERE behaagt, doet Hij,
in de hemel en op de aarde,
in de zeeën en alle diepe wateren.

7 Hij doet dampen opstijgen van het einde der aarde,
Hij maakt de bliksemflitsen bij de regen,
Hij brengt de wind uit Zijn schatkamers naar buiten.

8 Hij trof de eerstgeborenen in Egypte,
van de mens af tot het vee toe.

9 Hij zond tekenen en wonderen
in uw midden, Egypte,
aan de farao en al zijn dienaren.

10Hij versloeg vele volken
en doodde machtige koningen:

11Sihon, de koning van de Amorieten,
en Og, de koning van Basan,
en al de koninkrijken van Kanaän.

12 Hun land gaf Hij als erfelijk bezit,
als erfelijk bezit aan Zijn volk Israël.

13HEERE, Uw Naam bestaat voor eeuwig;
De gedachtenis aan U, HEERE, is van generatie op generatie.

14 Want de HEERE zal Zijn volk recht verschaffen
en het zal Hem berouwen over Zijn dienaren.

15 De afgoden van de heidenvolken zijn zilver en goud,
werk van mensenhanden.

16Zij hebben een mond, maar spreken niet;
zij hebben ogen, maar zien niet.

17Zij hebben oren, maar horen niet;
er is zelfs geen adem in hun mond.

18Laat wie ze maken hun gelijk worden,
al wie op hen vertrouwt.

19Huis van Israël, loof de HEERE;
huis van Aäron, loof de HEERE.

20Huis van Levi, loof de HEERE;
u die de HEERE vreest, loof de HEERE.

21Geloofd zij de HEERE vanuit Sion,
Hij Die in Jeruzalem woont.

Halleluja!

Psalm 135 -1-: Alle reden om de HEERE te loven en te prijzen!

Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 135 -1-' om te luisteren.

Alle reden om de HEERE te loven en te prijzen!

Psalm 135 en Psalm 136 vormen als het ware een aanhangsel of een toevoeging bij de opgangsliederen ofwel de pelgrimsliederen (Psalmen 120-134). Het zijn de lofzangen van heel Israël vanwege de goedheid en grote barmhartigheden van de HEERE, de Aanwezige nu Israël weer een volk van twaalf stammen is die terug zijn in het land bij Hem. In Psalm 135 wordt de herstelde natie Israël opgeroepen om de Naam van de HEERE, de Aanwezige te prijzen. Psalm 136 is daarop het antwoord.

In Psalm 135 zien we de twaalf stammen in de voorhoven van het huis van de HEERE staan. Ze worden opgeroepen om de HEERE groot te maken (verzen 1-4), maar eveneens om Zijn grote macht en Zijn verlossing (verzen 5-12) en vanwege de loutering van het volk (verzen 13-18). In de laatste verzen worden allen opgeroepen om de HEERE te prijzen (verzen 19-21).

De psalm begint met “halleluja!”, dat betekent ‘loof de HEERE!’. Het woord komt vijftien keer voor in Psalmen, de eerste keer pas in Psalm 104 (Ps 104:35). In het Nieuwe 0f tweede Testament komt dit woord alleen – en dat vier keer – voor in het boek Openbaring, als de HEERE het koninkrijk heeft aanvaard (Op 19:1,3,4,6).

In deze psalm klinkt het “halleluja” drie keer (verzen 1,3,21). Het voorwerp van de lof is “de Naam van de HEERE”; de brengers van de lof zijn de “dienaren van de HEERE”. Het zijn dezelfde dienaren die eveneens in Psalm 134 worden opgeroepen om de HEERE, JHWH, de Aanwezige te loven. Hij is Zelf de oorsprong van alles. Hij is de Eeuwige, de eeuwig Zijnde.

In de Bijbel vinden we meer oproepen om de HEERE te loven en te prijzen. Bijvoorbeeld in:

Psalm 33:1,2
Verblijd u in de HEERE, o gij rechtvaardigen, want lof is lieflijk voor de oprechten...

Psalm 96:1-4
O, zing voor de HEERE een nieuw lied: zing voor de HEERE, heel de aarde...

Psalm 106:1
Looft de HEERE. O dank de HEERE; want hij is goed: want zijn barmhartigheid duurt tot in eeuwigheid.

Hij heeft alles geschapen tot Zijn eer. Daarom past het ieder schepsel Hem te loven. Niet alle schepselen doen dat. Zijn dienaren doen dat wel. Het is een enorm voorrecht Hem te dienen, want dat betekent in Zijn nabijheid zijn. Dat alleen al is reden genoeg om Hem te loven.

In het verdere van de Psalm worden allerlei redenen genoemd waarom de dienaren opgeroepen worden om de naam van de Aanwezige te loven en te prijzen. Lees de Psalm er nog maar eens op na.
4 Want de HEERE heeft Zich Jakob verkoren,
5 Want ik weet het de HEERE is groot;
5. Want onze Heere gaat alle goden te boven.
6  Want al wat de HEERE behaagt, doet Hij,
in de hemel en op de aarde,
in de zeeën en alle diepe wateren.
7 Want Hij doet dampen opstijgen van het einde der aarde,
Hij maakt de bliksemflitsen bij de regen,
Hij brengt de wind uit Zijn schatkamers naar buiten.
8 Want Hij trof de eerstgeborenen in Egypte,
van de mens af tot het vee toe.
10 Want Hij versloeg vele volken
en doodde machtige koningen:
12 Want Hij gaf hun land gaf als erfelijk bezit  aan Zijn volk Israël.
14 Want de HEERE zal Zijn volk recht verschaffen

Meer dan voldoende reden dus om Hem te loven en te prijzen voor zijn dienaren, het volk Israel. Maar hoe is het met uw en mijn leven gesteld? Want we kunnen wel spreken over Israel, maar hoe staat het er bij u en mij voor? Hebben wij ook niet meer dan voldoende reden om Hem te loven en te prijzen, voor wat Hij ons geeft en gegeven heeft? Wanneer we de HEERE kennen, een kind van Hem zijn, dan is er een overvloed aan redenen om Hem te loven en te prijzen. Omdat Hij u en mij in Christus, in de Messias uitverkoren zoals Jacob in het eerste testament is uitverkoren, omdat we weten dat Hij groot is, omdat Hij alle goden, ook in de tijd waarin wij leven ver te boven gaat, omdat hem niets uit de hand loopt in de hemel en op aarde, in de zeeen en alle diepe wateren. Omdat Hij Zijn en onze vijanden verlagen heeft en zal verslaan, omdat wij in Hem een erfelijk bezit geworden zijn en ons recht verschaft.

Lieve mensen, we beseffen niet half hoe rijk we in Hem zijn. Wanneer ik denk aan de rijkdom die ons gelovigen geschonken is, moet ik altijd denken aan dat geweldige hoofdstuk Efeze 1 waarin bij wijze van spreken alle schatten ten toon worden gesteld. Zullen we het onszelf gewoon weer eens in herinnering brengen zo op deze vroege morgen?

Gezegend zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegen in de hemelse gewesten in Christus,

4 omdat Hij ons vóór de grondlegging van de wereld in Hem uitverkoren heeft, opdat wij heilig en smetteloos voor Hem zouden zijn in de liefde.

5Hij heeft ons voorbestemd om als Zijn kinderen aangenomen te worden, door Jezus Christus, in Zichzelf, overeenkomstig het welbehagen van Zijn wil,

6tot lof van de heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde.

