Psalm 130 -1-
Psalm 130 -2
Niet beschikbaar-
Psalm 130 -3-
Psalm 130 -4-
Psalm 130 -5-
Psalm 130 -6-
Psalm 130 -7-
Psalm 130 -8-
Psalm 130 -9-
Psalm 130 -10-
Psalm 130 -11-
Psalm 130: Tekst Herziene Staten Vertaling
Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE;
2 Heere, hoor naar mijn stem.
Laat Uw oren opmerkzaam zijn
op mijn luide smeekbeden.
3 Als U, HEERE, op de ongerechtigheden let,
Heere, wie zal staande blijven?
4 Maar bij U is vergeving,
opdat U gevreesd wordt.
5 Ik verwacht de HEERE, mijn ziel verwacht Hem
en ik hoop op Zijn woord.
6 Mijn ziel wacht op de Heere,
meer dan wachters op de morgen,
wachters op de morgen.
7 Laat Israël hopen op de HEERE,
want bij de HEERE is goedertierenheid
en bij Hem is veel verlossing.
8 Ja, Hij zal Israël verlossen
van al zijn ongerechtigheden.
Psalm 130 -1-: Over dalen en bergen gesproken
Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 130-1-' om te luisteren.
Over dalen en bergen gesproken
Vandaag staan we op de drempel van een nieuwe indrukwekkende Psalm. Een psalm die misschien wel in heel veel in de harten van mensen is opgeklommen. Misschien pook wel van u. In een tijd van moeite en strijd. Misschien wel bij het verlies van een geliefde of dat de arts u een ernstige boodschap heeft verteld.
De woorden van de psalm drukken de gevoelens van bijna wanhoop uit. Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE. Want wat kunnen we ons eenzaam en alleen voelen in ons verdriet wanneer we terug geworpen worden op de fundamenten van ons bestaan. Wanneer alle zekerheden wegvallen. Misschien hebben we het bij wijze van spreken wel met de dichter van de Psalm uitgeroepen, uitgeschreeuwd naar God met de woorden van de dichter:
Heere, hoor naar mijn stem.
Laat Uw oren opmerkzaam zijn
op mijn luide smeekbeden.
Tsja, verdriet en gevoelens van verdriet gaan ook degenen die de Heere God kennen niet voorbij. Een vriend van mij die inmiddels al jaren bij de Heere God is zij voorheen tegen mij nogal eens: Het leven is vol schijnbare vreugd Cees.
En het is waar. Laten we maar heel eerlijk zijn. Het leven, ook van een kind van God, is niet simpel. Ook in de tijd waarin wij leven niet. Het vooruitgangsgeloof, dat ons doet geloven dat het allemaal maar glorie hallelujah is, blijkt een onwaarheid te zijn.
Het leven, ook van een gelovige, blijkt ook een leven te zijn waarin pijn, verdriet en verlies, een plaats hebben. Een oude broeder waarvan ik veel geleerd heb wees mij eens op de woorden uit Lukas: Want wie van u, willende een toren bouwen, zit niet eerst neder en overrekent de kosten, of hij ook heeft hetgeen tot volmaking nodig is?
Maar er is meer, want in de eerste zin van deze Psalm zit al een goede of een blijde boodschap verborgen. Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE.
Want weet u, met al onze pijn, moeite en verdriet hebben we een adres waar we er mee terecht kunnen. Of beter gezegd: Bij wie we terecht kunnen: Bij de HEERE. Met hoofdletters geschreven. En dat betekent dat er in het Hebreeuws de letters JHWH staan. En die naam betekend: De AANWEZIGE.
Hij of zij, u of ik, wanneer we een kind van God zijn, inderdaad, moeite en verdriet wordt ons niet bespaard, maar dan is er sprake van een ongelooflijke troost en blijdschap want temidden van alle ellende die ook ons overkomt, mogen we zeker weten: Hij is er bij.
Simon Petrus dan antwoordde Hem: Heere, tot wie zullen wij heen gaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.
In de afgelopen dagen sprak ik een aantal mensen over de situatie op het wereldtoneel. Als we zien op alle gebeurtenissen in de wereld, het aantal crisissen is niet meer op een hand te tellen. Ik ga ze niet allemaal opnoemen. Een oorlog om de hoek van de deur in het groot, maar wat denkt u van de talloze kinderen in nota bene Nederland die met een lege maag naar school worden gestuurd omdat er thuis geen eten is? En de politiek waarin met elkaar ongegeneerd en asociaal bejegend?
En we constateerden met elkaar: Waar zouden we zijn, waar ouden we het moeten zoeken als we de HEERE God niet zouden kennen. Als u het mij vraagt dan loopt deze wereld, deze ajoon, dit tijdperk op haar laatste benen. En hijgt zij als het ware naar het openbaar worden van Gods Zoon naar deze aarde. Want, en dat zegt Psalm 130 ook: Bij Hem is veel verlossing.
Zo mogen we deze psalm toepassen op ons persoonlijk leven. Maar er is meer over deze Psalm te zeggen, want deze psalm is in eerste instantie gericht op Israel. Dat blijkt overduidelijk wel uit de laatste woorden van deze bijzondere Psalm. Luister maar:
Laat Israël hopen op de HEERE,
want bij de HEERE is goedertierenheid
en bij Hem is veel verlossing.
8 Ja, Hij zal Israël verlossen
van al zijn ongerechtigheden.
Ja, inderdaad, er is hoop voor ons, wij en zij die hun vertrouwen, geloof stellen op de God van Abraham, Izak en Jacob. Maar: Laat Israël hopen op de HEERE, want bij de HEERE is goedertierenheid en bij Hem is veel verlossing.
Met name bij dat aspect van de Psalm, bij de verlossing van Israel willen we de komende uitzendingen met u stil staan.
Als dat geen zegen is.
We gaan luisteren en misschien ook wel meezingen met een, zoals we dat soms wel noemen, een kinderliedje. Maar als je de woorden diep tot je door laat dringen blijkt dat kinderliedje een geweldige gelooofsgetuigenis te zijn:
Op bergen en in dalen
Ja, overal is God!
In hemel en op aarde,
Ja, overall is God!
En waar ik ook al heen ga
Ik weet, ook daar is God
En dat ik nooit alleen sta
Want overal is God
Hij is een trouwe Vader
En altijd heel dichtbij
En wie op Hem vertrouwen
Beschermt en zegent Hij
Ook zorgt hij voor de vogels
en dieren op het land
Ja alles op de aarde
Hij houdt het in Zijn hand.
Komt laat ons daarom zingen
Tot eer van onze God
Hij wil ons steeds omringen
Met liefde, zo is God
Waar soms het leven moeilijk is
of zwaar, ook daar is God
Ik weet dat hij steeds bij me is
Ja, overal is God
Psalm 130 -2-: Over verzoening gesproken -1-
Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 130 -2-' om te luisteren.
Over verzoening gesproken -1-
Ik weet niet of u weleens een bezoek gebracht heeft aan concentratiekamp Dachau. Aan de rand van het terrein is na de oorlog een Evangelische Verzoeningskerk gebouwd. Om in dit gebouw te komen, loop je letterlijk een troosteloze diepte in.
Binnen in de kerk aangekomen is een passage uit Psalm 130 te vinden: “Aus der tiefen rufe ich, Herr, zu dir” (‘Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE’). Deze tekst op deze plek van onbeschrijfelijk en onbegrijpelijk menselijk leed, bepaald ons wel op een rauwe manier bij het probleem van het lijden en het kwaad in deze wereld. Juist op deze plek. Een plaats waarin het kwaad zich van haar aller lelijkste gezicht heeft laten zien. Een plaats waarin de tegenstander van God een ongekende aanval deed op het bestaan van Gods volk en waarin het hem lukte om het volk van God te minimaliseren. Maar de HEERE, de Aanwezige was in de gaskamers van Dachau. Hij waakte over Zijn volk en vandaag de dag mag Zijn volk in Zijn land wonen. Lees Psalm 130 maar eens helemaal door. Inderdaad, het begint in de diepte, het begint bij wijze van spreken in Dachau, maar het eindigt in de verlossing van heel Israel.Ja, Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden.
Want met deze 130e psalm bevinden we ons nog midden in de Pelgrimsliederen. We zouden het haast vergeten zijn.
In de Hoogliederen, in de Pelgrimsliederen, in de liederen van de opgang, in Psalm 120-126 herkennen we het feest van het trompetgeschal, de nieuwjaarsdag van Israël, waarop voorbereidingen worden getroffen om naar Jeruzalem te gaan. Maar in de psalmen 130-131 vinden we de Grote Verzoendag.
