Psalm 105 -1-
Psalm 105 -2-
Psalm 105 -3-
Psalm 105 -4-
Psalm 105 -5-
Psalm 105 -6-
Psalm 105 -7-
Psalm 105 -8-
Psalm 105 -9-
Psalm 105 -10-
Psalm 105 -11-
Psalm 105 -12-
Psalm 105 -13-
Psalm 105 -14-
Psalm 105 -15-
Psalm 105 -16-
Psalm 105 -17-
Psalm 105 -18-
Psalm 105 -19-
Psalm 105 -20-
Psalm 105 -21-
Psalm 105 -22-
Psalm 105 -23-
Psalm 105 -24-
Psalm 105 -25-
Psalm 105 -26-
Psalm 105 -27-
Psalm 105 -28-
Psalm 105 -29-
Psalm 105 -30-
Psalm 105 -31-
Psalm 105 -32-
Psalm 105 -33-
Psalm 105 -34-
Psalm 105 -35-
Psalm 105 -36-
Psalm 105 -37-
Psalm 105 -38-
Psalm 105 -39-
Psalm 105 -40-
Klik hier om te luisteren.
Psalm 105 -41-
Psalm 105 -42-
Psalm 105 -43-
Psalm 105 -44-
Psalm 105 -45-
Psalm 105 -46-
Psalm 105 -47-
Psalm 105 -48-
Psalm 105 -49-
Psalm 105 -50-
Psalm 105 -51-
Psalm 105 -52-
Psalm 105 -53-
Psalm 105 -54-
Psalm 105 -55-
Psalm 105 -56-
Psalm 105 -57-
Psalm 105 -58-
Psalm 105 -59-
Psalm 105 -60-
Psalm 105 -61-
Psalm 105: Tekst Herziene Staten Vertaling
Lofzang op de trouw van de HEERE
1 Loof de HEERE, roep Zijn Naam aan,
maak Zijn daden bekend onder de volken.
2 Zing voor Hem, zing psalmen voor Hem,
spreek aandachtig van al Zijn wonderen.
3 Beroem u in Zijn heilige Naam,
laat het hart van wie de HEERE zoeken, zich verblijden.
4 Vraag naar de HEERE en Zijn kracht,
zoek Zijn aangezicht voortdurend.
5 Denk aan Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft,
aan Zijn tekenen en de oordelen van Zijn mond,
6 nakomelingen van Abraham, Zijn dienaar,
kinderen van Jakob, Zijn uitverkorenen.
7 Hij is de HEERE, onze God,
Zijn oordelen gaan over heel de aarde.
8 Hij denkt aan Zijn verbond voor eeuwig,
aan de belofte die Hij gedaan heeft,105:8 de belofte … heeft - Letterlijk: het woord dat Hij geboden heeft.
tot in duizend generaties,
9 aan het verbond dat Hij met Abraham gesloten heeft,
en Zijn eed aan Izak.
10 Voor Jakob heeft Hij het vastgesteld als een verordening,
voor Israël als een eeuwig verbond,
11 door te zeggen: Ik zal u het land Kanaän geven,
het gebied dat uw erfelijk bezit is.
12 Toen zij met weinig mensen waren,
ja, met weinigen, en vreemdelingen daarin,
13 en zij van volk naar volk zwierven,
van het ene koninkrijk naar het andere volk,
14 liet Hij geen mens toe hen te onderdrukken.
Ook bestrafte Hij koningen omwille van hen en zei:
15 Raak Mijn gezalfden niet aan,
doe Mijn profeten geen kwaad.
16 Hij riep een hongersnood over het land af,
Hij liet het volledig aan brood ontbreken.105:16 Hij … ontbreken - Letterlijk: Hij brak elke staf van brood.
17 Hij zond een man voor hen uit:
Jozef werd als slaaf verkocht.
18 Men drukte zijn voeten vast in de boeien,
hijzelf kwam in de ijzers.
19 Tot de tijd dat Zijn woord uitkwam,
heeft de belofte van de HEERE hem gelouterd.
20 De koning stuurde boden en liet hem vrij,
de heerser van de volken liet hem los.
21 Hij stelde hem aan tot heer over zijn huis,
tot heerser over al zijn bezit,
22 om zijn vorsten zijn wil op te leggen
en zijn oudsten wijsheid te leren.
23 Daarna kwam Israël in Egypte,
Jakob verbleef als vreemdeling in het land van Cham.
24 Hij deed Zijn volk zeer toenemen
en maakte het machtiger dan zijn tegenstanders.
25 Hij veranderde hun hart, zodat zij Zijn volk haatten
en Zijn dienaren listig behandelden.
26 Hij zond Mozes, Zijn dienaar,
en Aäron, die Hij verkozen had.
27 Zij verrichtten onder hen de tekenen die Hij bevolen had,
en wonderen in het land van Cham.
28 Hij zond duisternis en maakte het duister
– zij waren Zijn woord niet ongehoorzaam –
29Hij veranderde hun water in bloed
en doodde hun vissen.
30 Hun land wemelde van kikkers,
tot in de kamers van hun koningen.
31 Hij sprak, en er kwamen steekvliegen
en muggen in hun hele gebied.
32 Hij maakte hun regen tot hagel,
bracht vlammend vuur in hun land.
33 Hij trof hun wijnstok en hun vijgenboom,
Hij brak de bomen in hun gebied in stukken.
34 Hij sprak, en er kwamen veldsprinkhanen,
treksprinkhanen, niet te tellen,
35 die al het gewas in hun land opaten,
ja, zij aten de vrucht van hun akker op.
36 Hij trof alle eerstgeborenen in hun land,
de eerste vruchten van al hun mannelijke kracht.
37 Hij leidde hen uit met zilver en goud,
onder hun stammen was niemand die struikelde.
38 Egypte was blij toen zij wegtrokken,
want angst voor dit volk was op hen gevallen.
39 Hij spreidde een wolk uit om hen te bedekken
en gaf vuur om de nacht te verlichten.
40 Zij baden, en Hij deed kwartels komen,
Hij verzadigde hen met hemels brood.
41 Hij opende een rots en er vloeide water uit,
dat als een rivier door de dorre plaatsen stroomde.
42 Want Hij dacht aan Zijn heilige woord,
aan Abraham, Zijn dienaar.
43 Zo leidde Hij Zijn volk uit met vreugde,
Zijn uitverkorenen met gejuich.
44 Hij gaf hun de landen van de heidenvolken.
Zo namen zij in bezit waarvoor de volken hadden gezwoegd,
45 opdat zij zich aan Zijn verordeningen zouden houden
en Zijn wetten in acht zouden nemen.
Halleluja!
Psalm 105 -1-: Over de trouw van de HEERE gesproken
Over de trouw van de HEERE gesproken
We staan vanmorgen als het ware op de drempel van een nieuwe Psalm die we de komende tijd willen gaan overdenken. Een Psalm die bij velen van ons niet onbekend zal zijn.
Wie kent de woorden niet uit de oude berijming van 1773 niet:
Looft, looft, verheugd den HEER’ der Heren;
Aanbidt Zijn naam, en wilt Hem eren.
Doet Zijne glorierije daân
Alom den volkeren verstaan,
En spreekt, met aandacht en ontzag,
Van Zijne wond’ren dag aan dag.
God zal Zijn waarheid nimmer krenken,
Maar eeuwig Zijn verbond gedenken.
Zijn woord wordt altoos trouw volbracht,
Tot in het duizendste geslacht.
’t Verbond met Abraham, Zijn vrind,
Bevestigt Hij van kind tot kind.
En het laatste vers, vers 5 werd en wordt dan veelal in de kerken gezongen bij de doop van de kleine kinderen. Maar heeft natuurlijk in eerste instantie, net zoals de hele psalm betrekking op het volk Israel.
In deze psalm wordt verteld wat de HEERE, JHWH, heeft gedaan om Zijn verbond met Abraham te vervullen. De dichter van de Psalm, waarvan veleln vermoeden da het David is, beschrijft de grote machtsdaden van God bij de oorsprong van Zijn volk, daden die het volk in dankbare herinnering moet houden. Hij bezingt de trouw van de HEERE tegenover Zijn volk.
In Psalm 104 vinden we de heerlijkheid van de HEERE in verbinding met de schepping. In Psalmen 105-106 vinden we de heerlijkheid van de HEERE in verbinding met Zijn volk Israël. Psalm 105 beschrijft de wegen van de HEERE met Zijn volk, de wegen van Gods genade. De basis van die wegen is het verbond dat Hij met Abraham heeft gesloten.
Een voorbeeld van de wegen van Gods genade zien we in de familie van Johannes de doper in het evangelie naar Lukas, dat wel het evangelie van Gods genade kan worden genoemd. De naam van zijn moeder is Elisabeth, dat betekent God heeft beloofd (verbond). De naam van zijn vader is Zacharia, dat betekent de HEERE heeft zich herinnerd. De naam van hun zoon, Johannes, betekent de HEERE is genadig. Dat betekent dat de trouw van de HEERE aan Zijn verbond alleen mogelijk is langs de weg van Zijn genade, door de Middelaar Die het bloed van het tweede verbond heeft vergoten. Dat herkennen we hier in Psalm 105.
De psalm begint bij het begin van de geschiedenis van Israël en eindigt met de intocht van het volk in het beloofde land. We vinden deze wegen beschreven in het gedeelte vanaf Genesis 15 tot Exodus 17.
Over de zonden en afwijkingen van Gods volk wordt met geen woord gerept. Het gaat in Psalm 105 alleen over wat God heeft gedaan. Het overblijfsel van het volk wordt ten slotte ingevoerd in het beloofde land (verzen 44-45).
Psalm 106 beschrijft de wegen van de HEERE met Zijn volk na de wet op Sinaï, dat wil zeggen het falen van het volk door hun opstand en zonden. In die psalm wordt de periode die in Psalm 105 wordt beschreven, overgeslagen.
We kunnen het verschil tussen de beide psalmen vergelijken met het verschil tussen de boeken Kronieken en Koningen. In de boeken Kronieken ligt de nadruk op de genade van God en in de boeken Koningen wordt de (falende) verantwoordelijkheid van de mens, het volk Israël, benadrukt.
De geschiedenis van Gods genade voor Israël, die in Psalm 105 wordt beschreven, is de geschiedenis van Abraham (verzen 7-15), Jozef (verzen 16-22) en Mozes (verzen 23-43). Vergelijk de toespraak van Stéfanus in Handelingen 7 waarin hij ook spreekt over de geschiedenis van Abraham (Hd 7:2-8), Jozef (Hd 7:9-16) en Mozes (Hd 7:17-43).
In Psalm 105 vinden we in verhaal van Abraham de belofte van Gods genade, in Jozef de bron van Gods genade, namelijk het lijden van de Messias en in Mozes de uitwerking van Gods genade, de verlossing van het volk.
Met dit alles lezen we niet uitsluitend de geschiednis van het volk Israel, maar krijgen we door deze Psalm eveneens een patroon te zien van het heden en de toekomst van Israel. Psalm 105 is daarmee eveneens een profetie, een vooruitzixht naar een geweldige toekomst voor het volk Israel.
Als dat geen zegen is.
Psalm 105 -2-: Over het loven van de HEERE gesproken
Over het loven van de HEERE gesproken
Na de inleidende woorden in de voorgande uitzending willen we nu een begin maken met de inhoud van de psalm
In 1 Kronieken 16 kunnen we de woorden van de verzen 1-15 van deze psalm bijna woordelijk terugvinden. Daar worden de hier gebruikte woorden aan David toegeschreven (1Kr 16:7-22). In de eerste zes verzen worden de daden genoemd waartoe Gods volk, Israel wordt opgeroepen en daarna in de verzen 7 tot van van deze psalm de beloften van God.
Als we de verzen 1-6 lezen, zien we waartoe het volk als nakomelingen van Israël en Jakob wordt opgeroepen. Zij worden opgeroepen om Hem loven, aan te roepen en bekend te maken onder de volken (vers 1):
Loof de HEERE, roep Zijn Naam aan,
maak Zijn daden bekend onder de volken
Op zich vinden we in dit eerste vers al de roeping van Gods volk Israel al in een profetie. Zij zijn geroepen om Gods daden onder de volken bekend te maken.
Jesaja profeteert over de kinderen van Sion in hoofdstuk 66 vers 19:
De tijd komt dat Ik alle heidenvolken en talen bijeen zal brengen. En zij zullen komen en Mijn heerlijkheid zien. En Ik zal een teken op hen aanbrengen: Ik zal uit hen die aan het gericht ontkomen zijn, boden (uit de kinderen van Sion) zenden naar de heidenvolken, Tarsis, Pul, Lud, de boogschutters, naar Tubal, Javan, de verafgelegen kustlanden, die geen tijding over Mij hebben gehoord en die Mijn heerlijkheid niet hebben gezien. Zij (de kinderen van Sion) zullen Mijn heerlijkheid onder de heidenvolken verkondigen.
En dat heeft inderdaad ook plaatsgevonden. De kinderen van Sion, de discipelen, en dan met name Paulus, die uitgezonden is naar de heidenen, hebben de naam van de HEERE God, Jezus verjondigd aan de volkeren en zij zijn tot het geloof gekomen. Maar het zal nogmaals plaatsvinden. Luister maar eens naar de Profeet Joel:
Daarna zal het geschieden dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees:
uw zonen en uw dochters zullen profeteren,
uw ouderen zullen dromen dromen,
uw jongemannen zullen visioenen zien.
Ja, zelfs op de dienaren en op de dienaressen
zal Ik in die dagen Mijn Geest uitstorten.
En als we dan luisteren naar Jesaja, dan horen we de woorden:
Het zal in het laatste der dagen geschieden
dat de berg van het huis van de HEERE vast zal staan
als de hoogste van de bergen,
en dat hij verheven zal worden boven de heuvels,
en dat alle heidenvolken ernaartoe zullen stromen.
Vele volken zullen gaan en zeggen:
Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE,
naar het huis van de God van Jakob;
dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen,
en zullen wij Zijn paden bewandelen.
Want uit Sion zal de wet uitgaan,
en het woord van de HEERE uit Jeruzalem.
En zo zien we maar weer, dat we met de woorden uit Psalm 105 middenin de profetieen zitten.
Dan nog even iets anders. Het Hebreeuwse woord voor loven in het eerste vers: Loof de HEERE is ‘Jada’. En in dat woordje zit het woord ‘Jad’. En dat kennen we allemaal wel, het Jiddische Woord voor hand. Jadah, kan dus ook worden vertaald met hand. En nu is het mooie dat het ene, het andere aanvult. Want als wij iemand de hand willen drukken, dan strekken wij onze hand uit naar de ander. En laat dat nu precies zijn wat wij doen als wij de HEERE loven? Wanneer wij de HEERE willen loven, dan strekken wij ons als het ware uit naar Hem!
Maar in het Hebreeuwse woordje Jadah, zitten dezelfde medeklnkers als in het woord Juda. En in het Hebreeuws zijn dat woordverbanden die je mag gebruiken. En we weten dat Juda de betekenis van ‘God lover’ of ‘lofprijzing’ heeft.
Want zei Lea bij nzijn geboorte: Ditmaal zal ik de HEERE loven. Daarom gaf zij hem de naam Juda.
En ook daarbij komen we bij een geweldige profetie terecht, in Genesis 49
8 Juda, jij bent het,
jou zullen je broers loven!
Je hand zal rusten op de nek van je vijanden;
voor jou zullen de zonen van je vader zich neerbuigen.
9 Juda is een leeuwenwelp;
van je prooi ben je opgestaan, mijn zoon.
Hij heeft zich gekromd, zich als een leeuw neergelegd,
als een leeuwin; wie zal hem doen opstaan?
10 De scepter zal van Juda niet wijken
en evenmin de heersersstaf van tussen zijn voeten,
totdat Silo komt,
en Hem zullen de volken gehoorzamen.
11 Hij bindt zijn jonge ezel aan de wijnstok
en het veulen van zijn ezelin aan de edelste wijnstok;
hij wast zijn kleren in wijn
en zijn gewaad in druivenbloed.
12 Zijn ogen zijn donker door de wijn
en zijn tanden wit door de melk.
Loof de HEERE.
Psalm 105 -3-: Over het aanroepen van Zijn Naam gesproken
Over het aanroepen van Zijn Naam gesproken
In de voorgaande aflevering hebben we met elkaar nagedacht over de eerste woorden van de psalm waarin de dichter van de psalm in eerste instantie het volk Israel oproept om de HEERE, JHWH, te loven. Zich uit te strekken naar Hem.
In het vervolg van dit eerste vers klinkt de oproep om Zijn Naam aan te roepen. Maar wat betekend dat precies? Zijn Naam. Dus de naam van JHWH aanroepen?
Het is een goede gewoonte in het Jodendom, maar ook daarbuiten om bij bepaalde begrippen, namen of omstandigheden naar de eerste keer te gaan wat een bepaald begrip, een bepaalde naam of een bepaalde omstandigheid zich voordoet in de Bijbel te gaan.
De uitdrukking ‘de Naam van de HEERE aanroepen’ vinden we vor het eerst in Genesis 4 waar we lezen:
En Adam had opnieuw gemeenschap met zijn vrouw en zij baarde een zoon, en zij gaf hem de naam Seth. Want, zei ze, God heeft mij ander nageslacht gegeven in de plaats van Abel; Kaïn heeft hem immers gedood. En ook bij Seth werd een zoon geboren, en hij gaf hem de naam Enos. Toen begon men de Naam van de HEERE aan te roepen.
Seth krijgt ook een zoon, “Enos”, dat ‘mens’ betekent in de zin van ‘zwakke mens’ of ‘sterfelijke mens’. Uit die naam blijkt het geloof van Seth. In tegenstelling tot Kaïn en zijn nageslacht verwacht Seth niets van de mens, maar alles van God.
Het is dan ook opmerkelijk dat juist in de dagen van Enos “men de Naam van de HEERE” begint aan te roepen. Terwijl er zijn die zichzelf een naam maken op aarde, zoals we in vers 17 van hetzelfde Genesis 4 lezen), zijn er anderen die in het besef van eigen zwakheid een beroep doen op de Naam van de HEERE.
Want zegt de wijze dichter van de Spreuken in 18 vers 10: De Naam van de HEERE is een sterke toren, een rechtvaardige snelt daarheen en wordt in een veilige vesting gezet.
De Naam van de HEERE us een veilige vesting, want inderdaad Hij brengt Redding, Jeshua, Jezus, Redder. Jezus komt uit de stam van Juda, maar over hem dachten we gisteren al na.
De aanbeveling in Psalm 105 om Zijn Naam aan te roepen blijkt dus niets anders te zijn dan een aanbeveling om een beroep doen op de reddende kracht van Jeshua, Jezus.
Prachtig toch? Maar het gaat nog verder, want evenals we gezien hebben in de voorgaande uitzending dat Psalm 105 niet alleen maar geschiedschrijving is maar eveneens een geweldige profetie bevat. Daarover lezen we onderandere in Joel 2:
28 Daarna zal het geschieden
dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees:
uw zonen en uw dochters zullen profeteren,
uw ouderen zullen dromen dromen,
uw jongemannen zullen visioenen zien.
29 Ja, zelfs op de dienaren en op de dienaressen
zal Ik in die dagen Mijn Geest uitstorten.
30 Ik zal wondertekenen geven aan de hemel en op de aarde:
bloed en vuur en rookzuilen.
31 De zon zal veranderd worden in duisternis
en de maan in bloed,
voor die dag van de HEERE komt,
die grote en ontzagwekkende.
32 Het zal geschieden dat ieder die de Naam van de HEERE zal aanroepen, behouden zal worden.
Ziet u wel? Ieder die de Naam van de HEERE zal aanroepen zal zalig worden. Dat was Noach in de tijd van Enos. Dat waren er 3.000 in de tijd van de Handelingen op de Pinksterdag en dat zullen er miljoenen zijn wanneer zoals Joel zegt: Dan komt de dag van de HEER, groot en ontzagwekkend. Dan zal ieder die de naam van de HEER aanroept worden gered.
Door de profeet Joël spreekt God daarom over de dag dat Hij Zijn Volk weer terug zal brengen naar Zijn land:
Ik zal mijn geest uitgieten over al wat leeft … Dan zal ik tekenen geven aan de hemel en op aarde: bloed en vuur en zuilen van rook, de zon verandert in duisternis en de maan in bloed. Dan komt de dag van de HEER, groot en ontzagwekkend. Dan zal ieder die de naam van de HEER aanroept ontkomen: op de Sion, in Jeruzalem, is een toevlucht te vinden, zoals de HEER heeft beloofd; ieder die hij roept zal worden gered. (Joël 3:1-5))
Petrus haalt dit aan in zijn toespraak in de tempel op de Pinksterdag (Handelingen 2:20-21). Feitelijk zegt hij daarmee dat deze woorden nu in vervulling konden gaan door de dood en opstanding van Christus, de Messias. Toch was dit nog niet de volledige vervulling; het kon dat ook niet zijn. Dit was inderdaad een dag waarop het oordeel over het Joodse volk zou beginnen: zij moesten nu kiezen, en in het jaar 70 (de verwoesting van de tempel van het Oude Verbond door de Romeinen) was hun tijd om.
Feitelijk zou er in het jaar 70 daarom juist geen ontkoming zijn in Jeruzalem: Jezus waarschuwde zijn volgelingen zelfs om Jeruzalem dan te ontvluchten (Lukas 21:20-22). En die dag dat er tekenen zouden zijn aan zon en maan, zou pas later komen (vs 25).
In zijn inwijdingsgebed voor de tempel had Salomo echter nog iets heel opmerkelijks gezegd:
Zelfs ook wat de vreemdeling betreft, die niet tot Uw volk Israël behoort, maar uit een ver land komt omwille van Uw Naam
want zij zullen horen van Uw grote Naam, van Uw sterke hand en van Uw uitgestrekte arm – wanneer hij komt en naar dit huis zijn gebed richt,
luistert Ú dan in de hemel, Uw vaste woonplaats, en doe overeenkomstig alles wat de vreemdeling tot U roepen zal, opdat alle volken van de aarde Uw Naam kennen en U vrezen, zoals Uw volk Israël, en erkennen dat Uw Naam is uitgeroepen over dit huis dat ik gebouwd heb. (1 Koningen 8:41-43).
Salomo vraagt hier dat God Zijn naam, die Hij aan Mozes had geopenbaard zou waarmaken aan mensen die niet tot het volk Israël zouden behoren! En juist daarom kon die profetie van Joël nog niet meteen in vervulling gaan: het evangelie, de ‘blijde boodschap’ van vergiffenis, moest eerst nog worden gepredikt aan de andere volken.
Zoals we weten was de apostel Paulus bij uitstek de prediker aan de heidenen, en het is in zijn brief aan de Romeinen dat hij zijn predikingsboodschap het duidelijkst uiteenzet. En daar lezen we dan:
Er is geen onderscheid tussen Joden en andere volken, want ze hebben allen dezelfde Heer. Hij geeft zijn rijke gaven aan allen die hem aanroepen, want er staat: ‘Ieder die de naam van de Heer aanroept, zal worden gered’ (Romeinen 10:12-13).
Dan nog even iets anders. Het Hebreeuwse woord voor roepen in het eerste vers: Loof de HEERE, roep Zijn Naam aan, is ‘qara’) Spreek uit kara. En het stamwoord voor qara bestaat het idee van het aanklampen van een persoon die je ontmoet.
Weet u, zo worden we vanmorgen er bij bepaald dat we zijn Naam zullen moeten aanroepen, ons aan Hem zullen vastklampen om gered te worden.
En ook daarbij komen we bij een geweldige profetie terecht, in Zach. 8:23:
Dan zullen veel volken komen en machtige heidenvolken, om de HEERE van de legermachten in Jeruzalem te zoeken en om het aangezicht van de HEERE gunstig te stemmen.
Zo zegt de HEERE van de legermachten: In die dagen zal het gebeuren dat tien mannen uit alle talen van de heidenvolken, vastgrijpen, ja, de punt van de mantel van een Joodse man zullen zij vastgrijpen (vastklampen), en zeggen: Wij gaan met u mee, want wij hebben gehoord dat God met u is.
Als dat geen zegen is.
Psalm 105 -4-: Over zang en muziek gesproken (1)
Over zang en muziek gesproken (1)
In de voorgaande afleveringen hebben we met elkaar nagedacht over de eerste woorden van de Psalm, waarin de dichter Israel maar bij wijze van spreken ook u en mij van morgen oproept om de HEERE te loven en Zijn naam aan te roepen.
Maar dan vervolgens roept hij u en mij vanmorgen ook op om voor Hem te zingen, zing psalmen voor Hem.
Gods volk, Israel, maar ook wij hebben alle reden om voor Hem te zingen en dat te doen met psalmen, en zoals de apostel Paulus schrijft met gezangen en geestelijke liederen!
Het woord dat in Psalm 105 vertaald is met "psalmen zingen" betekent eigenlijk "snoeien", en dan, "afsnijden", als een toespraak op regelmatige tijdstippen; en dan betekent het om zulke woorden te begeleiden met een muziekinstrument.
Het idee hier is, dat hij benaderd moet worden, niet alleen met "zang", maar met gevoelens uitgedrukt in de vorm van reguliere compositie - in muzikale nummers.
Muziek, de wereld is er vol van, maar is veelal niet ter ere van God. In tegendeel zou ik haast zeggen. Muziek maakt de tongen los, zou ik willen zeggen. Niet alleen in letterlijke zin. Ook binnen het christendom en de kerk wordt er veelal gsproken, om het woord ‘discussie’ maar niet te noemen, of nog intenser, gestreden, om wat er wel en niet gezongen kan worden. Psalmen, lofzagen, geestelijke liederen, Johannes de Heer, Opwekkingsliederen. En op welke manier we zingen blijkt ook een bron van gesprek te zijn, zitten of staan, de handen opheffen of juist niet, om over dansen maar nit te spreken. Voor u, als luisteraar zal dit ongetwijfeld herkenbaar zijn. En waarom zingen we eigenlijk? Een oude broeder zei eens tegen me toen we het over zang in de dienst hadden: We zingen omdat we blij zijn, niet om blij te worden. Maar is dat wel zo? Voldoende reden om dus eens stil te staan bij dit onderwerp. Stil te staan en na te denken aan de hand van de Bijbel.
Allereerst wil ik stellen dat God, de Bron van muziek is. Vrijwel elke muziekencyclopedie stelt dat muziek voortkomt uit de magie. Dit tonen musicologen aan uit studies van magische muziek van de natuurvolken. Ook de huidige magische New Age en house muziek in de 'beschaafde' maatschappij zijn voorbeelden van magische muziek. Weliswaar werd en wordt muziek voor magie gebruikt, maar het is onvolledig te stellen dat de oorsprong van muziek daar ligt. Omdat … de bron van al het leven ligt bij God (Psalm 36:10). Alles, ook muziek is geschapen door en tot Zijn Zoon, de Here Jezus .
Want door Hem zijn alle dingen geschapen die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zichtbaar en die onzichtbaar zijn: tronen, heerschappijen, overheden of machten; alle dingen zijn door Hem en voor Hem geschapen. En Hij is vóór alle dingen, en alle dingen bestaan tezamen door Hem (Kol 1 vers 16)
Muziek is een zaak van het hart, van de menselijke geest, en wordt tot uitdrukking gebracht met het lichaam. David danste nota bene op de muziek. De mogelijkheid om muziek te componeren, te (leren) spelen of ernaar te luisteren is bij de schepping van de mens ingelegd. Muzikale expressie heeft daarom een Goddelijke oorsprong.
De Bijbel geeft voorbeelden van Persoonlijke doelen van God van mens en muziek. God roept de mens op om te zingen: "Zingt de Here een nieuw lied, zingt de Here, gij ganse aarde." (Psalm 96:1) De gehele aarde wordt daartoe uitgenodigd o.a. in Jesaja 65:18.
Want zie, Ik schep een nieuwe hemel
en een nieuwe aarde.
Aan de vorige dingen zal niet meer gedacht worden,
ze zullen niet meer opkomen in het hart.
Maar wees vrolijk en verheug u tot in eeuwigheid
in wat Ik schep,
want zie, Ik schep Jeruzalem een vreugde
en zijn volk blijdschap.
En Ik zal Mij verheugen over Jeruzalem
en vrolijk zijn over Mijn volk.
Wanneer mensen tot geloof komen, verlost worden, krijgen ze behoefte om Zijn lof te zingen, zoals Psalm 106:12 het uitdrukt:
Hij verloste hen uit de hand van de hater,
Hij bevrijdde hen uit de hand van de vijand.
Water bedolf hun tegenstanders,
niet één van hen bleef over.
Toen geloofden zij Zijn woorden,
zij zongen Zijn lof.
Er is meer dat naar de Goddelijke oorsprong verwijst. We lezen Psalm 94:9: "Zou Hij, die het oor plantte, niet horen? die het oog vormde, niet zien?" Is dit vergelijkenderwijs ook zo met muziek? Zou Hij die muziek schiep, geen muziek kennen? De Schrift geeft aanleiding tot deze vergelijking. Wat geschapen is, lag al vast in het wezen van DE Bron Die schiep. Toen Johannes de stem van Jezus hoorde zei hij: "Ik hoorde achter mij een luide stem, als van een bazuin." (Openb. 1:10) Johannes beschreef Gods stem op een geweldige manier: "de stem, die ik hoorde, was als van citerspelers, spelende op hun citers." (Openb. 14:2)
In Gods stem zitten als het ware instrumenten verweven. Engelen (waarvan we in de Bijbel trouwens nergens lezen dat zij zingen), luisteren "naar de klank van Zijn Woord." (Psalm 103:20) Uit die klanken maken zij op, wat ze moeten doen.
Luister, hoe de profeet Ezechiël in vers 33:32 de stem van Gods Woord beschrijft: "Zie, gij zijt voor hen (Israël) als een liefdeslied, schoon van klank, passend bij snarenspel." Met andere woorden, de Woorden van God nodigen uit om die met snaarinstrumenten te begeleiden.
Gods stem kent vele klanken. Hij heeft een buitengewone stem, waarmee Hij zowel de donder kan laten horen (2 Sam. 22:14), als het geluid van vele wateren (Openb. 1:15). De mogelijkheden van een elektronisch keyboard vallen daarbij in het niet.
De Bijbel schrijft dat de Opgestane Heer eenmaal Zelf voor de Vader zal zingen: "en Hij (Jezus) zegt: Uw naam zal ik aan mijn broeders verkondigen, in het midden der gemeente zal ik U lofzingen." (Hebr. 2:12
Als dat geen zegen is.
In de volgende uitzending willen we hier verder over nadenken.
Psalm 105 -5-: Over zang en muziek gesproken (2)
Over zang en muziek gesproken (2)
De vorige uitzending hebben we met elkaar aan de hand van vers 2 van deze Psalm een begi gemaakt met na te denken over zang en muziek. We dachten na over de mens die door de HEERE wordt opgeroepen om Hem dar mee de lof toe te brengen.
Maar een ander aspect is dat ook in de hemel instrumenten niet onbekend zijn. Uit Zacharia 9:14 blijkt dat Adonai JHWH in de toekomst Zelf de sjofar, de bazuin zal blazen. We lezen daar: en de Heere HEERE zal de bazuin blazen."
En Wie blies de bazuin, de sjofar uit Exodus 19:19 en Hebreeën. 12:19?, waar we lezen: Het geluid van de bazuin of sjofar werd gaandeweg zeer sterk? Was dit niet de God van Israël? Bazuinen of sjofars zijn hemelse instrumenten, die ook door bepaalde engelen worden geblazen. In Mattheus 24 vers 31 en Openbaring 8 vers 2 lezen we: En Hij zal zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal.
In Psalm 45:9 wordt over de Koninklijke heerlijkheid van de gezalfde van God, de Messias gezegd: "mirre, aloë en kassia zijn al Uw klederen; uit ivoren paleizen verheugt U snarenspel." Waar staan die paleizen? Ik denk dat hier een hemels beeld beschreven wordt en dat Israëls Messias genieten zal van snarenspel.
In de Bijbel vinden we om het zo te zeggen talloze verwijzingen naar muziek, zang en liederen. We zouden daar in dit programma bij wijze van spreken dagen mee kunnen vullen. Maar een lied wil ik er uit pikken en dat is het lied van Mozes.