7In Hem hebben wij de verlossing, door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de overtredingen, overeenkomstig de rijkdom van Zijn genade,

8die Hij ons overvloedig geschonken heeft, in alle wijsheid en bedachtzaamheid,

9toen Hij ons, overeenkomstig Zijn welbehagen, dat Hij in Zichzelf voorgenomen had, het geheimenis van Zijn wil bekendmaakte,

10 om in de bedeling van de volheid van de tijden alles weer in Christus bijeen te brengen, zowel wat in de hemel als wat op de aarde is.

11In Hem zijn wij ook een erfdeel geworden, wij, die daartoe voorbestemd waren, naar het voornemen van Hem Die alle dingen werkt overeenkomstig de raad van Zijn wil,

12opdat wij tot lof van Zijn heerlijkheid zouden zijn, wij, die al eerder onze hoop op Christus gevestigd hadden.

13In Hem bent ook u, nadat u het Woord van de waarheid, namelijk het Evangelie van uw zaligheid, gehoord hebt; in Hem bent u ook, toen u tot geloof kwam, verzegeld met de Heilige Geest van de belofte,

14Die het onderpand is van onze erfenis, de verlossing die ons ten deel viel, tot lof van Zijn heerlijkheid.

Lieve luisteraar, ik kan het niet bevatten en ik snap er helemaal niets van dat mij dit ten deel gevallen is. In Christus, in de Messias.

En als dat geen zegen is.

Psalm 135 -2-: Over Gods eigendom gesproken -1-

Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 135 1- om te luisteren.

Over Gods eigendom gesproken -1-
Werd het volk in het eerste vers opgeroepen om de HEERE, JHWH, te loven en te prijzen, en tussen haakjes wij als gelovigen van deze tijd daarbij als het ware mee in mochten stemmen, in vers twee wordt de plaats genoemd waar de lofprijzing wordt gedaan (vers 2). Het gebeurt “in het huis van de HEERE, in de voorhoven van het huis van onze God”. “Het huis van de HEERE” – dat is de nieuwe tempel, die door Ezechiël wordt beschreven in Ezechiël, de hoofdstukken 40 tot en met 43). Het is Zijn woonplaats, midden tussen Zijn volk.

“De voorhoven” zijn het voorhof voor de priesters en een grote, of buitenste, voorhof voor het volk (2Kr 4:9). De twee voorhoven laten zien dat er een scheiding is tussen de priesters en het volk (vgl. Ez 10:3,5).

Er is aanleiding om de HEERE te loven, “want de HEERE is goed” (vers 3).De HEERE, JHWH, is na'iym  zegt de Hebreeuwse tekst. Na’iym heeft meerdere betekenissen: Aangenaam, prettig, lief, genoeglijk, zoet. Dus na’iym is veel meer dan het Nederlandse woord ‘goed’.

Hij, de HEERE, alleen is goed. In het gesprek met de rijke jongeling, waarvan we kunnen lezen in Markus 10 vers 18 horen we Jezus zeggen: Waarom noemt u Mij goed? Niemand is goed behalve Eén, namelijk God, Theos.

Er is ook aanleiding psalmen te zingen “voor Zijn Naam, want [die is] lieflijk” (vgl. Ps 147:1). Hij heeft Zijn Naam in liefde aan Zijn volk bekendgemaakt en ook bewezen, zoals het volgende vers zegt.

Het woord “want” waarmee vers 4 begint, geeft aan dat nu de reden volgt van de oproep in het vorige vers. Er is sprake van een nauwe relatie tussen God en Zijn volk. Die relatie is van God uitgegaan. Hij “heeft Zich Jakob verkoren, Israël als Zijn persoonlijk eigendom”. Nog een keer voor alle duidelijkheid: Hij “heeft Zich Jakob verkoren, Israël als Zijn persoonlijk eigendom.

Mag ik het vanmorgen eens een keer zo zeggen: Dat zouden meer mensen moeten weten.

Wanneer we terugzien op de afgelopen 2000 jaar, maar eveneens in de dagen die wij beleven dat Israel nagenoeg dagelijks wordt veroordeeld door de Verenigde Naties en het antisemitisme hand over hand toeneemt en dat er landen zijn die officieel verklaren Israel van de kaart te willen vegen, dan zou je je wensen dat deze mensen zich zouden realiseren dat de God van hemel en aarde Zich Jacob verkoren heeft, en Israel als Zijn persoonlijk eigendom rekent. Handen af van Israel. Niet omdat het zo’n geweldig voorbeeldig volk is, ook in onze dagen niet, maar omdat Hij het verkoren heeft boven alle andere volkeren en het Zijn eigendom is. Amen?

De Heere God zegt het al bij de Sinaï in Exodus 19 vers 5: Nu dan, als u nauwgezet Mijn stem gehoorzaamt en Mijn verbond in acht neemt, dan zult u uit alle volken Mijn persoonlijk eigendom zijn, want heel de aarde is van Mij. U dan, u zult voor Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn.

En hij heeft bevestigd het in het allerlaatste boekje in het eerste testament in Maleachi 3 vers 17L

En zij zullen voor Mij, zegt de HEERE van de legermachten,
op de dag die Ik maken zal, een persoonlijk eigendom zijn.
Ik zal hen sparen,
zoals een man zijn zoon spaart
die hem dient.

Inderdaad, dat zouden meer mensen moeten weten.

Het woord “eigendom” verwijst naar een kostbare schat, een persoonlijk eigen bezit die zorgvuldig wordt bewaard en tot speciale vreugde voor een koning is.

In Exodus en Maleachi lazen we er zojuist al van, maar in Deuteronomium 7 vers 6 lezen we:
Want u bent een heilig volk voor de HEERE, uw God. De HEERE, uw God, heeft ú uitgekozen uit alle volken op de aardbodem om voor Hem tot een volk te zijn dat Zijn persoonlijk eigendom is.

En we weten allemaal wat er heeft plaatsgevonden, hoe de leiders en het volk ten opzichte van Jezus stonden. Maar was dat een reden voor God om afscheid te nemen van dit hardnekkige volk?

Luister maar eens wat Petrus daarvan zegt in 1 Petrus 2 vers 9:
Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk, een volk dat God Zich tot Zijn eigendom maakte; opdat u de deugden zou verkondigen van Hem Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht,

Dit is een wonder van genade, waarover het volk zich alleen maar kan verbazen en zich vol dankbaarheid kan verheugen. Daarvoor kan hij de HEERE loven en psalmen zingen.

Als dat geen zegen is.

Psalm 135 -3-: Over Gods eigendom gesproken -2-

Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 135 -3-' om te luisteren.

Over Gods eigendom gesproken -2-

In de voorgaande aflevering zeiden we het al:
Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk, een volk dat God Zich tot Zijn eigendom maakte; opdat u de deugden zou verkondigen van Hem Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht,

Dit is een wonder van genade, waarover het volk zich alleen maar kan verbazen en zich vol dankbaarheid kan verheugen. Daarvoor kan hij de HEERE loven en psalmen zingen.

Het is duidelijk dat Gods verkiezing van Jakob in geen enkel opzicht aan Jakob zelf te danken is. Het leven van Jakob – en dat van zijn nageslacht – was, om het eens populair te zeggen lang niet altijd even ‘kosher’.

Dat maakt het wonder van zijn uitverkiezing alleen maar groter. Als eraan wordt toegevoegd dat God “Israël als Zijn persoonlijk eigendom” heeft verkoren, is dat omdat Hij van Jakob Israël heeft gemaakt. God heeft dat gedaan. Hem komt daarom alle eer, lof, roem en aanbidding toe.