We horen immer de woorden:
Laat Israël hopen op de HEERE,
want bij de HEERE is goedertierenheid
en bij Hem is veel verlossing.
Ja, Hij zal Israël verlossen
van al zijn ongerechtigheden.
Grote verzoendag!
In de laatste twee opgangsliederen, Psalm 133-134, herkennen we het Loofhuttenfeest.
Deze drie feesten zijn de laatste drie van de zeven feesten van de HEER in Leviticus 23 ( Lev 23:23-44 ). Profetisch hebben deze drie feesten te maken met het herstel van Israël. Deze drie feesten herkennen we dan ook in deze liederen van de opgangen.
Psalm 130 is een terugblik op de Grote Verzoendag die zijn vervulling vond in de verzoenende dood van Christus, de Messias, ongeveer 2000 jaar geleden. In Jesaja, horen we de geloofsbelijdenis van het overblijfsel ter gelegenheid van de Grote Verzoendag.
Ik hoop maar dat u het mij niet kwalijk neem wanneer we Jesaja 52 en 53 in het geheel lezen. Deze twee hoofdstukken zijn namelijk zo bijzonder indrukwekkend en indringend en spreken over de tijd die binnenkort aanstaande is.
1 Ontwaak, ontwaak,
bekleed u met uw kracht, Sion,
trek uw mooiste kleren aan,
Jeruzalem, heilige stad!
Want voortaan zal in u
geen onbesnedene of onreine meer komen.
2 Schud het stof van u af, sta op,
zet u neer, Jeruzalem,
maak de ketenen om uw hals los,
gevangene, dochter van Sion!
3 Want zo zegt de HEERE: Voor niets bent u verkocht, u zult ook zonder geld worden verlost.
4 Want zo zegt de Heere HEERE: Vroeger Gen. 46:6daalde Mijn volk af naar Egypte om daar als vreemdeling te verblijven, en Assyrië heeft het zonder oorzaak onderdrukt.
5 En nu, wat staat Mij hier te doen? spreekt de HEERE. Want Mijn volk is voor niets weggevoerd, zijn overheersers doen het weeklagen, spreekt de HEERE, en voortdurend, heel de dag, wordt Mijn Naam gelasterd.
6 Daarom zal Mijn volk Mijn Naam kennen; daarom, op die dag, zal het weten dat Ik het Zelf ben Die spreekt: Zie, hier ben Ik.
7 Hoe lieflijk zijn op de bergen
de voeten van hem die het goede boodschapt,
die vrede laat horen, die een goede boodschap brengt van het goede,
die heil laat horen,
die tegen Sion zegt:
Uw God is Koning.
8 Een stem, uw wachters verheffen hun stem,
tezamen juichen zij,
want zij zullen het zien, oog in oog,
als de HEERE terugkeert naar Sion.
9 Breek uit in gejubel, juich tezamen,
puinhopen van Jeruzalem,
want de HEERE heeft Zijn volk getroost,
Hij heeft Jeruzalem verlost.
10 De HEERE heeft Zijn heilige arm ontbloot
voor de ogen van alle heidenvolken;
en alle einden der aarde zien
het heil van onze God.
11 Vertrek, vertrek, ga daar weg,
raak het onreine niet aan,
ga uit haar midden weg, reinig u,
u die de heilige voorwerpen van de HEERE draagt!
12 Maar u zult niet overhaast weggaan,
u zult niet als op de vlucht gaan,
want de HEERE zal vóór u uit trekken,
en de God van Israël zal uw achterhoede zijn.
De Knecht van de HEERE verzoent de schuld
13 Zie, Mijn Knecht zal verstandig handelen,
Hij zal verhoogd worden en verheven, ja, zeer hoog verheven worden.
14 Zoals velen zich over U ontzet hebben
– zo geschonden was Zijn gezicht, meer dan van iemand anders,
en Zijn gestalte, meer dan van andere mensenkinderen –
15 zó zal Hij vele heidenvolken besprenkelen,
koningen zullen vanwege Hem sprakeloos staan. Letterlijk: hun mond sluiten.
Want zij aan wie het Rom. 15:21niet verteld was, zullen het zien,
en zij die het niet gehoord hebben, zullen het begrijpen.
1 Wie heeft onze prediking geloofd,
en aan wie is de arm van de HEERE geopenbaard?
2 Want Hij is als een loot opgeschoten voor Zijn aangezicht,
als een wortel uit dorre aarde.
Gestalte of glorie had Hij niet;
als wij Hem aanzagen, was er geen gedaante dat wij Hem begeerd zouden hebben.
3 veracht, de onwaardigste onder de onwaardigste onder - Of: verworpen door. de mensen,
een Man van smarten, bekend met ziekte,
en als iemand voor wie men het gezicht verbergt;
4 Voorwaar, onze ziekten heeft Híj op Zich genomen,
onze smarten heeft Hij gedragen.
Wíj hielden Hem echter voor een geplaagde,
door God geslagen en verdrukt.
5 Maar Hij is om onze overtredingen verwond,
om onze ongerechtigheden verbrijzeld.
De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem,
en door Zijn striemen is er voor ons genezing gekomen.
6Wij dwaalden allen als schapen,
wij keerden ons ieder naar zijn eigen weg.
Maar de HEERE heeft de ongerechtigheid van ons allen
op Hem doen neerkomen.
7 Toen betaling geëist werd, werd Híj verdrukt, - Of: Hij werd mishandeld en Hij werd verdrukt.
maar Hij deed Zijn mond niet open.
Als een lam werd Hij ter slachting geleid;
als een schaap dat stom is voor zijn scheerders,
zo deed Hij Zijn mond niet open.
8 Hij is uit de angst en uit het gericht weggenomen,
en wie zal Zijn leeftijd uitspreken?
Want Hij is afgesneden uit het land van de levenden.
Om de overtreding van mijn volk is de plaag op Hem geweest.
9 Men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld,
en Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest,
omdat Hij geen onrecht gedaan heeft
en geen bedrog in Zijn mond geweest is.
10Maar het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen, Hij heeft Hem ziek gemaakt.
Als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben,
zal Hij nageslacht zien, Hij zal de dagen verlengen;
het welbehagen van de HEERE zal door Zijn hand voorspoedig zijn.
11 Om de moeitevolle inspanning van Zijn ziel zal Hij het licht. zien,
Hij zal verzadigd worden.
Door de kennis van Hem zal de Rechtvaardige, Mijn Knecht, velen rechtvaardig maken,
want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.
12 Daarom zal Ik Hem veel Of: onder velen. toedelen,
en machtigen zal Hij verdelen als buit,
omdat Hij Zijn ziel heeft uitgestort in de dood,
onder de overtreders is geteld,
omdat Hij de zonden van velen gedragen heeft
voor de overtreders gebeden heeft.
Als dat geen zegen is.
Tsja, we zeiden het al eerder: Psalm 130 is een terugblik op de Grote Verzoendag die zijn vervulling vond in de verzoenende dood van Christus, de Messias, ongeveer 2000 jaar geleden. In Jesaja, horen we de geloofsbelijdenis van het overblijfsel ter gelegenheid van de Grote Verzoendag.
Als dat geen zegen is.
We gaan luisteren naar het bekende AVINU MALKEINU.
Het is een Joods gebed dat onderdeel uitmaakt van de synagoge-liturgie van de Joodse feestdagen Rosj Hasjana (Joods Nieuwjaar) en Jom Kipoer (Grote Verzoendag).
"Onze Vader, onze Koning, wij hebben gezondigd voor uw aangezicht.
Onze Vader, onze Koning, wij hebben geen die ons regeert dan u.
Onze Vader, onze Koning, wees met ons ter wille van Uw naam, die wij dragen.
Onze Vader, onze Koning, laat het nieuwe jaar voor ons een goed jaar worden.
Onze Vader, onze Koning, elk besluit dat hard en zwaar voor ons zou zijn om het te ondergaan, vernietig dat, neen, laat het niet over ons uitgesproken worden.
Onze Vader, onze Koning, laat ophouden elke beschikking over ziekte, over oorlog, over hongersnood, die tegen ons zou uitgesproken zijn.
Onze Vader, onze Koning, vergeef ons en scheld ons kwijt wat wij verkeerd deden.
Onze Vader, onze Koning, voer ons terug, in een volledige en algehele terugkeer tot U.
Onze Vader, onze Koning, geef een algehele genezing aan de zieken van Uw volk.