Wanneer Mozes met het volk de verlossing uit Gods hand heeft ontvangen bij de Schelfzee kan hij niet stil blijven. Hij jubelt het uit: "Ik zal de Heere zingen; want Hij is hoog verheven! Het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen. De Heere is mijn Kracht en mijn Lied, en Hij is mij tot een Heil geweest; deze is mijn God; daarom zal ik Hem een lieflijke woning maken; Hij is mijns vaders Cod, dies zal ik Hem verheffen! De Heere is een krijgsman; HEERE is Zijn naam!" Mozes zingt zijn lofzang. Hij eert de Heere, zijn Cod. En het volk antwoordt op zijn lied en zingt ook. En dan ook de vrouwen. Zingt de Heere, want Hij is hoog verheven! Hij heeft het paard met zijn ruiter in de zee gestort!" De vrouwenstemmen klinken helder en blij. "Zingt de Heere!" Het getrommel geeft de maat aan. "Hij is hoog verheven!" De stemmen klinken, de één na de ander. "Hij heeft het paard met zijn ruiter in de zee gestort!" Nog eens worden dezelfde woorden gezongen en nóg een keer. Het vrolijke gezang, het getrommel, het handgeklap en het geluid van huppelende en dansende voeten vult de lucht. Wat mooi! De vrouwen bewegen in rijen naar elkaar toe en weer van elkaar weg. "Voorwaarts!" De weg naar het beloofde land, naar Kanaan, ligt open!
Het is meer dan veertig jaar later. De Israëlieten zijn bijna in Kanaan. Wat een lange reis is het geweest. Jaren en jaren zijn voorbijgegaan. De tocht door de Rode Zee is zó lang geleden, wie denkt er nog aan? Er zijn zóveel dingen gebeurd. En er zijn zóveel Israëlieten omgekomen in de woestijn. Bijna allemaal. Ze mochten het beloofde land niet in, omdat ze ongehoorzaam zijn geweest. Wat vreselijk! Maar de Heere is goed! Hij zal Zijn volk zéker in het beloofde land brengen.
En Mozes? Hij mag Kanaïn óók niet In. Ook hij is ongehoorzaam geweest. Maar hij mag het beloofde land nog wel zien. En daar, bij de grenzen van Kanaïn, aan het einde van zijn leven, zingt Mozes wéér. Opnieuw een lied tot eer van de Heere, zijn Cod.
"Ik zal de naam des Heeren uitroepen; geeft onze Cod grootheid. Hij is de Rotssteen, wiens werk volkomen is; God is waarheid en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij." Daar staat Mozes, de knecht van God. Hij zingt zijn lied en alle Israëlieten horen het. Nu, hier op aarde, zal hij het land Kanaan alleen maar zien. Hij is op reis naar het Hémelse Kanaan. Zijn zonden zijn hem vergeven. De Zoon van God, de Heere Jezus, zou ook voor Mozes de zonde op Zich nemen. Mozes zingt daarvan:
"Hij Is de Rotssteen, wiens werk volkomen is."Zó goed is de Heere, dat Hij voor zondaars een weg van verlossing heeft gegeven. Zó genadig is God, dat Hij ook nu nog jou en mij Zijn kind wil maken. Dat kan, omdat Zijn eigen Kind, de Jezus/Jeshua, aan het kruis gestorven is. Hij is het Lam van God, gestorven voor zondaren. Gestorven voor Mozes. En weer opgestaan! Want Zijn werk is volkómen. Jezus lééft.
Het is honderden jaren later. De apostel Johannes is gevangen gezet op het eiland Patmos. Alleen. Alleen? Nee, zijn Koning is bij hem! Straks, na het sterven, mag Johannes altijd bij de Hem zijn. In het Hemelse Kanaan. Wat een wonder! Johannes kan er soms zo naar verlangen. Ja, hij mag hier op aarde al wat zien van de hemel. De Heere laathem zien, wat er in de toekomst gebeuren zal. En het is overweldigend.
De Heere toont Johannes een zee. Helder als kristal. Maar het is alsof er vuur in is. Kijk, wie er aan de oever van die glazen zee staan? Het zijn Gods kinderen. Ze hebben een muziekinstrument in hun hand, een citer! Hoor, ze zingen! Johannes luistert. Ze zingen het lied van Mozes! Net als eens aan de oever van de Rode Zee, toen de Heere Israël verlost had. Ze zingen van Gods verlossing uit de grote verdrukking. Ze zingen het lied van Mozes en... van het Lam! Want niet Mozes heeft hen verlost, maar het Lam!
Hier hoort Johannes het volmaakte lied tot eer van God "Groot en wonderlijk zijn Uw werken, Heere, Gij almachtige God" De Heere had de Israëlieten verlost van de Egyptenaren. Hij heeft voor hen gestreden en zij mochten stil zijn. "Gij almachtige God, rechtvaardig en waarachtig zij Uw wegen, Gij Koning der heiligen!". Dat had Mozes gezongen, aan de oever van de Rode Zee: "De HEERE is een Krijgsman, HEERE is Zijn naam!" Johannes hoort dat geweldige loflied van Mozes en het Lam en hij schrijft op hoe het verder gaat: "Wie zou U niet vrezen, Heere, en Uw Naam niet verheerlijken? Want U alleen bent heilig; want alle volken zullen komen en voor U aanbidden; want Uw oordelen zijn openbaar geworden." "Looft de Heere, want Hij is hoog verheven!"
De weg naar het beloofde land, het Hemelse Kanaan, ligt open! Het Lam van God heeft de weg gebaand. "Zingt de Heere, want Hij is hoog verheven!" Mozes heeft het lied eeuwen geleden ingezet, de Israëlieten hebben het hem nagezongen. En nog steeds klinkt dat lied op de aarde
Het lied van Mozes zal altijd blijven klinken. Hier op aarde zolang de aarde er zal zijn. Maar het wordt nog mooier. Het wordt het lied van Mozes en het Lam! Dat zal eeuwig gezongen worden. Door Mozes, Mirjam, Israëlieten, en ook mensen uit Azië, Amerika, Europa, Nederland en overal vandaan. "Gij, Lam van God, zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie."
Allemaal zullen ze daar instemmen met dat lied. Ik hoop en bid dat we daar allemaal bij zijn. Dankbaarheid, eer en aanbidding zullen aan God gegeven worden. Zingt de Heere, want Hij is hóóg verheven!
Als dat geen zegen is.
Psalm 105 -6-:Over onze gedachten gesproken
Over onze gedachten gesproken
In de voorgaande afleveringen hebben we overdacht dat Gods volk alle reden heeft om voor Hem te zingen en dat te doen met psalmen. Psalmen zingen is zingen onder begeleiding van muziekinstrumenten.
Daarop sluit de volgende oproep uit vers 2 van de psalm aan: ze moeten “aandachtig van al Zijn wonderen” spreken. God heeft zoveel wonderen voor Zijn volk gedaan. Verderop in de psalm worden er meerdere genoemd. ‘Aandachtig spreken’ houdt in dat ze over Gods wonderen nadenken en daarvan getuigen. De dichter van Psalm 77 zegt het zo in de verzen 12 en 13:
Ik zal de daden van de HEERE gedenken,
ja, ik zal denken aan Uw wonderen van oudsher.
Ik zal al Uw werken overdenken
en over Uw daden spreken.
De itleggers geven bij dit vers aan dat het aandachtig spreken verband houdt met wat we lezen in Psalm 1 met betreckking tot het overdenken. We lezen daar:
Welzalig de man die niet wandelt in de raad van de goddelozen,
die niet staat op de weg van de zondaars,
die niet zit op de zetel van de spotters,
maar die zijn vreugde vindt in de wet van de HEERE
En dan volgt waar het mij om gaat:
en Zijn wet dag en nacht overdenkt.
Het aandachig overdenken heeft te maken met In zijn wet mediteert hij - Het Hebreeuwse Woord woord, jehgeh, overdenken, betekend dat hij er een diepe, serieuze en toegenegen aandacht aan besteedt; en hierdoor lijkt het erop dat zijn vreugde erin zit, want waar we van houden, daar moeten we zoals de psalm zeg dag en nacht aan denken. Ik weet nog wel toen ik pas verkering had met mijn huidige vrouw Anja, dat ik nergens anders aan kon denken dan aan haar en aan haar alleen. En toen ik nog maar net tot het geloof gekomen was, wat was ik onvoorstelbaar vol van Hem… Tsja, de eerste liefde…
Vanmorgen worden we door middel van Psalm 105 op geroepen om aandachtig te spreken van al Zijn wonderen. En dat kan soms best lastig zijn. Met broeders en zusters in het geloof lukt dat misschien best nog wel, maar luister eens naar de woorden van de Profeet Jesaja die hij spreekt tegen zijn eigen volk Israel in Jesaja 1 vers 10:
Hoor het woord van de HEERE,
leiders van Sodom!
Neem de wet, de Thora, her Woord, van onze God ter ore,
volk van Gomorra!
Maar tegelijkertijd lezen we de woorden van dezelfde profeet een bladzijde verder, in hoofdstuk 2:
Vele volken zullen gaan en zeggen:
Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE,
naar het huis van de God van Jakob;
dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen,
en zullen wij Zijn paden bewandelen.
Want uit Sion zal de wet, de Thora, uitgaan,
en het woord van de HEERE uit Jeruzalem.
Weet u, wanner ik Psalm 63 lees dan denk ik dat we de essentie, de kern waar het om gaat, te pakken hebben. Met alle eerbied gesproken horen de daar de woorden van de dichter die bij wijze van spreken, en nogmaals met alle eerbied gesproken verliefd is op Adonai, als we hem horen spreken en luister eens aandachtig naar zijn woorden, wanneer hij mediteert over Zijn God:
O God, U bent mijn God!
U zoek ik vroeg in de morgen;
mijn ziel dorst naar U,
mijn lichaam verlangt naar U
in een land, dor en dorstig, zonder water.
Zo heb ik U in het heiligdom aanschouwd,
Uw macht en Uw heerlijkheid gezien.
Uw goedertierenheid is immers beter dan het leven;
daarom zullen mijn lippen U prijzen.
Zo zal ik U loven in mijn leven,
in Uw Naam zal ik mijn handen opheffen.
Mijn ziel zal als met vet en overvloed verzadigd worden;
mijn mond zal roemen met vrolijk zingende lippen.
Wanneer ik aan U denk op mijn bed,
over U peins in nachtwaken –
voorzeker, U bent een Helper voor mij geweest;
onder de schaduw van Uw vleugels zal ik vrolijk zingen.
Mijn ziel klampt zich aan U vast, komt achter U aan,
Uw rechterhand ondersteunt mij.
Maar dezen, die mij naar het leven staan om dat te verwoesten,
komen in de laagste plaatsen van de aarde.
Men zal hen neer doen storten door het geweld van het zwaard,
zij zullen de vossen ten deel zijn.
Maar de koning zal zich in God verblijden;
al wie bij Hem zweert, zal zich beroemen,
want de mond van de leugenaars zal gestopt worden.
De woorden die hier uitgfesproken worden komen uit de mond van David, de Geliefde, maar over de woorden van David, die zich hier bevond in de woestijn, horen we als het ware de woorden van de Messias tijdens zijn rondwandeling op aarde. Zullen we de woorden met deze gedachte in ons achterhoofd nog eens lezen?
O God, U bent mijn God!
U zoek ik vroeg in de morgen;
mijn ziel dorst naar U,
mijn lichaam verlangt naar U
in een land, dor en dorstig, zonder water.
Zo heb ik U in het heiligdom aanschouwd,
Uw macht en Uw heerlijkheid gezien.
Uw goedertierenheid is immers beter dan het leven;
daarom zullen mijn lippen U prijzen.
Zo zal ik U loven in mijn leven,
in Uw Naam zal ik mijn handen opheffen.
Mijn ziel zal als met vet en overvloed verzadigd worden;
mijn mond zal roemen met vrolijk zingende lippen.
Wanneer ik aan U denk op mijn bed,
over U peins in nachtwaken –
voorzeker, U bent een Helper voor mij geweest;
onder de schaduw van Uw vleugels zal ik vrolijk zingen.
Mijn ziel klampt zich aan U vast, komt achter U aan,
Uw rechterhand ondersteunt mij.
Maar dezen, die mij naar het leven staan om dat te verwoesten,
komen in de laagste plaatsen van de aarde.
Men zal hen neer doen storten door het geweld van het zwaard,
zij zullen de vossen ten deel zijn.
Maar de koning zal zich in God verblijden;
al wie bij Hem zweert, zal zich beroemen,
want de mond van de leugenaars zal gestopt worden.
Als dat geen zegen is
Psalm 105 -7-: Over roem gesproken
Over roem gesproken
In de voorgaande afleveringen zijn we door het woord opgeroepen om de HEERE, JHWH, te loven, vervolgens Zijn naam aan te roepen, Zijn daden bekend te maken onder de volgen, voor Hem te zingen en als laatste aandachtig te spreken over al Zijn wonderen. Dat lijkt een hele mond vol en daar kunnen we maar druk mee zijn. Toch? Want wat een opdracht.
Maar het is niet bedoeld als een opdracht, maar het ligt veel meer in de lijn van: Waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over! Het is de liefde van Christus, de liefde van de Messias die ons dringt, roept Paulus uit in 2 Korinthe. En weet u waarom? Hij is voor allen gestorven, opdat zij die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem Die voor hen gestorven en opgewekt is.
Volgelingen van de Messias, volgelingen van Christus, die leven niet meer voor zichzelf, horen we het goed? U en ik leven niet meer voor onszelf, ons ego doet er niet meer toe, u en ik staan niet meer centraal in uw en mijn leven, maar Hij die voor u en mij nota bene is gestorven en opgewekt. U hoort het inderdaad goed. De Messias is hier bepaald niet voor Zijn eigen geneugten op aarde gekomen, Hij stelde Zichzelf niet entraal maar Zijn Vader en Hij heeft Zichzelf totaal ontledigd zegt Gods Woord, is voor allen gestorven en opgewekt.
Laten we alsjeblieft vandaag het voorbeeld van de Messias volgen en niet meer voor onszlf leven maar voor Hem Die voor u en mij, voor allen, staat er, gestorven en opgestaan is.
Laten we zoals we lezen in vers 3 van Psalm 105 ons beroemen in Zijn heilige Naam,
laat het hart van wie de HEERE zoeken, zich verblijden.
Gods volk, Israel u en ik, hebben alle reden om ons te beroemen “in Zijn heilige Naam”. Gods Naam is heilig. Gods Naam is apart gezet. Zo heeft Hij Zich bekendgemaakt. In Exodus 3 spreekt God, Elohim, meervoud:
En God zei tegen Mozes: IK BEN DIE IK BEN. Ook zei Hij: Dit moet u tegen de Israëlieten zeggen: IK BEN heeft mij naar u toe gezonden.
Toen zei God verder tegen Mozes: Dit moet u tegen de Israëlieten zeggen: De HEERE, de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob, heeft mij naar u toe gezonden. Dit is voor eeuwig Mijn Naam, dit is Mijn Naam ter gedachtenis, van generatie op generatie.
Ik die Naam worden u en ik vanmorgen opgeroepen om ons in te beroemen. Die naam in gedachtenis te houden. In de krant worden we in de rouwadvertenties opgeroepen om namen ter nagedachtenis te houden, maar in Gods Woord is er maar een Naam.
In de eerste plaats is Israel, want daar spreekt Elohim tegen in Exoxus tegen, met Hem verbonden, daarzit het woord verbond in. Of beter gezegd, dat Hij hen met Zich heeft verbonden, is alleen Zijn werk. Zij zijn door Hem en voor Hem geheiligd. Er is niets aan henzelf te danken.
Onder ons mensen, zijn er nogal wat die beroemd willen worden. Blijkbaar zit dat in ons. Bij de een meer dan bij de ander. Maar we willen gekend en erkend worden. Dat is in ons werk zo of we willen dat in de sport, of in het geloof, in het godsdienstige wereld of anderen weer op de kansel. De eerlijkheid gebied om te zeggen dat mannen dat meer hebben dan vrouwen. Niet voor niets staat in de bijbel de uitdrukking: Mannen van naam. Nergens vinden deze uitdrukking met betrekking tot vrouwen.
Ook in de christelijke wereld is er sprake is van een enorme drang tot roem en eer. Predikanten, voorgangers, directeuren van stichtingen die hun eigen koninkrijk aan het bouwen zijn in plaats van het Koninkrijk van God. We moeten de hand in eigen boezem steken.
Maar het hart dat vol is van de HEERE, “zoekt de HEERE” (vers 3b), “vraagt naar de HEERE” (vers 4a) en “zoekt Zijn aangezicht” (vers 4b). God is de bron van blijdschap. Zijn daden zijn een oorzaak van blijdschap.
De apostel Paulus spreekt ook over roem. Luister maar eens waarin hij zichzelf beroemt.
In 2 Korinthe 12 vers 9-10 lezen we Daarom zal ik veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij komt wonen. Daarom heb ik een behagen in zwakheden: in smadelijke behandelingen, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus’ wil. Want wanneer ik zwak ben, dan ben ik machtig. 2 Korinthe 12 vers 9-10.
Vaak zijn we in het gunstigste geval bereid om lijden ‘te verdragen’, het ‘op de koop toe te nemen’. Maar Paulus zei: Daarom heb ik een behagen in... Waarom? Omdat hij dit geheim had geleerd: Als we aan het eind van onze eigen kracht zijn gekomen, onze eigen wijsheid, ons eigen kunnen, dan openbaart God Zijn genade.
Als dat geen zegen is.
Psalm 105 -8-: Over de HEERE en Zijn kracht gesproken (1)
Over de HEERE en Zijn kracht gesproken (1)
De oproep “vraag naar de HEERE en Zijn kracht”, zoals we in vers 4 zojuist gelezen hebben is de oproep om Hem en Zijn kracht te hulp te roepen. Wie naar de HEERE vraagt, vraagt ook naar “Zijn kracht” die onder andere zichtbaar is geworden in zijn verlossing.
God laat Zijn kracht onder andere zien in Zijn schepping zoals we gelezen hebben in psalm 104, maar laat het nog elke dag zien in de natuur. Wanneer de lente aanbreekt lijkt de natuur dor, maar wanneer de zon maar een paar dagen schijnt bot wat dor leek geweldig uit. Het donker van de nacht wordt verdreven door het licht. De mens, u en ik mogen zo elke dag, voortdurend leven in allerlei uitingen van zijn tegenwoordigheid. In Zijn schepping. Geweldig toch?
Vragen naar de HEERE, naar de Weg, Hulp vragen bij de HEERE is niet maar op afstand iets vragen, het is Zijn aanwezigheid in je leven zoeken, dat wil zeggen dat Hij Zelf met Zijn kracht bij ons en in ons leven komt. Elke dag weer opnieuw. Want zonder Hem kunnen we niets doen. En dat hoeft ook niet:
Al ging ik ook door een dal vol schaduw van de dood,
ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij;
Uw stok en Uw staf,
die vertroosten mij.
En in Psalm 27 lezen we dit:
Mijn hart zegt tegen U wat U Zelf zegt:
Zoek Mijn aangezicht.
Ik zóek Uw aangezicht, HEERE.
Vraag naar de HEERE en Zijn kracht is de aan beveling die de schrijver van de Psalm vandaag aan ons voor legt. Dat vragen naar is in het Hebreeuws het woord ‘darash’ en dat kan ook vertaald worden met ‘zorgvuldig onderzoeken’. Vragen naar de HEERE is dus niet zomaar iets van ‘je zou eens kunnen vragen naar’, maar het is zorgvuldig onderzoek doen naar Hem en zijn kracht. Hoe je dat doet? Daar waar Hij te vinden is. En Hem vind je in Zijn Woord. Dus: Onderzoekt (daar heb je dat woord weer) de Schriften en die zijn het die van Mij getuigen, lezen we in Johannes 5 vers 39.
En daar ligt dan direct een belofte aan vast, want die zoekt, die zo zoekt, die intensief zoekt, die vindt. Die vindt niet alleen Hem zegt psalm 105, maar ook Zijn kracht.
De kracht van God is onbeperkt, onzichtbaar en komt voort uit Zijn spreken. "Want Hij sprak en het was er, Hij gebood en het stond er’, lezen we in Psalm 33 vers 9. Een andere bekende tekst is: "Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is."
Wie z'n ogen te kijk geeft, zal erkennen: "hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sinds de schepping van de wereld uit zijn werken met het verstand doorzien."
Technisch verklaren hoe Gods natuurlijke schepping door Zijn spreken tot stand kwam kunnen we niet. Het is geconcentreerd op dat ene, bijbelse kennen van Gods Zoon, Jezus Christus, Yeshua haMessiach, Jezus de Messias: "Deze is de afstraling Zijner heerlijkheid en de afdruk van Zijn wezen, Die alle dingen draagt door het Woord Zijner kracht…." (Hebr. 1:3a)
Ook innerlijk kunnen de gelovigen Gods kracht bemerken. Zij rekenen op Zijn kracht en steunen daar op, omdat Hij dit heeft beloofd: "Hij geeft de moede kracht en de machteloze vermeerdert hij sterkte’, sprak Jesaja al tegen het volk Israel in Jesaja 40 vers 29.
Deze goddelijke, rustgevende kracht heeft een bijzonder doel. Het gaat niet om kracht die de menselijke psyche opdoft. Dat kan er een gevolg van zijn, maar het gaat om wat anders. Bij het ouder worden, of bij ziekte gaat de kwaliteit van leven achteruit. Echter, de mens die steunt op Gods kracht, gaat er innerlijk op vooruit. "Daarom verliezen wij de moed niet, maar al vervalt ook onze uiterlijke mens, nochtans wordt de innerlijke van dag tot dag vernieuwd’, horen we de apostel Paulus spreken in 2 Kor. 4:16.
Gods kracht heeft dus niet uitsluiten nut om moeilijke tijden door te komen. Er is een onlosmakelijke potentie aan verbonden, die de aard van de persoonlijkheid vernieuwd. Dit goddelijk vermogen maakt de mens geschikt voor het leven in heerlijkheid. En zo mogen we ook deze dag in gaan van kracht tot kracht!
Als dat geen zegen is.
We gaan luisteren naar het lied Atah Gibor U bent machtig
Psalm 105 -9-: Over de HEERE en Zijn kracht gesproken (2)
Over de HEERE en Zijn kracht gesproken (2)
We denken evenals gisteren na over de kracht van de HEERE, JHWH. Want er is naast Gods scheppende kracht en de innerlijke kracht die Hij aan de mensen schenkt die hun vertrouwen op Hem hebben gesteld, sprake van een kracht tot behoud.
Het proces wordt in gang gezet, evenals bij de natuurlijke schepping, door de kracht van Zijn Woord, het Evangelie. "Want het is een kracht van God tot zaligheid voor ieder die gelooft, eerst voor de Jood, en ook voor de Griek", schrijft Paulus aan de Romeinen (1:16) en de Korintiërs (1:18).
De kracht van het behoud is niet aanwijsbaar, maar voor God realiteit. Alleen Hij beschikt erover en Hij vormt de gelovige hiermee om tot onvergankelijkheid. 'Eigen kracht' kan dit niet. "Wij hebben deze schat in aarden vaten, zodat de kracht, die alles te boven gaat, van God is en niet van ons", lezen we in 2 Kor. 4:7. We kunnen ons er alleen maar over verbazen: "hoe overweldigend groot zijn kracht is aan ons, die geloven, naar de werking van de sterkte zijner macht." (Efe. 1:19)
Een volgens aspect van Gods kracht is de kracht van (Zijn) opstanding. De Heere Jezus , Yeshua, sprak over Gods kracht met de Sadduceeën. Zij vormden een groepering die de opstanding uit de dood ontkende. Jezus wijst hen erop dat zij geen kennis hebben van het Woord en daarom ook van Gods kracht geen notie hebben. Gods Woord en Zijn kracht horen bij elkaar. Jezus verbindt beide aan de opstanding.
En wat betreft de doden, dat zij opgewekt zullen worden: hebt u niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in de doornstruik tot hem sprak: Ik ben de God van Abraham en de God van Izak en de God van Jakob? Hij is niet een God van doden, maar een God van levenden. U dwaalt dus erg. Met Zijn eigen opstanding heeft Jezus, Yeshua dit later bewezen.
Paulus schrijft erover: "door Zijn opstanding uit de doden (heeft Hij) verklaard Gods Zoon te zijn in kracht, Jezus Christus, onze Here." (Rom. 1:4) Wat geweldig. "Christus Jezus, die de dood van zijn kracht heeft beroofd en onvergankelijk leven aan het licht gebracht heeft door het evangelie." (2 Tim. 1:10) Deze kracht is ook voor de 'gewone' sterveling. Daarover bestaat geen enkele twijfel. "God heeft niet alleen de Heere opgewekt, maar zal ook ons opwekken door zijn kracht." (1 Kor. 6:14)
Paulus wilde de kracht van Jezus' opstanding ten diepste ervaren (Fil. 3:10). Hij wenste gelijkvormig te worden aan Zijn dood. Dit gegeven verlangt God niet van Zijn kinderen. Hij schenkt Zijn kracht immers op basis van het geloof in Zijn Zoon. Het was een persoonlijke wens van Paulus, maar hij wist niet of dit zou uitkomen. Daarom merkte hij ten volle overtuigd op: "hoe dan ook, ik kom tot de uitopstanding van tussen de doden uit." (vers 11, letterlijk vertaald)
Het laatste waartoe Gods volk, Israel, in Psalm 105 wordt opgeroepen, is te denken “aan Zijn wonderen die Hij gedaan heeft, aan Zijn tekenen en de oordelen van Zijn mond” (vers 5). De wonderen die Hij heeft gedaan zijn stuk voor stuk waard om aan te denken en die te bewonderen. Wonderen zijn gebeurtenissen die verwondering bewerken. De psalmist noemt er twee aspecten van: Zijn tekenen en de oordelen van Zijn mond.
Deze wonderen zijn tekenen, dat wil zeggen wonderen met een betekenis, met een boodschap. In dit geval houdt het wonder in dat God achter de boodschap van Mozes stond. Deze tekenen zijn een bekrachtiging, een zegel, voor de boodschap die gebracht wordt (vgl. Mk 16:20). Deze wonderen zijn ook oordelen, dat wil zeggen dat God op een wonderlijke wijze de vijanden en hun goden verslaat. Hij heeft met Zijn mond Zijn oordelen over de vijanden uitgesproken. Daarom heeft Zijn volk niets van hen te vrezen. Ook vandaag niet.
De oproep tot al deze daden zoals we in de eerste vijf verzen hebben overdacht, wordt gedaan aan een volk dat in een bijzondere relatie tot Hem staat. Die relatie wordt gegeven in twee namen met elk een andere toevoeging. Ze zijn “nakomelingen van Abraham”, waaraan wordt toegevoegd “Zijn dienaar” (vers 6a). Met de Abraham begint de geschiedenis van het volk, een volk dat gesteld is om God te dienen.
Ze zijn ook “kinderen van Jakob”, waaraan wordt toegevoegd “Zijn uitverkorenen” (vers 6b). Bij “kinderen van Jakob” ligt de nadruk op de zwakheid van hun toewijding aan God en de verkeerde wegen die het volk is gegaan. Daarom is het ook zo mooi dat juist achter deze naam de toevoeging “Zijn uitverkorenen” staat, die ervan spreekt dat God hen ondanks hun zwakheid en verkeerde wegen heeft uitverkoren.
Als dat geen zegen is.
Als God zijn stem doet horen in Israël
dan zien wij al zijn luister en macht.
Kom naar de heilige berg van God.
en zing dit feestlied in de nacht.
Hij ’s de Machtige van Israël,
de Machtige van Israël.
Zijn stem wordt gehoord
in de sterkte van zijn woord,
de Machtige van Israël.
Dan toont Hij Zijn kracht en de blinden zullen zien.
De doven verstaan zijn stem.
De tong van de stomme zal zingen in de nacht.
De lamme zal dansen voor Hem.
De dorre woestijn zal gaan bloeien als een roos.
De wildernis jubelt en lacht.
Spreek tot het hart van wie moe is en bang:
Wees sterk! De Heer vernieuwt uw kracht.
Psalm 105 -10-: Over het verbond gesproken (1)
Over het verbond gesproken (1)
De schrijver van de Psalm, David wijst op “de HEERE” als “onze God”. Sterker nog, de HEERE/JHWH is de God van Zijn volk. Om het volledig te zeggen: Hij is de God van Israel. Toen, duizende jaren geleden en ook nu. Ook in de dagen waarin wij leven. Het is Zijn uitverkoren volk zoals vers zes zegt. Hij heeft dit volk verkoren boven alle andere volkeren.
Hij heeft ook zeggenschap over “heel de aarde”, wat Hij bewijst door daarover Zijn oordelen te laten gaan. We zien dat verderop in de psalm, waar Hij Zijn oordelen over Egypte laat gaan. “De plagen waarmee hij Egypte bezoekt. Die oordelen staan in verband met wat Egypte Zijn volk heeft aangedaan. Zijn volk is Zijn verbondsvolk. Want wie mijn volk aanraakt, die raakt mijn oogappel aan. Dat was toen, eeuwen geleden en dat is nu nog steeds. Ook in de tijd waarin wij leven. Handen af van Israel!
En dan vervolgt vers 8: Hij denkt altijd aan Zijn verbond met Zijn volk, een verbond dat “voor eeuwig” is.
Zacharias, de vader van Johannes zong er, bij wijze van spreken uit volle borst van. Luister maar eens:
En Zacharias, zijn vader, werd vervuld met de Heilige Geest en profeteerde: Geprezen zij de Heere, de God van Israël, want Hij heeft naar Zijn volk omgezien en er verlossing voor tot stand gebracht. En Hij heeft een hoorn van zaligheid voor ons opgericht in het huis van David, Zijn knecht, zoals Hij gesproken had bij monde van Zijn heilige profeten, die er door de eeuwen heen geweest zijn, namelijk verlossing van onze vijanden en bevrijding uit de hand van allen die ons haten, om barmhartigheid te bewijzen aan onze vaderen en te denken aan Zijn heilig verbond, de eed die Hij aan Abraham, onze vader, gezworen heeft om ons te geven, dat wij, verlost uit de hand van onze vijanden, Hem zouden dienen zonder vrees, in heiligheid en gerechtigheid voor Hem alle dagen van ons leven.
Wat een geweldige en prachtige profetie die Zacharias hier uit spreekt! Zullen we er eens een paar aspecten uit lichten?
- Geprezen zij de Heere, de God van Israel
- Hij heeft verlossing voor dat volk tot stand gebracht
- Hij heeft een hoorn van zaligheid over Israel voor hen opgericht
- Hij heeft verlossing en bevrijding te weeg te bracht
- Hij bewijst barmhartigheid aan Zijn volk
- Zijn volk zal Hem dienen in heiligheid en gerechtigheid alle dagen.
Wat een geweldige beloften liggen er bij wijze van spreken op de plank voor Zijn volk Israel. De profetie die Zacharia ruim tweeduizend jaren geleden uitsprak wacht deels nog op de volle vervulling. Maar het zal niet lang meer duren of de woorden zullen werkelijkheid worden. We zijn er bijna, maar nog niet helemaal. Wat een geweldige tijd zal dat zijn.
Als dat geen zegen is.
Psalm 105 -11-: Over het verbond gesproken (2)
Over het verbond gesproken (2)
Vanmorgen wil ik aan de hand van de psalm nog wat verder met u nadenken over het verbond tussen de God van Israel met Zijn volk. Het verbond dat Hij met Abraham sloot.
En ik denk ineens na iover een gesprekje dat ik even geleden had met een collega volkstuinder. Zoals wel meer spraken we elkaar over het wereldgebeuren. En dat er kenmerkend veel mensen met een Joodse afkomst, en ik zeg het hier met pijn in het hart, in het wereld gebeuren aan de touwtjes trekken. En dat niet altijd met de goede bedoelingen. Hetgeen mijn collega-tuinder de uitspraak ontlokte dat het wel heel oneerlijk zpou zijn wanneer deze mensen ‘goed weg zouden komen’.
Maar weet u, God heeft een verbond met dit volk. Een onberouwelijk verbond. Vraag me niet hoe en op welke manier. Maar het komt goed met, zoals David in Psalm 105 vers 6 zegt, met de nakomelingen van Abraham, de kinderen van Jacob, Zijn uitverkorenen.
Als God aan Zijn verbond denkt, wil dat zeggen dat Hij het vervult. In dat verbond heeft Hij beloften gedaan die “tot in duizend generaties” worden vervuld.
Deuteronomium 7:9 Daarom moet u weten dat de HEERE uw God is. Híj is God, de getrouwe God, Die het verbond en de goedertierenheid in acht neemt voor wie Hem liefhebben en Zijn geboden in acht nemen, tot in duizend generaties.
Er mogen veel generaties voorbijgaan en grote veranderingen plaatsvinden, maar nooit zal God Zijn verbond vergeten. Hij denkt eraan en vervult elke belofte ervan tot op de letter.
Het is het verbond “dat Hij met Abraham gesloten heeft”. Zullen we gewoon eens over de gang van zaken met betrekking tot deze verbondssluiting lezen in Genesis 15?
Verder zei Hij tegen hem: Ik ben de HEERE, Die u uit Ur van de Chaldeeën geleid heeft, om u dit land te geven om het in bezit te hebben.