Maar misschien mag dat ook een belofte zijn voor het Israel van nu. Het handelen van Israel is, ook in de dagen waarin wij leven lang niet altijd even ‘kosher’.
Dat maakt het wonder van zijn uitverkiezing alleen maar groter.

Voor wie in de God van Israel mogen geloven geldt eveneens dat God hem of haar heeft uitverkoren, maar leg wel, in Christus, in de Messias. Wij mogen weten dat God ons heeft uitverkoren als Zijn persoonlijk eigendom in Christus, dat houdt in dat Hij ons tot het zoonschap voor Zichzelf heeft bestemd (Ef 1:4-5). En dat nota bene van voor de grondlegging van de wereld. Het is haast niet te geloven, maar de schepper van hemel en aarde heeft het Zelf vast laten leggen in onder andere de brief aan de Efezen. Luister naar eens:

Gezegend zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegen in de hemelse gewesten in Christus, omdat Hij ons vóór de grondlegging van de wereld in Hem uitverkoren heeft, opdat wij heilig en smetteloos voor Hem zouden zijn in de liefde.

Hij heeft ons voorbestemd om als Zijn kinderen aangenomen te worden, door Jezus Christus, in Zichzelf, overeenkomstig het welbehagen van Zijn wil, tot lof van de heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde.

het is een volkomen onbegrijpelijk, onmetelijk voorrecht als wij bedenken wat wij van nature zijn en waar wij vandaan zijn gekomen.

Ik ken u niet, maar zonder uitzondering leefden wij, al of niet netjes, in de zonde en verdienden de dood. We hadden, nog sterker, we hebben totaal nergens recht op.

Maar nu? Nu zijn wij nota bene, en u hoort het goed tot huisgenoten van God gemaakt (Ef 2:11-22). Huisgenoten, we komen bij Hem met alle eerbied gesproken niet zo maar even op visite, maar we horen bij Gods gezin! Snapt u het nog? Ik niet.

Maar luister:
Bedenk daarom dat u die voorheen heidenen was in het vlees en die onbesnedenen - Letterlijk: voorhuid. genoemd werd door hen die genoemd worden besnijdenis in het vlees, die met de hand gebeurt,
dat u in die tijd zonder Christus was, vervreemd van het burgerschap van Israël en vreemdelingen wat betreft de verbonden van de belofte. U had geen hoop en was zonder God in de wereld.
Maar nu, in Christus Jezus, bent u, die voorheen veraf was, door het bloed van Christus dichtbij gekomen.
Want Hij is onze vrede, Die beiden één gemaakt heeft. En door de tussenmuur, die scheiding maakte, af te breken,
heeft Hij de vijandschap in Zijn vlees tenietgedaan, namelijk de wet van de geboden, die uit bepalingen bestond, opdat Hij die twee in Zichzelf tot één nieuwe mens zou scheppen en zo vrede zou maken,
en opdat Hij die beiden in één lichaam met God zou verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft.
En bij Zijn komst heeft Hij door het Evangelie vrede verkondigd aan u die veraf was, en aan hen die dichtbij waren.
Want door Hem hebben wij beiden door één Geest de toegang tot de Vader.
Zo bent u dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God,
gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus Zelf de hoeksteen is,
en op Wie het hele gebouw, goed samengevoegd, verrijst tot een heilige tempel in de Heere;
op Wie ook u mede gebouwd wordt tot een woning van God, in de Geest.

Ongelooflijk toch. We snappen er niks van maar mogen het in geloof aanvaarden.

Wat Israël als volk is, zijn wij persoonlijk. Wij zijn persoonlijk de speciale voorwerpen van Zijn genade en vreugde

Paulus schrijft het aan zijn geestelijke zoon Titus in deze woorden:
Titus 2:14 Hij heeft Zichzelf voor ons gegeven, opdat Hij ons zou vrijkopen van alle wetteloosheid en voor Zichzelf een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken.

Dit kan niet anders dan ons tot grote bewondering en dankbaarheid brengen die we in lofprijzing uiten aan Hem Die dit alles heeft bedacht en bewerkt.

Als dat geen zegen is.

Psalm 135 -4-: Over Gods grootheid gesproken -1-

Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 135 -4-' om te luisteren.

Over Gods grootheid gesproken -1-

In vers 3 lazen we dat de HEERE goed, na’iym. aangenaam, prettig, lief, genoeglijk, zoet is en nu lezen we in vers 5 dat Hij niet alleen goed, is maar eveneens ‘groot’.

Vanuit het diepst van zijn hart erkent de rechtvaardige in een nadrukkelijk persoonlijke belijdenis, Want “ík” weet, zegt de dichter van de psalm.  dat “de HEERE … groot” is (vers 5).

De HEERE, JHWH, is groot. En in het Hebreeuws komen we voor het woord ‘groot’ het woord ‘gadol’ tegen. De eerste keer dat we dat woord tegenkomen in de schrift is al in Genesis 1 vers 16: Genesis 1:16 En God maakte de twee grote lichten: het grote licht om de dag te beheersen en het kleine licht om de nacht te beheersen; en ook de sterren.

Het grote licht, de zon, beeld van Hem Zelf. In Psalm 84:12a "Want de HEERE is een zon en schild, de HEERE geeft genade en ere".
Hier zien we een prachtige vergelijking: zon - genade; schild - ere. De zon is hier dus een beeld van Gods genade. Psalm 84 eindigt in vers 14 met: "welzalig de mens die op U vertrouwt". Mensen die God geloven, ervaren Zijn genade.

Jesaja 60:19 "De zon zal u niet meer tot licht zijn bij dag, noch de maan tot een schijnsel voor u lichten; maar de HEERE zal u tot een eeuwig licht zijn en uw God tot uw luister".

Openbaring 21:23 "En de stad heeft de zon en de maan niet van node, dat die haar beschijnen, want de heerlijkheid van God verlicht haar en haar lamp is het Lam".

Openbaring 22:5 "En er zal geen nacht meer zijn en zij hebben geen licht van een lamp of licht der zon van node, want de Heere God zal hen verlichten en zij zullen als koningen heersen tot in alle eeuwigheden".

Als de heerlijkheid van God de nieuwe hemel en aarde verlicht, is er geen zon meer nodig. Wat een heerlijkheid! En de Vader heeft Zijn Zoon, de Heere Jezus verhoogd in Zijn heerlijkheid. En Hij is gegeven aan de Gemeente, die Zijn Lichaam is. Daar mag ik door genade deel van uit maken. Is dat geen heerlijkheid? Wat is de genade van God toch groot, want door Zijn genade is dit alles mogelijk voor een ieder die gelooft en daarom roept Paulus ons steeds op om ons te verblijden in de Heere, te allen tijde. Kan dat dan? Ja, enkel en alleen in de Heere! Ik hoop dat de Vader der heerlijkheid u geve die heerlijke verlichte ogen des harten om Hem recht te kennen.

Dan zult u stralen voor Hem en van kracht tot kracht steeds voortgaan, wandelend in het licht van God.

Kijk, zo groot is God.

Mag ik het eens illustreren met een verhaal?

Een kleine jongen zat op een bankje in het park. Op zijn schoot lag een geopende Bijbel. Hij las in het boek over de machtige werken van God.

Even later schreeuwde hij door het park: ‘Hallelujah, God is groot!’, hij bekommerde zich er niet om dat mensen hem raar aankeken, en bleef doorgaan met het prijzen van God.