Onze Vader, onze Koning, vermeld onze naam ten goede.
Onze Vader, onze Koning, schrijf ons in in het boek van een goed leven.
Onze Vader, onze Koning, schrijf ons in in het boek van verlossing en hulp.
Onze Vader, onze Koning, schrijf ons in in het boek, waarin een goede beschikking valt over de mogelijkheid ons in leven te houden.
Onze Vader, onze Koning, laat wat wij goed deden voor ons opgetekend blijven.
Onze Vader, onze Koning, schrijf ons in in het boek van vergeving en kwijtschelding.
Onze Vader, onze Koning, laat er spoedig hulp voor ons ontstaan.
Onze Vader, onze Koning, geef Israël Uw volk zijn glorie.
Onze Vader, onze Koning, vul onze handen met Uw rijke gaven.
Onze Vader, onze Koning, hoor naar onze stem, wees ons een bescherming, schenk ons uw liefde.
Onze Vader, onze Koning, aanvaard ons gebed in liefde en laten de woorden van ons gebed Uw wil zijn.
Onze Vader, onze Koning, open de poorten van de hemel, opdat ons gebed er moge doordringen.
Onze Vader, onze Koning, denk er toch aan dat wij alleen maar stof zijn.
Onze Vader, onze Koning, laat ons niet onverhoord van U gaan.
Onze Vader, onze Koning, moge dit uur een uur zijn waarin Uw liefde en Uw welwillendheid waken over ons.
Onze Vader, onze Koning, ontferm u over ons en over onze kleine kinderen.
Onze Vader, onze Koning, doe het ter wille van die vermoord werden, omdat ze de eenheid van Uw naam verkondigden en als martelaren stierven.
Onze Vader, onze Koning, doe het om Uwentwil en niet om de onze.
Onze Vader, onze Koning, doe het om Uw liefde, die zo groot is.
Onze Vader, onze Koning, wees ons genadig, verhoor ons, wij hebben geen daden waarop wij ons beroepen kunnen, maar toch, laat Uw recht, dat Gij spreekt over ons, de mildheid kennen van Uw trouw, ja, wil ons helpen."
We gaan luisteren naar een uitvoering door Barbara Streisan.
Psalm 130 -3-: Over verzoening gesproken -2-
Over verzoening gesproken -2-
In de voorgaande twee afleveringen hebben we aan de hand van de psalm met elkaar stilgestaan bij het persoonlijke aspect van deze psalm waarin we troost en kracht en moed voor de toekomst kunnen en mogen ontlenen. Daarna hebben we met elkaar stilgestaan bij het verband van Psalm 130 met Grote Verzoendag of Jom Kippoer.
En als je dit zo overdenkt, valt het toch op dat het Woord van God zo rijk en veelomvattend is, vindt u ook niet? Het Woord mag zo gezien tot troost zijn voor ons persoonlijk leven alle eeuwen door en ook nu in de 21e eeuw. Heel persoonlijk voor u en mij. Maar tegelijkertijd mogen dezelfde woorden betrekking hebben op het Joodse volk alleen, en spreken van verzoening en verlossing voor Zijn volk, maar eveneens betrekking hebben op de geweldige nabije toekomst die voor ons ligt. Waar vind je in de boekenwinkel nog zo’n boek, met zo’n rijke en veelzijdige inhoud? Lieve luisteraars, wat mogen we onszelf gelukkig prijzen wanneer we dit boek, maar vooral de Schrijver van dit boek hebben mogen leren kennen. Dan zijn we de gelukkigste mensen op deze aarde. Ook al ben je misschien straat en straat arm.
Zo, dat maar even als inleiding. De komende dagen wil ik samen met u nadenken over de inhoudelijke kant van deze prachtige Psalm. Over de Psalm van verlossing en verzoening.
Dit elfde pelgrimslied of "Lied van de Beklimmingen en Opstijgingen" is ook de zesde van de zeven "boetpsalmen" (Psalm 6; 32; 38; 51; 102; 130; 143). De schrijver van de psalm roept “uit de diepte … tot U, HEER” ( Psalm 130:1b ; vgl. Jona 2:2 ). Dit gaat over de diepten van de zee als een beeld van een zeer grote nood waarin de mens slechts één stap verwijderd is van de dood. Deze woorden brengen mij in gedachten terug bij Genesis 3: want stof bent u en u zult tot stof terugkeren. De woorden brengen mij terug naar Dachau, waar het volk de gaskamers in werden gejaagd tot niemand meer een cent voor het Joodse volk gaf. Maar de woorden brengen mij ook terug naar die plek daar vlakbij de poorten van Jeruzalem, daar op Golgotha. Een groter nood is niet te omschrijven wanneer we de Zoon van God horen roepen: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten…
Maar uit de diepten van ons bestaan, uit de diepten van het bestaan van het Joodse volk, Gods volk, en uit de diepten van het graf van Vaders Zoon mag nieuw leven ontstaan. Op de Opstandingsdag, de eerste dag van de week mag klinken: Geen dood hield Davids Zoon omkneld. Hij overwon, die sterke Held.
En over Israel Gods volk lezen we in Jesaja 51
10 Bent u het niet die de zee heeft drooggelegd,
de wateren van de grote watervloed,
die de diepten van de zee gemaakt heeft tot een weg,
zodat de verlosten erdoor konden gaan?
11 Zo zullen wie door de HEERE zijn vrijgekocht, terugkeren
en met gejuich in Sion komen.
Eeuwige blijdschap zal op hun hoofd zijn,
vreugde en blijdschap zullen zij verkrijgen,
verdriet en gezucht zullen wegvluchten.
12Ik, Ik ben het Die u troost.
Weet u, God laat Zijn volk, God laat ons en Vader laat zijn Zoon niet in de diepte, in de ellende achter. Inderdaad, de schrijver van de psalm spreekt van “ongerechtigheden”, “vergeving”, “goedertierenheid” en “verlossing” ( Psalm 130:3 ; 4 ; 7 ; 8 ).
Wanneer ik deze woorden op mij in laat werken, dan weerklinken deze woorden in mijn gedachten: “ongerechtigheden”, “vergeving”, “goedertierenheid” en “verlossing. En hoe mooi is het om in deze woorden, in deze psalm, het verlossingswerk van de Messias te ontdekken. In deze psalm, die begint vanuit de diepten van ellende en eindigt in de verlossing. Niet uit eigen werken, maar uit genade, vergeving, goedertierenheid.
Voor ons persoonlijk, voor u en mij, maar eveneens en zeker niet minder waar voor zijn oogappel, Zijn volk Israel.
Als dat geen zegen is.
Voor deze keer heb ik gekozen voor een Hebreeuwse uitvoering van Psalm 130.
Psalm 130 -4-: Over verzoening gesproken -3-
Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 130 -4-' om te luisteren.
Over verzoening gesproken -3-
We hebben er in de voorgaande uitzending bij stilgestaan. Profetisch weten we van Israëls nood.
De uitroep "O HEERE" geeft het intense ondraaglijke en inktzwarte lijden aan waaronder de psalmist, het volk en de Messias, Christus gebukt gaat en ging, en dat er niemand is dan de HEERE, JHWH, De Ene, de Aanwezige, Die kan helpen. Dit intense ondraaglijke en inktzwarte lijden proeven we eveneens in de bittere verwoording in vers 2 . Na tot de Aanwezige te hebben, geroepen, ja geschreeuwd, letterlijk, vraagt de dichter en door de woorden van de dichter heen het lijdende volk Israel de "Heere", Adonai , de soevereine Heerser en Voorziener, om te luisteren en vraagt en vragen zij om Zijn aandacht, want alleen in Zijn doorboorde handen zijn dood en leven.
Laat Uw oren opmerkzaam zijn
op mijn luide smeekbeden.
Heer, hoor mijn stem - Dit is het gebed; dit is wat hij huilde, zegt de Hebreeuwse tekst. Het is de taal van iemand, van een volk in grote nood.
Laat uw oren opmerkzaam zijn op de stem van mijn smeekbeden - keer u niet van mij af; negeer mijn schreeuw niet.
Ik las ergen de volgende woorden: Er zijn twee soorten gebeden: gebeden uitgedrukt in woorden en onuitgesproken verlangens die blijven bestaan als stille overdenkingen, stille gedachten. Woorden zijn niet de essentie, maar de kledingstukken van het gebed.