Hij zei: Heere HEERE, waardoor zal ik weten dat ik het in bezit zal krijgen?
Hij zei tegen hem: Haal voor Mij een driejarige jonge koe, een driejarige geit, een driejarige ram, een tortelduif en een jonge duif.
Hij haalde al deze dieren voor Hem, deelde ze doormidden en legde de stukken tegenover elkaar; de vogels deelde hij echter niet.
Er kwamen roofvogels op de kadavers af, maar Abram joeg die weg.
En het gebeurde, toen de zon bijna onderging, dat er een diepe slaap op Abram viel. En zie, een grote, schrikwekkende duisternis viel op hem.
Toen zei God tegen Abram: Weet wel dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land dat niet van hen is; zij zullen hen dienen en men zal hen vierhonderd jaar onderdrukken.
Maar ook zal Ik over het volk dat zij zullen dienen, rechtspreken en daarna zullen zij met veel bezittingen wegtrekken.
Maar ú zult in vrede tot uw vaderen heengaan; u zult in goede ouderdom begraven worden.
De vierde generatie zal hier terugkeren, want de maat van de ongerechtigheid van de Amorieten is tot nu toe niet vol.
En het gebeurde dat de zon onderging en het donker werd; en zie, er was een rokende oven en een brandende fakkel, die tussen die stukken doorging.
Op die dag sloot de HEERE een verbond met Abram, en zei: Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat:
de Kenieten, de Kenezieten, de Kadmonieten, de Hethieten, de Ferezieten, de Refaïeten,de Amorieten, de Kanaänieten, de Girgasieten en de Jebusieten.
Wonderlijk vindt u ook niet? God sluit met Abraham het verbond. En Abraham is er helemaal bij betrokken. En ook weer niet. God sluit het allerbelangrijkste, en eeuwigdurend verbond met de stamhouder van Zijn volk Israel, en die ligt er slapend bij.
Met alle eerbied gesproken, wij zouden bij de les blijven. Maar Abraham slaapt. Het komt allemaal van de Heere God Zelf. Niks van Abraham er bij. Alleen maar genade van Hem.
En weet u, alles wat daarna door de HEERE God gesproken wordt is tot op de dag nauwkeurig uitgekomen. God is een waarmaker van Zijn Woord en beloften.
Tegenwoordig horen we in veel reklames de tekst: Resultaten uit het verleden zijn geen garantie voor de toekomst. Met betrekking tot het Woord en de belofte van God ligt het precei anders om: Resuktaten uit het verleden zijn de garantie voor de toekomst. Wat Hij belooft komt Hij na.
Psalm 105 -12-: Over het verbond gesproken (3)
Over het verbond gesproken (3)
Vanmorgen blijven we nog even stilstaan bij het verbond.
Het is een verbond met Abraham persoonlijk, en in hem met zijn nageslacht. Hij heeft dat verbond met een eed aan Izak bevestigd. Daarom is de vervulling ervan niet afhankelijk van de mens.
Ook heeft Hij Zijn verbond “voor Jakob … vastgesteld als een verordening” en “voor Israël [als] een eeuwig verbond” zoals we in vers 10 lazen.
Elke keer bevestigd de Heere God Zijn verbond met Zijn volk Israel. Luister maar. Genesis 17 vers 7:
Ik zal Mijn verbond maken tussen Mij, u en uw nageslacht na u, al hun generaties door, tot een eeuwig verbond, om voor u tot een God te zijn, en voor uw nageslacht na u.
En in Genesis 28 vers 10 tot 15 lezen we opnieuw de bevestiging van God aan de kkleinzoon van Abraham, ene Jakob, die nu niet bepaald bekend stond om zijn oprechtheid en op de vlucht was voor zijn broer Ezau die hij behoorlijk had dwars gezeten als we het zo oppervlakkig lezen. En luister dan eens naar het volgende:
Jacob nu vertrok uit Berseba en ging naar Haran.Hij bereikte de plaats waar hij overnachtte, want de zon was ondergegaan. Hij nam een van de stenen van die plaats, maakte daar zijn hoofdkussen van, en legde zich op die plaats te slapen.
Toen droomde hij, en zie, op de aarde was een ladder geplaatst, waarvan de top de hemel raakte, en zie, de engelen van God klommen daarlangs omhoog en omlaag
En zie, de HEERE stond boven aan die ladder en zei: Ik ben de HEERE, de God van uw vader Abraham en de God van Izak; dit land waarop u ligt te slapen, zal Ik u en uw nageslacht geven.
Uw nageslacht zal talrijk zijn als het stof van de aarde en u zult zich uitbreiden naar het westen, het oosten, het noorden en het zuiden. In u en uw nageslacht zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.
En zie, Ik ben met u, Ik zal u beschermen overal waar u heen zult gaan, en Ik zal u terugbrengen in dít land, want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik gedaan heb wat Ik tot u gesproken heb!
Ik zal aan u en uw nageslacht na u het land waar u vreemdeling bent, het land heel het land Kanaän, als eeuwig bezit geven. Ik zal hun tot een God zijn.
Weet u, de geschiedenis herhaalt zich. De HEERE God bevestigd Zijn verbond met Abraham in sterke bewoordingen: Ik zal, Ik zal, Ik zal… En Jacob? Hij slaapt en droomt. Er is niks van Jacob bij.
Wat God heeft vastgesteld, staat vast als een rots en kan door geen mens, ook niet door Jakob in zijn ontrouw, ongedaan worden gemaakt. Jakob is door God Israël ofwel ‘vorst van God’ gemaakt. Het verbond van God met Jakob is voor Jakob een vastgestelde verordening en voor Israël een eeuwig verbond. Daar verandert geen mens iets aan.
Als dat geen zegen is.
Psalm 105 -13-: Over het verbond gesproken (4)
Over het verbond gesproken (4)
Vandaag wil ik nog een keer kort met u stilstaan bij het verbond. Het verbond met Abraham, zijn nazaten. Het gaat, kort gezegd, over Gods verkiezende genade en onberouwelijke beloften. En ik weet wel, er is van alles met het volk van Israel in het verleden verkeerd gegaan. En daar wil ik bij opmerken dat ik zeker niet met het vingertje wil wijzen. Maar we moeten eerlijk zijn. Maar Gods volk heeft niet afgedaan. Hoewel, en ik zeg het met pijn in het hart, de kerken eeuwenlang Israel hebben afgeschreven, in wat we de vervangingstheologie noemen. En dat terwijl Paulus toch een totaal ander geluid, door Gods Geest laat horen in Romeinen 11:
13Want tegen u, de heidenen, zeg ik: Voor zover ik de apostel van de heidenen ben, maak ik mijn bediening heerlijk,
om daardoor zo mogelijk mijn verwanten wat betreft het vlees tot jaloersheid te verwekken en enigen uit hen te behouden.
Want als hun verwerping verzoening voor de wereld betekent, wat betekent dan hun aanneming anders dan leven uit de doden?
En als de eerstelingen heilig zijn, dan het deeg ook, en als de wortel heilig is, dan de takken ook.
Als nu enige van die takken afgerukt zijn, en u, die een wilde olijfboom bent, in hun plaats in hun plaats- Letterlijk: in hen; of: tussen hen. bent geënt en mede deel hebt gekregen aan de wortel en de vettigheid van de olijfboom,
beroem u dan niet tegenover de takken. En als u zich beroemt: U draagt de wortel niet, maar de wortel u.
U zult dan zeggen: De takken zijn afgerukt, opdat ik zou worden geënt.
Dat is waar. Door ongeloof zijn zij afgerukt en u staat door het geloof. Heb geen hoge dunk van uzelf, maar vrees.
Want als God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, dan is het ook mogelijk dat Hij u niet spaart.
Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God: strengheid over hen die gevallen zijn, over u echter goedertierenheid, als u in de goedertierenheid blijft. Anders zult ook u afgehouwen worden.
En ook zij zullen, als zij niet in het ongeloof blijven, geënt worden, want God is machtig hen opnieuw te enten.
Want als u afgehouwen bent uit de olijfboom die van nature wild was, en tegen de natuur in op de tamme olijfboom geënt bent, hoeveel te meer zullen zij die natuurlijke takken zijn, geënt worden op hun eigen olijfboom.
Want ik wil niet, broeders, dat u geen weet hebt van dit geheimenis (opdat u niet wijs zou zijn in eigen oog), dat er voor een deel verharding over Israël is gekomen, totdat de volheid van de heidenen is binnengegaan.
En zo zal heel Israël zalig worden, zoals geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.
En dit is het verbond van Mij met hen, wanneer Ik hun zonden zal wegnemen.
Zij zijn weliswaar wat het Evangelie betreft vijanden vanwege u, maar wat de verkiezing betreft geliefden vanwege de vaderen.
Want de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk.
Als dat geen zegen is.
Psalm 105 -14-: Over een wormpje gesproken (1)
Over een wormpje gesproken (1)
Vanmorgen maken we een beging met een nieuwe perikoop in de psalm. Dit gedeelte begint bij vers 12 en eindigt bij vers 15. Je zou boven dit stukje de woorden’ Over de bescherming van de HEERE’ kunnen zetten. En die bescherming genoot Israel al toen zij nog met weinig mensen waren, ja met weinigen, en vreemdelingen daarin.
Vanaf hun prilste bestaan, “toen zij [met] weinig mensen waren”, heeft God voor hen gezorgd. Dat ze echt met weinig mensen waren, wordt door de toevoeging “ja, weinigen” benadrukt. Daarbij waren ze “vreemdelingen”, mensen zonder enig recht op verblijf en bescherming. In Hebreen lezen we daarover: Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land van de belofte als in een vreemd land en heeft hij in tenten gewoond, met Izak en Jakob, die mede-erfgenamen waren van dezelfde belofte.
Maar God beschermde hen.
Toen het nog maar een paar mannen waren, in het hebreeuws methee mispar; letterlijk, toen ze mannen van het getal waren; dat wil zeggen wanneer ze makkelijk konden worden geteld. Hoogstens enkele tientallen, of, met hun hele huishouden, enkele honderden.
In tegenstelling tot wat hun nageslacht daarna was, als het zand van de zee zonder aantal: ja, heel weinig. Het Hebreeuwse woord chimgnat, betekent ofwel klein in aantal, ofwel in aanzien. De betekenis is waarschijnlijk dat ze onbeduidend waren wat betreft macht, omdat het kleine aantal van hen zojuist werd genoemd.
En terwijl ik deze woorden in de voorbereiding op het programma vanmorgen schrijf moet ik denken aan de woorden uit Jesaja 41 vers 14: Vrees niet, gij wormpje Jakobs, gij volkje Israëls! Ik help u, spreekt de HEERE, en uw Verlosser is de Heilige Israëls!”.
In Jesaja 41 spreekt de Heere Zijn volk aan met ‘wormpje Jakobs’ en ‘volkje Israëls’. Is dat kleinerend bedoeld, of gaat er een diepere betekenis achter schuil?
‘Wormpje Jakobs’ is niet de meest eervolle omschrijving die de Heere hier voor Zijn volk gebruikt. Een volk dat toch op zoveel fronten een unieke bijdrage aan de wereldgemeenschap heeft geleverd. Denk alleen maar aan het aantal Nobelprijzen die Joden ontvingen. Behalve Einstein vielen vanaf 1901 maar liefst ruim 150 Joodse wetenschappers deze eer te beurt. Ongelooflijk, een volk dat niet meer dan een kwart procent van de totale wereldbevolking bedraagt, kreeg 20 procent van de meest prestigieuze wereldprijzen uitgeloofd.
Maar..., als we toch bezig zijn om alles in perspectief te zetten, hoe geringschattend het begrip ‘wormpje’ ook mag klinken, de Heere spreekt over de volken als een “druppel aan een emmer en een stofje aan de weegschaal” (Jes. 40:15). Natuurlijk ligt er een veel diepere betekenis in de begrippen ‘wormpje’ en ‘volkje’ opgesloten.
De Heere zegt in Deuteronomium 7:7,8 dat Hij Israël niet verkoren heeft vanwege haar talrijkheid boven de andere volken, maar omdat Hij het volk liefhad. Is het u wel eens opgevallen dat God Zijn liefde nooit verklaart in termen van oorzaak en gevolg zoals wij mensen doen?
Wij hebben lief omdat..., maar God is liefde. Liefhebben is Zijn natuur ongeacht de staat waarin het voorwerp van Zijn liefde zich bevindt, zelfs al is het maar een wormpje, een druppel of een stofje.
Mag ik dat vanmorgen eens persoonlijk maken? Het kan zo maar zo zijn dat u zich vanmorgen ook zo waardeloos voelt om het maar eens populair te zeggen. Onbeduidens onf nietszeggend. Dat u niet degene bent die tijdens de dienst op het prodium staat. Dat u geen grote dingen in uw leven in gang gezet hebt. Maar dan is vanmorgen de boodschap van God dat allemaal niet meetelt. Want wij nhebben lief omdat… maar God is liefde. Liefhebben is Zijn natuur.
Als dat geen zegen is.
Genade zo oneindig groot.
Psalm 105 -15-: Over een wormpje gesproken (2)
Over een wormpje gesproken (2)
In de voorgaande aflevering dachten we aan de hand van vers 12 na over de geringheid van de nakomelingen van Abraham, Izak en Jacob zowel in aan tal als in aanzien. En dat bracht ons bij ze woorden van Jesaja 41 waarover de Heere spreekt door de mond van Jesaja over Zijn volk met ‘wormpje Jakobs’ en ‘volkje Israëls’.
Daarover wil ik nog even verder met u nadenken.
Het Hebreeuwse woord voor ‘wormpje’ (tola) komen we tegen in Psalm 22:7: “Maar Ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk”.
Tot het ‘wormpje Jakobs’ zegt de Heere: “Vrees niet... Ik help u... uw Verlosser is de Heilige Israels”, maar ‘de worm’ in Psalm 22 roept uit: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing”.
De één is door God verlaten, de ander behoeft niet te vrezen, omdat de Heilige van Israel zijn Verlosser is. Het lijkt een mysterieuze tegenstelling, totdat we de verklaring vinden in Jesaja 53:8: “Om de overtreding van Mijn volk is de plaag op Hem geweest”. Hoewel de Heere Jezus ‘de Heiland der wereld’ is, beperkt Jesaja zich expliciet tot de uitdrukking ‘mijn volk’ (Hebr. ‘ammi’), oftewel het ‘wormpje Jakobs’, om wiens zonden Hij plaatsvervangend is gestorven.
Hoe Hij het lijden en sterven onderging, nog maar zo kortgeleden herdacht, illustreert opnieuw het wormpje, dat in Bijbelse tijden bekend stond om de productie van rode verf, waarvan de bestanddelen uit haar dode lichaampje voortkwamen.
De verf werd bijvoorbeeld gebruikt voor de kleuren van de tabernakelkleden. Het Hebreeuwse woord voor worm (tola) wordt overigens ook gebruikt om de dieprode karmozijnkleur aan te duiden.
We kennen dat o.a. vanuit Jesaja 1:18: “Komt dan, en laat ons samen richten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn (tola), zij zullen worden als witte wol”.
De aan elkaar verwante kleuren scharlaken en karmozijn, staan voor de ernst van de zonde. Naar alle waarschijnlijkheid had dat te maken met het feit dat deze rode verf die uit het wormpje voortkwam niet uitwisbaar was.
Een typisch kenmerk van de zonde, zoals blijkt uit Jeremia 2:22: “Ja, al zoudt gij u wassen met loog en veel zeep gebruiken, dan blijft toch uw ongerechtigheid als een onuitwisbare vlek voor mijn oog” (NBG). Onuitwisbaar..., totdat Hij, Die naar het vlees uit het wormpje Jakobs is voortgesproten, Zichzelf vernederde en getuigde: “Ik ben een worm en geen man...”.
Paulus verklaart dat Goddelijk mysterie met de woordenzoals we die lezen in 2 Corinthe 5 vers 21: “Want Hem, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem”.
Als dat geen zegen is.
We gaan luisteren naar een lied van Mad Dubb. Met de prachtige titel: Olam Chesed’:
„Voor áltijd duurt Zijn vriendschap.”
Gods goedheid, vriendschap, liefde en genade kennen geen punt. Zelfs geen komma. Nooit. Áltijd gaan ze door. Verder. Vandaar dat welhaast eindeloze refrein. Dóórzingen moet je. Steeds weer. Niet stoppen. De lofzang moet blijven klinken. Dag en nacht. Letterlijk. Als hier de nacht valt, wordt het in een ander werelddeel weer licht. Als hier de lofzang stopt, begint hij elders.
Psalm 105 -16-: Over een wormpje gesproken (3)
Over een wormpje gesproken (3)
In voorgaande dagen dachten we na over de kleinheid en geringheid van het volk van God, Israel bij de anvang van het verbond tussen de God van Israel en Zijn uitverkozen volk.
De Schepper van hemel en aanrde verkoos geen groot volk in aantal, geen volk groot van naam, maar zoals Hijzelf getuigde door de mond van Jesaja Zijn profeet, het worpje Jacobs. God verkiest niet het aanzienlijke, maar het kleine en geringe. Dat was toen, maar ook nu nog. Daar waar de wereld kiest voor grootsheid en aanzien, verkiest God het kleine en onaanzienlijke. Laten we dat ons altijd en elke keer herinneren.
Ik wil vanmorgen voor de laatste keer in dit verband met u nadenken over de worm, de tola in het Hebreeuws. Gisteren dachten we na over het feit dat de tola, het wormpje in Bijbelse tijden bekend stond om de productie van rode verf, waarvan de bestanddelen uit haar dode lichaampje voortkwamen.
Een andere opmerkelijke illustratie van het wormpje is, dat als het vrouwtje gereed is om haar jongen voort te brengen, ze zich zo vasthecht aan een boomstam dat ze niet meer los komt en sterft. Ze brengt dus stervend nieuw leven voort, om tenslotte haar dode lichaam als karmozijn na te laten. Ook die waarheid vinden we in Jesaja 53 met de woorden: “Wanneer Hij Zichzelf ten schuldoffer gesteld zal hebben, zal Hij nakomelingen zien” (vs. 10 NBG). Ook de Heere Jezus was zo vastgehecht aan het hout dat Hij niet meer los kwam van het hout, ook niet wanneer de omstanders daarom vragen en Hij uiteindelijk sterft.
Hij bevestigt op deze wijze waardoor Hij Zijn volk zal verlossen, namelijk door het betalen van een losprijs. Het woord ‘(ver)losser’ is hetzelfde woord dat we terugvinden in de geschiedenis van Ruth, die door Boaz, de losser (goël) tegen betaling gelost wordt, om vervolgens met haar in het huwelijk te kunnen treden. Boaz, wiens naam betekent ‘in hem is kracht’ is een prachtig type van Christus, met Wie Israël verenigd wordt.
Hoe intiem die verbintenis zal zijn, blijkt uit de naam, waarmee de Heere Zichzelf noemt: ‘de Heilige Israëls’. De Losser en het geloste smelten samen tot één: de Heilige Israëls. In dit verband kunnen we ook denken aan het gebed van de Jezus in Johannes 17:19: “Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid”.
Het heiligen van de Heere heeft de betekenis van een toewijding aan Zijn dienst ten behoeve van de Zijnen, opdat ook zij (geheiligd in de waarheid) tot hun bestemming komen. Die bestemming vinden we in vers 22: “En de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn: Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één...”.
Als dat geen zegen is.
Ik zie een volk voor Mozes staan.
Ik zie een volk door water gaan,
dat van Hogerhand
de Thora ontvangt,
om te leven in Gods eigen land.
Ik zie een volk door lijden gaan.
Wat is hen niet aangedaan?
Opgejaagd, gehaat,
bijna weggevaagd,
maar bevrijd: door Gods hand bewaard.
refrein:
U laat niet los wat Uw hand begon.
U leidt Uw volk voorbij de horizon.
Uw Woord blijft waar, dwars door de woestijn,
en eens zal het vrede zijn.
Ik zie een volk, hersteld en heel,
dat beantwoordt aan Gods wil:
dat Zijn licht verspreidt,
en de volken leidt
in aanbidding voor de ware God.
Want de dag zal komen: de Messias zal tronen.
Gezegend Hij die komt in Gods Naam!
De woestijn zal bloeien en de vrede zal groeien.
Heel de aarde wordt vol van Uw Naam!
Gerald Troots zingt er van.
Psalm 105 -17-: Over vreemdelingen gesproken
Over vreemdelingen gesproken
Vandaag gaan we weer verder met vers 12 waar gesproken wordt dat de nakomelingen van Abraham, Izak en Jacob met weinigen in in het land Kanaan kwamen en daar als vreemdeling verkeerden. en zij van volk naar volk zwierven, van het ene koninkrijk naar het andere volk.
Vreemdelingen, dat waren de, zoals we ze noemen, de aartsvaders in het land Kanaän.
Ze gingen van het ene land naar het andere -Zowel in Kanaän, waar zeven volken waren, als in Egypte.
En juist dat woordje blijft als het ware ‘haken’ bij mij: Vreemdeling.
Inderdaad, Abraham, Izak, Jacob waren vreemdeling in Kanaan, maar ook in Egypte. Ze hoorden daar oorspronkelijk niet thuis. Het was niet hun vaderland. Maar wat was hun vaderland dan wel?
De schrijver van de Hebreeenbrief zegt er het volgende over, en ik wil u vragen om eens op de name te letten die voorbij komen:
4 Door het geloof heeft Abel God een beter offer gebracht dan Kaïn. Daardoor kreeg hij getuigenis dat hij rechtvaardig was; dit heeft God met het oog op zijn gaven getuigd. En door dit geloof spreekt hij nog, nadat hij gestorven is.
5 Door het geloof werd Henoch weggenomen, opdat hij de dood niet zou zien. En hij werd niet gevonden, omdat God hem weggenomen had. Vóór zijn wegneming kreeg hij namelijk het getuigenis dat hij God behaagde.
6 Zonder geloof is het echter onmogelijk God te behagen. Want wie tot God komt, moet geloven dat Hij is, en dat Hij beloont wie Hem zoeken.
7 Door het geloof heeft Noach, toen hij een aanwijzing van God ontvangen had van de dingen die nog niet te zien waren, uit ontzag voor God de ark gebouwd, tot redding van zijn gezin. Daardoor heeft hij de wereld veroordeeld en is hij een erfgenaam geworden van de rechtvaardigheid die overeenkomstig het geloof is.
8 Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, gehoorzaam geweest om weg te gaan naar de plaats die hij tot een erfdeel ontvangen zou. En hij is weggegaan zonder te weten waar hij komen zou.
9 Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land van de belofte als in een vreemd land en heeft hij in tenten gewoond, met Izak en Jakob, die mede-erfgenamen waren van dezelfde belofte.
10 Want hij verwachtte de stad die fundamenten heeft, waarvan God de Ontwerper en Bouwer is.
11 Door het geloof heeft ook Sara zelf kracht ontvangen om zwanger te worden om zwanger te worden en een kind te baren, ondanks haar hoge ouderdom, omdat zij Hem getrouw heeft geacht Die het beloofd had.
12 Daarom zijn er zelfs uit één man en dat uit iemand wiens kracht al gestorven was, zovelen geboren als de sterren van de hemel in menigte en als het zand op het strand van de zee, dat niet te tellen is.
13 Deze allen zijn in het geloof gestorven. Zij hebben de vervulling van de beloften niet verkregen, maar hebben die vanuit de verte gezien en geloofd en begroet, en zij hebben beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners op de aarde waren.
14 Want wie zulke dingen zeggen, laten duidelijk blijken dat zij een vaderland zoeken.
15 En als zij aan het vaderland gedacht hadden vanwaaruit zij weggegaan waren, zouden zij gelegenheid gehad hebben om terug te keren.
16 Maar nu verlangen zij naar een beter, dat is naar een hemels vaderland. Daarom schaamt God Zich niet voor hen om hun God genoemd te worden. Want Hij had voor hen een stad gereedgemaakt.
Tsja, Abel, Henoch, Noach, Abraham, Izak, Jaco, Sara, en er volgen in Hebreen 13 nog veel en veel meer namen, hadden als puntje bij paaltje komt niet een aards vaderland. Hoe mooi en geweldig ook, maar een hemels vaderland.
De wereld was “een vreemde plek” voor hen, het was geen plek om zo te zeggen wortel te schieten. Het waren mensen die in tenten woonden en van de ene naar de andere plaats trokken. Wij zouden zeggen: Niet te veel aardden…
Het hemelse vaderland waar Abraham en al die anderen naar verlangden was en is misschien wel helemaal geen letterlijke plaats, maar een gelegenheid om thuis kunnen zijn en thuis te kunnen komen met en bij Vader. Ziet u, het Griekse woord voor “vaderland” is Patrida en we vinden dar het woord ‘pater’, dus ‘vader’ in. Dus het hemelse land waar Abraham en al die anderen naar zochten was en is een plek, dicht bij Vader.
Als dat geen zegen is.
Psalm 105 -18-: Over gezalfden gesproken
Over gezalfden gesproken
In het laatst gelezen vers worden Abraham, Izak en Jacob gezalfden en profeten van de HEERE genoemd. Bijzonder toch? Alleen al om het eenvoudige feit dat we van hen niet lezen dat zij ooit met materiële olie gezalfd zijn.
Om naar een aantal kenmerken van gezalfden te zoeken lezen we in het Bijbelboek Richteren:
In het boek Richteren lezen we hoe God mannen, die Hij had uitgekozen, stuurde om in een bepaalde periode bevrijders en heersers te zijn voor het volk Israël. Elk van die richters dankte zijn vermogen om te bevrijden aan de zalving van de Heilige Geest die op hem of haar rustte. Daarna, toen God het volk Israël koningen gaf, omdat het volk daar zelf om gevraagd had, werden die koningen apart gezet door een ceremonie van zalving met olie. Dit gold ook voor Israëls eerste koning, Saul.
Toen nam Samuel een oliekruik, goot die leeg op zijn hoofd, kuste hem en zei: Is het niet zo, dat de HEERE u tot een vorst over zijn eigendom gezalfd heeft? (1 Samuel 10:1)
Om de leider te kunnen zijn over Gods eigendom, moest een man gezalfd zijn met olie. De olie is natuurlijk een beeld van de Heilige Geest. Dit komt nog duidelijker naar voren in het geval van Israëls tweede koning, David. In 1 Samuel 16:13 lezen we: Toen nam Samuel de oliehoorn en zalfde hem (David) te midden van zijn broers. En de Geest van de HEERE werd vaardig over David vanaf die dag en voortaan.
In het tweede deel van het vers zien we prachtig wat het effect is van zalving: En de Geest van de HEERE werd vaardig over David vanaf die dag en voortaan. In overeenstemming hiermee is Christus, of de Messias, degene die gezalfd werd met kracht van de Heilige Geest om de bevrijder en heerser te zijn, voor Israël en voor ieder die Hem aanneemt als Messias.
In het Oude Testament is het woord ‘gezalfde’ of ‘messias’ (in het Hebreeuws: masjiach) gebruikt als een titel. Met name de koning van Israël wordt beschouwd als de ‘gezalfde’.
In die zin zijn Abraham, Izak en Jacob dus gezalfden of ‘Messias’ of in het Grieks ‘Christus’. Dat klinkt wellicht vreemd in de oren, maar het is de letterlijke vertaling van het woord ‘gezalfde’.
De zalving van een persoon was het teken dat hij door God was uitgekozen voor zijn taak (zie bijvoorbeeld Psalm 2:2, waar we lezen De koningen van de aarde stellen zich op en de vorsten spannen samen tegen de HEERE en tegen Zijn Gezalfde). Een koning die gezalfd is, heeft een nauwe relatie met God. Gods geest rust op hem.
Ik las zojuist Psalm 2 waar we over de HEERE en Zijn Gezalfde (enkelvoud) lazen. Wat betekent die titel en op wie is hij van toepassing?
De Griekse vertaling voor de Gezalfde is De Christus
Het is duidelijk vanuit het Nieuwe Testament dat het woord ‘Christus’ niet een naam, maar een titel is. Elk Evangelie spreekt namelijk over ‘de Christus’ (zie Matt. 16:20; Mark. 14:61; Luk. 3:15; Joh. 4:29). De eerste keer dat we de titel in het Lukasevangelie tegenkomen, is als Simeon het kind Jezus in de tempel ontmoet. We lezen dan dat hem "een Goddelijke openbaring was gegeven door de Heilige Geest dat hij de dood niet zien zou voordat hij de Gezalfde van de Heere zou zien" (Luk. 2:26). ‘Gezalfde’ is hier de letterlijke vertaling van het woord ‘Messias’. Dat de titels ‘Christus’ en ‘Messias’ een en dezelfde zijn, wordt ook expliciet door Johannes bevestigd. Als Andreas tegen zijn broeder Simon zegt: “Wij hebben de Messias gevonden”, verklaart Johannes: “wat vertaald wordt (vanuit het Hebreeuws in het Grieks) als de Christus” (Joh. 1:41; vgl. Joh. 4:25).
Als de Heere Jezus Zijn discipelen de vraag stelt: “Maar u, wie zegt u dat Ik ben?”, luidt het antwoord van Petrus: “De Christus van God” (Luk. 9:20). Evenals Lukas 2:26 waar we al lazen over ‘de Gezalfde van de Heere”, verbindt Petrus de titel ‘Christus’, rechtstreeks met God; de Christus van God. De Gezalfde staat namelijk allereerst in Zijn dienst. De betekenis ervan wordt met name in het Oude Testament nader verklaard. Er blijken daar drie groepen mensen - ter benoeming en bekrachtiging van hun door God gegeven ambt - met olie te worden gezalfd: priesters, koningen en profeten.
Daarover wil ik een volgende keer met u nadenken. Abraham, Izak en Jacob, Messiassen van het volk Israel. Wat bijzonder en wat een zegen!
Psalm 105 -19-: Over de Gezalfde gesproken
Over de Gezalfde gesproken
In de voorgaande aflevering dachten we na over het feit dat Abraha, Izak en Jacob in de Psalm gezalfden en profeten genoemd zonder dat zij met materiele olie gezalfd werden.
De eerste keer dat we de zalving van een priester tegenkomen is als Aäron en zijn zonen tot priester worden aangesteld. Mozes krijgt de opdracht: "U moet … hen zalven, wijden en heiligen, zodat zij Mij als priester kunnen dienen" (Exod. 28:41). Psalm 133:2 verwijst hiernaar met de woorden: "… de kostelijke olie op het hoofd, die neerdruipt op de baard, de baard van Aäron, die neerdruipt op de zoom van zijn priesterkleed".
Saul, de eerste koning van Israël, wordt door Samuël gezalfd met de woorden: "Is het niet zo, dat de HEERE u tot een vorst over Zijn eigendom gezalfd heeft?" (1 Sam. 10:1). Vanwege Sauls ongehoorzaamheid, moest Samuël echter een andere koning zalven met de opdracht: “Vul uw hoorn met olie, en ga op weg; Ik zend u naar Isaï, de Bethlehemiet, want Ik heb een koning voor Mij gezien onder zijn zonen" (1 Sam. 16:1). Let op de woorden “voor Mij”. Saul was de koning van het volk, David was de koning van God.
Eenmaal voor David gebracht zegt de Heere: "Sta op, zalf hem, want deze is het". "Toen nam Samuël de oliehoorn en zalfde hem … En de Geest van de HEERE werd vaardig over David vanaf die dag en voortaan ... " (1 Sam. 16:12,13).
De profeet Elia krijgt in dit verband wel een hele bijzondere opdracht. Hij moet Hazaël tot koning over Syrië (Aram) zalven, Jehu tot koning over Israël en Elisa tot profeet in zijn plaats (1 Kon. 19:15-16).
Het Tweede of Nieuwe Testament laat zien dat de Messias, profeet, priester en koning is. De scrhijver van de Hebreeënbrief noemt Hem onze ‘grote Hogepriester’ (Hebr. 4:14-15); de wijzen uit het Oosten noemen Hem ‘de Koning van de Joden’ (Matt. 2:2).
In het boek Openbaring lezen we over Hem als ‘Koning der koningen, en Heere der heren’ (Opb. 19:16); en bij het binnengaan van Jeruzalem zegt de menigte: "Dat is Jezus, de Profeet uit Nazareth in Galilea" (Matt. 21:11).
Hoe volmaakt Hij het priesterambt vervulde, blijkt uit Zijn gebed tot de Vader: "Want de woorden die U Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven en zij hebben ze aangenomen, en zij hebben daadwerkelijk erkend dat Ik van U uitgegaan ben, en hebben geloofd dat U Mij gezonden hebt" (Joh. 17:8).
Het eerste Testament spreekt op veel plaatsen over een unieke Gezalfde. Drie van zulke passages worden in het tweede Testament toegepast op de Heere Jezus. Zullen we ze eens langslopen?