Na een tijdje liep er een man langs het jongetje, een man die net zijn studie had afgerond. De man voelde zich slim, en dacht alles te weten. Toen hij het mannetje zag zitten met een open Bijbel, wilde hij de ogen openen van de jongen. Hij wist wel dat God niet bestond, en dat alles maar verzinsels waren.

Hij ging naast de jongen op de bank zitten, de jongen keek hem aan met een lach en zei: ‘Hoi, weet jij wel hoe groot God is? Ik las net dat God het volk Israël door de Rode Zee leidde. Hij had gewoon de golven stop gezet!’.

De man, verheugd omdat hij de jongen wat kon vertellen, zei tegen de knul: ‘Dat was ook niet moeilijk, wetenschappelijke feiten wijzen uit dat de Rode Zee toen maar 30 centimer diep was.’

De jongen keek verrast. Zijn ogen dwaalden van de man af naar de geopende Bijbel. De man was blij dat hij de ogen van het mannetje geopend had, en wilde vertrekken.

Nauwelijks had hij twee stappen gezet, of de jongen begon God te loven, harder dat ooit. ‘Halleluja Halleluja God is zó groot!’. De man draaide zich om en vroeg aan de jongen waarom hij zo verheugd was.

‘Wow’, antwoorde de jongen blij, ‘God is nog groter dan ik dacht! Hij heeft niet alleen het volk van Israël door de Rode Zee geleid, Hij heeft ook nog eens het hele Egyptische leger doen laten verdrinken in 30 cm water!’.

En dan ter afsluiting nog een waargebeurd verhaal.

De vrijdenker en godloochenaar, Collins (1676-1729), ontmoette eens een eenvoudige landman op weg naar de kerk. Collins vroeg hem waar hij naar toe ging. 'Naar de kerk, meneer', was het antwoord. 'Wat ga je daar doen?' 'God dienen.' 'Zeg me eens, is jouw God groot of klein?' 'Hij is beide, meneer.' 'Hoe kan dat?' 'Hij is zo groot, meneer, dat de hemel der hemelen Hem niet kan bevatten; en Hij is zo klein, dat Hij in mijn hart kan wonen!' Collins verklaarde later dat dit eenvoudige, rake antwoord meer uitwerking op zijn geweten had, dan alle boeken die waren geschreven tegen zijn godloochenende denkbeelden.

Kijk zo groot is God.

En als dat geen zegen is.

Psalm 135 -5-: Over Gods grootheid gesproken -2-

Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 135 -5-' om te luisteren.

Over Gods grootheid gesproken -2-

In de voorgaande aflevering zagen we het al op verschillende manieren: God is groot.
Het was ook als het ware de echo van de persoonlijke belijdenis van Jethro, toen hij zag wat de HEERE met Israël had gedaan, wanneer hij zegt: Exodus 18:11 Nu weet ik dat de HEERE groter is dan alle goden, (Ex 18:11).

Hij is absoluut in Zijn grootheid. Het is werkelijk te gek voor woorden om ook maar enige vergelijking te maken tussen Hem en wie of wat dan ook.

Er is niemand en niets om Hem mee te vergelijken. Mozes zong er van na de doortocht door de Rode Zee: Wie is als U onder de goden, HEERE? Wie is als U, verheerlijkt in heiligheid, ontzagwekkend in lofzangen, U Die wonderen doet? (Ex 15:11)

En in Jesaja 40 lezen we:
18 Met wie zou u God willen vergelijken,
of welke vergelijking zou u op Hem willen toepassen?

19De vakman giet het beeld,
de edelsmid overtrekt het met goud
en smeedt er zilveren kettingen voor.

20Wie te arm is voor een hefoffer,
kiest een stuk hout dat niet kan verrotten.
Hij zoekt een kundig vakman voor zich uit
om een beeld te vervaardigen dat niet wankelt.

21Weet u het niet? Hoort u het niet?
Is het u vanaf het begin niet bekendgemaakt?
Hebt u niet gelet op de fundamenten van de aarde?

22Hij is het Die zetelt boven de omtrek van de aarde,
waarvan de bewoners als sprinkhanen zijn.
Hij is het Die de hemel uitspant als een dunne doek
en uitspreidt als een tent om in te wonen.

23Hij is het Die vorsten maakt tot niets,
rechters van de aarde maakt tot leegheid.

24Ja, zij zijn niet geplant,
ja, zij zijn niet gezaaid,
ja, hun afgehouwen stronk wortelt niet in de aarde.
Ook als Hij op hen zal blazen, zullen zij verdorren,
en een storm neemt hen weg als stoppels.

25Met wie zou u Mij willen vergelijken,
of aan wie ben Ik gelijk?
zegt de Heilige..

De goden die er zijn, vallen bij Hem in het niet. Dat was toen, in de dagen van de profeet Jesaja, maar dat is eveneens zo in de tijd waarin wij leven, waarin het eveneens wemelt van de goden, of misschien moet ik zegen wemelt van de mensen die denken dat zij goden zijn. Maar zij zijn het niet.

De moslims roepen ‘allahu akbar’ – dat betekent ‘allah is groter’ (dan andere goden) –, maar de psalmist roept uit “de HEERE is groot”. In het boek Jesaja wordt de HEERE genoemd “de Eerste en de Laatste” (Js 44:6), dat betekent dat Hij niet alleen de grootste, maar ook de Enige is, de enig ware God. Er is geen God buiten Hem.

En als dat geen zegen is.

Het lied Zegekroon gaat over Gods trouwheid, grootheid en lust om voor ons te strijden. 'U zult altijd voor ons strijden. U hebt steeds uw trouw getoond. Deze waarheid is mijn blijdschap: Heer, U draagt de zegekroon.’

Psalm 135 -6-: Over Gods grootheid gesproken -3-

Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 135 -6- om te luisteren.

Over Gods grootheid gesproken -3-

Hij is de “Heere”, Adonai, de soevereine, de autonomen, de alleen Heerser van het heelal. Al wat de HEERE behaagt, doet Hij,in de hemel en op de aarde, zo lazen we zojuist.
Zo mogen we Hem kennen wanneer we spreken over “onze Heere”. Hij is de absolute Heerser, Die kan doen wat Hem behaagt en dat ook doet (vers 6). Dat behagen heeft in het Hebreeuws onder andere de betekenis van verheugen, genieten en verlustigen. Dus we zouden ook kunnen vertalen, Hij kan doen wat hem verheugd of waar Hij vreugde in vindt.

Alles wat Hij gemaakt heeft en in alles wat Hem vreugde brengt doet Hij in de hemel en op de aarde, in de zeeën en alle diepe wateren, zouden we kunnen vertalen.

Hij heeft niet alleen een absolute wil, maar ook absolute kracht en macht om Zijn wil uit te voeren. Dat is eigenlijk wat als je daar even langer bij stil staat. Daarom nog maar eens een keer: Hij heeft niet alleen een absolute wil, maar ook absolute kracht en macht om Zijn wil uit te voeren. Hem loopt dus niets, maar dan ook niets uit de hand, nu niet, straks niet en nooit niet. Ook al zetten mensen en misschien ook wij daar wel eens een vraagteken achter, wanneer er dingen in de wereld, en dingen in uw en mijn leven plaatsvinden die we misschien totaal niet begrijpen. En misschien wel nooit zullen begrijpen. Maar dan blijft er nog steeds staan, dan blijft het Woord van God nog steeds recht over eind:

Al wat de HEERE behaagt, doet Hij,
in de hemel en op de aarde,
in de zeeën en alle diepe wateren.