Met woorden proberen we het stille lijden in ons vorm te geven, maar het lijden is soms zo diep dat we het maar nauwelijks in woorden kunnen uitdrukken. Inderdaad: Woorden zijn niet de essentie, de kern, maar de kledingstukken van het gebed. Anders gezegd: Woorden hebben een hart. Woorden komen voort uit het hart. Met woorden proberen we het stille lijden in ons hart een vorm te geven. Dat is wat de dichter doet. Daarin lezen we het lijden in deze psalm van het volk Israel.
Hij vraagt de Heere om zijn pijn, zijn verdriet, zijn hartezeer, zijn stem te horen en dat zijn oren opmerkzaam zijn op de stem van zijn smekingen. Hij doet een dringend beroep op de Heere, op Adonai, om aandacht aan hem te schenken, want hij verkeert in grote, hopeloze nood. De Heere, hetgeen een vertaling is van het Hebreeuwse Adonai, heeft de betekenis van Meester of Eigenaar. Daarom huilt hij en smeekt de dichter en door de woorden van de dichter horen we Israel smeken aan haar Meester en Eigenaar om naar hem om te kijken.
Hij, het volk, maar eveneens de Zoon met een hoofdletter die daar diep in de put zit, in ellende over zijn en in e Zoon, onze zonden, en hem eruit op te tillen. En zo zien we ook de overeenkomsten met het volk van God, met Israel, dat al eeuwen en eeuwenlang leeft en verdrukking en benauwdheid, antisemitisme, pure haat en waar er volken zijn die het recht op het bestaan van Israel ontzeggen en zwart op wit verklaren dat Israel van de aardbodem moet worden vernietigd. Voor eens en voor altijd.
In de dagen dat ik deze woorden schrijf is er een opstand in Iran gaande. Aanleiding is de dood van een vrouw die volgens de autoriteiten haar hoofddoekje wat te los om haar haren had zitten. Tienduizenden mensen gaan in Iran en in vele landen daarbuiten momenteel de straat op om een proteststem te laten horen. Ook hier in Nederland. Als zichtbaar protest knippen vele vrouwen een lok haar van hun hoofd om daarmee hun ongenoegen vorm te geven. Maar weer u ook dat Israel door het Iraanse bewind de schuld in de schoenen geschoven krijgt van deze opstand? Inderdaad, u raadt het al: Israel. Het antisemitisme bloeit in deze wereld welig voort. En de bedenker van deze list is de leugenaar van de beginne.
En toch, en toch, het volk bestaat nog steeds en bloeit als nooit tevoren. En is een zegen voor de volkeren. Maar het beste komt nog hoor, voor u, voor mij en voor het hele volk Israel.
De dichter doet hij een beroep op Gods genade. In vers 3 lezen we namelijk
Als U, HEERE, op de ongerechtigheden let,
Heere, wie zal staande blijven?
De dichter weet dat hij geen recht heeft op verlossing van zijn ellende. Hij is zich ervan bewust dat geen mens, ook hij niet, in Gods aanwezigheid kan staan wanneer God “ongerechtigheden merkt”.
In Ps 130:1-6 spreekt de psalmist in de eerste persoon enkelvoud – “ik” en “mijn”. Psalm 130:7-8 maakt duidelijk dat hij spreekt namens het hele volk, “Israël”, de Strijder Gods. Dat betekent dat dit gaat over de ongerechtigheid van Israël.
Dat is ook precies wat er gebeurt op de Grote Verzoendag. De Grote Verzoendag gaat over de verlossing van de zonden van het volk, van Zijn eigen Volk, maar ook van alle mensen. De hogepriester handelde in het eerste testament namens het hele volk. En de grote Hogepriester, de Hogepriester van het tweede testament handelt eveneens namens het volk en alle mensen. Het maakt klip en klaar duidelijk waarom de Verlosser de naam Jezus moest dragen: het was omdat Hij Zijn volk zou redden van hun zonden. In Mattheus hoofdstuk 1 staat het er zo duidelijk: en zij zal een Zoon baren, en u zult Hem de naam Jezus geven, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.
In Leviticus 16 bijvoorbeeld, moest de levende bok de ongerechtigheid van het volk wegdragen naar de woestijn om nooit meer terug te keren (Lev 16:21-22). We zien dit ook in Psalm 103: "Zo ver het oosten is van het westen, zo ver heeft Hij onze overtredingen van ons verwijderd" (Psalm 103:12). Het oosten is de richting waarheen de levende geit moest gaan, het westen is waar de mensen waren, in Jeruzalem.
Wat een geweldige symboliek vinden we toch telkens weer in het Woord van God. Zo ver het oosten is van het westen, zo ver heeft Hij onze overtredingen van ons verwijderd. Verder kan toch niet?
Jesaja mag woorden van grenzeloze genade van de Aanwezige op het volk neerleggen als Hij zegt:
Ik, Ik ben het, die uw overtredingen uitdelg om mijnentwil en Ik gedenk uw zonden niet. Jesaja 43:25
Laat deze woorden maar eens diep in Uw ziel doordringen vanmorgen: Jezus, Jeshua zegt tegen Zijn volk Israel, vanmorgen tegen u, tegen mij en tegen iedereen die het maar horen wil: Ik, Ik ben het, die uw overtredingen uitdelg om mijnentwil en Ik gedenk uw zonden niet.
Als dat geen zegen is.
Vanmorgen heb ik gekozen voor het Hebreeuwse lied Gadol Adonai waarin de Grootsheid van onze Heer, Meester en Eigenaar bezongen wordt. Want Hij is het meer dan waard toch?
Heer van de eeuwigheid
laat ons Uw glorie zien.
Heer over hemel en aard,
God van Israël.
Kom in Uw wijsheid en macht,
vol van Uw glorie en kracht.
Hoor naar de roep van ons hart,
toon Uw heerlijkheid
En ieder zal U zien
Die komt in majesteit.
Adonai,
dan buigt elke knie
voor de hoogste Heer.
Adonai,
dan juicht elke tong:
U alleen bent Heer!
Adonai.
Zie Jeruzalem wacht,
heft haar lofzang omhoog,
alle poorten zien uit
naar de dag dat U komt.
En hoor hoe Sion zingt:
gezegend Hij die komt.
U bent Heer over al wat leeft,
En hoor hoe Sion zingt:
gezegend Hij die komt.
Psalm 130 -5-: Over verzoening gesproken -4-
Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 130 -5-' om te luisteren.
Over verzoening gesproken -4-
We denken vanmorgen nog even verder na over vers 3, waarin we lezen:
Als U, HEERE, op de ongerechtigheden let,
Heere, wie zal staande blijven?
Maar we willen ook nadenken over de woorden van vers 4:
Maar bij U is vergeving,
opdat U gevreesd wordt.
Want we willen in navolging op de Woorden van God niet alleen spreken over zonden, maar eveneens over de vergeving. Zo spreekt het Woord van God: Met twee woorden spreken zeiden we in vroeger dagen wel. Gods Woord is evenwichtig. Zijn woorden van evenwicht. Inderdaad het spreekt van schuld en zonde van onze kant, van uw en mijn kant, van de kant van het volk van God. Maar wat een geweldige boodschap, wat is er van een geweldige uitredding sprake. Daar waar het Woord van God spreekt over schuld van onze kant, spreekt het eveneens van onuitsprekelijke, geweldige en 0nbegrensde genade.
God ziet alle ongerechtigheden; niemand ontsnapt aan Hem. In Jeremia 2:22 lezen we het confronterende en indringende woord van de Meester Zelf:
Want al zou u zich met loog Job wassen
en zou u zeep in overvloed gebruiken,
uw ongerechtigheid blijft een vlek voor Mijn aangezicht,
spreekt de Heere HEERE.
Want al zou u zich met loog wassen
en zou u zeep in overvloed gebruiken,
uw ongerechtigheid blijft een vlek voor Mijn aangezicht,
spreekt de Heere HEERE.
Het gebruik van loog, en zeep in overvloed blijkt de vlek van ongerechtigheid niet weg te kunnen wassen. Over de was doen gesproken. Niets, maar dan ook niets van onze kant kan ook maar op enige manier bijdragen aan het wegwassen van de ongerechtigheid met een net woord, maar we kunnen het ook vertalen met vuilheid.