De schrijver van Psalm 2 zegt: “De koningen van de aarde stellen zich op en de vorsten spannen samen tegen de HEERE en tegen Zijn Gezalfde …".
In Handelingen 4:24-27 citeren de apostelen deze passage in hun gebed: "Want, in waarheid, tegen Uw heilig Kind Jezus, Die U gezalfd hebt, zijn Herodes en Pontius Pilatus samen met de heidenen en de volken van Israël bijeengekomen …". De apostelen verklaren dus klip en klaar dat Jezus, de in Psalm 2 Gezalfde van de HEERE is.
In Hebreeën 1:8-9 citeert de schrijver Psalm 45 en past die toe op de Heere Jezus als de tot Koning gezalfde: "Uw troon, o God, bestaat eeuwig en altijd; de scepter van Uw Koninkrijk is een scepter van rechtvaardigheid. U hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid; daarom heeft Uw God U gezalfd, o God, met vreugdeolie, boven Uw metgezellen" (Ps. 45:7-8).
Misschien wel de bekendste Oudtestamentische tekst, die verwijst naar de Heere Jezus als de Gezalfde is Jesaja 61:1-2: "De Geest van de Heere HEERE is op Mij, omdat de HEERE Mij gezalfd heeft om een blijde boodschap te brengen aan de zachtmoedigen …".
Na het lezen van deze woorden in de synagoge van Nazareth, sluit Jeshua het Boek, geeft het terug aan de dienaar en zegt: "Heden is deze Schrift in uw oren in vervulling gegaan" (Luk. 4:21).
Als dat geen zegen is.
Psalm 105 -20-: Over honger en brood gesproken -1-
Over honger en brood gesproken
Vandaag maken we een begin met een nieuwe periocoop in de psalm die verhaalt over de geschiedenis van de HEERE God met Jozef. We lezen daarvan in de verzen 16 tot en met 22.
En dan begint dit gedeelte en deze geschiedenis met de woorden: God riep…
Ik moet denken aan het roepen van de HEERE. De eerste keer dat er over het roepen van God wordt gespreoken vinden we in Genesis 1 vers 5 waar we lezen: En God noemde het licht dag en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: Letterlijk: En het werd avond en het werd morgen eerste dag.
Voor het woord noemen lezen we het Hebreeuwse woord ‘qara’, wat hetzelfde woord is als het woord ‘roepen’ in Psalm 105.
En nu is het wonderlijke dat wanneer de Almachtige God van hemel en aarde iets roep dat het ook genoemd wordt. Daar zit niet iets tussen. Want lezen we in Psalm 33 vers 9:
Laat heel de aarde voor de HEERE vrezen, laat alle bewoners van de wereld bevreesd zijn voor Hem. En dan volgt waar het mij om gaat: Want Híj spreekt en het is er, Híj gebiedt en het staat er.
Wanneer de HEERE, de Aanwezige iets spreekt, dan is het er op dat moment.
In het verband van de tekst van Psalm 105 lezen we dat de HEERE, met hoofdletters geschreven, dus dan staan daar in het Hebreeuws de letters, JHWH, de Aanwezige, een hongersnood over het land afriep. En het was zo. Toch? In de dagen van Jozef.
Want, dan vervlolgt de tekst met de woorden: Hij liet het volledig aan brood ontbreken. – Letterlijkstaat er: Hij brak elke staf van brood.
Weliswaar was de HEERE, de Aanwezige, Hij ten volle betrokken in hun bescherming, maar ook in hun beproeving. Hij liet het “volledig aan brood ontbreken”. Dat wil zeggen dat er geen enkele hap voedsel was waardoor ze kracht zouden krijgen om te leven. De steun, hier beeldend uitgedrukt met de stad, van brood werd van hen weggenomen.
Wanneer het brood ontbreekt, dat is eigenlijk wat? Dan lijden we honger, en uiteindelijkzal dat tot de dood leiden!
Waarom God dat deed, wordt hier in Psalm 105 niet vermeld. We lezen daarover in Genesis 41-44. Daar lezen we dat God de broers van Jozef tot inkeer wilde brengen.
Een vergelijkbare situatie lezen we bij de profeet Maleachi waar over de komst van de Messias gesproken. We luisteren naar zijn woorden:
Zie, Ik zend Mijn engel,
die voor Mij de weg bereiden zal.
Plotseling zal naar Zijn tempel komen
die Heere Die u aan het zoeken bent,
de Engel van het verbond,
in Wie u uw vreugde vindt.
Zie, Hij komt, plotseling
zegt de HEERE van de legermachten.
Maar wie zal de dag van Zijn komst verdragen?
Wie zal bij Zijn verschijning standhouden?
Want Hij is als vuur van een edelsmid,
en als zeep van de blekers.
Hij zal zitten als iemand die zilver smelt en reinigt:
Hij zal de Levieten reinigen en hen zuiveren als goud en zilver.
Dan zullen zij de HEERE een graanoffer brengen in gerechtigheid.
Dan zal het graanoffer van Juda en Jeruzalem
voor de HEERE aangenaam zijn,
zoals in de dagen van oude tijden af,
zoals in vroegere jaren.
Als dat geen zegen is.
Ook de volgende uitzending hopen we weer opnieuw bij het thema over de rol van het dagelijkse brood met u stil te staan.
Psalm 105 -21-: Over honger en brood gesproken -2-
Over honger en brood gesproken
In de voorgaande uitzending hebben we ook bij dit thema stilgestaan. En zagen we dit patroon van honger en brood, van honger en verzadiging eerder in de Bijbel. Dat wat het volk van Israel in Egypte in de geschiedenis met Jozef meemaakte, verdrukking en loutering, daar profeteert, zoals we de woorden vam Maleachi lazen, opnieuw van.
Maar de loutering staat niet op zichzelf, maar loopt in Exodus uit op een ontmoeting met Koning Jozef. En wat een geweldige ontmoeting was dat wel niet voor de broers van Jozef.
Maar ook de profetie van Maleachi is niet gericht op het louteren van het volk Israel, maar ook die loopt uit op een geweldige zegen voor het volk Israel. Want zullen we eens verder luisteren naar wat Maleachi daarover zegt?
6 Want Ík, de HEERE, ben niet veranderd,
ú, kinderen van Jakob, bent daarom niet omgekomen.
7Sinds de dagen van uw vaderen bent u afgeweken van Mijn verordeningen,
en hebt u ze niet in acht genomen.
Keer terug naar Mij,
en Ik zal naar u terugkeren,
zegt de HEERE van de legermachten.
Maar u zegt: In welk opzicht moeten wij terugkeren?
8 Zou een mens God beroven?
Werkelijk, u berooft Mij!
En dan zegt u: Waarvan beroven wij U?
Van de tienden en het hefoffer!
9 U bent door de vloek getroffen,
omdat u Mij berooft,
als volk in zijn geheel.
10 Breng al de tienden naar het voorraadhuis,
zodat er voedsel in Mijn huis is.
Beproef Mij toch hierin,
zegt de HEERE van de legermachten,
of Ik niet de vensters van de hemel voor u zal openen,
en zegen over u zal uitgieten, zodat er geen schuren genoeg zullen zijn.
11Ik zal ter wille van u de kaalvreter bestraffen,
zodat hij de vrucht van de aardbodem bij u niet te gronde richt,
en de wijnstok op het veld bij u niet zonder vrucht zal blijven,
zegt de HEERE van de legermachten.
12Alle heidenvolken zullen u gelukkig prijzen,
want u zult een aangenaam land zijn,
zegt de HEERE van de legermachten.
God zendt tegenspoed in het leven van de gelovige omdat Hij plannen van zegen in zijn leven wil uitwerken (Rm 8:28).
Hij heeft Jozef voor de broers en hun hele familie uitgezonden zoals we lazen in vers 17 van Psalm 105 en zoals Jozef zelf ook later getuigt (Gn 45:7-8; 50:20). De psalmist beschrijft de weg waarop God dat heeft gedaan. Het is een weg van diepe vernedering. Het begon met zijn verkoop als slaaf. We weten uit het verslag in Genesis 37 dat zijn broers hem hebben verkocht (Gn 37:28). Dat wordt hier niet vermeld. Het gaat om de weg die God had bepaald voor de man die Zijn volk van brood zou voorzien.
Nadat Jozef door zijn broers als slaaf was verkocht, kwam hij in Egypte en in de gevangenis terecht. Hier wordt gezegd wat dat betekende: “Men drukte zijn voeten vast in de boeien, hijzelf kwam [in] de ijzers” (vers 18). Dat lezen we niet in Genesis 39. Daar lezen we over zijn trouw aan God die hem in de gevangenis deed belanden (Gn 39:7-20). Hij werd als een grote misdadiger met zijn voeten in de boeien gedrukt, zodat hij niet kon lopen. Dat hijzelf in de ijzers kwam, betekent dat hij innerlijk leed door wat hem werd aangedaan.
God had aan deze zware beproeving een grens gesteld. Toen Zijn woord uitkwam – waarbij we kunnen denken aan de vervulling van de dromen van de farao waarvan God aan Jozef de betekenis liet weten (Gn 41:14-44) – zat de gevangenschap van Jozef erop (vers 19). En hoe heeft Jozef deze kwelling doorstaan? God is al die tijd bij hem geweest met Zijn belofte. Door die belofte is Jozef “gelouterd” (vgl. Jb 23:10). Elke beproeving in ons leven wil God gebruiken om ons te louteren. Louteren is ons, of ons geloof, zuiver en rein maken, zodat wij steeds meer alleen Hem voor ogen hebben en niet onszelf of onze belangen (vgl. 1Pt 1:7).
Toen Gods werk aan Jozef klaar was, stuurde “de koning … [boden] en liet hem vrij” (vers 20). Deze daad van vrijlating krijgt extra nadruk door in andere woorden hetzelfde nog een keer te zeggen: “De heerser van de volken liet hem los.”
Ik moet denken aan dat bekende lied, waarin de volgende woorden voor komen:
2 Geen graf hield Davids zoon omkneld,
Hij overwon, die sterke held.
Hij steeg uit ’t graf door eigen kracht,
want Hij is God, bekleed met macht.
3 Nu jaagt de dood geen angst meer aan,
want alles, alles is voldaan.
Die in ’t geloof op Jezus ziet,
die vreest voor dood en helle niet.
4 Want nu de Heer is opgestaan,
nu vangt het nieuwe leven aan,
een leven door zijn dood bereid,
een leven in zijn heerlijkheid.
En ik moet ineens denken aan dat oude vrouwtje.. Daar in Dordrecht, waar we als familie in het park een familiereunie hielden en met elkaar een paar liederen zongen. Het oude vrouwtje kwam met een rollator aan lopen en bleef bij onze groep staan luisteren, En toen we haar vroegen of zij mogelijk een lied op wilde geven gaf ze dit lied op. En we hebben het samen met haar mogen zingen:
Daar juicht en toon, daar klinkt een stem,
die galmt door gans Jeruzalem;
een heerlijk morgenlicht breekt aan,
de Zoon van God is opgestaan.
Als dat geen zegen is.
Psalm 105 -22-: Over honger en brood gesproken -3-
Over honger en brood gesproken
We lezen in vers 20:
De koning stuurde boden en liet hem vrij,
de heerser van de volken liet hem los.
We weten dat het Gods werk in de koning was en dat God in feite ‘de Heerser van de volken’ is. En niet de Farao. God heeft de farao een droom laten dromen die niemand van al de wijzen van de koning kon uitleggen. Alleen Jozef kon dat door het inzicht dat God hem had gegeven. Daarom heeft de koning Jozef bij zich geroepen (Gn 41:8,14-16).
Na de uitleg ervan en het advies dat Jozef ongevraagd gaf, stelde de farao – die in het boek Genesis in zijn positie als heerser over de wereld een beeld van God is – Jozef aan “tot heer over zijn huis, tot heerser over al zijn bezit”, zo lezen we in vers 21 van Psalm 105. (vers 21; Gn 41:38-40; Hd 7:10). Jozef werd na de farao de machtigste man van het land. Hij kreeg gezag om aan de vorsten van de farao “zijn wil op te leggen” en de oudsten van de farao “wijsheid te leren”, zo lazen we in ver 22 van Psalm 105. In Jozef zien we de zeldzame combinatie van macht en wijsheid. Dit zien we in volmaaktheid alleen bij de Heer Jezus, Yeshua, van Wie Jozef een prachtig beeld is.
In Gods handelen met Jozef om Zijn belofte te vervullen ligt een bemoedigende les voor ons. Wij mogen erop vertrouwen dat God al onze moeiten kent en dat Hij van tevoren al een oplossing daarvoor heeft klaargemaakt. Geweldig toch? Hij overziet alles en bestuurt alles tot welzijn van de Zijnen. De manier waarop Hij dat doet, kunnen wij vaak achteraf pas zien. Op het moment zelf vragen we ons af, hoe het ooit goed moet komen.
We zien dat ook bij Jozef. Wie zou kunnen bedenken dat God Jozef op deze manier naar Egypte zond, om daar in de tijd van nood voor zijn vader en zijn broers tot zegen te zijn? Die zegen is voor Jakob en zijn zonen in de eerste plaats geestelijk: ze worden in hun relatie met Jozef hersteld. De zegen is ook stoffelijk: ze krijgen voedsel en mogen zelfs in Egypte bij Jozef komen wonen.
De diepere betekenis van dit gedeelte over Jozef is dat hij een type is van de Heer Jezus, Die als de Verlosser een weg van verwerping en lijden moest ondergaan voordat hij daadwerkelijk de Verlosser kon zijn.
De Heer Jezus heeft het Zelf zo uitgedrukt: “Moest de Christus dit niet lijden, en [zo] in Zijn heerlijkheid binnengaan?” (Lk 24:26). De genade van God komt in deze psalm tot uitdrukking doordat God Zelf Zijn Zoon naar de wereld heeft gezonden om ons te redden.
Psalm 105 -23-: Over honger en brood gesproken -4-
Over honger en brood gesproken
Ik wil nog een keer met u stil staan bij het gelezen gedeelte met betrekking tot de geschiedenis van Jozef. Waarin we lazen dat God een hongersnood afriep over het land, waarin Jozef vervolgens door de Farao als heerser over heel zijn land werd aangesteld om het brood uit te delen.
Maar we zagen ook in Maleachi hetzelfde patroon van hongersnood en vervolgens zo’n groete overvloed van zegen dat er geen schuren genoeg zullen zijn.
Ik niet de vensters van de hemel voor u zal openen,
en zegen over u zal uitgieten, zodat er geen schuren genoeg zullen zijn.
We zullen het ter herinnering nogmaals lezen:
6 Want Ík, de HEERE, ben niet veranderd,
ú, kinderen van Jakob, bent daarom niet omgekomen.
7Sinds de dagen van uw vaderen bent u afgeweken van Mijn verordeningen,
en hebt u ze niet in acht genomen.
Keer terug naar Mij,
en Ik zal naar u terugkeren,
zegt de HEERE van de legermachten.
Maar u zegt: In welk opzicht moeten wij terugkeren?
8 Zou een mens God beroven?
Werkelijk, u berooft Mij!
En dan zegt u: Waarvan beroven wij U?
Van de tienden en het hefoffer!
9 U bent door de vloek getroffen,
omdat u Mij berooft,
als volk in zijn geheel.
10 Breng al de tienden naar het voorraadhuis,
zodat er voedsel in Mijn huis is.
Beproef Mij toch hierin,
zegt de HEERE van de legermachten,
of Ik niet de vensters van de hemel voor u zal openen,
en zegen over u zal uitgieten, zodat er geen schuren genoeg zullen zijn.
11Ik zal ter wille van u de kaalvreter bestraffen,
zodat hij de vrucht van de aardbodem bij u niet te gronde richt,
en de wijnstok op het veld bij u niet zonder vrucht zal blijven,
zegt de HEERE van de legermachten.
12Alle heidenvolken zullen u gelukkig prijzen,
want u zult een aangenaam land zijn,
zegt de HEERE van de legermachten.
Zo leren we, en ik heb het al eens eerder gezegd dat God ons patronen in de Bijbel laat zien die stteds weeer terug komen en steeds meer een tupje van de sluier doen oplichten over wat komen gaat. Zo lezen we bijvoorbeel door de hele Bijbel heen over honger en de laatste heer lezen we over honger in Openbaring 18, over het sluitstuk of de val van Babylon: Ik lees voor het verband de eerste 8 verzen:
1 Hierna zag ik een andere engel neerdalen uit de hemel. Hij had grote macht, en de aarde werd verlicht door zijn heerlijkheid.
2 En hij riep uit met krachtige stem: Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon, en een woonplaats van demonen geworden, een schuilplaats voor allerlei onreine geesten en een schuilplaats voor allerlei onreine en weerzinwekkende vogels.
3 Want van de wijn van de toorn van haar hoererij hebben alle volken gedronken, en de koningen van de aarde hebben hoererij met haar bedreven, en de kooplieden van de aarde zijn rijk geworden door de kracht van haar losbandig leven.
4 En ik hoorde een andere stem uit de hemel zeggen: Ga uit haar weg, Mijn volk, opdat u geen deelhebt aan haar zonden, en opdat u niet van haar plagen zult ontvangen.
5 Want haar zonden hebben zich opgestapeld tot aan de hemel, en God herinnerde Zich haar ongerechtigheden.
6Vergeld haar zoals zij ook u vergolden heeft, en vergeld haar naar haar werken. Schenk in de drinkbekerwaarin zij voor anderen ingeschonken heeft, voor haar het dubbele in.
7 Overeenkomstig de maat waarin zij zichzelf heeft verheerlijkt en losbandig heeft geleefd, geef haar naar die maat pijniging en rouw. Want in haar hart zegt zij: Ik zit als een koningin en ben geen weduwe en ik zal zeker geen rouw zien.
8 Daarom zullen op één dag haar plagen komen: dood, rouw en honger, en met vuur zal zij verbrand worden, want sterk is de Heere God, Die haar oordeelt.
Weer lezen we dus over het element van honger. Maar daar blijft het niet bij. Eeen paar verzen lezen we over het Brood dat uit de hemel neerdaalt.
6 En ik hoorde zoiets als een geluid van een grote menigte en als een gedruis van vele wateren en een geluid als van zware donderslagen: Halleluja, want de Heere, de almachtige God, is Koning geworden.
7 Laten wij blij zijn en ons verheugen en Hem de heerlijkheid geven, want de bruiloft van het Lam is gekomen en Zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt.
8 En het is haar gegeven zich met smetteloos en blinkend fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de gerechtigheden van de heiligen.
9En hij zei tegen mij: Schrijf: Zalig zijn zij die geroepen zijn tot het avondmaal van de bruiloft van het Lam. En hij zei tegen mij: Dit zijn de waarachtige woorden van God.
Zo zien we dat de geschiedenis van Jozef uit Genesis niet zomaar een verhaal is, maar een profetie over de dingen die komen gaan. En tot een voleinding komen in de bruiloft van het Lam met Zijn Bruid. Waar opnieuw het brood wordt gedeeld in het avondmaal.
Als dat geen zegen is.
Psalm 105 -24-: Over Cham gesproken
Over Cham gesproken
In het gelezen gedeelte lazen we dat Jozef zijn vader en zijn broers naar Egypte laten komen. Iedereen, er bleef er niet een achter Zeventig, en let op dat getal, zielen lezen we in Genesis. De psalmdichter spreekt dat “Israël in Egypte kwam”. ‘Israël’ betekent ‘vorst van God’ of ‘strijder van God’. Het is de naam die wijst op de voorrechten van het volk. En dat was toen, en dat is het nog steeds. Door alle eeuwen heen. Ook anno vandaag.
Maar let op: Ook de naam ‘Jakob’ wordt genoemd en wel in verband met de vreemdelingschap “in het land van Cham”, dat is Egypte. Jakob is de naam die wijst op de zwakheid van het volk.
En inderdaad, Israel is krachtig en de strijder van God, maar niet in eigen kracht of in eigen vermogen, maar altijd in afhankelijkheid van hun God.
Daarna kwam Israël in Egypte,
Jakob verbleef als vreemdeling in het land van Cham.
Het land van Cham. Daarover iets meer. Als Noach en zijn familie uit de ark gaan, lijkt er een nieuwe tijd aangebroken. De aarde is gereinigd door Gods oordeel en de mensen hebben waarschijnlijk de ark verlaten met een hart vol goede voornemens. In de laatste twaalf verzen van Genesis 9 lezen we over de stamvaders van de huidige wereldbevolking: Sem, Cham en Jafeth. Daarbij staat meteen vermeld dat Cham de vader is van Kanaän. En dat is niet zonder reden.
Cham, de vader van Kanaän, ziet zijn vader Noach naakt in zijn tent liggen en vertelt dat, aan zijn beide broers buiten. Zijn broers bedekken – met hun gezichten afgewend – Noachs naakte lichaam. Als Noach uit zijn roes ontwaakt en hoort wat Cham hem heeft aangedaan, spreekt hij een vloek uit.
De vloek luidt: “Vervloekt is Kanaän. Laat hij voor zijn broers een dienaar van dienaren zijn!”. Niet Cham maar zijn jongste zoon Kanaän wordt vervloekt.
Het komt op ons in eerste instantie vreemd over dat niet Cham maar zijn zoon Kanaän wordt vervloekt. Waarom doet Noach dat? Misschien omdat Noach een profeet was? Hij was een profeet, die in 2 Petrus 2:5 ´de prediker der gerechtigheid’ wordt genoemd. Hij heeft als het ware in de toekomst gezien hoe het met Kanaän zou gaan.
Als we in Genesis 11 over de roeping van Abram lezen, komen we de naam Kanaän weer tegen. Het is Terah, die als vader de leiding neemt en met Abram, Lot, Haran en zijn schoondochter Sarai uit Ur der Chaldeeën vertrekt om naar het land Kanaän te gaan.
Het door de HEERE aan Zijn volk Israël beloofde land is in eerste instantie het land van Kanaän. In het geslachtsregister van Genesis 10 lezen we in vers 6 over de vier zonen van Cham: Cusj, Mitsraïm, Put en Kanaän. De tweede en vierde zoon spelen een belangrijke rol in de geschiedenis van het volk Israël. Mitsraïm is de Hebreeuwse naam voor Egypte. Soms wordt in de Bijbel Egypte ook ‘het land van Cham’ genoemd (Ps. 78:51).
Verder is Cham ook de voorvader van de Filistijnen (Gen. 10:14). Kanaän is de stamvader van een groot aantal volken, zoals we kunnen lezen in de verzen 15-19, die allemaal woonden in het gebied het land dat aan Abraham en zijn zaad beloofd is.
We lezen dat gedeelte even:
Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, Heth, en de Jebusiet, de Amoriet, de Girgasiet, de Heviet, de Arkiet, de Siniet, de Arvadiet, de Zemariet en de Hamathiet; daarna zijn de geslachten van de Kanaänieten verspreid. En de grens van de Kanaänieten reikte van Sidon in de richting van Gerar tot aan Gaza, en in de richting van Sodom, Gomorra, Adama en Zeboïm, tot aan Lasa. Dit waren de zonen van Cham, ingedeeld naar hun geslachten en naar hun talen, met hun landen en hun volken.
Als het volk Israël door de HEERE uit Egypte is geleid, ontvangen zij, naast de Tien Woorden, wetten voor hun welzijn en om te benadrukken dat zij anders zijn dan de volken om hen heen. Zij zijn het volk van de HEERE. In Leviticus 18 lezen we dat ze de gebruiken van het land Egypte en Kanaän niet mogen navolgen. Verder lezend gaat het hier over seksualiteit dat door de HEERE binnen een officieel gesloten huwelijk tussen man en vrouw, gegeven is.
In Egypte, maar nog veel meer in Kanaän, was er sprake van incest, overspel, homoseksualiteit en seks met dieren. De HEERE zegt in vers 27: “want de mensen in dit land die er vóór u waren, hebben al die gruwelen gedaan, zodat het land onrein geworden is”. Daarom ligt Kanaän onder de vloek en wordt Kanaän in de geschiedenis met de Gibeonieten letterlijk een dienaar van Sem (Joz. 9 en Gen. 9:26).
De laatste keer dat we in de Bijbel de naam Kanaän tegenkomen, is in de geschiedenis van de Kananese vrouw, zoals we die vinden in onder andere Mattheüs 15:21-28.
En Jezus ging vandaar weg en vertrok naar het gebied van Tyrus en Sidon.
En zie, een Kananese vrouw, die uit dat gebied kwam, riep naar Hem: Heere, Zoon van David, ontferm U over mij! Mijn dochter is ernstig door een demon bezeten.
Maar Hij antwoordde haar met geen woord. En Zijn discipelen kwamen naar Hem toe en vroegen Hem: Stuur haar weg, want zij roept ons na.
Hij antwoordde en zei: Ik ben alleen maar gezonden naar de verloren schapen van het huis van Israël.
Maar zij kwam dichterbij, knielde voor Hem neer en zei: Heere, help mij!
Hij antwoordde echter en zei: Het is niet behoorlijk het brood van de kinderen te nemen en naar de hondjes te werpen.
Zij zei: Ja, Heere, maar de hondjes eten ook van de kruimels die er vallen van de tafel van hun bezitter.
Toen antwoordde Jezus en zei tegen haar: O vrouw, groot is uw geloof; het zal gebeuren zoals u wilt. En haar dochter was vanaf dat moment gezond.
Wat een wonder van genade. Ook voor het nageslacht van Cham!
Psalm 105 -25-: Over verharding door God gesproken
Over verharding door God gesproken
Nadat Israel of Jaco met de hele familie in het land Kanaan aankwamen en waarover we de voorgaande uitzendingen nadachten zorgt de Heere God ook in Egypte voor de gezinnen. “Hij deed het volk zeer toenemen” lazen we in vers 24. Zo maakte Hij het volk “machtiger dan zijn tegenstanders”, zoals we ook lezen in Ex 1:9,12).
Gods volk Israel groeit altijd tegen de verdrukking in. Een volk dat voor de Messias lijdt, is een groeiend volk. Dat zagen de Egyptenaren toen, maar zien wij ook nu. Want wie had er in en na de tweede wereld oorlog nog om de Joden gegeven? En nu is het volk met miljoenen zowel in het eigen land als daarbuiten.
De meer letterlijke vertaling van vers 24 luidt: De HEERE maakte het volk zeer vruchtbaar, talrijker dan hun vijanden.
Persoonlijk geef ik daar meer de voorkeur aan dan de HSV vertaling: Hij deed Zijn volk zeer toenemen en maakte het machtiger dan zijn tegenstanders.
De HEERE maakte het volk zeer vruchtbaar. Mooi is dat gezegd. Zeker ook in een tijd waarin wij leven en jonge stellen er al- of niet voor kiezen om kinderen te nemen. Nee, dan geef ik lieve de voorkeur aan de gedachte dat het de HEERE is die vruchtbaarheid geeft.
En dan de tegenstanders. Dat waren niet zomaar tegenstanders met aan het hoofd te Farao, maar het waren de vijanden van het volk van God. Vijanden. Het Hebreeuwse woord dat hier gebruikt wordt, kennen we allemaal wel: Tsaar. De farao werd in die tijd beschouwd als de zoon van de zonnegod, tevens oppergod, Ra.
Dan lezen we dat God het hart van de Egyptenaren veranderde, “zodat zij Zijn volk haatten en Zijn dienaren listig behandelden” (vers 25). Tot dat ogenblik waren de Egyptenaren Gods volk goedgezind. Toen ze een bedreiging begonnen te vormen, sloeg hun goedgezindheid om in haat. God had eerder voorkomen dat mensen en koningen Zijn gezalfden iets zouden aandoen (vers 15). De Egyptenaren begonnen Gods volk te onderdrukken en harde slavenarbeid op te leggen. We zien dat de HEERE de geschiedenis van het volk zo bestuurt, dat het volk verlossing nodig heeft. Hier krijgen we onderwijs over de waarheid dat Gods volk een volk is dat moet worden verlost.
De woorden ‘Hij veranderde hun hart’ lezen we in het Hebreeuws als ‘Hij draaide hun hart om’. Iets vergelijkbaars zien we bij de Farao plaatsvinden waarin hij eerst zijn hart verhard en later lezen we dat God het hart van Farao verhardde. Lastige tekst, vindt u ook niet? God die het hart van de mens verhard, en God die het hart van het volk omdraaide waardoor de mensen het volk Israel gingen haten?
Het handelen van God in Zijn voorzienigheid, sluit nooit de verantwoordelijkheid van de mens uit. In Gen.45: 4 lezen we dat Jozef tegen zijn broers zegt: 'Ik ben uw broeder Jozef, DIEN GIJ NAAR EGYPTE VERKOCHT HEBT'. De broers hebben dat dus heel bewust gedaan en werden daarbij gedreven door hun haat tegen hun jongere broer. In vers 8 lezen we echter: 'Dus gij zijt het niet die mij hierheen gezonden hebt, MAAR GOD'. Nu brengt Jozef naar voren, dat God heel de handelwijze van de broers in Zijn voorzienige raad 'verwerkt heeft' (zie ook vers 7; Gn.50: 20).
Iets dergelijks lezen we ook in Js.10: 5-9. Assur is de roede in de hand van God om het ongehoorzame volk Israël te tuchtigen. Assur doet dus wat God wil. Toch wordt er gezegd: 'Wee Assur' en niet 'Goed zo, Assur'. Waarom wordt dat van Assur gezegd? Het antwoord lezen we in vers 7. Assur trekt namelijk niet op tegen Israël om Gods wil te doen, maar om buit te halen.
Iets dergelijks vinden we ook in Jeremia 4:10 "Ach Heere, Heere, waarlijk, Gij hebt dit volk en Jeruzalem grotelijks bedrogen".
Je kunt natuurlijk moeilijk aannemen dag de HEERE een bedrieger is. Voor zover ik denk heeft de HEERE toegelaten dat zij bedrogen werden. Je ziet hier duidelijk, dat je rekening moet houden met de bijzondere manier waarop iets uitgedrukt wordt. Wij houden ons aan de letterlijke zin, voor zover het mogelijk is. Hier is het niet mogelijk en zijn wij verplicht het als een ´idioom´ aan te zien, d.i. een gezegde, een manier van spreken.
De zon verhardt het leem en smelt het was. Dat hangt niet af van de zon, maar van de substantie, die beschenen wordt. Het blootstellen aan de zon geeft de uitwerking. Zo ook bij Farao en anderen.
God van trouw, U verandert nooit.
Psalm 105 -26-: Over de Verlosser en verlossers gesproken
Over de Verlosser en verlossers gesproken
In de voorgaande uitzending dachten we na over de woorden van vers 25: Hij veranderde hun hart, zodat zij Zijn volk haatten en Zijn dienaren listig behandelden.
Daarop reageert de God van Israel door Zijn Dienaar Mozes en Aaron te zenden die Hij verkozen had.
God liet bij wijze van spreken Zijn volk niet zomaar een beetje aan ploeteren daar in het land van Cham, daar in Egypte, maar hij voorzag al in een bevrijder. Jaren daarvoor al. Voor dat er sprake was van verdrukking werd Mozes geboren, opgeleid bij de Farao, weggestuurd naar de woestijn om daar nota bene veertig jaar achter een stel onwillige schapen aan te lopen om vervolgens klaargestoomd of geschikt gemaakt te worden voor de taak van zijn leven.
Ook hierin zien we opnieuw een Bijbels patroon ontstaan. Jozef werd eerder door de HEERE God voor het volk uitgezonden. Nu Mozes, en straks, in de nabije toekomst? En was en is dat Jezus, eerst in Zijn vernedering en binnenkort in Zijn geweldige verhoging niet zijn?
Mozes is de dienaar van God (Ex 14:31), die God bij het volk vertegenwoordigde; hij sprak Gods woorden tot hen. Aäron is door God uitgekozen om hogepriester te zijn; hij vertegenwoordigde het volk bij God. In Mozes en Aäron samen zien we een beeld van de Heere Jezus als de Apostel en Hogepriester (Hb 3:1): Daarom, heilige broeders, deelgenoten aan de hemelse roeping, let op de Apostel en Hogepriester van onze belijdenis: Christus Jezus.
Als ‘dienaar van God’ is Mozes een verwijzing naar de Messias, de Knecht van de HEERE.
Net als Jozef werden Mozes en zijn broer Aäron door de HEERE gezonden om Israël te verlossen. Zij werden door God naar Egypte gezonden om daar “de tekenen” te verrichten “die Hij bevolen had” (vgl. Ex 10:2), evenals de “wonderen in het land van Cham” (vers 27; Jr 32:20; Mi 7:15).
Maar bij Jozes en Mozes en Aaron stopt het niet met de verlossing van Israel. Want ook in de afgelopen eeuwen en ook in de tijd waarin wij nu leven zien wij een grote verdrukking van het volk van God. Op allerlei vlak, zowel binnen als buiten de landsgrenzen wereldwijd, zien en horen wij de verdrukkingen van het volk en zoals de psalmist van psal m 105 zegt wordt het volk gehaat en Zijn dienaren listig behandeld.