Er is daarbij geen gebied of terrein dat zich aan Zijn macht kan onttrekken. Zijn soevereiniteit en macht zijn onbegrensd. Hij doet wat Hem behaagt “in de hemel en op de aarde” en ook “in de zeeën en alle diepe wateren”.

In Jeremia 10 vers 13 lezen we:
Als Hij Zijn stem laat klinken, dan is er gedruis van wateren aan de hemel.
Hij doet dampen opstijgen van het einde van de aarde.
Hij heeft bliksemflitsen bij de regen gemaakt.
De wind brengt Hij uit Zijn schatkamers tevoorschijn.

Het is de eigenschap van JHWH, de HEERE, dat hem alles onderworpen is, toch? En wanneer we denken aan Jezus omwandeling hier op aarde, was het niet anders, toch? Dat Hij deed wat hem behaagde? Hij veranderde water in wijn, genas de meest vreselijke ziekten, wekte zelfs doden op. Sterker nog, Hij stond Zelf op uit de doden.

Is het dan ook te gek voor woorden, nee dat is te zwak uitgedrukt, is het dan niet onbeschrijflijk en te droevig voor woorden, nee, nog sterker moet ik me er vanmorgen tegen verzetten dat er mensen zijn die zich christen noemen, die ronduit in allerlei media verkondigen dat Jezus, Yeshua, geen God is? Terwijl Hij talloze malen bewezen heeft vanuit Zijn daden dat Hem alles onderworpen is?  Zelfs de demonen die Hij uitdreef?

Dat Hij Heer is over de schepping is een feit en wie in Hem gelooft erkent Zijn heerschappij. Velen in de tijd waarin wij leven, en dat worden er steeds maar meer, velen vallen van het eenvoudige geloof in de Messias, in Christus af die geloven niet in Zijn heerschappij. Dat wil zeggen nog niet. Er komt namelijk een dag dat “in de Naam van Jezus elke knie zich buigt van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en elke tong belijdt dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God [de] Vader” (Fp 2:10-11).

En als dat geen zegen is.

Opwekking 684 - Adembenemend' is een prachtig lied over Gods grootheid en macht. 'U bent adembenemend, eindeloos mooi, Overstijgt wat een mens ooit heeft gezien, gehoord, bedacht. U bent meer dan bijzonder, buitengewoon. Niets is vergelijkbaar met Uw majesteit en pracht.'

Uw majesteit is onaantastbaar,
Niemand is aan U gelijk.
Onvolprezen, zonder weerga,
Koning van het hemelrijk.
Oorverdovend als de donder,
Helder als een bliksemschicht.
Oogverblindend is de luister
Van Uw heilig aangezicht.

Toch bent U niet onbereikbaar;
Door Uw Geest woont U in mij.
U bent alomtegenwoordig:
Overal altijd nabij.

U bent adembenemend, eindeloos mooi,
Overstijgt wat een mens
Ooit heeft gezien, gehoord, bedacht.

U bent meer dan bijzonder, buitengewoon.
Niets is vergelijkbaar
Met Uw majesteit en pracht.

Uw werken zijn verbazingwekkend,
Schoonheid die de schepping vult.
Onuitspreek'lijk is de grootsheid
Waarmee U zich heeft omhuld.
Ondoorgrond'lijk zijn Uw wegen,
Onvoorstelbaar is Uw macht.
Uw gedachten zijn ongrijpbaar,
Ontzagwekkend is Uw kracht.

Psalm 135 -7-: Over Gods grootheid gesproken -4-

Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 135 -7-' om te luisteren.

Over Gods grootheid gesproken -4-

In de voorgaande aflevering hebben we iets mogen zien van Gods grootheid en macht naar aanleiding van vers 6.

Het hele universum is door Hem geschapen en daarom aan JHWH onderworpen. Het gaat hier niet in de eerste plaats om de HEERE als Schepper, maar om Zijn macht ten opzichte van de schepping. Het gaat om Gods eeuwige kracht en Goddelijkheid, die uit Zijn werken worden gekend en doorzien (Rm 1:20).

Het kennen van Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid moet ons ertoe brengen Hem als God te verheerlijken en te danken (Rm 1:21). Dat doet de psalmist hier.

Zijn macht blijkt uit het doen opstijgen van dampen (vers 7). Wij spreken over het verdampen van het water, maar de psalmist leert ons hier de les dat God het doet.

De Kanaänieten geloven dat de Baäl dit bewerkt. In de toekomst zal de mens geloven dat het beest alles kan en velen denken dat nu in de tijd waarin wij leven al:
Openbaring 13:4 En zij aanbaden de draak, omdat hij aan het beest macht gegeven had. En zij aanbaden het beest en zeiden: Wie is aan dit beest gelijk? En wie kan er oorlog tegen voeren?

Maar wanneer we ons vertrouwen op de HEERE, op JHWH stellen, vertrouwen op Hem, op Jezus, op Jeshua.

We lezen in Mattheus hoofdstuk 28 vers 18:

En de elf discipelen zijn naar Galilea gegaan, naar de berg waar Jezus hen ontboden had.  En toen zij Hem zagen, aanbaden zij Hem, maar sommigen twijfelden. En Jezus kwam naar hen toe, sprak met hen en zei: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.

De elf discipelen toen zij Hem zagen aanbaden Hem. Gisteren haalde ik aan dat er in de media en in christelijk Nederland in toenemende mate gepredikt en geloofd wordt dat Jezus geen God is, maar dat niet alleen. Jezus hoeft en mag niet aanbeden worden. Eh, denk ik dan wanneer ik Mattheus 28 lees: De elf discipelen aanbaden Hem…

Mattheüs 11 vers 27. Alle dingen zijn Mij overgegeven door Mijn Vader; en niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon, en hij aan wie de Zoon het wil openbaren.

Lucas 10 vers 22: Op dat moment verheugde Jezus Zich in de geest en zei: Ik dank U, Vader, Heere van de hemel en van de aarde, dat U deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, en ze aan jonge kinderen hebt geopenbaard. Ja, Vader, want zo was het Uw welbehagen.

Alle dingen zijn Mij overgegeven door Mijn Vader; en niemand weet Wie de Zoon is dan de Vader, en Wie de Vader is dan de Zoon, en hij aan wie de Zoon het wil openbaren.

23En Hij keerde Zich naar de discipelen en zei tegen hen alleen: Zalig zijn de ogen die zien wat u ziet.

Johannes 3 vers 35en 36: De Vader heeft de Zoon lief en heeft alle dingen in Zijn hand gegeven.

36 Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven, maar wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem.

En in Efeze 1 lezen we over de Messias aks het hoofd van de gemeente
15Daarom, omdat ook ik gehoord heb van het geloof in de Heere Jezus onder u, en van de liefde voor alle heiligen,
16houd ik niet op voor u te danken, als ik in mijn gebeden aan u denk,
17opdat de God van onze Heere Jezus Christus, de Vader van de heerlijkheid, u de Geest van wijsheid en van openbaring geeft in het kennen van Hem,
18namelijk verlichte ogen van uw verstand, om te weten wat de hoop van Zijn roeping is, en wat de rijkdom is van de heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen,
19en wat de alle overtreffende grootheid van Zijn kracht is aan ons die geloven, Kol. 2:12overeenkomstig de werking van de sterkte van Zijn macht,
20die Hij gewerkt heeft in Christus, toen Hij Hem uit de doden opwekte en aan Zijn rechterhand zette in de hemelse gewesten,
21ver boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en elke naam die genoemd wordt, niet alleen in deze wereld of eeuw, maar ook in de komende.
En Hij heeft alle dingen aan Zijn voeten onderworpen en heeft Hem als hoofd over alle dingen gegeven aan de gemeente,
23 die Zijn lichaam is en de vervulling van Hem Die alles in allen vervult.