Als U, HEERE, op de ongerechtigheden let, maar eigenlijk staat er, Maar als u JHWH, Aanwezige op de ongerechtigheden markeert. Hij markeert onze, uw en mijn en Israels ongerechtigheden toerekenen, hem, u en mij er verantwoordelijk voor houdt. Het betekent het bijhouden van die ongerechtigheden, om ze te 'bewaren'. Het gevolg is dat God hem niet in Zijn tegenwoordigheid kan ontvangen en niet met hem kan delen wat op Zijn hart is, met andere woorden, Hij kan geen gemeenschap met u, mij en Israel, maar ook Zijn Zoon hebben. Mijn God, Mijn God, waarom hebt u Mijn verlaten horen we Jezus aan het kruis uitroepen, toen Hij daar hing, plaatsvervangend voor uw en mijn zonden en voor de zonden van de hele wereld.
Laten we dit besef vanmorgen eens tot het diepst van ons hart doordringen. Voor het eerst of opnieuw. We zien dit bij de verloren zoon. Hij heeft zijn vader verlaten en leidt een slecht leven. Dan komt hij tot zichzelf. Hij erkent dat hij alleen de schuld heeft van alles en wil dat belijden aan God en aan zijn vader. Er is geen sprake zelfbehoud, maar de erkenning dat hij vergeving nodig heeft. Dat is het moment van de terugweg naar zijn vader (Lc 15:17-19). Dan staat hij op en gaat naar zijn vader, die hem vol barmhartigheid in zijn armen neemt (Lc 15:20).
En weet u, er zijn altijd twee aspecten in dit geweldige verhaal over verzoening tussen de zoon en zijn vader.
Het eerste is dat er staat: Zijn vader zag hem van verre. Vader staat op de uitkijk. Ook na jaren en jaren en jaren, uw hele leven lang: Hij staat op de uitkijk, kijkt naar u en mij uit tot we thuiskomen om verloren zonen, Israel, u en mij in de armen te sluiten. Wat een geweldige Vader.
En het tweede wat opvalt is dat niet zoals wij vaak denken dat de zoon naar de Vader toesnelt, maar dat het de Vader is die naar de Zoon snelt. En terwijl ik deze woorden aan het papier toevertrouw, hoor ik in de speaker van mijn laptop de woorden: Er in none like You. Er is niemand zoals U. Er is niemand zoals deze Vader op deze wereld die Zijn Zoon Israel, maar ook u en mij ontvangt en vergeeft.
We lezen nergens van een verwijt van Vader aan het adres van de zoon. Alleen en uitsluitend woorden van blijdschap van de Vader.
U mag het wel weten. Jaren en jaren geleden sprak dit verhaal mij zo bijzonder aan, en dan met name de woorden: En Hij, Vader zag hem van verre. Het zijn de woorden die tot in het dieptst van mijn ziel doordrongen. God, Vader zag mij, toen ik ver van Hem weggelopen was, mijn eigen wegen ging, maar Hij zag mij van verre tot Hem komen. Verwachtte mij en onarmde mij en sprak woorden van zegen. Het zijn deze woorden die straks bij mijn begrafenis gesproken worden: En Hij zag hem van verre…
Als dat geen zegen is.
We gaan luisteren en wanneer u het nummer kent meezingen of neurien om het te leren meezingen: None like you. Er is niemand zoals u.
Degene die de razende storm kalmeert
Degene die over de zee loopt
Aarde en hemel zijn van U
Toch waakt U over mij
Hoe majestueus is Uw naam
Er is niemand zoals U
Samen verkondigen we
De kracht van uw naam
Er is niemand zoals U
Wie kan er voor Uw troon staan
Uw koninkrijk zal voor altijd heersen
Dus we heffen een loflied op
Aan de Oude van dagen
Hoe majestueus is uw naam
In heel de aarde
Samen verkondigen wij de kracht van uw naam
Er is niemand zoals U
Psalm 136 -6-: Over verzoening gesproken -5-
Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 130 -6-' om te luisteren.
Over verzoening gesproken -5-
Na de ernstige woorden van gisteren over verloren zonen en dochters, alhoewel, verloren, mochten we gisteren ook nadenken over de overvloeiende genade van Vader voor de zoon, voor Israel, want uit Egypte heb ik Mijn zoon geroepen, en dezelfde overvloeiende genade is er voor u en voor mij. Elke dag maar weer, zonder ophouden uit die geweldige Bron van genade die nooit ophoud, nooit opdroogt,
Dit is het Goddelijke “maar” waarvan de dichter van de Psalm zich ook bewust is (Ps 130:4 ). Dit zegt hij ook tegen HEERE: “Maar bij U is vergeving”. Is het u wel eens opgevallen dat er bij de dichter van de Psalm geen enkele twijfel over is over de vergeving die JHWH en Adonai schenkt? Adonai, de Meester, de Eigenaar van Israel, van u en mij vergeeft. Punt uit zou ik zeggen. Er staat nota bene geen vraagteken achter de zin. Maar de dichter van de psalm weet het zeker: Maar bij u is vergeving. We zouden bijna het programma af kunnen sluiten denk ik met de woorden zoals we dat gebruikelijk zijn te doen, met de woorden: Als dat geen zegen is.
JHWH, de Aanwezige, Adonai, de Meester, de Eigenaar van Israel, maar ook van u en mij vergeeft! Hallelujah zou ik willen zeggen. Alleen de Heere de eer!
We lezen in Nehemia 9 vers 17 geweldige woorden die de God van Israel tot Zijn volk richt, want let er goed op hoor, de genade van God is niet, om het maar eens populair te zeggen een uitvinding vanuit het Nieuwe- of Tweede Testament, want luister maar wat de Profeet Nehemia:
Zij (dat is het volk Israel hier, maar vul uw eigen naam maar gerust in) hebben geweigerd te luisteren en zij hebben niet gedacht aan Uw wonderen die U bij hen had gedaan. Zij zijn halsstarrig geweest en in hun opstandigheid hebben zij een hoofd aangesteld om terug te keren naar hun slavernij.
Maar U bent een God Die menigvuldig vergeeft, een God Die menigvuldig vergeeft - Letterlijk: een God van vergevingen. genadig, barmhartig, geduldig, rijk aan goedertierenheid, en U hebt hen niet verlaten.
Woorden schieten toch te kort. We hebben met een God te maken Die menigvuldig vergeeft, een God Die menigvuldig vergeeft - Letterlijk: een God van vergevingen. genadig, barmhartig, geduldig, rijk aan goedertierenheid, en U hebt Israel, u en mij niet verlaten.
Evangelie, blijde, goede, toffe boodschap. Er is sprake van menigvuldige vergevingen. Meervoud. Niet een keer, maar altijd en altijd en altijd maar weer. Daar leeft Israel van, daar leeft u en daar leef ik van: Vergeving, genadebrood. We leven allemaal van de geestelijke voedselbank. Straatarm van onszelf, maar steenrijk in de Heere. Amen?
En terwijl ik deze woorden type, klinken de woorden vanuit de speaker van de laptop tot mij door: I will bring you back home. Wat een geweldige boodschap. Inderdaad het lied preekt over de terugkomst, de alijah van de kinderen van Israel naar het land. Maar ik moest ineens ook denken aan de geestelijke betekenis van deze woorden: I will bring you back home.
Ik zal je terug naar huis brengen
Ik' ik zal jullie terug naar huis brengen, oh mijn kinderen
Jullie zullen niet langer ronddwalen
Verloren en alleen in de nacht
Er is niets op aarde dat jullie kan wegnemen
Zodra ik jullie onder mijn vleugels
heb verzameld zal ik jullie allemaal terug naar huis brengen
Dus we bidden voor de vrede
Maar kijk naar het oosten,
want de zon komt plotseling en fel op
Elke profeet en priester en koning in de stad
zal kijken naar degene die ze hebben doorstoken
We zullen rouwen om Degene die we hebben doorstoken
Maar wees niet bang, mijn dochters
Of zonen van Abraham
Ik zal je wassen met water
Ik zal het Lam offeren
Hoewel je zonden als scharlaken waren
Ze zullen witter zijn dan sneeuw
waar ik altijd mee ben geweest ik zal je
nooit laten gaan.
Want stel je eens voor, wat zal het een onvoorstelbaar, weergaloos en niet in woorden uit te drukken gebeurtenis en Zijn Vrede, Zijn Shalom over Israel zal neerdalen.
Als dat geen zegen is.
Psalm 130 -7-: Over verzoening gesproken -6-
Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 130 -7-' om te luisteren.
Over verzoening gesproken -6-
In de voorgaande uitzending waren we gebleven bij vers 3:
Maar bij U is vergeving,
opdat U gevreesd wordt.