Maar er is niets nieuw onder de zon, want Micha profeteert er al van in zijn dagen. Luister mar eens:
8 Verblijd u niet over mij, mijn vijandin,
want als ik gevallen ben, zal ik weer opstaan,
als ik in duisternis zit,
is de HEERE mij een licht.
9 Ik zal de toorn van de HEERE dragen
– want ik heb tegen Hem gezondigd –
totdat Hij mijn rechtszaak voert en mij recht verschaft.
Hij zal mij uitleiden naar het licht,
ik zal Zijn gerechtigheid zien.
10 Mijn vijandin zal dat zien. Schaamte zal haar bedekken
die tegen mij zei:
Waar is de HEERE, uw God?
Mijn ogen zullen op haar neerzien.
Nu zal zij worden vertrapt als slijk op straat.
11 Op de dag waarop Hij uw muren zal herbouwen,
op die dag zal het besluit zich ver verspreiden.
12 Het is een dag waarop men naar u toe komt
vanaf Assyrië tot aan de steden van Egypte,
en vanaf Egypte tot aan de rivier,
van zee tot zee, van berg tot berg.
13 Maar de het land zal worden tot een woestenij, om zijn bewoners,
vanwege de vrucht van hun daden.
14 Weid Uw volk met Uw staf,
de kudde van Uw eigendom,
die alleen in een woud woont,
te midden van een vruchtbaar land.
Laat hen weiden in Basan en Gilead,
als in de dagen van oude tijden af.
15 Als in de dagen toen u uit het land Egypte trok,
zal Ik het wonderen doen zien.
16 De heidenvolken zullen het zien en beschaamd worden,
ondanks al hun macht.
Zij zullen de hand op de mond leggen,
hun oren zullen doof worden.
17Zij zullen stof likken als de slang;
als kruipende dieren van de aarde
zullen zij sidderend uit hun burchten komen,
naar de HEERE, onze God, zullen zij in angst komen,
en zij zullen voor U bevreesd zijn.
18 Wie is een God als U,
Die de ongerechtigheid vergeeft,
Die voorbijgaat aan de overtreding
van het overblijfsel van Zijn eigendom?
Hij zal niet voor eeuwig vasthouden aan Zijn toorn,
want Hij vindt vreugde in goedertierenheid.
19Hij zal Zich weer over ons ontfermen,
Hij zal onze ongerechtigheden vertrappen,
ja, U zult al hun zonden werpen in de diepten van de zee.
20 U zult Jakob de trouw bewijzen
en Abraham de goedertierenheid,
die U aan onze vaderen gezworen hebt vanaf de dagen van weleer.
Kijk, de wereld om ons heen kan wel denken dat God Zijn volk verstoten heeft en dat je haar kan verdrukken, minachten en listig behandelen, maar er is een God Die hoort. En Hij zal Zijn volk verlossen zoals Hij dat aan de vaderen geworen heeft vanaf de dagen van weleer.
Als dat geen zegen is.
Psalm 105 -27-: Over licht en duisternis gesproken -1-
Over licht en duisternis gesproken
De schrijver van de Psalm beschrijft acht van de tien plagen die in Egypte hebben plaatsgevonden. Opmerkelijk is dt hij de plagen in een andere volgorde beschrijft dan waarin ze in Exodus 7-11 worden beschreven. Deze tekenen beginnen en eindigen met de belangrijkste tekenen, het negende en het tiende teken: de duisternis en de dood.
Naar de reden daarvan in het misschien wel gissen, maar mogelijk ligt de reden ervan in het feit dat dit gebeurt om aan te geven dat de morele toestand Egypteland toen en de wereld nu duister is, en dat het einde de dood is, gescheiden van de levende God. Want we lezen in Johannes 3 vers 19: En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liefgehad, meer dan het licht, want hun werken waren slecht.
Dat was toen, in de tijd van Egypte, maar ook nu is het er in de wereld waarin aij leven geen haar beter geworden.
Een teken, zoals de tekenen en wonderen die JHWH destijds in Egypte verrichtte betekent iets, het is een aanwijzing, het verwijst ergens naar; een wonder is iets bovennatuurlijks, de oorsprong ervan is niet een mens, maar God. Het is een teken van echtheid.
Zowel de tekenen als de wonderen zijn voor Gods volk een getuigenis van Gods trouw, dat Hij het voor hen opneemt. Wat voor Gods volk tekenen en wonderen waren, waren voor de Egyptenaren plagen. Telkens spreekt de psalmist bij het noemen van de tekenen en wonderen of de plagen over twee dingen:
1. God veroorzaakt de plagen. Ze komen van Hem. We lezen in deze verzen steeds over wat “Hij” doet. Ze beschrijven Zijn daden en Zijn wonderen.
2. De plagen gaan over alles wat van de Egyptenaren was. Dat zien we aan het telkens terugkerende “hun”, zoals “hun water”, “hun vissen”. Het betrof “hun land”, hun hele gebied”.
De eerste plaag zoals beschreven in Psalm 105, is de negende, die van de duisternis. God “zond”, staat er zo opmerkelijk deze plaag – zoals Hij eerder Jozef en daarna Mozes had gezonden –, “en maakte het duister”. Tijdens deze plaag is alle licht in Egypte afwezig en heerst er duisternis. Dit is het gevolg van het verwerpen van God, de bron van het licht. Maar er was licht “voor alle Israëlieten … in hun woongebieden” (Ex 10:23b).
In Nederland kennen we het gezegde een ‘Egyptische duisternis’. Dit gezegde hebben we overgehouden aan de 9e plaag. Er wordt een intense duisternis mee bedoeld. En dat was het inderdaad. Men kon geen hand voor ogen zien. Sterker nog: Het was een duisternis die te tasten was, voelbaar dus.
Drie dagen lang konden mensen elkaar niet zien. Zij hebben zich nauwelijks bewogen, niemand stond van zijn plaats op. Misschien hebt u wel eens intense duisternis meegemaakt. Dat is beangstigend. Je bent alle coördinatie kwijt. Je ogen zijn op zoek naar licht, maar dat is er niet. Je weet ook niet meer wat er om je heen gebeurt. Kortom: chaos en verbijstering. Het wonderlijke is, dat de HEERE JHWH, het volk in bescherming nam: “Voor alle Israëlieten echter was het licht in hun woongebieden.”
Voor farao was die duisternis ook heel erg. Hij werd gezien als een soort halfgod en had tot taak iedere morgen de zon te laten opkomen. Als dat niet lukte zou hij de kans lopen dat het volk hem op enig moment niet meer zou erkennen.
Deze plaag, dit teken heeft ook een profetische lading. Misschien is het goed er een paar teksten bij dte lezen:
- Jesaja 60 vers 2: Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken en donkere wolken de volken, maar over u, en de profeet spreekt hier over Israel, zal de HEERE opgaan en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden en heidenvolken zullen naar uw licht gaan en koningen naar de glans van uw dageraad.
- Joël 2 vers 2 en 31: Blaas de bazuin in Sion, sla alarm op Mijn heilige berg, laat alle inwoners van het land sidderen, want de dag van de HEERE komt, ja, is nabij. Het is een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en donkerheid. Zoals de dageraad zich over de bergen verspreidt, verspreidt zich een groot en machtig volk, zoals er niet geweest is van oude tijden af, en er hierna niet meer zal zijn, jarenlang, van generatie op generatie.
- Sefanja 1 vers 15 De grote dag van de HEERE is nabij; hij is nabij en nadert zeer snel. Hoor, de dag van de HEERE! De held zal daar bitter schreeuwen! Een dag van verbolgenheid is die dag, een dag van benauwdheid en angst, en dag van verwoesting en vernietiging, een dag van wolken en donkerheid, een dag van donkere wolken,
De teksten spreken allemaal over een ‘dikke duisternis’ die in de eindtijd over het land of de aarde zal komen. Het zal de samenleving volledig lam leggen en grote angst brengen. De Almachtige zal opnieuw dit grote teken gebruiken, alvorens het licht van Zijn rechtvaardige heerschappij zal doorbreken, te beginnen bij Israël: “Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken en donkere wolken de volken, maar over u zal de HEERE opgaan en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden.”
Als dat geen zegen is
Psalm 105 -28: Over licht en duisternis gesproken -2-
Over licht en duisternis gesproken
De tweede plaag die de psalmist noemt, is de eerste in Egypte. Het is het teken van de verandering van water in bloed. Wat leven moet betekenen, water, verandert in bloed, wat de dood van alle leven in het water inhoudt. De vissen worden met name genoemd als het leven dat wordt gedood omdat vis een voedselbron is (Nm 11:5a).
Er blijken allerlei verklaringen gegeven te worden waardoor dit wonder berklaarbaar wordt, zoals bepaalde organismen die in de Nijl afstierven en dat dit wel meer plaatvond waardoor het water een rode kleur kreeg en op bloed leek. Maar dat staat er niet in de Schrift. Er staat niet dat het water op bloed leek, maar dat het water bloed werd. Jammer van al die pogingen om dit wonder van God te verklaren.
“En er zal bloed zijn in het gehele land Egypte” lezen we in Exodus 7 vers 19.
Maar misschien vinden we een oplossing in een volgende Joodse uitleg.
De tien plagen waren gericht tegen het zelfzuchtige, materialistische Egypte. De Nijl vormde de basis en de belichaming van Egypte’s economie en macht. Het is daarom niet toevallig dat het lammetje de afgod van Egypte was omdat het lam het sterrenbeeld is van de maand Nisan, waarin de Nijl buiten zijn oevers treedt.
De Farao beweerde dat hij de Nijl geschapen had; daarom vonden de plagen in en rond de Nijl plaats. De eerste plaag was tegen de Nijl gericht, de tweede kwam voort uit de Nijl; de meeste plagen werden aangekondigd aan de oever van de Nijl.
Wanneer God een volk straft, wordt eerst zijn afgod aangepakt. De bloedplaag trof de Nijl zelf waardoor de macht van God werd aangetoond, omdat Hij de natuur naar believen kan veranderen. Bovendien zorgde de plaag ervoor, dat de Egyptenaren afhankelijk werden van de Joden, een vergelding voor hun vernederende vreemdelingenstatus.
Een andere interessante verklaring wijst erop, dat water in zijn natuurlijke omgeving koud is en bloed over het algemeen warm. God wilde met die eerste plaag tonen, hoe men vanuit het afgodische Egypte kon komen tot deware God.
Tot zover een citaat uit het Jodendom.
Maar misschien moeten we het wel simpel houden vanmorgen. De Farao was ongehoorzaam aan het woord van God. Het gevolg daarvan was dat God de bron van het leven wegnam. Water is de bron van het leven. En daar waar de bron van het leven wordt wegvalt, ontstaat de dood.
Maar daar stoppen we ook vandaag niet mee. De ood heeft bij nGod nooit het laatste woord. Want Jezus / Jeshua zegt: Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.
Als dat geen zegen is.
Bron van levend water, ontspring nu in mij
Zend uw Geest, o Heilig God,
En maak mij vrij
Van elke situatie die mijn hart bezwaart
'K Geef mijn last aan U,
Die heel mijn ziel bewaart.
Jezus Vader Geest van God Heer, U bent de Herder, die mij geneest
Neem mij in Uw armen,
Leid mij door Uw Geest
Neem mijn trots, mijn twijfels
En mijn angsten nu
Trek mij met Uw liefde, ik verlang naar U.
Geef jezelf aan Jezus, die jou geneest
Laat Hem je omarmen en ontvang zijn Geest
Als je Hem vertrouwt
Word je door Hem bevrijd;
Zul je met Hem leven tot in eeuwigheid.
Jezus Vader Geest van God
Psalm 105 -29-: Over de plagen in Egypte gesproken -1-
Over de plagen in Egypte gesproken (1)
Voor we met de verdere bespreking van de plagen verder gaan, wil ik graag nog wat algemeenheden met u doornemen, want deze tien plagen die de Eeuwige over de Farao en zijn hele volk liet neerkomen, gebruikte de HEERE niet alleen als middel om druk op de Farao uit te oefenen om daarmee de vrijlating van Zijn volk uit de slavernij af te dwingen, maar ook om aan het hele Egyptische volk te laten zien wie Hij is en om aan hen de omvang van Zijn macht over de hele schepping te tonen.
Verder hadden de tien plagen tot doel, dat de de Heere, zoals we lezen in Exodus 12:12 nadrukkelijk aan Moshe bekend heeft gemaakt: “Ik zal alle Egyptische goden van hun voetstuk stoten, want ik ben de Eeuwige!”.
Eigenlijk liepen de Egyptenaren toen net zo gebukt onder de slavernij als de Israëlieten, maar dan nog vele malen erger! Niet op de eerste plaats als slaven van de Farao, maar als slaven van hun eigen afgoden, die zowel alle facetten van hun dagelijkse leven alsook hun zielen in een stevige greep hielden.
De Eeuwige had met de plagen dus zowel de bevrijding van Zijn eigen volk Israël uit de slavernij van de Farao alsook de bevrijding van het Egyptische volk uit de slavernij van hun afgoden op het oog en daarom waren de tien plagen dus op de eerste plaats niet als strafgericht tegen het volk van Egypte bedoeld, maar tegen de afgoden die door de Egyptenaren werden vereerd en aanbeden inclusief de Farao zelf.
In die tien verschrikkelijke plagen pakt de Heere God rechtstreeks alle godheden van Egypte aan, want elke plaag heeft een aantoonbare verbinding met een of ander bijgeloof uit de Egyptische mythologie.
Met de tien plagen werden alle godheden aangepakt, die langs de Nijl werden vereerd. Stuk voor stuk liet de God van Israël aan de Egyptenaren zien dat Hij ver uitsteekt boven de goden die door hen werden aanbeden, waarmee Hij hen de mogelijkheid bood een keuze te maken om net zo goed als de Israëlieten ook uit hun eigen - geestelijke - slavernij bevrijd te worden.
De goden die zij dienden, waren immers niets anders dan demonen!
Wij westerlingen moeten dus niet zo naïef zijn te denken, dat de Egyptische goden slechts verzinsels zijn, die op een rijke fantasie berusten. Kijk uit! Ze zijn echt geen sprookjesfiguren, maar reële bovennatuurlijke boze machten die weliswaar verslagen zijn, maar nog steeds actief, zij het onder andere namen en in andere gedaanten!
Paulus bevestigd deze geachte in Efeze 6: Verder, mijn broeders, word gesterkt in de Heere en in de sterkte van Zijn macht. Bekleed u met de hele wapenrusting van God, opdat u stand kunt houden tegen de listige verleidingen van de duivel. Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van de duisternis van dit tijdperk, tegen de geestelijke machten van het kwaad in de hemelse gewesten.
Ten tijde van de Farao’s was het geloof in de Egyptische afgoden de officiële staatsgodsdienst en iedere god of godin had zijn of haar eigen standbeeld en tempel waar hij of zij werd aanbeden. Het dienen en aanbidden van deze afgoden was echter niet alleen een intellectuele beoefening van de bovenklasse, maar vooral onder het gewone volk een zeer praktisch geloof omdat elke godheid een specifieke taak of functie had, waarop men in bepaalde situaties een beroep kon doen.
Zo waren er bijvoorbeeld godheden die gespecialiseerd waren in geneeskunde en anderen die verantwoordelijk waren voor de landbouw en natuurlijk ook voor de vruchtbaarheid. Voor alle problemen die zich in het dagelijkse leven van de Egyptenaren voordeden kon men dus de priesters van deze goden raadplegen.
Omdat de mensen echter werden beheerst door bijgeloof durfde niemand te twijfelen aan de macht van deze afgoden, waardoor ze dus eigenlijk gebukt gingen onder hun heerschappij en op de eerste plaats onder de heerschappij van de Farao, die zelf gezien werd als een god!
Omdat zijn eigen positie dus afhankelijk was van de vrees voor de goden kon de Farao niet toegeven aan de eisen van Moshe en Aharon, Mozes en Aaron. Als hij zou bezwijken onder de plagen zou zijn eigen volk zien hoe onmachtig hijzelf was en al hun goden waren ten opzichte van de almacht van de God van Israël. Misschien was het juist wel daarom waarom de Farao hardnekkig bleef weigeren om de Israëlieten te laten gaan.
Maar de gevolgen waren indrukwekkend.
Met iedere plaag pakte de JHWH één of meerdere Egyptische afgoden aan. In Exodus 12:12 heeft Hij zelf gezegd: Alle goden van Egypte zal Ik afstraffen! Ik ben de Eeuwige!” of in de vertaling van Het Boek: “Ik zal de afgoden van Egypte voor schut zetten!”
Daarin is de Hij zeer zeker geslaagd, en met de tien plagen die Hij over Egypte zond, beantwoordde Hij ook op niet mis te verstane wijze de vraag van de Farao: “Wie is de Eeuwige, naar Wie ik zou moeten luisteren om Israël te laten gaan? Ik ken de Eeuwige niet en ik zal Israël ook niet laten gaan!”, zoals we lezen in Exodus 5:2.
Na de tiende plaag kende hij de Eeuwige wel degelijk en liet hij Israël maar al te graag gaan, want: “De Eeuwige had in die nacht alle goden van Egypte verslagen!”, lezen we in Numeri 33:4.
Weet u, uiteindelijk overwon de HEERE, de Eeuwige, de Aanwezige de Farao en al zijn afgoden. Dat was toen. Maar ook nu in de tijd waarin wij leven herkennen we veel van de plagen van Egypte, maar dan opgetekend in de Openbaring van Jezus Christus, de Messias. De geschiedenis herhaalt zich. Maar dan groter. Niet alleen Egypte, maar in onze tijd gaat de hele wereld gebukt onder de afgoden van het geestelijk Egypte.
Maar zoals de Farao werd overwonnen zal ook de heerser van deze eeuw overwonnen worden. Sterker nog, hij is overwonnen. We hebben met een overwonnen vijand te maken.
Amen?
We gaan luisteren naar het lied Gadol Elohai. Hoe groot is God, gezongen door Joshua Aaron.
Psalm 105 -30-: Over de slang gesproken
Over de slang gesproken (1)
Het eerste wonder met betrekking tot de wonderen in Egypte was: Inderdaad, de Eeuwige pakte Apophis, de slang, de belichaming van het kwaad aan.
Laten we nog eens lezen wat daarover staat in Exodus 7 staat:
“De Eeuwige echter zeide tot Moshe [Mozes]: Zie, Ik stel u als God voor Farao; en uw broeder Aharon [Aaron] zal uw profeet zijn. Gij zult alles zeggen wat Ik u gebied, en uw broeder Aharon zal bij Farao het woord voeren, opdat deze de Israëlieten uit zijn land laat gaan.
Maar Ik zal het hart van Farao verstokken, en Ik zal Mijn tekenen en wonderen talrijk maken in het land Egypte, doch Farao zal naar u niet luisteren. Daarom zal Ik Mijn hand op Egypte leggen en Mijn legerscharen, Mijn volk, de Israëlieten, uit het land Egypte leiden onder zware gerichten. En de Egyptenaren zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben, wanneer Ik Mijn hand tegen Egypte uitstrek en de Israëlieten uit hun midden wegleidt.
Aldus deden Moshe en Aharon; zoals de Eeuwige hun geboden had, zo deden zij. Moshe nu was tachtig jaar oud en Aharon drieëntachtig jaar, toen zij tot Farao spraken. En de Eeuwige zeide tot Moshe en Aharon: Wanneer Farao tot u zegt: vertoon een wonderteken, dan zult gij tot Aharon zeggen: neem uw staf en werp die neer voor het aangezicht van Farao; dan zal hij een slang worden. Moshe en Aharon kwamen tot Farao en zij deden, zoals de Eeuwige geboden had; Aharon wierp zijn staf neer voor het aangezicht van Farao en zijn dienaren, en hij werd een slang.
Daarop riep Farao van zijn kant de wijzen en de tovenaars en ook zij, de Egyptische geleerden, deden door hun toverkunsten hetzelfde. Ieder wierp zijn staf neer en deze werden tot slangen; de staf van Aharon echter verslond hun staven. Maar het hart van Farao verhardde en hij luisterde niet naar hen, zoals de Eeuwige gezegd had.
In vers 1 zegt de Eeuwige, dat Hij Moshe als God voor de Farao zal stellen. Dat wil niet zeggen, dat Hij Moshe daadwerkelijk tot een god gemaakt heeft, maar dat hij als gelijke rechtop mag staan voor de Farao, die als god vereerd wordt, en niet voor hem hoeft neer te buigen.
Mozes en Farao zijn elkaars gelijken, want Mozes is de afgezant van de Eeuwige en staat daar in Zijn autoriteit. Daar komt natuurlijk nog bij, dat Mozes als prins van Egypte ook daadwerkelijk aan de Farao Ramses II gelijk was omdat beiden als broers met elkaar zijn opgegroeid aan het hof van de oude Farao Seti I en elkaar maar al te goed kenden.
Er staat dus ook nergens geschreven dat de Farao Mozes bevolen heeft om voor hem neer te knielen of hem door zijn lijfwachten daartoe gedwongen zou hebben. Integendeel! Hij keek wel uit, want in Exodus 11:3 lezen we namelijk, dat Moses een zeer gezien man was in het land Egypte, bij de dienaren van de Farao en bij het gewone volk.
In de Nieuwe Bijbelvertaling staat: “Mozes stond zelfs in hoog aanzien bij de hovelingen en bij het Egyptische volk!” Dat is dus een feit waar de Farao rekening mee moest houden: Moshe was zijn gelijke!
Dat de staf van Aharon in een slang veranderde, vond hij echter niet zo boeiend. De Farao was daarvan echt niet onder de indruk, want zijn eigen hoftovenaars deden immers hetzelfde.
Maar wat daarna gebeurde, had hij niet verwacht en was ronduit schokkend voor alle aanwezigen: de slang van Aharon at alle slangen van de tovenaars op! Dat was een gevoelige nederlaag voor Apophis! Deze reusachtige slangendemon gold in de Egyptische mythologie als tegenspeler van de zonnegod Ra en was als zodanig symbool van de donkere machten.
Apophis werd op wandschilderijen vaak afgebeeld als een grote, kronkelende slang om daarmee te benadrukken dat de slang zeer groot was. Verschillende soorten slangen hebben model gestaan voor deze afgod.
In het Boek der doden staat een magische spreuk ter bestrijding van deze slangendemon. Moshe en Aharon hadden deze spreuk niet nodig. Door zijn staf in een grote slang te laten veranderen die vervolgens de eveneens in slangen veranderde staven van de Egyptische tovenaars verslond, heeft Aaron voor de ogen van alle aanwezigen Apophis vernederd en op zijn plaats gezet.
Ook tegen de godin Hathor was deze aanval gericht, want haar eerste vorm was namelijk die van een oerslang. Op zeker moment was zij erg vertoornd en dreigde ermee de hele schepping te vernietigen en zelf terug haar vorm van slangengodin aan te nemen. Daarom wordt zij vaak afgebeeld met een cobra op het voorhoofd en zelfs op de hoofdtooi zelf ontbreekt de cobra niet het symbool dat herinnert aan de oervorm van de moedergodin, de slang.
Het Hebreeuwse woord Tanin, dat in deze tekst met ‘slang’ wordt vertaald en in andere bijbelteksten met ‘monster’, of in de Griekse Septuaginta zelfs met ‘draak’, heeft echter ook de betekenis van krokodil.
Als wij dus van deze vertaling uitgaan wordt door het schrikaanjagende wonder met de staf van Aaron naast Apophis nog een andere Egyptische afgod voor schut gezet en overwonnen: Sobek, die doorgaans wordt afgebeeld met een krokodillenkop.
Sobek was de zoon van de moedergodin Nit en werd vooral vereerd in Fayum. Die regio werd zo sterk geassocieerd met de krokodillengod, dat de Grieken een stad in de buurt zelfs Crocodilopolis noemden.
Sobek was de god van het water en volgens de Egyptische mythologie is de Nijl ontstaan uit zijn zweet. Daarom symboliseerde deze godheid met de kop van een krokodil de vruchtbaarheid van de Nijl en de kracht van de Farao's.
De kracht van de Farao werd gebroken doordat de reptielen van de tovenaars werden verslonden door het reptiel van Aaron, maar de vruchtbaarheid van de Nijl werd vernietigend aangetast door de eerste plaag.
En opnieuw zien we een vergelijking een teken, een beeld met betrekking tot de oude slang. De slang uit Genesis 3 waar we lezen:
Toen zei de HEERE God tegen de slang:
Omdat u dit gedaan hebt, bent u vervloekt
onder al het vee en onder alle dieren van het veld!
Op uw buik zult u gaan en stof zult u eten, al de dagen van uw leven.
En Ik zal vijandschap teweegbrengen tussen u en de vrouw,
en tussen uw nageslacht en haar Nageslacht;
Dat zal u de kop vermorzelen,
en u zult Het de hiel vermorzelen.
Daar, in het begin van het menselijk geslacht wordt de nederlaag van de slang al aangekondigd en wordt geprofeteert dat de kop en hiel vermorzeld zullen worden. We zien het ook plaatsvinden in de gelezen geschiedenis met Mozes en Aaron, waar er niets van de slang van de tovenaars over blijft. De slangen van de tovernaars worden bij wijze van spreken met huid en haar opgevreten.
En nog eenmaal komen de we slang tegen. En wel, inderdaad u raadt het al. In Openbaring waar we lezen:
En ik zag een engel neerdalen uit de hemel met de sleutel van de afgrond en een grote ketting in zijn hand.
En hij greep de draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan, en bond hem voor duizend jaar,
en wierp hem in de afgrond, en sloot hem daarin op en verzegelde die boven hem, opdat hij de volken niet meer zou misleiden, totdat de duizend jaar tot een einde gekomen zouden zijn. En daarna moet hij een korte tijd worden losgelaten.
En ik zag tronen, en zij gingen daarop zitten, en het oordeel werd hun gegeven. En ik zag de zielen van hen die onthoofd waren om het getuigenis van Jezus en om het Woord van God, en die het beest en zijn beeld niet hadden aanbeden, en die het merkteken niet ontvangen hadden op hun voorhoofd en op hun hand. En zij leefden en gingen als koningen regeren met Christus, duizend jaar lang.
Maar de overigen van de doden werden niet weer levend, totdat de duizend jaar tot een einde gekomen waren. Dit is de eerste opstanding.
Zalig en heilig is hij die deelheeft aan de eerste opstanding. Over hen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en van Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen regeren, duizend jaar lang.
En wanneer die duizend jaar tot een einde gekomen zijn, zal de satan uit zijn gevangenis worden losgelaten. En hij zal uitgaan om de volken te misleiden die zich in de vier hoeken van de aarde bevinden, Gog en Magog, om hen te verzamelen voor de oorlog. En hun aantal is als het zand van de zee.
En zij kwamen op over de breedte van de aarde, en omsingelden de legerplaats van de heiligen en de geliefde stad. Maar er daalde vuur van God neer uit de hemel en dat verslond hen.
En de duivel, die hen misleidde, werd in de poel van vuur en zwavel geworpen, waar ook het beest en de valse profeet reeds zijn. En zij zullen dag en nacht gepijnigd worden in alle eeuwigheid.
Als dat geen zegen is.
Psalm 105 -31-: Over water en bloed gesproken
Over water en bloed gesproken (1)
Vandaag denken we met elkaar na over de eerste plaag waarin water in bloed (hebreeuws Dam wordt veranderd. We lezen in Exodu 7 vers 14 tot en met 25 het volgende over deze plaag:
“En de HEERE zeide tot Moshe [Mozes]: Het hart van Farao is onvermurwbaar, hij weigert het volk te laten gaan. Ga in de morgen tot Farao; zie, hij is gewoon naar het water te gaan, gij zult hem opwachten aan de oever van de Nijl en de staf, die in een slang veranderd is geweest, in uw hand nemen. En gij zult tot hem zeggen: de Eeuwige, de God der Hebreeën, heeft mij tot u gezonden met de boodschap: laat Mijn volk gaan, om Mij te dienen in de woestijn; maar zie, tot nu toe hebt gij niet willen horen.
Zo zegt de de HEERE: hieraan zult gij weten, dat Ik de Eeuwige ben: zie, ik zal met de staf die in mijn hand is, op het water in de Nijl slaan; het zal in bloed veranderd worden, en de vis in de Nijl zal sterven, zodat de Nijl zal stinken; dan zullen de Egyptenaren het water uit de Nijl niet kunnen drinken.
Toen zeide de Eeuwige tot Moshe: Zeg tot Aaron: neem uw staf en strek uw hand uit over de wateren der Egyptenaren, over hun stromen, hun kanalen, hun poelen en al hun verzamelplaatsen van water, opdat zij bloed worden, en er zal bloed zijn in het gehele land Egypte, zelfs in het houten en stenen vaatwerk.
En Moshe en Aaron deden, zoals de HEERE geboden had; hij hief de staf op en sloeg het water in de Nijl voor de ogen van Farao en zijn dienaren, en al het water in de Nijl werd in bloed veranderd; De vis in de Nijl stierf, zodat de Nijl stonk en de Egyptenaren het water uit de Nijl niet konden drinken; en er was bloed in het gehele land Egypte.
Maar de Egyptische geleerden deden door hun toverkunsten hetzelfde, zodat het hart van Farao verhardde en hij naar hen niet luisterde, zoals de HEERE gezegd had. Farao wendde zich af, ging naar huis en nam ook dit niet ter harte. Alle Egyptenaren echter groeven in de omgeving van de Nijl naar water om te drinken, want Nijlwater konden zij niet drinken. Zo verliepen zeven volle dagen, nadat de Eeuwige de Nijl geslagen had!”
De eerste van de tien plagen was gericht tegen de Nijl zelf, die de Egyptenaren als hun bron van het leven aanbaden in de persoon van de riviergodheid Hapi, de geest van de Nijl. Volgens de Egyptenaren zorgde deze afgod ervoor dat de rivier elk jaar overstroomde en vruchtbaarheid bracht.
Egypte was voor zijn landbouw volledig afhankelijk van de overstromingen van de Nijl en hierdoor was de cultus van Hapi erg populair in de Nijlvallei. Hapi is zeer waarschijnlijk ook de oorspronkelijke Oudegyptische naam voor de rivier de Nijl. Op afbeeldingen ziet men vaak, dat Hapi Nijlvegetatie vasthoudt of dat er waterplanten van zijn hoofd hangen. Doordat Hapi vereenzelvigd werd met de Nijl, werd de aanbidding daarvan door het veranderen van het water in bloed minimaal zeven dagen volstrekt onmogelijk gemaakt. De eerste plaag was echter niet alleen een directe aanval op Hapi, maar ook op andere riviergodheden zoals Khnum, de beschermer van de Nijl, de god die de Nijldelta vruchtbaar en daarmee geschikt maakte voor landbouw, en op Osiris, de god van de onderwereld en van de overstroming van de Nijl en daarom ook de god van de vegetatie.
De Nijl werd als zijn bloed beschouwd en juist om deze reden heeft Moshe door het Nijlwater daadwerkelijk in bloed te veranderen aangetoond, dat de Eeuwige hoog verheven is boven Osiris. Het is alsof hij aan de Egyptenaren wilde zeggen: Jullie geloven dat de Nijl de bloedstroom van Osiris is? Welnu, dat kan je krijgen! Maar nadat het water letterlijk in bloed was veranderd, begon het te stinken en alle vissen gingen dood!
Met de bezoedeling van de Nijl maakte Mozes zowel Osiris alsook Hapi en Khnum als objecten van aanbidding belachelijk en beschaamd, omdat zij niet bij machte waren het veranderen in bloed ongedaan te maken.
De Egyptische magiërs waren weliswaar met hun toverkunsten in staat om eveneens water in bloed te veranderen, maar niet andersom en daarom gingen de vissen dood en begon het water van de rivier dermate te stinken, dat de Egyptenaren het niet meer konden drinken.
Met deze bevuiling van de Nijl werd de autoriteit van de belangrijke Nijlgoden behoorlijk aangetast! Wetenschappers hebben hier allerlei natuurlijke verklaringen voor. Er is echter één probleem met al deze theorieën: in vers 17 staat namelijk dat het water in bloed veranderd zal worden en in vers 20 ging dat inderdaad gebeuren: “En al het water in de Nijl werd in bloed veranderd.” Hier staat dus niet dat het Nijlwater op bloed zou lijken, maar dat het daadwerkelijk bloed is geworden, toch daar zijn de geleerden tot nu toe nog niet echt op in gegaan.