Hebreeën 2 vers :5Want Hij heeft de komende wereld, waarover wij spreken, niet onderworpen aan de engelen,

6maar iemand heeft ergens getuigd: Ps. 8:5Wat is de mens, dat U aan hem denkt, of de mensenzoon, dat U naar hem omziet?

7U hebt hem voor korte tijd minder gemaakt dan de engelen; met heerlijkheid en eer hebt U hem gekroond. U hebt hem gesteld over de werken van Uw handen;

8alle dingen hebt U onder zijn voeten onderworpen. Want bij het onderwerpen van alle dingen aan Hem heeft Hij niets uitgezonderd wat Hem niet onderworpen is. Nu zien wij echter nog niet dat Hem alle dingen onderworpen zijn,

9maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die voor korte tijd minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden van de dood, opdat Hij door de genade van God voor allen de dood zou proeven.

De psalmist spreekt niet als natuurkundige, maar als een gelovige die weet dat alles wat op aarde gebeurt van God komt, door Hem wordt bewerkt. Zo spreken wij ook over ‘het bliksemt’ en ‘het waait’, terwijl we hier lezen dat God “de bliksemflitsen bij de regen” maakt en “de wind uit Zijn schatkamers naar buiten” brengt (vgl. Jb 38:22). Hij is inderdaad onvergelijkbaar groot.

Als dat geen zegen is.

Psalm 135 -8-: Over de verlossing van Israel gesproken -1-

Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 135 -8-' om te luisteren.

Over de verlossing van Israel gesproken
Aan de hand van de verzen 6 en 7 dachten we in de voorgaande uitzendingen na over Gods grootheid en Zijn macht over de schepping en de natuur, Hij is ook groot als Hij Zijn macht gebruikt om Zijn volk te verlossen. Dat volk heeft Hij uitgekozen om Zijn volk te zijn, opdat ze Hem zullen dienen. De verlossing van Israël in de toekomst wordt nu beschreven in de taal van de verlossing uit Egypte.

De verlossing uit Egypte is een voorafschaduwing van de komende verlossing. Bij de verlossing uit Egypte ligt de nadruk op de dood van de eerstgeborenen (vers 8), en vanaf vers 10 op de dood van de vijandige koningen. Bij de toekomstige verlossing gaat het eveneens om de dood van hen die niet achter het bloed van het Lam schuil gaan en van de koningen van de volken.

Bedenk dat veel van de oordelen die in Openbaring voorzegd zijn, heel erg lijken op de plagen die Egypte troffen. Onder andere: hagel vermengd met vuur (Openbaring 8:7); zeeën en rivieren die in bloed veranderen (Openbaring 8:8, 16:3-4); sprinkhanen (Openbaring 9:1-11); weerzinwekkende zweren zoals steenpuisten (Openbaring 16:2); duisternis (Openbaring 16:10-11).

Daar komt bij dat de twee getuigen die in Openbaring 11 optreden, over krachten beschikken zoals ook Mozes (en Elia). Om met vuur hun vijanden te verslinden, om regens te stoppen, water in bloed te veranderen, en ‘de aarde te treffen met allerlei plagen, zo vaak zij dat willen.’ Zacharia 14 spreekt eveneens over de dag waarop God alle volken zal verzamelen te Jeruzalem, om hen daar te oordelen. Hoewel de stad groot onheil treft, zal de HEERE Zelf ‘uittrekken en tegen die heidense volken strijden, zoals de dag dat Hij streed, op de dag van de strijd.’

De gebeurtenissen in onze tijd zullen uitlopen op de grote verlossing van Israël. Zoals Ezechiël dat meerdere malen aan het eind van een hoofdstuk voor onze toekomst profeteert:

Ezechiël 38:23 Zo zal Ik Mijn grootheid tonen en Mij heiligen en voor de ogen van vele heidenvolken bekend worden. Dan zullen zij weten dat Ik YHWH (de HEERE) ben.

Net zoals God dat wilde openbaren aan de Egyptenaren toen, wat een beeld is van de komende uittocht.

Exodus 9:16. Maar juist hierom heb Ik u laten bestaan, om Mijn kracht aan u te tonen, zodat Mijn Naam bekendgemaakt zal worden op heel de aarde.

Als dat geen zegen is.

Psalm 135 -9-: Over de verlossing van Israel gesproken -2-

Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 135 -9-' om te luisteren.

Over de verlossing van Israel gesproken -3-

We denken vandaag weer verder na over de verlossing van Israel. Als kind, maar ook nu nog kom ik steeds weer onder de indruk van Gods machtsvertoon van Israels verlossing uit Egypte. Het grootste machtsvertoon wordt eerst genoemd in de Psalm:
Hij trof de eerstgeborenen in Egypte,
van de mens af tot het vee toe.
Zijn macht over leven en dood.

Hij heeft dit opperste machtsvertoon laten voorafgaan door “tekenen en wonderen in uw midden, Egypte” (vers 9). De schrijver van de psalm richt zich midden in zijn betoog ineens tot Egypte, zozeer is hij betrokken bij wat God heeft gedaan en daarvan onder de indruk. De farao en al zijn dienaren hebben in de tekenen en wonderen die in hun midden zijn gedaan de macht van God moeten erkennen.

De Israëlieten hebben hun bestaan te danken aan de verlossing uit Egypte door de HEERE. Daarom wordt dit steeds herhaald.

Zoals bijvoorbeeld in Nehemia 9, waar we lezen:
U bent het, HEERE, U alleen. U hebt de hemel gemaakt, de allerhoogste hemel- Letterlijk: de hemel der hemelen. De aarde en al wat daarop is, de zeeën en al wat daarin is, en U doet dat alles leven, en de menigte aan de hemel buigt zich voor U neer.

7U bent de HEERE, de God Die Abram heeft uitgekozen en hem heeft uitgeleid uit Ur van de Chaldeeën, en U hebt zijn naam veranderd in Abraham.

8 U hebt zijn hart trouw bevonden voor Uw aangezicht en U hebt een verbond met hem gesloten om hem het land te geven van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Ferezieten, de Jebusieten en de Girgasieten, om het te geven aan zijn nageslacht; en U hebt Uw woorden gestand gedaan, want U bent rechtvaardig.

En dan volgen de woorden waar het mij eigenlijk om gaat:

9 U hebt de ellende van onze vaderen in Egypte gezien, en U hebt hun geroep bij de Schelfzee gehoord.

10 U hebt tekenen en wonderen gedaan bij de farao, bij al zijn dienaren en bij heel de bevolking van zijn land, want U wist dat zij overmoedig tegen hen handelden, en U hebt voor Uzelf een Naam gemaakt, zoals die op deze dag is.

Laten ook wij blijven beseffen dat wij, u en ik, ons bestaan te danken hebben aan de verlossing door de Heer Jezus.
Daarom wordt er ook met regelmaat over onze verlossing gesproken
Efeze 1:7 In Hem hebben wij de verlossing, door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de overtredingen, overeenkomstig de rijkdom van Zijn genade,

Nadat Hij Zijn volk uit de slavernij van Egypte heeft bevrijd, heeft Hij hen niet aan henzelf overgelaten. Op hun reis door de woestijn “versloeg Hij vele volken en doodde Hij machtige koningen” die hun de weg naar het beloofde land wilden versperren.