We lazen de woorden van de Profeet Nehemia wiens naam overigens een prachtige betekenis heeft: JHWH troost. We hoorden door de woorden van deze Profeet de troostvolle woorden spreken tot Gods volk, Zijn kudde:
Zij hebben geweigerd te luisteren en zij hebben niet gedacht aan Uw wonderen die U bij hen had gedaan. Zij zijn halsstarrig geweest en in hun opstandigheid hebben zij een hoofd aangesteld om terug te keren naar hun slavernij.
Maar U bent een God Die menigvuldig vergeeft, een God Die menigvuldig vergeeft - Letterlijk: een God van vergevingen. genadig, barmhartig, geduldig, rijk aan goedertierenheid, en U hebt hen niet verlaten.
Het zijn woorden van troost van een vergevend God, van JHWH wiens Naam de Aanwezige is. De halsstarrigheid en opstandigheid van het volk was voor JHWH geen reden om Zich terug te trekken en hen te verlaten. Maar was voor Hem juist reden om hen menigvuldig te vergeven. Maar Hij was en is genadig, barmhartig, geduldig en rijk aan goedertierenheid en heeft het volk niet verlaten.
Laten deze woorden die gericht zijn tot Israel, ook persoonlijk ons tot troost en bemoediging zijn. We hebben immers met een God te maken bij Wie geen schaduw van omkering is? Wanneer de tegenstander ons op de hielen zit en ons wijst op al onze verkeerdheden en onhebbelijkheden en zonden, magen we weten en hem wijzen op de Aanwezige die een God van vergevingen is, en die ons nooit verlaat. Leg je Bijbeltje dan maar open bij Nehemia 9 vers 17 en u zult zien dat hij op de vlucht slaat.
Weet u, wanneer ik dit in de voorbereiding zo op mijn computertje type, geeft mijn computer aan dat het woord vergevingen een fout bevat. Het woord vergevingen blijkt niet door de spellingscontrole van Microsoft te komen. Microsoft kent het niet. Die kent alleen het enkelvoud, maar de HEERE God kent het gelukkig wel: Menigvuldige vergevingen. Als dat geen zegen is.
In Daniël 9:9 lezen we vergelijkbare woorden als de woorden die God tot het volk richt door de mond van Nehemia: De Heere, onze God, is vol barmhartigheid en menigvuldige vergeving, hoewel wij tegen Hem in opstand zijn gekomen.
De Heere, onze God, de God van Israel en onze God. De wereld kent vele goden en godenzonen, maar deze zijn zonder uitzondering veelal wreed en onbarmhartig en eisen de levens van de mens op. Maar de HEERE, onze God, zegt Daniel, is totaal tegenovergesteld aan alle andere goden. De Heere, onze God, is vol barmhartigheid en menigvuldige vergeving, hoewel wij tegen Hem in opstand zijn gekomen.
En de Hebreeuwse bijbel zegt het zo: Aan de Heer , onze God, behoort mededogen en vergeving, ook al zijn we tegen Hem. De Heere, onze God lezen we in onze vertaling, maar in het Hebreeuws lezen we: Adonai Elohim. De souvereine Heerser en Voorziener, de meester en eigenaar van Israel, de allerhoogste God, is vol van barmhartigheid. Racham staat er in het Hebreeuws en houd verband met de baarmoeder. In het Hebreeuws staat de Chet in het midden van het woord, het staat centraal. De tweede letter in het Hebreeuwse woord voor Mededogen is dus de Chet. Chet wordt afgebeeld als een omheinde of ommuurde tuin of binnenkamer. Het betekent Privé - Afscheiden - Plaats van bescherming - Een toevluchtsoord - Een beschermde tuin - Rustige plaats - Een veilig Heiligdom.
En nu lezen we vanmorgen dat de God van Israel vol is van Racham. Hij biedt Zijn eigen volk een plaats van bescherming, een toevluchtsoord, een beschermende tuin, een rustige plaats, een veilig Heiligdom.
Lieve luisteraars, en het evangelie, de blijde, de goede boodschap is, dat Hij dat niet alleen voor Zijn volk Israel is, maar ook voor iedereen mens wil zijn. Voor u en voor mij. Om de woorden van Daniel te citeren: Hoewel wij in opstand zijn gekomen, en hoewel we tegen Hem zijn zegt de Hebreeuwse tekst, is Hij is onveranderlijk Barmhartig, vol van mededoden en is voor ons een plaats van bescherming, een toevluchtsoord, een beschermende tuin, een rustige plaats, een veilig Heiligdom.
Als dat geen zegen is.
Ik heb vanmorgen gekozen voor een lied waarin over deze veilige plaats, dit veilig Heiligdom, over Rachem bezongen wordt door een jochie van een jaar of tien. Het is geen bekend lied, maar het raakte mij wel. Zo’n jong jochie, dat zingt over zo’n tere plaats.
Psalm 130 -8-: Over verzoening gesproken -7-
Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 130 -8-' om te luisteren.
Over verzoening gesproken -7-
In de voorgaande aflevering stonden we stil bij het feit dat God een God van vergeving is voor Zijn volk, maar ook voor u en voor mij.
Vergeving kan alleen van God worden verkregen, niet van enig mens, en op basis van belijdenis van zonden en geloof in het bloed van Zijn Zoon lezen we in 1 Johannes 1 vers 9:
1 Johannes 1:9 Als wij onze zonden belijden: Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.
Eerder in dit programma kwamen we al tot de conclusie dat deze Psalm niet zomaar op zichzelf staat, maar in woorden de betekenis van Grote Verzoendag of Yom Kippur uitdrukt. De Heilige God Die Zich verzoent met zondige mensen.
Als U, HEERE, op de ongerechtigheden let,
Heere, wie zal staande blijven?
Maar bij U is vergeving,
opdat U gevreesd wordt.
Wanneer we deze grenzeloze vergeving kennen en daarvan genieten, zullen zich met vreugde verheugen. Maar dat niet alleen, maar we zullen de Heere ook vrezen. Dat woord heeft een negatieve klank in het Nederlands, het drukt angst uit. Maar in het Hebreeuws betekend het voornamelijk eerbied en ontzag voor Hem hebben. Hem eren. Zoals een kind, in het natuurlijke leven eerbied en ontzag voor zijn of haar vader heeft, hem als vader eert, zo mogen de kinderen, de zonen van Vader Hem eveneens alle eer geven.
Wanneer de vergeving en de genade van God een plaats in je leven gekregen heeft, leidt dat niet tot een lichtzinnig, dom, gedachteloos, onbedachtzaam of een slordig leven, maar tot een leven van aanbidding van God en gehoorzaamheid aan Hem.
De apostel Paulus, de aposel met de boodschap van genade bij uitstek, schrijft aan de gelovigen in Efeze dit:
Laat alle bitterheid, woede, toorn, geschreeuw en laster van u weggenomen worden, met alle slechtheid, maar wees ten opzichte van elkaar vriendelijk en barmhartig, en vergeef elkaar, zoals ook God in Christus u vergeven heeft.
Wees dan navolgers van God, als geliefde kinderen en wandel in de liefde, zoals ook Christus ons liefgehad heeft en Zichzelf voor ons heeft overgegeven als een offergave en slachtoffer, tot een aangename geur voor God. Maar ontucht en alle onreinheid of hebzucht, laten die onder u beslist niet genoemd worden, zoals het heiligen past, en evenmin oneerbaarheid, dwaze praat en lichtzinnige taal, die onbehoorlijk zijn; maar veelmeer past dankzegging.
Want dit weet u, dat geen enkele ontuchtpleger, onreine of hebzuchtige, die een afgodendienaar is, een erfdeel heeft in het Koninkrijk van Christus en van God. Laat niemand u misleiden met inhoudsloze woorden, want om deze dingen komt de toorn van God over de kinderen van de ongehoorzaamheid. Wees dan hun metgezellen niet. Want u was voorheen duisternis, maar nu bent u licht in de Heere; wandel als kinderen van het licht.
De betekenis van de verzoendag wordt uitgelegd in de brief aan de Hebreeën. Het resultaat van de verzoening is: “Daarom, broeders, daar wij het vertrouwen hebben om door het bloed van Jezus de heilige plaats binnen te gaan, langs een nieuwe en levende weg…” (Hebr 10:19-20).
Dat het vrezen van de Heere in Ps 130:4 die voortkomt uit vergeving niets met angst voor God te maken heeft blijkt wel uit de woorden die Paulus aan zijn geestelijke zoon Timotheus richt in zijn tweede brief: Want God heeft ons niet gegeven een geest der vreesachtigheid, maar der kracht en der liefde en der gematigdheid.