En evenals in de voorgaande aflevering waar we zagen dat de slangen opgegeten/vermorzeld werden in de geschiedenis in Egypte, maar we hierover ook lazen in het laatste boek van de Bijbel, in Openbaring, zo ook in het geval van de plaag van het water dat in bloed wordt veranderd. Maar ook nu, evenals bij de slang opnieuw uitvergroot van Egypte naar de hele aarde en van de Nijl naar de zee. We lezen daarvan in Openbaring 17 vers 1 tot en met 7:
1 En ik hoorde een luide stem uit de tempel zeggen tegen de zeven engelen: Ga en giet de schalen van de toorn van God uit over de aarde.
2 En de eerste ging en goot zijn schaal uit over de aarde, en er kwam een kwaadaardige en schadelijke zweer bij de mensen die het merkteken van het beest hadden en die zijn beeld aanbaden.
3 En de tweede engel goot zijn schaal uit in de zee, en die werd bloed, als van een dode. En elk levend wezen in de zee stierf.
4 En de derde engel goot zijn schaal uit in de rivieren en de waterbronnen, en het water werd bloed.
5 En ik hoorde de engel van de wateren zeggen: U bent rechtvaardig, Heere, Die is en Die was en Die zal zijn, dat U dit oordeel geveld hebt.
6 Aangezien zij het bloed van de heiligen en van de profeten vergoten hebben, hebt U hun ook bloed te drinken gegeven, want zij verdienen het.
7 En ik hoorde een ander bij het altaar vandaan zeggen: Ja Heere, almachtige God! Uw oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig.
Inderdaad: Temidden van al deze verschrikkelijke plagen toen en in de nabije toekomst weten we dat we dat de Heere, JHWH, de Eeuwige een Almachtig, waarachtig en rechtvaardig God is.
Als dat geen zegen is.
Psalm 105 -32-: Over kikkers gesproken -1-
Over de kikkers gesproken (1)
De kikkers, de tweede plaag in Egypte (Ex 8:1-7), wordt door de psalmist als derde genoemd (vers 30). Hij zegt dat “hun land wemelde van kikkers”. Kikkers worden door de Egyptenaren als heilig beschouwd en met eerbied behandeld. Ze mogen daarom niet worden gedood. Deze afgoden nemen onder de oordelende hand van God nu de vorm van een plaag aan.
Zullen we het gedeelte uit Exodus 8 eens lezen?
1Daarna zei de HEERE tegen Mozes: Ga naar de farao toe en zeg tegen hem: Zo zegt de HEERE: Laat Mijn volk gaan, zodat zij Mij kunnen dienen.
2En indien u weigert het te laten gaan, zie, dan zal Ik heel uw gebied met kikkers treffen,
3zodat de Nijl krioelen zal van kikkers. Ze zullen eruit omhoog klimmen en in uw huis komen, in uw slaapkamer, ja, op uw bed, ook in de huizen van uw dienaren en bij uw volk, ja, in uw ovens en in uw baktroggen.
4Tegen u, tegen uw volk en tegen al uw dienaren zullen de kikkers omhoog klimmen.
5Verder zei de HEERE tegen Mozes: Zeg tegen Aäron: Strek je hand met je staf uit over de stromen, over de rivieren en over de waterpoelen, en laat er kikkers uit omhoog klimmen over het land Egypte.
6Toen strekte Aäron zijn hand uit over de wateren van Egypte, en er klommen kikkers uit en zij bedekten het land Egypte.
7Maar de magiërs deden met hun bezweringen hetzelfde. Ook zij lieten kikkers over het land Egypte omhoog klimmen.
8Toen liet de farao Mozes en Aäron roepen en zei: Bid vurig tot de HEERE dat Hij de kikkers van mij en mijn volk wegneemt; dan zal ik het volk laten gaan, zodat zij offers aan de HEERE kunnen brengen.
9 Maar Mozes zei tegen de farao: Houd tegenover mij de eer aan uzelf! Wanneer zal ik voor u, uw dienaren en uw volk vurig bidden om deze kikkers bij u vandaan te halen en uit uw huizen uit te roeien, zodat ze alleen in de Nijl overblijven?
10Hij zei: Morgen. Toen zei Mozes: Overeenkomstig uw woorden zal het gebeuren, opdat u weet dat er niemand is zoals de HEERE, onze God.
11Dan zullen de kikkers bij u vandaan gaan, uit uw huizen, bij uw dienaren en uw volk weggaan. Ze zullen alleen in de Nijl overblijven.
12Toen gingen Mozes en Aäron bij de farao weg. En Mozes riep tot de HEERE vanwege de kikkers, waarmee Hij de farao getroffen had.
13En de HEERE deed overeenkomstig het woord van Mozes. De kikkers stierven weg uit de huizen, uit de binnenplaatsen en van de velden.
14Zij verzamelden ze bij hopen, en het land stonk ervan.
15Toen nu de farao zag dat er verlichting was gekomen, maakte hij zijn hart onvermurwbaar, zodat hij niet naar hen luisterde, zoals de HEERE gesproken had.
Wist u trouwens dat kikkers zijn een beeld van onreine geesten zijn, met name de seksuele onreinheid? We lezen daarvan in Op 16:13-15:
En ik zag uit de bek van de draak, uit de bek van het beest en uit de mond van de valse profeet drie onreine geesten komen, als kikvorsen.
Dit zijn namelijk de geesten van de demonen, die tekenen doen en die uitgaan naar de koningen van de aarde en van de hele wereld, om hen te verzamelen voor de oorlog van de grote dag van de almachtige God.
Zie, Ik kom als een dief. Zalig hij die waakzaam is en op zijn kleren acht geeft, zodat hij niet naakt zal rondlopen en men zijn schaamte niet zal zien.
En hij verzamelde hen op de plaats die in het Hebreeuws Armageddon wordt genoemd.
De liefde tussen man en vrouw in het huwelijk is een natuurlijke zegen die God aan de mens heeft gegeven. Maar die zegen is tot een vloek geworden. Zoals de kikkers een plaag werden in het land Egypte.
We zien dat overal in de maatschappij. Denk bijvoorbeeld aan de homoseksuele relaties, de buitenhuwelijkse of voorhuwelijkse seksuele relaties, porno op televisie en internet, seksshops, seksclubs.
De kikkers komen overal, in alle huizen, lazen we ook in de vaak goed beschermde “kamers van hun koningen”, waarbij we ook aan de vorsten van deze wereld moeten denken. Hoevelen ook van hen hebben te maken met buitenechtelijke relaties. Ja, tot in hun bed lazen we ook in Exodus.
Ook in de wereld en de tijd waarin wij leven zijn de woorden van Psalm 105 actueel:
Ook in ons land en in de tijd waarin wij leven wemelt het van kikkers, tot in de slaapkamers en in heet bed van de koningen, zo lazen we ook in Exodus 8.
En in Psalm 78 vers 45 lezen we het effect van de kikkers op het land en de maatschappij van Egypte. Ik lees het vers aan u voor en let daarbij op met name het laatste gedeelte van het vers:
Hij zond steekvliegen onder hen, die hen verteerden, en kikkers, die hen te gronde richtten.
De kikkers, waarvan we eerder lazen in de schrift dat zij een beeld zijn van met name seksuele demonen, richtten het land en het individu te gronde. Dat was toen in het geval van Sodom en Gomorra, dat was in Egypte zo, en dat is en zal niet anders zijn in de tijd waarin wij leven.
Zo zien we dat de geschiedenis, zoals de plagen in Egypte niet zomaar wat plagen zijn die genoemd worden, maar tekenen zijn die een betekenis hebben. Toen, in het land Egypte, en u weet waar Egypte voor staat in de Bijbel. We zien het in Sodom en Gomorra, waar met name ook de seksuele zonden worden genoemd, maar we zien het ook in het boek Openbaring. Ook hierin zien we opnieuw een patroon in de Bijbel. Een patroon waarvan we al lezen in Genesis, wat ons iets zegt over wat in Openbaring verder wordt uitgewerkt. Hoe wonderlijk ingenieus zit het Woord van God in elkaar. Willen we iets van Openbaring begrijpen, dan zullen we terug moeten gaan naar het eerste testament, naar de Torah waar we de grondbeginselen van Gods principes terugvinden.
Ongelooflijk hoe actueel Gods Woord telkens weer opnieuw is.
Het Hebreeuwse woord voor kikker is ‘tsephardea’en komt van het woord ‘trephar’ wat moeras betekend. En inderdaad, wanneer we ons inlaten met sexuele zonden komen we in het moeras terecht waarin het moeilijk wordt om uit te komen. Telkens bespringt de kikker ons weer.
Het is vanmorgen een ernstig verhaal geworden. Want is er dan geen verlossing mogelijk van de kikker? Jawel, maar dat lukt de Farao en ons niet alleen Daar hebben we, net als in de geschiedenis met de Farao de Middelaar bij nodig die voor voor ons bidt en pleit, waarna Hij ons verlost. Net zoals in het geval van Farao. Alle kikkers worden verzameld, zozeer zelfs dat het hele land stonk. Ja, de Heere God, de God van Israel doet geen half werk maar het hele volk werd verlost van de kikkers. Wat een geweldige zegen was dat voor het volk van Egypte. En wat een zegen wanneer u en ik eenmaal van al die kikkers in onze tijd zijn verlost.
Er is een verlosser.
Psalm 105 -33-: Over kikkers gesproken -2-
Over kikkers gesproken (2)
In de voorgaande aflevering hebben we stilgestaan bij de woorden uit het boek Openbaring waar de kikker vergeleken wordt met onreine geesten, met name toegespitst op seksualiteit.
Vandaag wil ik met u stilstaan bij een heel ander aspect dat verband houdt met de Farao en de kikkers. Iets heel bijzonders, en ik weet niet of het u opgevallen is bij het gedeelte uit Exodus. En ik lees het nog eens, misschien dat u het ook opvalt:
9 Maar Mozes zei tegen de farao: Wanneer zal ik voor u, uw dienaren en uw volk vurig bidden om deze kikkers bij u vandaan te halen en uit uw huizen uit te roeien, zodat ze alleen in de Nijl overblijven?
10 Hij zei: Morgen.
En met name het antwoord van Farao vond ik wel heel frappant. Stel je eens voor dat je vanavond in bed stapt en overal in je slaapkamer en in je bed zijn kikkers. Het idee alleen al geeft me rillingen. De farao vond de kikkers ook geen pretje, maar op de vraag van Mozes aan de farao: “Wanneer zal ik bidden om de kikkers te laten verdwijnen?”, antwoordt hij: “Morgen.” Eerlijk zijn: Wat zou uw antwoord geweest zijn. Mijn antwoord zou in ieder geval niet ‘morgen’ geweest zijn, maar ‘nu’!
Maar de Farao: Morgen? Hij stelt het uit. Snap jij dit? Hoe vaak stel jij iets uit om volledig verlost te worden van iets wat jou plaagt?
Zullen we het Bijbelgedeelte eens op een symbolische manier vertalen naar ons leven. De farao en het gehele land Egypte had te maken met een enorme kikkerplaag. De ‘kikkers’ die voor ons een plaag zijn, liggen mogelijk op het seksuele vlak zoals we gisteren gezien hebben, maar kunnen op heel veel vlakken een belemmering zijn onze relatie naar God toe. Bepaalde zonden die in de weg staan in een open verbinding met je Schepper.
Morgen!
Het antwoord van de farao op de vraag van Mozes, wanneer hij zal bidden tot de Heer dat Hij de kikkers weghaalt, is werkelijk waar: morgen! De Farao stelt het uit. Waarom? Geen idee?!
Iets uitstellen herkennen we, denk ik, allemaal wel. Morgen ga ik echt weer naar de sportschool, morgen ga ik echt beginnen aan dat ene klusje wat al zo lang gedaan moet worden, morgen ga ik echt iets aan mijn gewicht doen, morgen ga ik, morgen, morgen, morgen… Alleen als het dan morgen is, dan is het alweer vandaag en blijven we zeggen: morgen doe ik het écht!
Misschien denk jij nu wel: ‘Ja, maar als het om kikkers zou gaan en Mozes zou mij dit vragen, dan zou ik echt zeggen: “Doe het alsjeblieft NU!”’ Maar is dat werkelijk zo?
Is er geen sprake van een hedendaagse kikkerplaag?
De kikkers waren toen een vreselijke plaag. Maar wij hebben zo onze eigen ‘hedendaagse kikkers’ die ook echt een plaag voor ons kunnen zijn. Zo heb je de kikkers van op het gebied van seksualiteit, schaamte of van schuld. Een kikker op het gebied van geld, een kikker op het gebied van een bepaalde verslaving. Verslaving aan geld, verslaving aan je werk, verslaving aan drank of een ander soort kikker. Noem zo alle ‘kikkers’ maar op. ‘Kikkers’ uit het verleden die nog steeds je toekomst bepalen…
Hoelang blijven u en ik het uitstellen om voor eens en voor altijd af te rekenen met de ‘kikkers’? Tot morgen?
- Ik weet dat ik niet naar die internetpagina moet gaan, maar morgen…
- Ik weet dat ik mijn gezin te weinig zie en door mijn werk opgeslokt wordt, maar morgen…
- Ik weet geld en bezit een te grote rol in mijn leven heeft, maar morgen…
Maar, altijd weer is daar die maar, en stellen we het uit tot morgen. Soms omdat het te pijnlijk is om los te laten, of dat het veilig is om achter te blijven verschuilen. Er zijn verschillende redenen. Maar God heeft je niet bedoeld om nog één nacht met de kikkers te slapen.
Stel niet uit tot morgen!
Zo’n 2000 jaar geleden stierf Jezus / Jeshua voor ons aan het kruis. Daar rekende Hij al af met de plaag van onze ‘kikkers’. Aan het kruis droeg Hij onze straf, onze schuld, onze ziekte, onze veroordeling, onze pijn en moeite. Hij overwon de satan en heeft de sleutels van de dood en het dodenrijk in handen.
Zijn bloed kocht jou vrij, en wie de Zoon bevrijdt, is waarlijk vrij. Jezus wil niet dat je wacht tot morgen, voor iets wat Hij al 2000 jaar geleden volbracht heeft. Hij wil dat je vandaag de keuze maakt om af te rekenen met de ‘kikkers’. De farao geloofde dat, door het gebed van Mozes, God de kikkers kon laten verdwijnen. Had de Farao een groter geloof dan u en ik?
Weet u, Jezus heeft afgerekend met alle kikkers in ons leven. Laten we daarom niet alleen ons hart, maar ook ons leven bevrijden van alle kikkers, niet morgen, maar vandaag, want als dat geen zegen is.
Neem mijn leven laat het Heer, toegewijd zijn aan uw eer.
Psalm 105 -34-: Over steekvliegen en muggen gesproken -1-
Over steekvliegen en muggen gesproken (1)
Na de plaag van de kikkers waarover we in de voorgaande dagen met elkaar nadachten spreekt God en komen er steekvliegen en muggen in het hele gebied van Egypte.
Voor we na gaan denken wil ik het gedeelte waaraan de Psalmist refereert uit Exodus 8 met u lezen:
Toen zei de HEERE tegen Mozes: Zeg tegen Aäron: Strek je staf uit en sla het stof van de aarde, zodat het tot muggen wordt in heel het land Egypte.
17 En zo deden zij. Aäron strekte zijn hand met zijn staf uit en sloeg het stof van de aarde, en de muggen kwamen op de mensen en op de dieren. Al het stof van de aarde werd tot muggen, in heel het land Egypte.
18 De magiërs deden met hun bezweringen hetzelfde om muggen voort te brengen, maar zij konden het niet. De muggen zaten op de mensen en op de dieren.
19Toen zeiden de magiërs tegen de farao: Dit is de vinger van God! Maar het hart van de farao verhardde zich, zodat hij niet naar hen luisterde, zoals de HEERE gesproken had.
20 Toen zei de HEERE tegen Mozes: Sta morgen vroeg op en ga voor de farao staan. Zie, wanneer hij naar het water toe gaat, moet u tegen hem zeggen: Zo zegt de HEERE: Laat Mijn volk gaan, zodat zij Mij kunnen dienen.
21 Want als u Mijn volk niet laat gaan, zie, dan zal Ik steekvliegen op u, uw dienaren, uw volk en uw huizen afzenden, zodat de huizen van de Egyptenaren, en zelfs de grond waarop zij staan, vol steekvliegen zullen zijn.
22 Maar op die dag zal Ik de landstreek Gosen, waar Mijn volk woont, afzonderen, zodat daar geen steekvliegen zullen zijn, opdat u zult weten dat Ik, de HEERE, in het midden van het land aanwezig ben.
23 Ik zal Mijn volk ervan vrijwaren en uw volk niet. Letterlijk: Ik zal verlossing zetten tussen Mijn volk en tussen uw volk. Morgen zal dit teken gebeuren.
24 En zo deed de HEERE: er kwam een zwerm steekvliegen in het huis van de farao, in de huizen van zijn dienaren en in heel het land Egypte. Het land werd door de steekvliegen te gronde gericht.
25 Toen riep de farao Mozes en Aäron, en zei: Ga heen, breng offers aan uw God in dit land.
26Maar Mozes zei: Het is niet juist om dat te doen, Gen. 43:32; 46:34want wij zouden aan de HEERE, onze God, een offer kunnen brengen dat een gruwel voor de Egyptenaren is. Zie, als wij voor de ogen van de Egyptenaren een offer zouden brengen dat een gruwel voor hen is, zouden zij ons dan niet stenigen?
27 Laat ons drie dagreizen ver de woestijn ingaan, zodat wij aan de HEERE, onze God, offers kunnen brengen, zoals Hij tegen ons zeggen zal.
28 Toen zei de farao: Ík zal u laten gaan, zodat u aan de HEERE, uw God, in de woestijn offers kunt brengen. Alleen, ga beslist niet te ver weg! Bid vurig voor mij!
29 En Mozes zei: Zie, ik ga naar buiten, bij u vandaan, en zal vurig tot de HEERE bidden dat de steekvliegen morgen van de farao, zijn dienaren en zijn volk geweken zullen zijn. Laat de farao alleen niet met bedriegen doorgaan door dit volk niet te laten gaan om de HEERE offers te brengen.
30 Toen ging Mozes bij de farao weg, en hij bad vurig tot de HEERE.
31 En de HEERE deed overeenkomstig het woord van Mozes, en de steekvliegen weken van de farao, van zijn dienaren en van zijn volk. Niet één bleef er over.
32 Maar de farao maakte ook deze keer zijn hart onvermurwbaar: hij liet het volk niet gaan.
Vooraf even het volgende: De tien plagen blijken een opmerkelijke reeks te vormen. De eerste twee plagen zijn gerelateerd aan water: het water wordt bloed en uit het water komen kikkers.
De volgende twee, muggen en steekvliegen, hebben betrekking op de aarde.
Dan wordt eveneens het lichaam van dieren aangetast door veepest en van mensen door zweren.
De volgende stap betreft de lucht met hagel en sprinkhanen.
En tot slot krijgen we twee plagen die plaats vinden buiten de stoffelijke wereld, namelijk duisternis en de dood van de eerstgeborenen.
Bijzonder, vindt u ook niet?
De Egyptenaren hadden voor elk terrein hun eigen goden, maar hier laat God zien dat Hij macht heeft over de hele schepping, van het water beneden tot de lucht boven.
We gaan weer even terug naar de muggen. De exacte betekenis van het Hebreeuwse woordje ‘ken’ blijkt niet helemaal duidelijk. Er wordt o.m. gedacht aan muggen, luizen, maden en teken. Bepaald niet de dieren met een hoog aaibaarheidsgehalte, Maar dieren die we liever maar niet om ons heen willen hebben. Laten we het maar eerlijk zeggen, het zijn dieren die we eigenlijk, wanneer zij te dicht bij ons komen, maar heel irritant vinden. Velen zijn bang voor deze insecten.
Weet u, in de bijbel is het niet anders. Hoewel de rabbijnen zeggen dat God al zijn schepselen voedt, van de gehoornde buffel tot de neet van een luis, veroorzaken sommige insecten vanuit het dagelijks bestaan gezien slechts ergernis. Vandaar dat in de symboliek zulke insecten veelal naar negatieve ervaringen verwijzen.
Het is niet altijd eenvoudig om het exacte Nederlandse vergelijking op het spoor te komen van de Hebreeuwse woorden voor insecten.
Begrijpelijk, want de bijbelschrijvers geven geen uiteenzetting van biologische verschijnselen, maar van godsdienstige ervaringen. Bovendien bestaan er van elk insect vaak weer diverse soorten. De ‘arov mogen we opvatten als een of andere ‘steekvlieg’, het insect van de vierde plaag (Ex. 8:16-28[8:20-32]; Ps. 78:45; 105:31). Op een andere plaats in de Bijbel betekent dezelfde stam ‘vermenging’, dat wil zeggen, chaos. Ook zevoev betekend ‘vlieg’ (Jes. 7:18; Pred. 10:1); mogelijk duidt ook het tweede deel van de god Baäl-Zebub daarop (2 Kon. 1:23,6,16), en de naam zou dan ‘heer van de vlieg’ betekenen.
Met kinnam en kinniem (ken) zoals we dit woord zojuist lazen in Psalm 105 zal een ‘(steek)mug’ of ‘luis’ bedoeld zijn.
Het gebied van de Nijldelta heet het land van ‘vleugelgegons’ (Jes. 18:1), wat de aanwezigheid van zwermen muggen of muskieten aangeeft. In het Nieuwe Testament komen we een keer de ‘mug’, tegen, als deel van beeldspraak mug-kameel in Mattheüs 23:24.
Insecten zijn voor de Bijbelse mens een voortdurende plaag. Zij bezorgen hem niet alleen last, maar zij brengen ook ziekten over op mens en dier. Eveneens kunnen zij het gewas aantasten en voedsel en zalf bederven (Pred. 10:1).
Soms is het aantal vliegen en muggen zo groot, dat we van een plaag mogen spreken. Zo’n plaag is een ware ramp voor mens en dier, zoals de derde en vierde plaag in Egypte laten zien. In de Talmoed lezen we dat bij overlast van vliegen smeekgebeden worden uitgesproken om hen te verdrijven. Elke bedreiging vanuit de natuur wordt in de Oudheid verbonden met God, die alles bestuurt. Hij kan vliegen, muggen en insecten oproepen, maar ook weer laten verdwijnen.
Als dat geen zegen is.
U begrijpt dat we dit allemaal gezegd hebbend, nog niet klaar zijn met deze vervelende insectenplaag. De volgende keer hopen we hier verder bij stil te staan.
Psalm 105 -35-: Over steekvliegen en muggen gesproken -2-
Over steekvliegen en muggen gesproken (2)
In de voorgaande aflevering stonden we eveneens bij dit onderwerp stil. Vandaag willen we daar verder nog even bij stilstaan.
We zagen al eerder dat vliegen voor mens en dier zeer vervelende diertjes zijn. De beeldspraak die aan deze insecten is ontleend, duidt dan ook de negatieve krachten in het menselijk bestaan. Vliegen en muggen staan voor last, dreiging en levensgevaar. Tegen die achtergrond lezen we de derde en vierde plaag, die God uitdeelt aan Egypte.
Het daar verschijnende ongedierte komt als het ware voort uit de eerste en tweede plaag, namelijk verandering van water in bloed en de kikkers. Insecten gedijen bij vocht en smerigheid. De vijfde en zesde plaag zijn het gevolg van de aanwezige insecten, de overdragers van ziekten. Vliegen, luizen, muggen – zij maken het leven voor mens en dier ondraaglijk. Stap voor stap wordt Egypte venijniger getroffen.
Totdat de tiende plaag aanbreekt, de dood.
De vlieg, evenals sprinkhanen en bijen, is metafoor voor een aankomende heerschappij, die andere heerschappijen doet ondergaan. Jeremia vergelijkt Egypte met een mooi rund, echter, het rund zal aangevallen worden door een stekend insect, het beeld voor het opkomende Babel (Jeremia 46:20).
Dat doet mij denken aan Beel-Zebub. Beel of Baal betekend Heer en Zebub heeft de betekenis van ‘vliegen’. Daarmee was Beel-Zebub dus de heer van de vliegen. Beel Zebub is in de bijbel een benaming voor Satan, de vorst of heerser van de demonen.
De naam Beëlzebul komt een paar keer voor in de evangeliën. Jezus’ tegenstanders beschuldigen hem ervan dat hij demonen uitdrijft met hulp van Beëlzebul. In Mattheüs 10:25 gebruikt Jezus zelf deze naam om Satan, mee aan te duiden.
En zo zien we dat de mensen, de Egyptenaren door hun eigen god te gronde worden gericht. Inderdaad, het is zoals we lezen in Mattheus 12: elk koninkrijk dat verdeeld raakt tegen zichzelf, wordt een woestenij, en geen enkele stad of huis, tegen zichzelf verdeeld, zal standhouden;
In Mattheüs 12, 24 wordt Beel Zebul de overste (archoon) van de demonen genoemd. In het veel latere en apocriefe Testament van Salomo wordt gememoreerd dat hij ooit de engel was met de hoogste rang in de hemelen, een engel die elders meestal satan wordt genoemd. Beel Zebul is dus één van de namen van satan, net als Belial en Asmodeus. In de synoptische evangeliën komt de naam Beëlzeboel zevenmaal voor, altijd in discussies over de vraag of Jezus niet samenspant met satan als hij demonen uitwerpt. Dat is niet verwonderlijk.
Op de achtergrond speelt de oude gedachte die menselijk handelen vooral ziet als de activiteit van een god of geest die in een mens of een groep mensen werkzaam is. De vraag is dan: welke geest beheerst het denken en handelen van mensen en groepen mensen? En vooral: wie is bij machte dat denken en handelen te vernieuwen en te veranderen? Dan moet de oude geest wel eerst verjaagd en gebonden worden, zegt Jezus (vers 29)!
Zo’n antieke voorstelling wordt weer actueel door het huidige inzicht over hoe ons denken en handelen feitelijk wordt bepaald door natuurlijke drijfveren, sociale invloeden en ongekozen toevalligheden waar we zelf geen greep op hebben en meestal ook geen weet van hebben.
Het gaat om de eindeloze hoeveelheid vanzelfsprekendheden waar we in ons denken en voelen vanuit gaan en die bepaalt wat we redelijk vinden en normaal , goed of verkeerd, aantrekkelijk of minder aantrekkelijk. Die vanzelfsprekendheden kiezen we niet bewust, maar worden in ons gepland door de ‘tijdgeest’.
Je kunt er eigenlijk niet aan ontsnappen tenzij door een ervaring die zo ingrijpt dat er een geestelijke transformatie plaatsvindt, een bekering zeg maar. Alleen als Gods Geest werkzaam is kunnen demonen uitgeworpen worden en heeft het koninkrijk van God ons bereikt. (vers 28).
En als dat geen zegen is.
God van trouw, u verandert nooit!
Psalm 105 -36-:Over steekvliegen en muggen gesproken -3-
Over steekvliegen en muggen gesproken (3)
Nog eenmaal wil ik in het verband van Psalm 105 met u nadenken over dit onderwerp.
Want een ander facet van de mug is het beeld van tijdelijkheid en vergankelijkheid. Zo zien we dat het opgejaagde en afgematte volk Israël door de profeet bemoedigend wordt toegesproken (Jes. 51:6). Hij roept de mensen op aandachtig rond te zien.
Sla uw ogen op naar de hemel en aanschouw de aarde beneden, want de hemel zal verdwijnen als rook, de aarde zal verslijten als een kleed, als muggen zullen haar bewoners sterven.
De hemel zal verdwijnen als rook, de aarde verslijten als een kleed. En we zien het vandaag de dag om ons heen plaatsvinden. Duurzaamheid lijkt het toverwoord te zijn. Maar we zullen ons moeten realiseren dat deze hemel en aarde zijn niet duurzaam.
En in het licht van Gods eeuwigheid is de alle vlees is als gras en al de heerlijkheid van de mens is als een bloem in het gras. Maar het Woord van de Heere blijft tot in eeuwigheid. (1 Petrus 1 vers 24 en 25), die opkomt en na korte tijd sterft. Het leven is een handbreed gesteld. We zijn mensen van de dag. Eendagsvliegen.
Is er dan geen hoop? Jawel, want die vergankelijkheid staat in een bepaald perspectief, namelijk het perspectief van Gods gerechtigheid en onuitsprekelijke genade die duurzaam is en uitstijgt boven de komende en gaande geslachten.
De schrijver van het boek Prediker hanteert de vlieg als metafoor voor dwaasheid, wanneer hij zegt dat dode of giftige vliegen de zalf van de apotheker bederven (10:1). Hij bedoelt: als iemand te midden van het goede iets slechts naar voren brengt of als iemand rond wijze uitspraken een dwaze opmerking maakt, beïnvloedt dat het geheel. Sterker, het goede en wijze kan door zo’n dwaasheid -hoe klein ook – worden kapotgemaakt. Het is zoals met een vlieg die terechtkomt in helende zalf, de hele zalf wordt erdoor verziekt.
In een felle uithaal naar de godsdienstige leiders van Zijn dagen gebruikt Jezus een treffende beeldspraak: ‘Gij blinde wegwijzers die de mug uitzift en de kameel doorzwelgt’ (Mat. 23:24). Hij bedoelt: jullie zeven de mug nauwgezet uit jullie drinken, maar de kameel slikken jullie door. De mug staat voor het onbelangrijke, de kameel voor het belangrijke in het leven.
De leiders van Israël waarderen voornamelijk de details. Maar voor het wezenlijke hebben ze niet echt aandacht. Het kan ook voorkomen dat het kleine en grote even gewichtig is, omdat beide hetzelfde beogen, zoals in de Talmoed, waar rabbi Eliëzer zegt: ‘Wie een luis op sabbat doodt, is als iemand die een kameel doodt, want doden is doden’ (Sjabbat 12a).
De vlo is het beeld van het onaanzienlijke. David, op de vlucht voor koning Saul, vergelijkt zichzelf met respectievelijk een dode hond en één vlo (1 Sam. 24:15; 26:20). De vergelijking staat niet op zichzelf, de vlo staat tegenover het sterke leger van Saul. De ene contra de velen, de kleine tegenover de grote, de onbeduidende en de machtige kijken elkaar in de ogen. De vlo vraagt aan de overmacht: Waarom ben je bang voor mij? Koning, weet u wel wie of wat u achtervolgt? Of is de koning zo bang dat hij zelfs voor het kleinste bevreesd raakt!?
De bloedzuiger in Spreuken 30:15 is symbool van begeerte. Bloedzuigers hechten zich aan de huid van mens en dier, zuigen zich vol bloed en laten bij verzadiging pas los. De dubbele imperatief ‘geef, geef!’ correspondeert met het tweedelige zuigorgaan, de ‘twee dochters’ genoemd. Het geheel benadrukt de begerigheid. Deze ervaring uit de natuur verheft de wijsheidsleraar tot een beeld voor het menselijke bestaan, dat zich zo vaak laat beheersen door de hang naar meer.
Om de nutteloosheid en gewelddadigheid van de goddeloze levenshouding te schetsen, gebruikt de profeet het beeld van de slang en het spinnenweb (Jes. 59:5-6). Deze beelden staan in een aanklacht tegen Israëls ontrouw. Het spinnenweb is van de buitenkant een prachtig weefsel, maar niemand kan zich ermee kleden, het heeft geen nut. Bovendien blijkt het web levensgevaarlijk te zijn, uiteindelijk dodelijk voor wie erin verstrikt raakt. Het wijsheidsboek Job sluit bij deze gedachtegang aan, met het accent op de vergankelijkheid (8:14; vgl. 27:18). Bildad vergelijkt de basis van de goddeloze met een spinnenweb, met een stukje rag van het web. Zijn bezit, zijn contacten, zijn streven – het houdt geen stand, omdat de basis niet ligt in het vertrouwen op God. Op het eerste gezicht lijkt het allemaal mooi wat hem ten deel valt, maar het houdt geen stand, net zomin als het ‘huis’ van de spin onvergankelijk is.
En daarmee zijn we weer bij het moraal van het verhaal van de muggen, de luizen, de bloedzuigers. Die er niet alleen waren in de tijd van de plagen van Egypte, maar eveneens in de tijd waarin wij leven. Om de nutteloosheid, de gewelddadigheid van de goddeloze levenshouding van ook de huidige tijd waarin de mensheid momenteel leeft te schetsen, past eveneens het door de profeet geschetste beeld van de slang en het spinnenweb. Maar nu niet uitsluitend in een aanklacht tegen Israels trouw, maar groter en meer manifest, de hele aarde. Ook in onze tijd is het spinnenweb waarin wij als mensheid terecht gekomen zijn heel mooi, maar niemand kan zich ermee kleden, het heeft geen nut. Bovendien blijkt het web levensgevaarlijk te zijn, uiteindelijk dodelijk voor wie erin verstrikt raakt. Job sluit bij deze gedachtegang aan, met het accent op de vergankelijkheid. Ons bezit, onze contracten, onze contacten, onze kennis, onze vrienden al- of niet op social media, ons streven – het houdt geen stand, omdat de basis niet ligt in het vertrouwen op God. Op het eerste gezicht lijkt het allemaal mooi wat ons ten deel valt, maar het houdt geen stand, net zomin als het ‘huis’ van de spin onvergankelijk is. Dat is wat ik zie in de tijd waarin ik leef. En dat is de tijd waarvan ik lees in het boek Openbaring.