De eerste verlossing van Israël is hun verlossing uit de macht van de valse koning, de farao van Egypte. De eerste verlossing in de toekomst is uit de macht van de valse koning van Israël, de antichrist. De laatste verlossing van Israël, voordat het volk het beloofde land intrekt, is van vijandige machten in het Overjordaanse, dat is de woestijnzijde van de Jordaan. De laatste verlossing van vijandige machten in de toekomst, vlak voor het vrederijk, is ook in het Overjordaanse, namelijk van de macht van de vijandige volken in Edom zoal we kunnen lezen in Jesaja 63 vers 1 tot en met 6.

De volgende keer hopen we verder hierover na te denken.

Psalm 135 -10-: Over de verlossing van Israel gesproken -3-

Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 135 -10-' om te luisteren.

Over de verlossing van Israel gesproken -3-

God doodde “Sihon, de koning van de Amorieten, en Og, de koning van Basan” en versloeg “al de koninkrijken van Kanaän”, lezen we in vers 11, maar verder ook in Nummeri 21:21-26,33-35; Dt 2:30-33; 3:1-6).

Sihon en Og worden bij name genoemd. Het verslaan van deze koningen wordt uitvoerig in Jozua 12 vers 1 tot en met 6 beschreven. Het zijn de eerste vijandige volken van wie God tegen Zijn volk zegt dat zij hun gebied moeten veroveren en in bezit moeten nemen. Van de rest van de koningen, “al de koninkrijken”, worden in Jozua 12 alleen de namen genoemd met aan het einde de vermelding “in totaal eenendertig koningen”.

Er zit misschien iets diepers in de figuren van Og en Sihon, die Mozes probeert over te brengen aan het volk dat op het punt staat het beloofde land binnen te gaan. Og en Sihon zijn reuzen, niet alleen fysiek maar ook qua materiële prestaties. Volgens de bronnen zijn ze diep gehecht aan geld en macht. Die zijn de basis van hun leven. Door ze bij naam te specificeren, wil Mozes wellicht de aandacht van het volk vestigen op deze kant van de vergelijking. Hun verwrongen logica heeft hun ego boven die van gevoeligheid voor hun medemensen geplaatst. Ze zijn zo bezig met zelfpromotie en zelfrespect dat ze geen ruimte hebben om elkaar te helpen, zelfs niet in tijden van nood. Dit is het tegenovergestelde van wat Mozes wil dat het volk in het land Kanaän is.

Og heeft zich door de nederlaag van Sihon niet laten waarschuwen. Hij rekende blijkbaar op eigen kracht en trok Israël tegemoet om ertegen te strijden. Zijn reusachtige lengte, is af te leiden uit de maat van zijn bed (vers 11), moet hij grote indruk op Gods volk hebben gemaakt.

Welezen namelijk in Deuteronomium 3 vers 11: Zie, zijn bed was een bed van ijzer. Bevindt het zich niet in Rabba van de Ammonieten? De lengte ervan is negen el, en de breedte vier el, gemeten naar de elleboog van een man. Negen el was de lengte dus. Meestal wordt er in de Bijbel gerekend met een el die ongeveer 52 cm was. Negen maal 52 centimeter is, reken maar uit 4.68 meter.
Dan begrijp je ook de bemoediging van de HEERE dat ze niet bang voor hem hoefden te zijn en dat Hij hem en zijn volk en land in hun hand zou geven. De vorige overwinning, die over Sihon, wordt als bewijs aangehaald. Zoals God sprak, zo deed Hij.

De overwinning op Og wordt vaak samen met die op Sihon vermeld, zoals hier in Psalm 135, maar ook in Jozua 9:10 en Psalm 136:19-20. De gebieden waarover deze koningen regeerden, zijn de eerste gebieden die Israël heeft veroverd. Ze lagen beide aan de oostelijke kant ofwel de woestijnkant van de Jordaan, ook wel het Overjordaanse genoemd.

In Sihon ontmoeten we een mens die trots is en een verhard hart heeft. Bij hem ligt de nadruk op de geest, het verstand van de mens. Hij beziet zijn bezittingen als zijn eigendom, het is van hem. God staat buiten zijn denken. Hij is koning van Hesbon. Over de betekenis van de naam Hesbon, of Chesbon, kreeg ik het volgende van een zuster uit Israël als verklaring:

 

‘Hier nog een korte uitleg over Chesbon. Ieder Hebreeuws werkwoord bestaat uit een stam van meestal drie letters. In dit geval is dat ch’sh’v (spreek uit chashav) wat betekent denken of nadenken. Het woord chesbon wordt in het dagelijkse Ivriet van nu gebruikt voor rekenles (op de basisschool), maar ook voor een factuur of berekening.’

Einde citaat.

Uit deze verklaring kunnen we de toepassing maken dat in Sihon, die koning is van Hesbon, iemand wordt gezien die steunt op zijn verstand, zijn intellect, en God buiten zijn denken sluit.

Maar we kunnen wel iets over Sinhon, de koning van Basan zeggen, maar hoe zien wij bijvoorbeeld onze gezondheid en ons geld en onze bezittingen? Als iets waar we recht op hebben en wat wij voor onszelf kunnen gebruiken? Of als iets waarmee we de Heer en anderen kunnen dienen? De Heere wil ons leren ook dit als een erfdeel uit Zijn hand te ontvangen.

Want als dat geen zegen is.

Psalm 135 -11-: Over de verlossing van Israel gesproken -4-

Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 135 -11-' om te luisteren.

Over de verlossing van Israel gesproken -4-

We denken weer verder na over de woorden die we vinden in de verzen 10 en 11 van de Psalm:
Hij versloeg vele volken
en doodde machtige koningen:

11Sihon, de koning van de Amorieten,
en Og, de koning van Basan,
en al de koninkrijken van Kanaän.

Og onderging hetzelfde lot als Sihon. De overwinning was groot. Na een trektocht van veertig jaar door de woestijn, waar ze waarschijnlijk geen stad hebben gezien, kwamen ze nu tegenover onneembaar geachte vestingen te staan. Maar voor een volk met God aan zijn zijde is geen obstakel te groot. Liefst zestig versterkte steden werden ingenomen en ook “zeer veel steden zonder muur”. Met God is het zwakste volk de machtigste vijand de baas.

Er werd niet gestreden om niet overwonnen te worden en vrij te blijven, maar er werd gestreden om zelf te overwinnen en in bezit te nemen

Nadat God zo in macht en majesteit de weg voor Zijn volk heeft gebaand, heeft Hij het land van de vijandige volken “als erfelijk bezit, als erfelijk bezit aan Zijn volk Israël” gegeven (vers 12.

Dit wordt bevestigd in Psalm 78 waar we lezen:  Hij verdreef de heidenvolken voor hun ogen, verdeelde hun erfelijk bezit door een meetsnoer en deed de stammen van Israël in hun tenten wonen. Er wordt maar liefst 228 maal in het Oude- of eerste testament gesproken over het erfelijk bezit in relatie tot Israel en het land Kanaän. En ik zeg het maar weer eens: Dat zouden meer mensen moeten weten. En zich dat moeten realiseren. Het land Kanaän is gegeven aan Zijn volk Israel als een erfelijk bezit. De Verenigde Naties, de Europese Unie, de Palestijnse Staat en wie niet op deze wereld zouden zich moeten realiseren dat dit land van JHWH als erfbezit aan Israel is geschonken. Wat zou dat een zegen zijn en een hoop onrust, strijd en bloedvergieten wegnemen. Maar helaas, zo ver is het nog niet. Het wachten en verwachten is op de Vredevorst die Hoogst Eigen Persoonlijk de strijd voor Zijn volk zal voeren en voor Vrede met een hoofdletter zal zorgdragen.