En in de eerste brief van Johannes lezen we: Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees buiten; want de vrees heeft pijn, en die vreest, is niet volmaakt in de liefde.
En weet u angst voor God heeft zijn duizenden in deze wereld verslagen. Ook in de kerken. Inderdaad, we hebben met een rechtvaardig God te maken. Inderdaad we hebben met een God te maken die de zonde straft. Maar vergeet niet dat Hij dat in Zijn Zoon gedaan heeft. Eens en voor allen. Want zoals allen in Adam sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden.
En weet u, de dichter van Psalm 130 was daar ook van op de hoogte. Luister maar: "Ik wacht op de HEER." Hij loopt niet van Hem weg omdat hij bang zou zijn, maar hij ziet naar Hem uit. Zijn "ziel wacht" op Hem. Hij is vol van Hem. De reden daarvoor is Zijn woord, wat Hij heeft beloofd. Daar wacht hij op, dat wil zeggen, hij ziet vol vertrouwen uit naar de vervulling van wat de HEERE in Zijn Woord heeft beloofd. Die belofte is dat hij in de tegenwoordigheid van de HEER mag komen. Wachten in verwachting. Ben u ook in verwachting op Zijn komst? Met reikhalzend verlangen?
Als dat geen zegen is?
PSalm 130 -9-: Over verwachting gesproken -1-
Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 130 -9-' om te luisteren.
Over verwachting gesproken -1-
Ik verwacht de HEERE, mijn ziel verwacht Hem en ik hoop op Zijn Woord. Mijn ziel wacht op de HEERE, meer dan de wachters op de morgen, wachters op de morgen.
Hoort u het enorme verlangen van de dichter naar de HEERE, naar de hoop op Zijn Woord?
Ik verwacht de HEERE, mijn ziet verwacht Hem en ik hoop op Zijn Woord. Mijn ziel wacht op de HEERE, meer dan de wachters op de morgen, wachters op de morgen.
Meer dan wachters die wachten op het ochtendlicht, verlangt de dichter van de Psalm, verwacht Israel naar het licht van God in donkere omstandigheden. Door tweemaal te spreken over het verlangen van wachters naar de ochtend, wordt het grote verlangen benadrukt. Dat het verlangen naar de HEER nog groter is, geeft aan hoe sterk het is. Hij verlangt niet in de eerste plaats naar verandering van omstandigheden, maar naar de HEER Zelf.
De begeerte of hunkering van de dichter, maar ook van Israel, voorheen, maar ook nu in onze dagen, dat het licht over Israel zal gaan schijnen en de Messias Zijn volk zal verlossen is zo intens.
Het verlangen kan zelfs zo sterk zijn dat ons lichaam daar op reageert, want lezen we over een andere plaats in de schrijft Paulus aan de Romeinen het volgende:
Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods. Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om (de wil van) Hem, die haar daaraan onderworpen heeft, in hope echter, omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods. Want wij weten, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is.
Ziet u wel: Met reikhalzend verlangen ziet een barende vrouw uit naar de geboorte van een kind. Vanuit de diepte van de weeën die meer en meer opkomen tot de geboorte en het kind er is. Wat een vreugde. En zo kunnen we ook psalm 130 lezen.
Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE;
Ik verwacht de HEERE, mijn ziel verwacht Hem
en ik hoop op Zijn woord.
Mijn ziel wacht op de Heere,
meer dan wachters op de morgen,
wachters op de morgen.
Wat een verwachting spreekt daar uit he, vindt u ook niet. Dat is wel wat anders dan afwachten tot de HEERE komt.
Het wachten in Psalm 130 wordt vergeleken met het wachten van wachters op de morgen. Daardoor hebben de wachters de zekerheid dat het spoedig, op een bepaalde tijd, morgen zal zijn. De dichter van de Psalm heeft ook de verzekering van de verschijning van de HEERE, alleen weet hij niet wanneer dat zal zijn. Wat hij wel zeker weet, is dat “de zon van gerechtigheid” op die “morgen zonder wolken” zal “opgaan”.
In Maleachi 4 vers 2 lezen we namelijk:
Maar voor u die Mijn Naam vreest,
zal de Zon der gerechtigheid opgaan en onder Zijn vleugels zal genezing zijn;
en u zult naar buiten gaan en dartelen
als kalveren uit de stal.
Mijn ziel wacht op de Heer,... Dit wordt herhaald juist om het te bevestigen meer dan zij die op de ochtend letten: ik zeg, meer dan zij die op de ochtend letten; of, "meer dan de ochtendwachters, die uitkijken naar of tot de ochtend", degenen die de laatste ochtendwake hebben en uitkijken naar het ochtendlicht. Zodat zij van hun plicht zijn ontheven.
Heeft u wel eens een nacht gewaakt, niet geslapen of niet kunnen slapen. Wat kunnen nachten dan lang duren, uur, na uur, na uur. En je kijkt uit naar het eerste streepje licht. En als dat dan aanbreekt, dan kun je soms zuchten van verlichting.
Maar we kunnen ook de komst van de Messias vergelijken met de komst van het ochtendgloren. En het licht van Gods aangezicht is vergelijkbaar met het ochtendlicht.
De toepassing voor de gemeente is dat zij met groot verlangen uitkijkt naar de komst van Christus, de Messias. Hierin mag zij ook hopen op Zijn woord, Zijn belofte.
De Heere vertraagt de belofte niet (zoals sommigen dat als traagheid beschouwen), maar Hij heeft geduld met ons en wil niet dat enigen verloren gaan, maar dat allen tot bekering komen, lezen we in de tweede brief van Petrus.
En het verlangen naar Zijn komst is van alle eeuwen en van alle tijden. Job, de rechtvaardige Job, wat verlangde hij om de Heere God te mogen zien. En hij brengt het prachtig onder woorden. Luister maar eens: En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen; Dewelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.
Mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot…om Hem te zien en niet een vreemde.
Kent u ook dat sterke verlangen?
De dichters van de psalmen wisten er van hoor. Zullen we eens luisteren?
Ps. 84:3 Mijn ziel is begerig en bezwijkt ook van verlangen naar de voorhoven des HEEREN; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot den levenden God.
Ps. 119:81: Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil; op Uw woord heb ik gehoopt.
Ps. 119:82: Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging, terwijl ik zeide: Wanneer zult Gij mij vertroosten?
En dan Paulus: Want ik word van deze twee gedrongen, hebbende begeerte om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste.
Maar nu het volk Israel. Wat kijken zij al eeuwen en eeuwen en eeuwen uit naar het ochtend gloren, en hoelang leeft dat volk al niet eeuwen en eeuwen en eeuwen in de stikdonkere nacht? Want in eerste instantie spreekt de dichter hier in deze Psalm over Israel.
Zij die vergeving en verzoening kennen, willen die delen met het volk van God, met hun broeders en zusters ( Ps 130:7 ). Het getuigenis houdt hoop in voor Israël, een hoop die alleen in de HEERE is verankerd. Alleen bij Hem “is goedertierenheid, en bij Hem is overvloedige verlossing”. Hiervan kan en zal iedereen die het persoonlijk heeft meegemaakt getuigen. Bij “overvloedige verlossing” kunnen we denken aan de talloze gelovigen die verlost zijn, maar ook aan de talloze zonden waarvan iedere gelovige is verlost. Dit geldt voor zowel oudtestamentische als nieuwtestamentische gelovigen.
Als dat geen zegen is.
Psalm 130 -10-: Over verwachting gesproken -2-
Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 130 -10-' om te luisteren.
Over verwachting gesproken -2-
In de voorgaande uitzending hebben we met elkaar stilgestaan bij de enorme verwachting vanuit de diepte op de HEERE.
Ik verwacht de HEERE, mijn ziel verwacht Hem
en ik hoop op Zijn woord.
Mijn ziel wacht op de Heere,
meer dan wachters op de morgen,
wachters op de morgen.
Tsja, ik ben eens te rade gegaan bij de uitleggers van dit vers en die komen bijna allemaal terecht bij een min of meer recht-toe-recht-aan verklaring dat de mensen die op wacht staan uitzien naar de morgen. Dat de uitdrukking ‘wachters op de morgen’ herhaald wordt duidt dan op de sterke verwachting van de wachters.
Omdat ik deze verklaring wat aan de magere kant vond ben ik maar weer eens op zoek gegaan bij een joodse broeder die mij de volgende uitleg gaf:
Om deze vragen te beantwoorden, moeen we duidelijker krijgen waar de aanbidder op "wacht" en "hoopt". " Kiviti Hashem " betekent "Ik wacht op God", zoals verderop in deze psalm, "mijn ziel (wacht) op God" ( la-[A]donay ). De manier waarop dit in het Hebreeuws geschreven is geeft aan dat het wachten is voor God Zelf, dat wil zeggen voor Zijn openbaring.