Is er dan geen hoop? Jawel, want die vergankelijkheid staat in een bepaald perspectief, namelijk het perspectief van Gods gerechtigheid en onuitsprekelijke genade die duurzaam is en uitstijgt boven de komende en gaande geslachten.
Als dat geen zegen is.
Hoop is Tikvah in het Hebreeuws, daarom dit lied vanmorgen:
Psalm 105 -37-: Over extreme weersomstandigheden gesproken
Over extreme weersomstandigheden gesproken
Exodus 9:13-35
Na de kikkers, muggen en steekvliegen en de weigering daarop van de Farao om het volk van God te laten gaan lezen we het volgende:
“En de HEERE zei tot Moshe: Sta vroeg in de morgen op, en stel u voor Farao en zeg tot hem: zo zegt de Eeuwige, de God van de Hebreeën: laat Mijn volk gaan om Mij te dienen.
Want ditmaal zal Ik al Mijn plagen laten losbreken tegen u persoonlijk, tegen uw dienaren en uw volk, opdat gij weet, dat er niemand is op de gehele aarde, zoals Ik.
Reeds nu had Ik Mijn hand kunnen uitstrekken om u en uw volk met de pest te slaan en zou gij van de aarde weggevaagd zijn; Doch hierom laat Ik u bestaan, om u Mijn kracht te tonen, opdat men Mijn naam verkondigen op de gehele aarde.
Nog steeds verzet u zich tegen Mijn volk, zodat u het niet laat gaan. Zie, Ik zal het morgen om deze tijd zeer zwaar laten hagelen, zoals in Egypte nog niet gebeurd is van de dag af, dat het gegrondvest werd, tot nu toe.
Nu dan, laat uw kudde en alles wat u op het veld hebt, in veiligheid brengen; op alle mensen en al het vee, die zich op het veld bevinden en niet thuis gehaald zijn, zal de hagel neervallen, zodat zij sterven.
Wie onder de dienaren van Farao het woord van de Eeuwige vreesde, liet zijn knechten en zijn vee in de huizen een toevlucht zoeken, maar wie geen acht sloeg op het woord van de HEERE, liet zijn knechten en zijn kudde op het veld blijven.
En de HEERE zei tot Moshe: Strek uw hand uit naar de hemel, opdat er hagel over het gehele land Egypte kome, over mens en dier en over al het veldgewas in het land Egypte.
Toen strekte Moshe zijn staf uit naar de hemel, en de Eeuwige liet het donderen en hagelen, vuur schoot naar de aarde, en de HEERE deed het hagelen over het land Egypte. En, terwijl er vuur door de hagelbuien heen flikkerde, hagelde het zo buitengewoon zwaar als nooit tevoren in het gehele land der Egyptenaren, sinds zij tot een volk geworden waren.
De hagel sloeg in het gehele land Egypte alles neer, wat op het veld was, van mens tot dier; ook al het veldgewas sloeg de hagel neer en alle bomen op het veld deed hij afknappen. Alleen in het land Goshen, waar de Israëlieten woonden, hagelde het niet. Toen liet Farao Moshe en Aharon ontbieden en zei tot hen: Ik heb ditmaal gezondigd, de Eeuwige is rechtvaardig, maar ik en mijn volk zijn schuldig.
Bidt tot de Eeuwige; de donderslagen Gods en de hagel zijn te erg. Dan zal ik u laten gaan, gij behoeft niet langer te blijven. En Moshe zeide tot hem: Zodra ik buiten de stad gekomen ben, zal ik mijn handen uitbreiden tot de Eeuwige; de donderslagen zullen ophouden en het zal niet meer hagelen, opdat u weet, dat de aarde aan de Eeuwige toebehoort.
Maar wat u en uw dienaren aangaat, ik weet, dat gij nog niet vreest voor het aangezicht van de Eeuwige God.
Het vlas en de gerst nu waren neergeslagen, want de gerst stond in de aar en het vlas was in bloei. Maar de tarwe en de spelt waren niet neergeslagen, want die komen later.
En Moshe ging van Farao heen, de stad uit, en hij breidde zijn handen uit tot de Eeuwige; toen hielden de donderslagen en de hagel op en de regen stroomde niet meer op de aarde neer.
Maar toen Farao zag, dat de regen, de hagel en de donderslagen hadden opgehouden, ging hij voort met zondigen; hij liet zijn hart niet vermurwen, hij noch zijn dienaren. Het hart van Farao verhardde, zodat hij de Israëlieten niet liet gaan, zoals de Eeuwige door Moshe gezegd had!”
Tsja, dat zal wat geweest zijn. Denk je eens in. Wij zijn al onder de diepe indruk wanneer zich zoals wij zeggen noodweer over ons land trekt en ik denk zomaar dat dat nog niet in verhouding staat tot wat hier in Egypte heeft plaatsgevonden.
We zijn nu toegekomen aan de eerste plaag die ook mensen dodelijk treft. De vorige plaag was weliswaar de eerste die ook rechtstreeks de mensen lichamelijk geraakt heeft, maar er vielen geen dodelijke slachtoffers. Bij de 7e plaag is dat wel het geval.
Toch gaf de God van Israël in Zijn goedheid een waarschuwing vooraf om de Egyptenaren een kans te geven zich tot Hem te bekeren en velen gaven daar ook gehoor aan en bleven binnen.
Zij luisterden naar het woord van de HEERE en het zou best wel eens kunnen dat zij deel uitmaakten van de grote menigte van allerlei herkomst, die volgens Exodus 12:38 samen met de Israëlieten mee trok uit Egypte.
De Egyptenaren echter, die geen acht sloegen op het woord van de HEERE omdat ze erop vertrouwden dat hun hemelgoden hen zouden beschermen, kwamen bedrogen uit! Velen van hen werden door de hagelbuien verpletterd, door de stortregen weggespoeld of door de bliksems dodelijk getroffen en ook hun vee en hun gewassen werden vernietigd, waarmee de onmacht van zowel de goden van de landbouw en de oogst alsook van de hemelgodheden duidelijk werd aangetoond.
Deze plaag was dus vooral gericht tegen Nut, de hemelgodin, Horus, de hemelgod, Tefnut, de godin van de regen en Shu, de god van de droge lucht, die volgens de Egyptische mythologie samen het weer beheerden, alsook tegen Isis, de godin van het leven, Seti, de beschermer van de oogst, Geb, de god van de aarde en Nepri, de god van het graan. Nut, de luchtgodin, was de vrouw van de aardgod Geb en de moeder van Osiris, Isis, Seti en Nephthis.
Nut werd soms afgebeeld als een vrouw die zich over de aarde buigt, maar vaak ook als een koe. De hemelgod Horus die als een valk zijn vleugels over de aarde uitspreidt, is de zoon van Osiris en Isis en de broer van de kattengodin Bastet. De Farao’s werden gelijkgesteld met de valkgod Horus en wanneer de Farao stierf, ging Horus over in het lichaam in van de volgende levende Farao. De 7e plaag was daarom niet alleen een directe aanval op Horus, maar ook op de Farao zelf!
De Egyptenaren aanbaden meer dan 2000 goden. Sommige veranderden in de loop van de geschiedenis van naam of smolten samen, maar het ontzag voor hen bleef groot. Wat een afgoderij, vindt u ook niet? Je moest ze maar allemaal uit elkaar houden en tevreden stellen.
Je kunt er maar druk mee zijn!
De volgende plaag die de psalmist noemt, is dat God “hun regen tot hagel” maakte (vers 32). De hagel ging gepaard met flitsend vuur te midden van de hagel. Dit is de zevende plaag in Egypte. De oordelen treffen in alle heftigheid het hele land Egypte. “Hij”, dat is God, trof met Zijn hagel “hun wijnstok en hun vijgenboom”. “Hij” dat is God, brak met Zijn hagel “de bomen in hun gebied in stukken”.
God laat uit “de schatkamer van de hagel” de hagel neerkomen die Hij daarin heeft bewaard “tot de dag van de strijd en de oorlog” (Jb 38:22-23), de dag die voor Egypte was aangebroken. Het is een voorbeeld van de grote hagel waardoor de wereld binnenkort geteisterd zal worden.
We lezen immers in het boek Openbaring, hoofdstuk 16 vers 6 en 7 over de zeven engelen met zeven bazuinen het volgende:
En de zeven engelen die de zeven bazuinen hadden, gingen zich gereedmaken om op de bazuin te blazen.
En de eerste engel blies op de bazuin, en er kwam hagel en vuur, vermengd met bloed, en dat werd op de aarde geworpen. En het derde deel van de bomen verbrandde, en al het groene gras verbrandde.
Evenals bij de voorgaande plagen in Egypte is er in Openbaring, in de toekomst een uitvergroting van de plaag van Egypte die de hele aarde zal treffen.
Daar komt bij dat de twee getuigen die in Openbaring 11 optreden, over krachten beschikken zoals ook Mozes (en Elia). Om met vuur hun vijanden te verslinden, om regens te stoppen, water in bloed te veranderen, en ‘de aarde te treffen met allerlei plagen, zo vaak zij dat willen.’
Zacharia 14 spreekt eveneens over de dag waarop God alle volken zal verzamelen te Jeruzalem, om hen daar te oordelen. Hoewel de stad groot onheil treft, zal de HEERE Zelf ‘uittrekken en tegen die heidense volken strijden, zoals de dag dat Hij streed, op de dag van de strijd.’
De gebeurtenissen in onze tijd, waarin we wellicht al voortekenen zien wanneer we horen over de extreme weersomstandigheden van ongelooflijke regenval, overstromingen en bosbranden vaak veroorzaakt door de bliksem, het vuur uit de hemel, zullen uitlopen op de grote verlossing van Israël. Zoals Ezechiël dat meerdere malen aan het eind van een hoofdstuk voor onze toekomst profeteert.
Ezechiël 38:23 Zo zal Ik Mijn grootheid tonen en Mij heiligen en voor de ogen van vele heidenvolken bekend worden. Dan zullen zij weten dat Ik JHWH (de HEERE, de Aanwezige) ben.
Net zoals God dat wilde openbaren aan de Egyptenaren toen, wat een beeld is van de komende uittocht. Want in Exodus 9:16 lezen we woorden van gelijke strekking. Maar juist hierom heb Ik u laten bestaan, om Mijn kracht aan u te tonen, zodat Mijn Naam bekendgemaakt zal worden op heel de aarde.
Wat zijn wij ongelooflijk begenadigd wanneer wij nu al mogen weten Wie de Heere God voor ons is. Inderdaad, we leven in een tijd waarin we Gods handelen met deze wereld mogen zien. Laten we er opmerkzaam op zijn en ons uitstrekken naar de tijd wanneer Zijn Naam bekend zal zijn op heel de aarde.
Als dat geen zegen is.
Psalm 105 -38-: Over de tijd waarin wij leven gesproken
Over de tijd waarin wij leven gesproken
En ook in dit geval lezen we in het boek Openbaring over een vergelijkbare situatie. In hoofdstuk 8 lezen we: 6 En de zeven engelen die de zeven bazuinen hadden, gingen zich gereedmaken om op de bazuin te blazen.
7 En de eerste engel blies op de bazuin, en er kwam hagel en vuur, vermengd met bloed, en dat werd op de aarde geworpen. En het derde deel van de bomen verbrandde, en al het groene gras verbrandde.
En in hoofdstuk 9 van hetzelfde Bijbelboek lezen we: En het werd hun geboden dat zij het gras der aarde geen pijn zouden doen, noch enig groen ding, noch enige boom; maar alleen die mensen die niet het zegel van God op hun voorhoofd hebben.
Weet u, we zijn al een poosje bezig met deze Psalm, met de plagen in Egypte en de plagen die over deze wereld komen. En soms, wanneer ik deze overdenkingen en mijmeringen aan het papier toevertrouw, dan bekruipt me wel eens de gedachte: Hoe dom kan de Farao wel gewest zijn om op enig moment niet het hoofd te buiten voor de God van Israel en Zijn volk te laten gaan. Maar dan lees ik ook weer de woorden uit Exodus 9 vers 16: Maar juist hierom heb Ik u laten bestaan, om Mijn kracht aan u te tonen, zodat Mijn Naam bekendgemaakt zal worden op heel de aarde.
Maar ook, wanneer ik in de wereld om mij heen zie, en welke rampen zich voordoen en die veelal het karakter hebben van wat zich in Exodus voordoet, dan bekruipt me de gedachte wel eens om te denken: Zijn de plagen die in Openbaring worden genoemd al niet al of niet in beginsel in onze tijd aanwezig…
Zo ook de woorden die we in de voorgaande uitzending overdachten:
Hij maakte hun regen tot hagel,
bracht vlammend vuur in hun land.
Wanneer we zien op de extreme weersomstandigheden die wereldwijd plaatsvinden. Daar waar voorheen sprake was van een gewone regenbui zijn enorme hagelbuien en hevige regen geen uitzondering meer en inmiddels hebben we talloze branden in de wereld te verduren gehad en zullen deze opnieuw plaatsvinden veroorzaakt door vlammend vuur, de bliksemen uit de hemel.
En nog en opnieuw zoeken we verklaringen in de opwarming van de aarde die veroorzaakt is door menselijk handelen, maar wordt het geen tijd om er eens over na te denken dat de God van Israel Zijn gerichten over ons heen brengt? En dat we ons verootmoedigen ten opzichte van de Eeuwige, de Aanwezige? Gaat u de plagen die Egypte trof maar eens na en vertaal deze eens naar de tijd waarin wij leven.
Zo ook de tekst: Hij trof hun wijnstok en hun vijgenboom.
Het zijn juist de wijnstok en vijgenboom die symbool staan voor de voorspoed, vrede, vruchtbaarheid en voedselvoorziening van het land. En het zijn ook juist die situaties die onder druk staan in deze wereld. De verarming in de wereld neemt toe. Kijk eens naar de situatie in ons eigen land. Voedselbanken kunnen het nauwelijks of niet meer aan. Miljarden worden uitgegeven aan de gezondheidszorg, denk eens aan de pandemie die ons de laatste jaren trof en haar gevolgen, en nu de miljarden die uitgegeven worden in een poging de vrede in Europa en de wereld te continueren. En het is nog maar even geleden dat we in de kranten de koppen konden lezen dat de voedselvoorziening van deze wereld ernstig onder druk staat. De graanschuur van Europa, Oekraine, ligt letterlijk onder vuur. Brood en vele, vele andere producten in de supermarkt zijn onderandre door schaarste stukken duurder. De inflatie is torenhoog. Mensen met een minimum inkomen dreigen kopje ten onder te gaan.
En wij, komen wij niet verder dan rationele verklaringen? Zullen we ons niet eens moeten gaan bezinnen over wat werkelijk de achterliggende reden is van al deze plagen die ons treffen?
Ik wil niet somber zijn, maar wellicht zijn we al veel verder in het boek Openbaring dan we denken. En dat geeft hoop. Hoop op de nabije toekomst. Want Gods Woord is een Woord van hoop. Het eindigt niet in de mineur. Want God, de Aanwezige, JHWH zie in het begin van deze schepping en aan het begin van de mensheid: Daar zij licht. En er was licht. Nog even dan zullen wij het Licht zien! Want alle oog zal Hem zien, komende op de wolken, zoals Hij gegaan is en Zijn voeten op de Olijfberg plaatsen en recht en gerechtigheid verkondigen vanuit Jeruzalem. Wat een geweldige tijd zal dat Zijn. Ik kan er vaak naar uitzien. U ook?
Want als dat geen zegen is.
Ik moet denken aan de volgende woorden:
Nooit kan 't geloof te veel verwachten,
des Heilands woorden zijn gewis.
't Faalt aardse vrienden vaak aan krachten,
maar nooit een vriend als Jezus is.
Wat zou ooit zijne macht beperken?
't Heelal staat onder zijn gebied.
En wat zijn liefde wil bewerken,
ontzegt hem zijn vermogen niet.
Die hoop moet al ons leed verzachten.
Komt, reisgenoten, ’t hoofd omhoog.
Voor hen die 't heil des Heren wachten,
zijn bergen vlak en zeeën droog.
O zaligheid niet af te meten,
o vreugd, die alle smart verbant.
Daar is de vreemd'lingschap vergeten
en wij, wij zijn in 't vaderland.
Psalm 105 -39-: Over bomen gesproken
Over bomen gesproken
En ook vandaag wil ik Openbaring 8 vers 6 en 7 met u lezen: 6 En de zeven engelen die de zeven bazuinen hadden, gingen zich gereedmaken om op de bazuin te blazen.
7 En de eerste engel blies op de bazuin, en er kwam hagel en vuur, vermengd met bloed, en dat werd op de aarde geworpen. En het derde deel van de bomen verbrandde, en al het groene gras verbrandde.
En in hoofdstuk 9 van hetzelfde Bijbelboek lezen we: En het werd hun geboden dat zij het gras der aarde geen pijn zouden doen, noch enig groen ding, noch enige boom; maar alleen die mensen die niet het zegel van God op hun voorhoofd hebben.
Ik weet niet of het u opgevallen is in het laatste vers en ik lees het nog eens. En het werd hun geboden dat zij het gras der aarde geen pijn zouden doen, noch enig groen ding, noch enige boom; maar alleen die mensen die niet het zegel van God op hun voorhoofd hebben.
Mij viel op dat gras en bomen door Johannes het boek Openbaring in een adem genoemd of vergeleken worden met mensen.
En natuurlijk wisten we dat al uit de woorden van Psalm 103: De sterveling – zijn dagen zijn als het gras, als een bloem op het veld, zo bloeit hij. Wanneer de wind erover is gegaan, is hij er niet meer en zijn plaats kent hem niet meer.
Bomen, daar kun je over bomen. omen spelen een prominente, typologische rol in de Bijbel
De eerste Psalm begint er al mee. Het gaat over een man, die niet wandelt in de raad van de goddelozen en die niet staat op de weg van de zondaars en hij is ook niet te vinden op de stoel van de spotters: maar deze man vindt zijn plezier in de wet van de Heere. Hij overdenkt die zelfs dag en nacht.
Welke man zou hiervoor in aanmerking kunnen komen? Ik ken er maar één en dat is Jezus Christus. Alleen Hij is Degene (Ps. 1:3) bij Wie alles gelukt (Jes. 53:10). En Hij was in eerste instantie omgehakt, Zijn aardse bestaan gaf Hij op (Joh. 10:17-18).
Volgens Job 14:7 is er juist voor een omgehakte boom hoop en zodra hij maar water ruikt, komt hij weer tot leven.
En deze Boom is overgeplant naar een plek, vlak bij het levende water en zijn wortels zijn in het verborgene zelfs rechtstreeks uitgelopen naar die waterloop, volgens Jeremia 17:8. Kijk, dan heb je vervolgens geen problemen als er een heel jaar droogte volgt. Dan heb je ook geen weet van hitte, blijft het blad groen en er blijven vruchten groeien.
Zo leren we als gelovigen hiervan: Vruchtdragen is geen voorwaardelijke eis voor nieuw leven, maar juist een gevolg hiervan.
Prachtig om te lezen dat God in Zijn Woord de boom zo vaak overdrachtelijk gebruikt.
B.v. in Daniel 4:10-26: De visioenen nu die mij op mijn bed voor ogen kwamen, waren deze: Ik keek toe en zie, een boom, midden op de aarde, groot was zijn hoogte. De boom werd groot en sterk, zijn hoogte reikte tot aan de hemel en hij was te zien tot aan het einde van heel de aarde.
Daniel legt later uit in vers 20-26: De boom die u gezien hebt . . . dat bent u, o koning, u die groot en sterk bent geworden. Maar ook deze boom wordt omgehouwen en vernietigd, maar de stronk blijft in de grond staan. Vers 27: daarom, o koning, laat mijn raad u welgevallig zijn: breek met uw zonden door gerechtigheid te betrachten en met uw ongerechtigheden door genade te bewijzen aan de ellendigen. Misschien zal er dan verlenging van uw voorspoed zijn.
Maar deze koning/boom was te zeer verguld van zichzelf en hij raakte zijn verstand kwijt en gedroeg zich zeven jaren als een koe en at gras, totdat hij erkende dat de God van de hemel de heerser is.
Zien we hier misschien een vergelijking met de tekst zoals we die lazen in Psalm 105? Hij brak de bomen in hun gebied in stukken. Inderdaad, er stierven veel mensen gedurende de hagelbuien, maar nog veel meer bij de tiende plaag. Maar is er dan geen hoop? Bij de Heere God en in Zijn Woord altijd.
Het Hebreeuwse woord voor boom is ‘Ets’. De ‘Boom van het Leven’ noemt men: Ets Chajiem en dat is dezelfde naam voor de stokken van een boekrol van de Thora. Inderdaad is hierin ‘Het Leven’ te ontdekken.
God gaf al die voorschriften en wetten en aanbevelingen uitsluitend opdat Israël het hoofd der volkeren zou kunnen worden. Het was nooit als een keurslijf of test bedoeld maar slechts ten voordele voor Zijn volk. Deuteronomium 28, vers 13: “De Heere zal u tot een hoofd maken en niet tot een staart, en u zult uitsluitend omhoog gaan en niet omlaag, als u gehoorzaam bent aan de geboden van de Heere uw God, waarvan ik u heden gebied dat u ze in acht neemt en houdt, en als u niet afwijkt van al de woorden die Ik u heden gebied, naar rechts of naar links, door andere goden achterna te gaan en die te dienen.”
Psalm 105 -40-: Over sprinkhanen gesproken
Over sprinkhanen gesproken
Door de weigering van de Farao moest God doorgaan met het tonen van Zijn wil ten aanzien van Zijn volk omdat de farao Zijn volk niet wilde laten gaan. “Hij sprak, en er kwamen veldsprinkhanen, treksprinkhanen, niet te tellen, die al het gewas in hun land opaten, ja, zij aten de vrucht van hun akker op” (verzen 34-35). Dit is de achtste plaag die God over Egypte bracht (Ex 10:12-15). Eén enkele sprinkhaan is onbetekenend, hij stelt niets voor. De Israëlieten in hun ongeloof voelden zich zo tegenover de reuzen in Kanaän. We lezen namelijk in Numeri 13 vers 33: Wij hebben er ook reuzen gezien, nakomelingen van Enak, afkomstig van de reuzen. Wij waren in onze eigen ogen als sprinkhanen, en zo waren wij ook in hun ogen.
En ook nu weer lezen we in het boek Openbaringen van sprinkhanen en voor het verband van de tekst lees ik de verzen 1 tot en met 9:
1 En de vijfde engel blies op de bazuin, en ik zag een ster, uit de hemel op de aarde gevallen. En hem werd de sleutel van de put van de afgrond gegeven.
2 En hij opende de put van de afgrond, en er steeg rook op uit de put als rook van een grote oven. En de zon en de lucht werden verduisterd door de rook van de put.
3 En uit de rook kwamen sprinkhanen op de aarde, en hun werd macht gegeven, zoals de schorpioenen van de aarde macht hebben.
4 En tegen hen werd gezegd dat ze geen schade mochten toebrengen aan het gras van de aarde, of welke groene plant of welke boom dan ook, maar alleen aan de mensen die het zegel van God niet op hun voorhoofd hadden.
5 En hun werd macht gegeven, niet om hen te doden, maar om hen te pijnigen. Letterlijk: om … gepijnigd te worden. vijf maanden lang. Hun pijniging was als de pijniging door een schorpioen, wanneer hij een mens steekt.
6 En in die dagen zullen de mensen de dood zoeken maar die niet vinden. En zij zullen ernaar verlangen te sterven, maar de dood zal van hen wegvluchten.
7 En de sprinkhanen zagen eruit. Letterlijk: de gedaanten van de sprinkhanen waren. als paarden die voor de oorlog gereedgemaakt zijn. En op hun koppen droegen zij kransen als van goud, en hun gezichten leken op gezichten van mensen.
8 En zij hadden haar als haar van vrouwen, en hun tanden waren als tanden van leeuwen.
9 En zij hadden borstharnassen van ijzer, en het geluid van hun vleugels was als het geluid van wagens met veel paarden die ten strijde snellen.
10 En zij hadden staarten die leken op schorpioenen, en er zaten angels aan hun staarten. En zij hadden de macht om de mensen schade toe te brengen, vijf maanden lang.
11 En zij hadden een koning over zich, Vers 1de engel van de afgrond. Zijn naam is in het Hebreeuws Abaddon, en in het Grieks heeft hij de naam Apollyon.
12 Het ene wee is voorbijgegaan. Zie, nog twee weeën komen hierna.
Maar ook de profeet Joël ziet een verschrikkelijke sprinkhanenplaag als Gods tuchtiging van Zijn volk, met als doel dat zij opmerkzaam zouden worden op een in de toekomst nog zwaarder gericht: het oordeel in de Dag van de HEERE.
Deze Dag van de HEERE is een toekomstige periode die begint met de openbaring van Jezus Christus. Het is de dag van Gods toorn, zoals o.a. beschreven in Openbaring 6:12 e.v. Dit oordeel begint bij het huis van God, Israël, en zal leiden tot de totale bekering van het volk. De Messias zal dan gaan regeren over Israël en de volkeren vanuit Jeruzalem (Jes. 2).
De sprinkhanen waren letterlijke sprinkhanen, maar zijn ook een beeld voor het leger van God. ´Mijn leger, dat Mijn Woord volbrengt´, zegt Joel.
In de overdrachtelijke betekenis van de sprinkhaan zien we het diertje veelal in de context van oorlog en strijd, en de oorlog en strijd staan weer in dienst van Gods oordeel over het inhumane en goddeloze gedrag van de mensen en de volken. De sprinkhaan zijn een symbool van bedreiging, angst, naderende ondergang.
Een paar voorbeelden daarvan wil ik noemen. Het bekendste verhaal is dat van de achtste plaag in Egypte zoals we gelezen hebben. Egypte, symbool van een verdrukkende macht, heeft slag na slag, plaag na plaag te verduren. Elke plaag wordt zwaarder en ruikt steeds duidelijker naar de dood, totdat straks de dood in volle omvang doorbreekt in de tiende plaag.
Uiteindelijk gaat het om een harde confrontatie tussen Mozes en farao, tussen de profeet en de koning, tussen Israël en Egypte, tussen de Heer van Israël en de goden van Egypte. Het gevecht speelt zich af rondom de begrippen gevangenschap en vrijheid. Farao wordt geprest Israël zijn vrijheid terug te geven. Zelfs zeven plagen zijn niet voldoende het hart van farao te breken. Nu komt de achtste slag, de komst van sprinkhanen. Zevenmaal (het getal van de volheid) heeft de tekst het over sprinkhanen! De plaag tergt Egypte tot het uiterste. De insecten vreten het land kaal en nestelen zich tot in de woningen. De dood staat voor de deur.
Ook bij de profeet Joël komt de sprinkhanenplaag als een oordeel van God. In het eerste hoofdstuk dient de sprinkhanenplaag als aankondiging van het oordeel van God. De ramp kan niet uitblijven, als mensen zo ontrouw zijn aan elkaar en aan God. In hoofdstuk 2 wordt de plaag verbonden met het aanbreken van de dag van de Heere God. Alleen als het volk tot boete en ommekeer komt, zullen de sprinkhanen verdwijnen, ja de schade van de plaag zal teniet worden gedaan en een goede oogst ligt in het verschiet (2:25).
Er ligt dus een relatie tussen ontrouw aan God en de komst van sprinkhanen, symbool van vernietiging. Het tegenovergestelde is even waar: trouw aan God betekent het wegblijven van sprinkhanen, een beeld van zegen.
Hetzelfde laat Mozes zien in Deut. 28:38. Met deze samenhang probeert hij het volk dat op het punt staan het beloofde land binnen te trekken, duidelijk te maken dat trouw aan God en zijn geboden toekomst biedt. Daarentegen leidt ontrouw tot ondergang.
De komst van vijandelijke legers wordt meer dan eens omschreven met het beeld van aanstormende sprinkhanen. De profeet Nahum tekent de aanstaande vijand van Ninevé als verterende sprinkhanen; hun komst bezorgt Ninevé de ondergang (3:14-15; vgl. Jes. 33:4). Nahum hanteert nog op een andere en wat mij betreft opvallende en actuele manier de sprinkhanen.
Hij vergelijkt de ambtenaren en handelaren van Ninevé, dat is het gehele bestuursapparaat, met sprinkhanen, en wel als volgt: sprinkhanen zitten ‘s morgens verstijfd van de kou weggedoken op de zichtbare plaats, wachtend op de warmte van de zon. Zodra die warmte hen bereikt, komen ze in beweging en vliegen plotseling weg. Hetzelfde zullen de bestuurders van Ninevé doen (3:17). En een stad zonder bestuur is een doodsstad.
Dat was niet alleen toen, maar is naar mij mening ook in de tijd waarin wij leven hoogst actueel. Elke keer zijn het de sprinkhanen, ook de hedendaagse die al het gewas ons werken opeten, ja, zij eten de vrucht van onze akkers, van ons werk op. Langzaam maar zeker neemt de belastingdruk toe en we zien overal om ons heen dat de verarming van de maatschappij toeneemt. Steeds meer groepen van mensen krijgen de eindjes financieel niet meer aan elkaar geknoopt. De boeren wordt het langzaam maar zeker onmogelijk gemaakt om hun werk uit te voeren. Dar is het woord van vanmorgen wel heel letterlijk van toepassing. De hedendaagse sprinkhanen bedenken van alles, tot gedwongen onteigening toe, om het de boeren onmogelijk te maken hun roeping waar te maken. Met uiteindelijke honger tot gevolg. Want sprinkhanen vreten alles kaal. Geef, geef…
Er verschijnen keer op keer historische personen of machten, voor ons niet altijd meteen te traceren, in de gestalte van een dier. In het visioen van Johannes op Patmos stijgen na het blazen van de vijfde bazuin sprinkhanen gehuld in rook uit de afgrond (Op. 9:1-12).
Zij krijgen de macht en wenden die macht aan om pijn en lijden onder de mensen te brengen. Zij mogen echter niet aan de gewassen en bomen komen. Slechts de mensen zijn hun doelgroep.
Het zijn heel bijzondere sprinkhanen: gouden kronen op de kop (symbool van heerszucht); met mensengezichten (symbool van demonie); met haar dat lijkt op vrouwenhaar (symbool van verleiding); met tanden als die van leeuwen (symbool van vraatzucht en wreedheid); met borsten die gelijken op ijzeren harnassen (symbool van hardheid en weerbarstigheid); het geruis van hun vleugels heeft iets van weg van het lawaai van paarden en wagens (symbool van agressie en geweld); hun staarten zijn schorpioenen (symbool van pijn). Deze angstaanjagende beelden verwijzen naar machten met een sterk demonisch karakter. Wij zouden zeggen: de beer is nu echt los. Waakzaamheid is geboden. Voor de volgelingen van Christus, voor u en mij is er een uitweg; zijn macht is groter dan welke macht ook.
Als dat geen zegen is.
Sela zingt er van, luister maar
Psalm 105 -41-: Over de dood van de eerstgeborenen gesproken
Over de dood van de eerstgeborenen gesproken
Ten slotte is daar de laatste plaag, de tiende in Egypte, die ook hier het laatst wordt genoemd. Het uur van het oordeel is gekomen. Het kan lang duren, God is geduldig, maar dan is er geen uitstel meer. God doodt “alle eerstgeborenen in hun land, de eerste [vruchten] van al hun mannelijke kracht”. Deze plaag breekt alle weerstand. Er is in heel Egypte geen huis waarin geen dode te betreuren is. Het is de definitieve slag.
Wat een letterlijk onvoorstelbaar verdriet moet dat wel niet geweest zijn.
Exodus 12:29 En het gebeurde te middernacht dat de HEERE alle eerstgeborenen in het land Egypte trof, vanaf de eerstgeborene van de farao, die op zijn troon zou zitten, tot aan de eerstgeborene van de gevangene, die zich in de gevangenis bevond, en alle eerstgeborenen van het vee. Toen stond de farao 's nachts op, hij en al zijn dienaren en alle Egyptenaren. En er was een luid geschreeuw in Egypte, want er was geen huis waarin geen dode was.
En het gebeurde midden in de nacht. Te midden van de donkerheid… En er was een luid geschreeuw in Egypte… Ikzelf geloof echter het Woord van God: En het gebeurde te middernacht dat de HEERE alle eerstgeborenen in het land Egypte trof.
Ik las er de volgende verklaring van op het internet: De tiende plaag ontstond mogelijk door een schimmel in het graan. De oudste kinderen mochten in het oude Egypte altijd als eerste van het graan eten, waardoor alle eerstgeborenen uiteindelijk zouden zijn gestorven.