Wanneer we wat verder doorbladeren in het boek Jozua lezen we Jozua is oud geworden en alle stammen hun erfdeel in het beloofde land ontvangen hebben. God heeft hen rust gegeven van alle hun vijanden rondom. Nu roept Jozua geheel Israël, zijn oudsten, zijn hoofden, zijn rechters en zijn opzieners samen en spreekt tot hen. Hij wijst hen op alles wat God gedaan heeft, dat Hij al hun vijanden voor hen uit verdreven heeft en al Zijn beloften vervuld heeft. In hun erfdelen zijn echter nog vijanden overgebleven. Deze moeten nog verdreven worden. Daarover zegt hij: "...En de HEERE uw God Zelf zal hen van voor uw ogen verjagen, en Hij zal hen van voor uw ogen verdrijven, en u zult hun land in bezit nemen, zoals de HEERE, uw God, tot u gesproken heeft” (hs. 23:5). Ook dit is weer toekomstprofetie, want het is nog steeds niet gebeurd! Jozua drukt hen op het hart om standvastig alles te onderhouden en te volbrengen wat in het wetboek van Mozes geschreven is en zich niet in te laten met de overgebleven vijanden. Als zij dit laatste wel zouden doen, zou God hen niet meer verdrijven en zouden zij tot een strik en tot een val worden. Uiteindelijk zullen zij welhaast vergaan uit het land dat God hen gegeven heeft!

Na deze ‘geschiedenisles’ roept Jozua dezelfde vergadering nogmaals samen. Hij spreekt het volk toe en laat God spreken. Zijn woorden vertellen de geschiedenis vanaf de roeping van Abraham. Het is een aaneenschakeling van de daden van God. Zeventienmaal komt het woord ‘Ik’ voor met betrekking tot God, te beginnen met "Ik nam uw vader Abraham van de overzijde van de Rivier ..." (vs. 3). God koos! Zeventienmaal een daad van God.

Psalm 135 -12-: Over de verlossing van Israel gesproken -5-

Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 135 -12-' om te luisteren.

Over de verlossing van Israel gesproken -5-

De woorden van Jozua aan het einde van zijn leven vertellen de geschiedenis vanaf de roeping van Abraham. Het is een aaneenschakeling van de daden van God. Zeventienmaal komt het woord ‘Ik’ voor met betrekking tot God, te beginnen met "Ik nam uw vader Abraham van de overzijde van de Rivier ..." (vs. 3). God koos! Zeventienmaal een daad van God.

Door deze daden van God wordt de geschiedenis bepaald.

Het bestaan van Israel was in de tijd van Jozua is bij de gratie van God, zij danken hun bestaan aan Hem. En vandaag de dag en in de nabije en verre toekomst is het precies zo:

Het bestaan van Israel is bij de gratie van God, zij danken hun bestaan aan Hem.

Als God er niet geweest was, zouden zij ‘nergens’ geweest zijn. Na deze persoonlijke woorden van God zegt Jozua: " Nu dan, vrees de HEERE, dien Hem in oprechtheid en trouw, doe de goden weg die uw vaderen gediend hebben aan de overzijde van de rivier en in Egypte, en dien de HEERE. Maar als het in uw ogen kwalijk is de HEERE te dienen, kies voor u heden wie u zult dienen: óf de goden die uw vaderen, die aan de overzijde van de rivier woonden, gediend hebben, óf de goden van de Amorieten, van wie u het land bewoont. Maar wat mij en mijn huis betreft, wij zullen de HEERE dienen!”(Joz. 24:14-15).

We leren hieruit dat het ten diepste gaat om de keuze: voor of tegen God. Het is alles of niets (afgoden zijn niets). Jozua zegt als het ware tegen het volk: God heeft voor ons gekozen, klampen wij ons aan Hem vast of niet? Buigen wij voor Hem als de enige en ware God? Uit vers 15 blijkt dat de vraag “kies voor u heden wie u zult dienen” eigenlijk pas komt nadat zij hun God hebben afgewezen. De keus is dan tussen de goden van hun vaderen en de goden van de Amorieten!

Jozua besluit met: "Maar wat mij en mijn huis betreft, wij zullen de HEERE dienen".

En hoeveel huwelijken zijn er niet gesloten in de tijd waarin wij leven met deze woorden.
En in hoeveel huizen hangt deze spreuk niet in de kamers van Nederland. Want deze woorden kunnen niet alleen worden toegepast op Israel, en we hopen daar in een volgende uitzending over na te denken) maar kunnen ook persoonlijk worden toegepast op uw en mijn leven.

Jozua besluit zijn rede met: "Maar wat mij en mijn huis betreft, wij zullen de HEERE dienen".

Alle aanwezigen zijn ervan onder de indruk. En samen stemmen zij in met Jozua. Het is inderdaad de God geweest van onze vaderen die heeft bevrijd, geleid, beschermd en gezegend. Hij is altijd goed geweest en trouw. Ook wij zullen de Heer dienen, want Hij is onze God.

En dat gebeurt er iets wonderlijks. Je zou verwachten dat Jozua opgelucht ademhaalt en blij is dat de keuze de goede kant opvalt. Maar wat hij zegt is dit: dat gaat jullie niet lukken. Dat trekken jullie niet. Deze God dienen gaat jullie vermogen te boven. Want deze God duldt niemand naast zich. Hij neemt niet met minder genoegen dan met je hele hart en je hele leven. Deze God dienen, dat doe je er maar niet even bij. Andere goden laten zich met elkaar combineren maar deze God geeft zelf alles wat hij heeft. Hij is zo gepassioneerd en vol liefde voor jullie. Dat hij alleen tevreden is met een ongedeelde keus voor Hem.

 

Wij hebben soms het idee dat God op afstand is. En onbewogen op zijn troont zetelt en vanaf grote afstand zijn besluiten neemt. Maar Israëls God is een God met een vurig hart. Een hart dat tintelt van verlangen en klopt van liefde en niets liever wil dan dat zijn liefde wordt beantwoord door mensen die hun hele hart aan Hem geven. Hij heeft een onstuimig verlangen naar een relatie die diep is, waarachtig en echt.

Er is in God een gepassioneerd vurig JA. Een JA tegen ieder van ons. En er is tegelijk een zeer kracht en hartgrondig NEE tegen andere goden in welke vorm dan ook. Tegen alles wat in onze levens de plaats inneemt die alleen aan God toekomt. JA, Ik ben jouw God die je uit Egypte wil bevrijden. NEE, je zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben. JA Ik maak jou vrij, NEE wordt dat niet opnieuw slaaf, nergens van.

Dat is ook de benadering van Jozua. Opvallend trouwens dat Jozua het juist zó zegt: Ik en mijn huis wij zullen de Heer dienen. Hij zegt niet: wij zullen in mijn huis de Heer dienen. Nee, hij begint met zichzelf: ik en mijn huis. God dienen begint niet bij de ander maar bij mijzelf. Als het mijn oprechte verlangen is dat in mijn huis God dienen belangrijk is. Dan vraagt dat om te beginnen iets van mij zelf.