In de tweede regel verklaart de aanbidder: "op Zijn woord hoop ik." Wat is dit woord? Gezien wat al in het voorgaande van de psalm is gezegd is, lijkt het antwoord duidelijk: het woord dat waar de psalmist met zijn hele ziel naar verlangt is Gods verklaring, " salachti " (Ik heb vergeven).
Hij is er echter niet tevreden mee dat Gods woord hem op een indirecte manier bereikt; wat hij wil is dat God Zelf aan de horizon van zijn leven verschijnt, met Zijn directe, verlossende woord - "salachti ."
De dichter van de Psalm, maar in de dichter van de psalm het volk Israel wacht angstig op Gods verschijning, wachtend om Zijn woord te horen. Maar tot de verschijning van God totdat dit gebeurt is hij "verborgen" voor hem.
‘Nafshi la-Adoshem’ betekent "Mijn ziel hoopt en wacht op God." Deze uitleg wordt ondersteund door de voorgaande twee regels, en vooral de eerste regel, waar de psalmist verklaart: ‘Mijn ziel wacht.’
Nu komen we bij de toch wat raadselachtige herhaling, " mi-shomrim la-boker, shomrim la-boker." Wat het vers betekent volgens mijn Joodse broeder is: "Mijn hoop op God is sterker dan de hoop van de (nacht)wachters ( shomrim ) voor de ochtend, terwijl zij wachten ( shomrim ) op de komst van de ochtend.
De eerste gebeurtenis verwijst dus naar de nachtwakers die de stad tot het ochtendgloren bewaken.
Een volgende vraag zou kunnen zijn: Waarom kiest de psalmist specifiek nachtwakers – een vrij ongebruikelijk beroep – om de anticipatie op het einde van hun werk, met de dageraad, te illustreren?
Wel, laat mijn joodse uitlegger weten: De verwachting van een arbeider gedurende de dag voor de komst van de avond is een normale, gewone zaak. Het is heel anders dan de anticipatie van de nachtwaker op de dageraad.
De nachtwaker voert zijn werk uit terwijl hij omringd is door duisternis en onzekerheid, met een grote verantwoordelijkheid die op zijn schouders rust. Wachtdienst 's nachts is een taak die wordt uitgevoerd tijdens de uren dat een persoon moe is, en het gaat gepaard met angst en een gespannen anticipatie op de dageraad, die daglicht en vertrouwen brengt en de wachter verlost van zijn stressvolle baan.
De vergelijking die hier wordt getrokken tussen de hoop van de psalmist op Gods verschijning en de verwachting van de nachtwakers voor de dageraad, leert ons verschillende dingen:
- Terwijl hij op God wacht en hoopt, is hij emotioneel net zo gespannen en onzeker als de nachtwakers.
- God is "verborgen" voor hem en laat hem "in het donker".
- Zijn hoop op Gods verschijning gaat gepaard met grote spanning, en hij telt de minuten tot het voorbij is.
- Gods verschijning en Zijn woord zijn als de dageraad die komt na een donkere nacht.
- De psalmist wil graag geloven dat Gods verschijning even zeker is als de dageraad.
Al deze rijke beelden van zijn hoop op God en zijn uitzien op Zijn woord wordt uitgedrukt in vier woorden, die eigenlijk twee woorden zijn die herhaald worden: " mi-shomrim la-boker shomrim la-boker ." ervaring en gevoel wordt tot leven gebracht - en nog levendiger en krachtiger gemaakt door simpelweg de voorvoegsel " mem " ( mi -shomrim ) - " meer dan degenen die kijken ...."
In een tijdsbestek van twaalf Hebreeuwse woorden, waarvan er vier in werkelijkheid twee worden herhaald, drukt dit gedeelte de verwachting uit van Gods verschijning in misschien wel de krachtigste vorm in de hele Tenach, zo eindigt mijn Hebreeuwse broeder.
Als dat geen zegen is.
We gaan luisteren naar een uitvoering van Psalm 130 in het Hebreeuws.
Psalm 130 -11-: Over verwachting gesproken -3-
Klik hiernaast op het pijltje onder 'Psalm 130 -11-' om te luisteren.
Over verwachting gesproken -3-
De dichter van de Psalm spreekt tot tweemaal toe over zijn ziel in de psalm:
Ik verwacht de HEERE, mijn ziel verwacht Hem
en ik hoop op Zijn woord.
6 Mijn ziel wacht op de Heere,
meer dan wachters op de morgen,
wachters op de morgen.
De ziel, is het centrum van onze gevoelens en gedachten, ons diepste innerlijk. De ziel is op een ander niveau betrokken bij onze verwachting dan ons verstand.
Het Hebreeuwse grondwoord qavah voor verwachting heeft de betekenis in zich van een smachtende verwachting die geduldig en volhardend is.
Die smachtende verwachting, die geduldig en volhardend is, komt je niet zomaar aanwaaien om het maar eens populair te zeggen. Het is een proces in het leven, waarbij het vertrouwen op Gods beloften in Zijn Woord steeds meer en meer verdiept wordt. Het is een hoop die zekerheid is geworden.
Een afgeleid woord van qavah is tiqvah dat hoop betekent. “Want U bent mijn hoop, Heere HEERE, mijn vertrouwen vanaf mijn jeugd” (Ps. 71:5).
Zij die de vergeving van God voor hun zonden kennen ( Psalm 130:4: 4 Maar bij U is vergeving, opdat U gevreesd wordt), die Hem kennen als de God die barmhartig is en bij wie overvloedige verlossing is ( Psalm 130:7: Laat Israël hopen op de HEERE, want bij de HEERE is goedertierenheid en bij Hem is veel verlossing), zien vol vertrouwen uit naar de volledige verlossing van Zijn volk ( Ps 130:8 8 Ja, Hij zal Israël verlossen
van al zijn ongerechtigheden).
Gods volk, geheel Israel, zal door Hem verlost worden “van al hun ongerechtigheden”. Dit gaat over verlossing van vijandige naties om hen heen, maar eveneens over de verlossing van hun eigen zonden.
Er is niet één ongerechtigheid waarvoor geen verzoening is gedaan, want “al” zijn ongerechtigheden zijn weggedaan. Al de ongerechtigheden van Israel zijn weggedaan.
Normaal gesproken worden op de Grote Verzoendag Israëls ongerechtigheden van het afgelopen jaar weggedaan. Hier verwacht de psalmist door het geloof dat alle ongerechtigheden van Israël voor eens en voor altijd zullen worden weggedaan. Dit kan niet met bloed van stieren en geiten. Christus, de Messias, als de volmaakte, grote Hogepriester, heeft het gedaan met het offer van Zijn eigen bloed.
Alles wat de zegening heeft verhinderd is uit de weg geruimd en voor altijd spoorloos verdwenen door het werk van Christus, de Messias. Overtredingen zijn weggevaagd als een mist en zonden als een wolk ( Jes 44:22 22 Ik delg uw overtredingen uit als een nevel, en uw zonden als een wolk. Keer tot Mij terug, want Ik heb u verlost). Dit maakt het volledig genieten van de zegen door Gods volk mogelijk.
De schrijver van Hebreeën 8:10-12 zegt het in de volgende woorden zo:
Want dit is het verbond dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven en Ik zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
En zij zullen beslist niet ieder zijn naaste en ieder zijn broeder onderwijzen en zeggen: Ken de Heere. Want zij allen zullen Mij kennen, van klein tot groot onder hen.
Want Ik zal wat hun ongerechtigheden betreft genadig zijn en aan hun zonden en hun wetteloos gedrag beslist niet meer denken.
Het is belangrijk ons te realiseren dat deze verlossing alleen plaatsvindt op grond van geloof, berouw en bekering. Dit principe is onder andere al door Mozes vastgelegd in Deuteronomium 30 toen het volk nog voor het beloofde land stond. Maar het geldt ook voor de tijd van Richteren (Richt. 3:9, 15; 4:3 etc.), de Profeten (Hos. 14:2, 3), de Heere Jezus (Matt. 23:37-39), de apostelen (Hand. 3:19-21) en de (nabije) toekomst. “Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de HEERE ben, en zij zullen Mij tot een volk zijn en Ík zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij bekeren met heel hun hart” (Jer. 24:7).
Als dat geen zegen is.