Ik moet u eerlijk bekennen dat dit gedeelte een worsteling voor mij geweest is. Een worsteling in de zin om een verklaring te zoeken voor deze verschrikkelijke, verschrikkelijke tragedie. En in mijn zoektocht, ook op het wereld wijde web kwam ik maar bar weinig tegen.
Vele verklaarders benaderden dit gedeelte van Gods Woord vanuit het Pascha of Pesach wat voorafgaand aan deze verschrikkelijke tragedie onder de Israëlieten werd gevierd. En misschien ligt daar ook wel het geheim of beter gezegd de sleutel of oplossing van de handelwijze van HEERE met Zijn volk en de Egyptenaren. Met Zijn volk dat gehoorzaam was aan Zijn Woord en hun vertrouwen stelden op het bloed van het geslachte lam en aan de andere kant hun vertrouwen stelden op de meer dan 2000 goden die in Egypte werden gediend. De scheiding tussen de levende God en alle drekgoden van Israel. De scheiding tussen het Leven en de dood.
Deze verschrikkelijke tiende en laatste plaag was een directe aanval op de Farao zelf, die door de Egyptenaren als een god vereerd werd en waarvan zij dachten dat hij een incarnatie was van o.a. Osiris, de schenker van het leven, maar nu bleek hij niet eens in staat te zijn om het leven van zijn eigen zoon te redden en machteloos te staan tegen de dood van alle eerstgeborenen in Egypte. Het was niet alleen erg pijnlijk voor hem om zijn eigen kind te verliezen, maar ook om daarmee zijn eigen goddelijke status te verliezen. Ook de positie van Osiris zelf werd door de dood van alle eerstgeborenen ernstig aangetast. Osiris was immers de heerser over het dodenrijk en hij was het die bepaalde wie in het dodenrijk neerdaalde en wanneer, niemand anders!
Volgens de Egyptische mythologie moest elke dode voor de troon van Osiris verschijnen. Osiris was het dus gewend om in het dodenrijk op de rechterstoel te zitten, maar nu bleek dat niet hij degene was, die het laatste woord of in Bijbelse termen de sleutels van de dood en het dodenrijk had, maar de God van Israël.
Er zou nog veel meer over deze afgoden gezegd kunnen worden, maar ik heb er geen behoefte aan meer aandacht aan deze verschrikkelijke afgoden aandacht te schenken.
Want in deze geschiedenis wordt aandacht al snel getrokken naar de duizenden en duizenden doden die in die nacht stierven, de verschrikkelijke tragedie daarvan maar ik geloof met heel mij hart dat de aandacht en de sleutel van deze hele geschiedenis hoort te liggen op het bloed van het lam. Dat was bepalend. Dat maakte scheiding tussen dood en leven. Niets en niemand anders. Wie daarachter schuil ging behoefde voor de dood niet bang te zijn.
Dat was toen duizenden jaren geleden, dat is nu in de tijd waarin wij leven en dat zal ook binnenkort zijn wanneer de laatste plaag over deze wereld zal plaatsvinden en waarvan we lezen in het boek van de Openbaring van Jezus Christus.
Want de Eerstgeborene is Christus, de Messias, de Verlosser. De Verlosser van de dood. Hij moest sterven om de verlossing van het volk Israël gestalte te geven...
Wie onder de goden is Uw gelijke, Eeuwige? Wie is Uw gelijke, zo ontzagwekkend en heilig? Wie dwingt zoveel eerbied af met roemrijke daden? Wie anders verricht zulke wonderen? (Exodus 15:11).
Want als dat geen zegen is.
In verband met de tijd wil ik een volgende keer hier verder met u bij stilstaan.
Psalm 105 -42: Over de dood van de Eerstgeborene gesproken
Over de dood van de Eerstgeborene gesproken
In de voorgaande aflevering hebben we met elkaar stilgestaan bij de dood van de eerstgeborenen. Meervoud dus. Vanmorgen wil ik met u nadenken over de Eerstgeborene. Enkelvoud dus. Want het blijkt een heel verschil te zijn. De dood van de eerstgeborenen en de dood van de Eerstgeborene. Een verschil van leven en dood. En ligt niet juist daar de sleutel van deze hele geschiedenis van alle plagen en die over de Egyptenaren werden uitgestrooid? De dood van juist deze Eerstgeborene bracht en brengt verlossing voor Zijn volk Israel en allen die hun vertrouwen stelden, stellen en zullen stellen op Zijn bloed. Het bloed van het geslachte Lam.
Want zeiden we de voorgaande aflevering al: De Eerstgeborene is Christus, de Messias. Hij moest sterven om de verlossing van het volk Israël gestalte te geven...
De “Eerstgeborene uit de doden” wil niet alleen zeggen dat Jezus de eerste is Die uit de doden opstond. Daar wijst de apostel Paulus op in 1 Korinthe 15:20 als hij schrijft: “Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn”.
Zo spreekt Hij er ook over in Colossenzen 1:18. Daar wijst Paulus de Colossenzen er op dat de Messias het Hoofd is van het lichaam, namelijk van de gemeente. Het drukt dus ook een positie uit, namelijk dat Hij de belangrijkste is, met de eerste rechten van de erfenis.
De gemeente wordt daarom in Hebreeën 12:23 ook genoemd de gemeente van de eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn. Ziet u weer wordt er gesproken over de eerstgeborenen, nu niet in relatie tot de dood, maar in relatie tot de Levende, namelijk de Messias.
In de eersteling Adam hebben wij de dood gekozen boven het leven en zijn we allen aan de dood onderworpen. Door de zonde is de dood in de wereld gekomen en de dood is tot alle mensen doorgegaan. Maar Christus in in de wereld gekomen om zondaren uit de dood op te wekken. Hij doet dat door Zijn machtwoord en door Zijn Geest.
Daarvoor looft Petrus de Heere als hij schrijft in 1 Petrus 1:3 “Geloofd zij de God en vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden”.
Wat een totaal ander geluid, wat een geweldige omwenteling. Van de dood tot het Leven met een hoofdletter geroepen! Een groter contrast is echt niet denkbaar.
Daardoor hebben we deel aan de erfenis die in de hemelen bewaard wordt bij God. Het is al een onbevattelijk wonder als de Heere door Zijn Woord en Geest een zondaar uit de dood opwekt. Is dat in uw leven al gebeurd?
Ik weet niet of wel eens naar het programma ‘God verandert mensen’ van de EO kijkt. Maar dan kom je er keer op keer weer achter dat niet de god van de Egyptenaren het voor het zeggen heeft in deze wereld, maar dat we ook anno 2022 te maken hebben met een Levende God.
Onszelf kunnen we tot leven roepen. Maar er iets niets te wonderlijk voor de Levende God.
Als we niet hebben geleerd dat het Lam of met andere woorden de Eerstgeborene met een hoofdletter voor u en mij moest sterven, omdat wij tegen God gezondigd hebben en daarom de dood verdiend hebben, begrijpen we er niets van.
Deze Eerstgeborenen heeft voor u en voor mij en voor wie je ook bent de weg geopend naar Het Leven.
In de offerande van dit Lam, van Zijn lichaam, eenmaal aan het kruis, zijn we veilig en hebben we shalom, vrede met God ontvangen. Deze vrede is geen vrede door gebrek aan oorlog, maar heeft een veel diepere betekenis.
Als David naar zijn broers gaat die aan de gevechtslinie staan, vraagt hij hun of alles goed met hen gaat, hij vraagt dan naar hun ‘sjalom’ (1 Samuël 17:22). Je zou ook kunnen denken aan de manier waarop Paulus de gemeenten aanspreekt: “Genade zij u en vrede!”
Sjalom heeft de wortel sjin-lamed-mem. Deze wortel wordt ook voor andere woorden gebruikt en heeft ten diepste de betekenis van ‘compleet zijn’, ‘volledigheid’ of ‘vervulling’. Misschien zou je het ook kunnen vertalen met het Nederlandsche begrip ‘welzijn’.
Zo is vandaag de dag in Israël het woord voor ‘betalen’: ‘le-sjalem’. Betalen is het weer compleet maken, van de kostprijs. Het herstelt de schade die het nemen van het product met zich mee brengt. Betalen is dus ‘sjalom maken’! Men maakt ook sjalom als er iets voltooid wordt, zoals de tempel in de tijd van Salomo (1 Koningen 7:51) en de muren van Jeruzalem in de tijd van Nehemia (Nehemia 6:15).
Sjalom betekent dus vrede, maar wat ís nu precies vrede? Vrede is dat er niets te betalen is, dat alles vervuld en compleet is. Er is geen bloed te vergieten en er is geen schuld te betalen, omdat het ‘heel’ is. Er is rust. Het is sjalom. Toen de mens ervoor koos om tegen God in te gaan, ontstond er een schuld die niet te betalen was. Het leven met God in de hof was kapot en dat was duidelijk te merken: mensen denken aan zichzelf, er is oorlog, er is pijn en verdriet.
De mens had sjalom kapot gemaakt en kon het niet meer heel maken, want ze waren zelf niet meer heel, niet meer ‘sjalom‘, maar ze waren gebroken en zondig. Zonde werd nog concreter toen God via Mozes de wet schonk aan zijn volk Israël. Mozes wist toen al dat zij deze wet niet konden vervullen en dat er pas sjalom zou kunnen zijn wanneer er een andere Profeet na hem zou komen (Deuteronomium 18:15). In de Thora lezen we in Deuteronomium 18 vers 15: Een Profeet uit uw midden, uit uw broeders, zoals ik, zal de HEERE, uw God, voor u doen opstaan; naar Hem moet u luisteren, overeenkomstig alles wat u van de HEERE, uw God, bij de Horeb gevraagd hebt, op de dag dat u daar bijeenkwam, toen u zei: Ik wil de stem van de HEERE, mijn God, niet langer horen en dit grote vuur wil ik niet meer zien, anders zal ik sterven. De zonde vraagt om een vergoeding.
En die vergoeding is er! Jesaja noemt de beloofde Messias een ‘Sjalom-vorst’ (Jesaja 9:5), Vredevorst en Micha kijkt uit naar een Heerser en profeteert over Hem: ‘Hij zal Sjalom zijn!’ (Micha 5:4)
Lukas vertelt over de geboorte van Jezus en dat de engelen zongen ‘Sjalom op aarde!’ (Lukas 2:14). Jezus is de beloofde Messias en Hij betaalde onze schuld en maakte sjalom (Johannes 16:33). Daarom wordt het Evangelie ook wel het ‘Evangelie van de sjalom’ genoemd (Efeze 6:15) en God de ‘God van Sjalom’ (2 Korinthe 13:11; 1 Korinthe 14:33; Romeinen 16:20; Filippenzen 4:9; e.a.).
Echt, alleen in de Heere Jezus is er echte sjalom!
De HEERE, JHWH wil ook sjalom in ons hart werken en belooft zijn Geest aan ieder die Hem wil volgen. Zoals Jesaja zegt: ‘De vrucht van gerechtigheid is sjalom!’ (Jesaja 32:17). Sjalom is niet voor niets deel van de vrucht die de Geest in ons wil werken (Galaten 5:22)!
Maar sjalom is ook een opdracht voor ons allen: laat de sjalom van God heersen in uw harten en leef in sjalom met elkaar (o.a. Kolossenzen 3:15; 1 Thessalonicenzen 5:13; 2 Korinthe 13:11; Romeinen 14:19; Romeinen 12:18; Hebreeën 12:14; Markus 9:50).
Alleen in Yesjua haMesjiach (de Hebreeuwse manier van zeggen ‘Jezus Christus’) hebben wij echte sjalom en dat wens ik iedereen toe.
“Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben sjalom bij God door onze Heere Jezus Christus.” – Romeinen 5:1-
Als dat geen zegen is.
Psalm 105 -43-: Over de Eersteling gesproken
Over de Eersteling gesproken
U mag het best weten. We denken nu al ruim 8 weken elke werkdag met elkaar na over Psalm 105. En soms denk ik bij mijzelf: Schiet toch eens een beetje op. Er zijn nog veel meer Psalmen en naast het Psalmenboek zijn er nog veel meer rijke woorden van de Heere God te overdenken.
Maar weet u, het Woord van God is zo onvoorstelbaar rijk en soms vind je gewoon weer zo’n diamantje in Gods schatkist. Zo ook vandaag. De tekst die we zojuist lazen hebben we al een paar keer besproken en ik had mij voorgenomen om de volgende tekst met u te bespreken.
Tot ik mij bedacht en de tekst nog eens op me liet inwerken. Want wat staat er nu werkelijk en wat wordt er mee bedoelt? Hij trof alle eerstgeborenen in hun land,
de eerste vruchten van al hun mannelijke kracht.
Met name met betrekking tot het tweede gedeelte van de tekst: Hij trof de eerste vruchten van al hun mannelijke kracht? Begrijp u het?
Toen ik echter de Hebreeuwse tekst er bij pakte begreep ik dat er helemaal niet over de eerste vruchten gesproken te worden, maar over de Eersteling, ‘Rishiet’ in het Hebreeuws. En dat woord komen we in het gegin van de Bijbel al tegen. Het zijn nota bene de eerste woorden van de Bijbel. ‘In het begin’ Be-reshit.
En we kunnen ons allemaal misschien wel de woorden van Johannes herinneren: In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.
De Eersteling is onze Messias, de Aleph, Die de Voortrekker is van Zijn volk; Degene Die over Zichzelf heeft gezegd: ‘Ik ben de Aleph א en Ik ben de Taw ת ,de Eerste en de Laatste (Openbaringen 22:13); Aleph א is de eerste letter van het Hebreeuwse Alephbeth en betekent Eersteling, Koploper, Voortrekker en staat voor God Zelf en de Taw ת betekent teken, kruisteken.
Wat zei Hij dus eigenlijk cryptisch met deze woorden? Ik ben God en Ik heb mezelf overgegeven aan het kruis voor jullie. Hoe diepzinnig!
Toen Jezus opstond uit de dood was het niet zomaar een zondagochtend. Het was de ochtend van het Eerstelingenfeest, dat is het 3e feest op Gods Kalender. Op deze ochtend worden de eerstelingen van de allereerste oogst van het seizoen (de gerst) voor God in de tempel als een beweegoffer gebracht. De Bijbel beschrijft dat Jezus de Eersteling was van hen die gestorven waren. Dat wijst dus op een oogst. Hij werd die ochtend voor God bewogen in de Hemelse tempel, precies op het moment dat de aardse hogepriester de gerstoogst in de tempel in Jeruzalem bewoog. Dat was de reden dat Maria Hem op de vroege morgen nog niet mocht aanraken. Jezus zei dat Hij eerst (die ochtend) naar Zijn Vader moest gaan. Thomas mocht Hem daarom een week later wel aanraken.
Door de eerstelingen van de oogst aan God terug te geven, werd de hele oogst geheiligd. Jezus was de Eersteling van een hele grote oogst en door Hem zijn gelovigen in Jezus Christus ook geheiligd voor de grote dag die nog gaat komen aan het eind van de oogst.
Als dat geen zegen is.
Psalm 105 -44-: Over Gods beloften gesproken -1-
Over Gods beloften gesproken (1)
Na de laatste plaag in Egypte laat de farao hen eindelijk gaan en leid de God van Israel hen uit het land met zilver en goud. We zijn hiermee aan een heel ander stuk van de geschiedenis van Gods handelen met Zijn volk terecht gekomen: Na de verdrukkingen in Egypte wordt nu de woestijnreis in Psalm 105 besproken.
Weet u, ik ben opgegroeid met de bijbel, van jongs af aan. Maar elke keer verbaas ik mij weer over de waarheid van de bijbel. Zo ook nu weer. Want eeuwen en eeuwen geleden, bij de sluiting van het verbond met Abraham, wij zouden zeggen de stamvader van het verbond tussen God en Zijn volk, kreeg Abraham de volgende belofte mee. En die lezen we in Genesis 15:
Toen zei God tegen Abram: Weet wel dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land dat niet van hen is; zij zullen hen dienen en men zal hen vierhonderd jaar onderdrukken.
Maar ook zal Ik over het volk dat zij zullen dienen, rechtspreken en daarna zullen zij met veel bezittingen wegtrekken.
Eeuwen en eeuwen daarna voert de Heere God Zijn Woord precies uit zoals Hij aan Zijn knecht Abraham heeft beloofd.
Kijk, we kunnen daar natuurlijk overheen lezen of het voor kennisgeving aannemen. Alsof we zeggen: Mooi dat God dat doet. Of zeggen: Natuurlijk, want God komt altijd Zijn Woord na.
Maar misschien heeft het gegeven dat God eeuwen geleden Zijn Woord gegeven heeft en Zijn Woord nakomt ons iets persoonlijks te zeggen. De beloften van God zijn niet gegeven om voor kennisgeving aan te nemen, maar om er uit te leven. Dat is de rijkdom van Gods Woord! Zo ook van morgen. Wij kunnen voor kennisgeving aannemen dat God Zijn Woord nakomt, zoals hier in de geschiedenis met Abraham en Zijn volk, maar ook in deze geschiedenis mogen we leren dat we uit de beloften van God mogen leren leven.
En soms, inderdaad is het zo dat we ervaren dat Gods molens langzaam draaien, maar wel zeker. De Heere vertraagt de belofte niet 1 Petr. 3:20 (zoals sommigen dat als traagheid beschouwen), maar Hij heeft geduld met ons en wil niet dat enigen verloren gaan, maar dat allen tot bekering komen. Het is een kwestie van vertrouwen, het andere woord voor geloven. Vertrouwen we God wel werkelijk op Zijn Woord.
De Bijbel is niet maar een boek, door mensen geschreven. Nee, het is Gods Woord. Dat betekent, dat wij altijd kunnen vertrouwen op de waarheid ervan. Zoals God het gezegd heeft, zo zal het gebeuren. Hij is een Waarmaker van Zijn Woord.
De zekerheid van de vervulling van Gods beloften ligt niet in ons, maar in Hemzelf. Hij is onze zekerheid en "wie zijn geloof op Hem bouwt, zal niet beschaamd uitkomen". Hij is de vaste Rots van ons behoud. Hij is het Fundament en de Hoeksteen, het Begin en het Einde. Hij is Alles! Daarom: sta vast in Hem!
Als dat geen zegen is.
Ik noemde zojuist de titel van het vers al dat ik draaien. Het is een oud lied en we horen het echt bijna nooit meer, maar misschien is het goed om nog eens te draaien:
Vaste Rots van mijn behoud,
als de zonde mij benauwt,
laat mij steunen op uw trouw,
laat mij rusten in uw schauw,
waar het bloed, door U gestort,
mij de bron des levens wordt.
Jezus, niet mijn eigen kracht,
niet het werk door mij volbracht,
niet het offer dat ik breng,
niet de tranen die ik pleng,
schoon ik om mijn zonden ween,
kunnen redden, Gij alleen.
Zie, ik breng voor mijn behoud
U geen wierook, mirr’ of goud;
moede kom ik, arm en naakt,
tot de God, die zalig maakt,
die de arme kleedt en voedt,
die de zondaar leven doet!
Eenmaal als de stonde slaat
dat dit lichaam sterven gaat,
als mijn ziel uit d’aardse woon’
opklimt tot des Rechters troon,
Rots der eeuwen, in uw schoot berg
mijn ziele voor de dood.
Psalm 105 -45-: Over Gods beloften gesproken -2-
Over Gods beloften gesproken (2)
Tsja, de voorgaande uitzending stonden we stil bij de belofte die God in Genesis deed dat Zijn volk bladen met geschenken uit het land van de verdrukking zou vertrekken en eeuwen daarna zien we dat God zijn woorden waar maakt.
Dat kunnen we voor kennisgeving aannemen maar heeft ook ons iets te zeggen. Alle beloften gedaan aan Zijn volk Israel, elke voorzegging, elke profetie zal opgetekend door de woorden van God zullen tot de punt en komma, de tittel en de jota, de allerkleinste tekens in het Hebreeuws nagekomen worden. En zal niets achterblijven.
Maar ook in ons eigen persoonlijk leven is het waar dat God Zijn beloften aan u al of niet persoonlijk gedaan na zal komen. Er blijft bij wijze van spreken geen nagelschrap over. Ook al, laten we maar eerlijk zijn vanmorgen, twijfelen wij daar nogal eens aan.
Er zijn zoveel twijfelaars onder de gelovigen. Zij hebben de Heer lief en geloven in Zijn volbrachte werk. Toch is daar die twijfel: Is het wel voor mij? Zal ik daar straks ook deel aan hebben? Kan ik dat zeker weten? En zo bewegen zij zich tussen hoop en vrees, twijfel en zekerheid, en zij worden soms ook nog heen en weer geslingerd door allerlei wind van leer. En dat, terwijl de Bijbel het boek van de zekerheid is! Het is immers het Woord van God. En nu klinkt het woord twijfel niet zo zwaar, toch is het in feite ongeloof. In het Evangelie vinden wij een mooie illustratie van het spanningsveld tussen twijfel en geloof.
In Mattheüs 14 vinden wij het verslag van een wonderlijke gebeurtenis, namelijk dat Jezus op het water loopt. Eerst menen de discipelen een spook te zien, maar als dan blijkt dat het hun Heere is, vraagt Petrus: "Heere, als U het bent, geef mij dan bevel over het water naar U toe te komen" (vs. 28). Op zichzelf natuurlijk een merkwaardige vraag (wie bedenkt nu zoiets?), maar toch lezen we: "En Hij zei: Kom!" En op bevel van de Heere stapt Petrus over boord en loopt dan over het water naar Jezus toe. Tot zover gaat het nog allemaal goed, maar dan gebeurt het. Petrus ziet op de wind en hij wordt bevreesd. Misschien realiseerde hij zich ineens het wonder: hij liep op het water, dat kan toch helemaal niet! Als er nu één ding ´bewezen´ is, dan is het wel, dat een mens niet op het water kan lopen. De schrik slaat Petrus om het hart en prompt begint hij te zinken. Zie je wel, daar heb je 't nou! Petrus schreeuwt tot de om redding, en gelukkig, de Heere is nabij. Jezus grijpt hem vast en zegt dan: "Kleingelovige, waarom hebt u getwijfeld?" En wat blijkt?
De Heere had toch Zijn Woord gesproken: Kom! En als Hij het zegt, waarom zou Petrus dan twijfelen? Nee, dan is het geen twijfel, maar ongeloof.
Geloven is: vertrouwen op het Woord van God. En dat ontbrak er nu aan bij Petrus, die meer respect had voor de wind en het water, dan voor het Woord van zijn Heer. Als we eerlijk zijn kunnen wij het ons best voorstellen, dat Petrus dit overkwam. Zou het ons anders vergaan zijn? Het was toch ook nogal wat... Ja, en dat maakt het tot zo'n geweldige les!
Want wát God ook zegt, hoe vreemd het ook mag lijken, Gods Woord is de waarheid. Daar hoeven wij nooit aan te twijfelen. Als wij dat wel doen is dat in feite ongeloof. Wij moeten ons dus niet tevreden stellen met gedachten als: "ach, iedereen twijfelt wel eens", of: "twijfelen is menselijk". Dat is allemaal wel zo, maar het is niet wat God wil! God wil niet dat we twijfelen (= ongelovig zijn), maar dat we zeker zijn van... Zijn zaak! Niet op onszelf zien of op anderen, hoe moeilijk dat soms ook is; ook niet op de omstandigheden, hoe zwaar die soms ook kunnen zijn. Nee, alléén zien op de Heere en Zijn Woord geloven. Niet in jezelf, of in anderen, of in tradities, of in omstandigheden, maar in de Heere. Weet wie Hij is, de Almachtige. En denk niet, die man heeft makkelijk praten, hij moest eens weten in welke omstandigheden ik zit, dan zou hij wel anders praten. Ik kan er over mee praten wanneer het leven tegen zit.
Besef dat het Zijn Woord is, van de Allerhoogste. Ook dit is uiteraard een leerschool. Juist door moeilijke omstandigheden heen wil de Heere ons leren te vertrouwen op Hem.
Als dat geen zegen is.
Ik heb vanmorgen gekozen voor een lied van Kinga Ban. U weet wel, zij is enige jaren geleden overleden aan de verschrikkelijke ziekte die we de naam kanker gegeven hebben. En zij zingt het lied ‘vandaag’. Misschien wel ter bemoediging voor u of voor jou. Van
Gisteren is een afdruk van je voeten in het zand.
Morgen is de aanblik van een eindeloos groot strand.
De zee komt op wanneer ze wil, ze wist je passen uit.
En als de wind het zand bespeelt, zie je nauwelijks meer vooruit.
Dit is vandaag, het is alles wat je hebt.
Morgen komt later en gisteren is alweer weg.
Dit is vandaag, met z’n vreugde en zijn pijn
en je hoeft maar één ding te doen. Dat is: er zijn.
Als je om je heen kijkt, maar je ziet niet wat je hoopt.
En als het lijkt of je al tijden zonder toekomst verder loopt.
Bedenk dan, als je zicht verliest: je loopt in Iemands zicht.
De Aanwezige verlaat je niet, want de hemel gaat nooit dicht.
Dit is vandaag en het is alles wat je hebt.
Morgen komt later en gisteren is alweer weg.
Dit is vandaag, met z’n vreugde en zijn pijn
en je hoeft maar één ding te doen...
En niets is moeilijker dan laten gaan.
De toekomst, het verleden.
Maar je bent al hier, je kunt het aan.
Gedragen door de Ene.
Dit is vandaag en het is alles wat je hebt.
Morgen komt later en gisteren is alweer weg.
Dit is vandaag, met z’n vreugde en zijn pijn.
Je hoeft maar één ding te doen. Dat is: er zijn.
Vandaag...
Psalm 105 -46-: Over Gods beloften gesproken -3-
Over Gods beloften gesproken (3)
Naar aanleiding van Gods beloften eeuwen geleden gedaan aan Abraham in Genesis en in Exodus tot op de punt en komma uitgevoerd kwamen we terecht bij het waarmaken van Gods beloften. Daar hoeven we nooit over te twijfelen.
Daar wil ik nog wat verder op voortborduren vandaag.
Corrie ten Boom bezocht eens een zendeling in een moeilijk gebied, vol gevaren. Toen zij hem vroeg of hij nooit bang was en zeker was van zijn zaak, antwoordde hij: "Ik twijfel wel eens en mijn geloof wankelt soms... maar de Rots waarop ik sta, Die wankelt nooit". En juist daarin ligt onze zekerheid verankerd. Hij wankelt niet, Hij is de Eeuwige.
Paulus zegt in Romeinen 14:4 het volgende: "Wie bent u, dat u de huisslaaf van een ander oordeelt? Of hij staat of valt, gaat alleen zijn eigen heer aan. Hij zal echter staande gehouden worden, want God is bij machte hem staande te houden".
Als wij dat geloven, dat de Heere die macht heeft om ons vast te houden, ja, zelfs te redden als wij dreigen te zinken, zal dat z'n invloed hebben op onze praktische wandel, "want u staat vast door het geloof" (2 Kor. 1:24). De apostel Petrus heeft geschreven over de ware genade van God en zegt tot zijn lezers: "daarin moet u vaststaan" (1 Petr. 5:12). En zo houdt Paulus zijn lezers in Thessaloniki eveneens voor: "Sta dan vast, broeders, en houd u aan de overleveringen waarin u onderwezen bent door ons woord of door onze brief" (2 Tess. 2:15).
Het zal duidelijk zijn, dat waar wij in onszelf wroeten, of het in de omstandigheden zoeken, daar grijpt de twijfel om zich heen. Daarom moeten wij beseffen: alles wat wij zijn, wat we bezitten, het is alles in Hem. De woorden "in de Heere" komen dikwijls voor, alleen maar om te laten zien, dat onze zekerheid te vinden is in Hem, Die ons gekocht en betaald heeft. Hij is ons Leven en Hij is onze Kracht. Naarmate wij dat overdenken en daaruit leven, zal twijfel plaatsmaken voor zekerheid en vrees veranderen in hoop. En Bijbelse hoop is zekerheid, omdat ze gefundeerd is in Gods beloften.
Ook daarin roept Paulus ons op zijn navolgers te zijn. In de brieven van Paulus vinden wij geen spoor van twijfel, maar des temeer van geloof. Hij getuigt daar bijvoorbeeld van in 2 Korintiërs 4, als hij spreekt over de "kennis van de heerlijkheid van God" in relatie tot zijn dagelijks leven en werk. Hij zegt: "Maar wij hebben deze schat in aarden kruiken, opdat de alles overtreffende kracht van God zou zijn en niet uit ons. Wij worden in alles verdrukt, maar niet in het nauw gebracht; wij zijn in twijfel, maar niet vertwijfeld; wij worden vervolgd, maar niet verlaten; neergeworpen, maar niet te gronde gericht. Wij dragen altijd het sterven van de Heere Jezus in het lichaam mee, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam openbaar wordt" (vs. 7-10). De kracht die God kan werken in onze zwakheid gaat ons besef te boven. Daarom komt het erop aan, dat wij ons in alle afhankelijkheid aan Hem overgeven en het van Hem verwachten.
In het eerste hoofdstuk van de Filippenzen-brief bemoedigt de apostel de gelovigen en zegt: "Ik vertrouw erop dat Hij Die in u een goed werk begonnen is, dat voltooien zal tot op de dag van Jezus Christus" (vs. 6). Hiermee steekt hij hen een hart onder de riem, alsof hij zeggen wil: Kom op mensen, blijf vertrouwen in de Heere, ook al is het soms moeilijk, maar twijfel niet, want Hij zal het maken! En in hoofdstuk 4:13 voegt hij daaraan toe: "Alle dingen zijn mij mogelijk door Christus, Die mij kracht geeft".
De boodschap is dus, blijf zo (ook in het licht van de toekomstverwachting) staande in de Heere!
Als dat geen zegen is.
We gaan luisteren naar een nummer van WayMaker, in het Hebreeuws Porets Derech.
Zij schrijven er zelf het volgende getuigenis bij.
Dit nummer werd opgenomen voor Shavuot (Pinksteren), maar we voelden om dit nu vrij te geven, in het licht van de huidige situatie hier in Israël.
Het is moeilijk om hoop te zien op dit moment, terwijl raketten in onze lucht vliegen, en rellen in onze straten, maar we weten dat onze God de wegbereider is, wonderdoener, beloftebewaarder van Israël en licht in de duisternis, dat is wie Hij is! Hij hoort Israël, Jesjoea is de hoop van onze streek, Hij is de Vredevorst.
In het lied komt steeds de tekst voorbij: Zeh mi she’ata wat zoiets betekend als: Dit is wie U bent.
Psalm 105 -47-: Over overwinnaars gesproken -1-
Over overwinnaars gesproken (1)
Gods macht in en tegen Egypte heeft de kracht van Egypte gebroken. Er was geen kracht meer om Gods volk nog langer in slavernij te houden. Integendeel. Egypte was blij toen zij wegtrokken lazen we zojuist. De plagen waren Gods manier om Zijn volk uit het slavenhuis uit te leiden.
Egypte was blij toen ze vertrokken - Ze hadden zoveel plagen geleden; het land was zo volkomen verlaten na al deze toen verschrikkelijke plagen, er was zoveel verdriet in hun woningen, door de rampen die hen waren overkomen omdat ze weigerden de Israëlieten te laten gaan, dat ze eindelijk blij waren dat ze vertrokken waren, en ze waren bereid om hen te helpen dat ze ervan af zouden komen. Dit verklaart gedeeltelijk het feit dat ze bereid waren hun te geven wat ze vroegen - zelfs zilver en goud - als ze hun vertrek zo konden vergemakkelijken.
Het was geen zorgvuldig voorbereide ontsnapping of een angstige vlucht. Egypte deed het volk uitgeleide en voorzag hen van zilver en goud. Normaal gesproken zijn zilver en goud de buit na een overwinning bij een oorlog. Hier heeft het volk echter niet hoeven strijden, want de strijd was van de HEERE. Het volk Israël hoefde alleen maar de buit te ontvangen.
Hij voorzag hen ook van de nodige kracht, want hun krachten hadden ze onder het harde slavenjuk verbruikt. Daardoor was er “onder hun stammen … niemand die struikelde” (vgl. Js 5:27; Zc 12:8). Hij ondersteunde hen door Zijn aanwezigheid. Wat een geweldige God is Hij voor Zijn volk!
En zo zal het ook in de nabije toekomst zijn. Want wat is het Woord van God. Luister maar eens naar de profeet Jesaja uin 5 vers 27: Onder hen (dat is Israel) zal niemand vermoeid zijn of struikelen en in Zacharia 12 vers 8 lezen we over Jeruzalems redding: Op die dag zal de HEERE de inwoners van Jeruzalem beschermen. Wie onder hen wankelt, zal op die dag als David zijn, en het huis van David zal zijn als God. als de Engel van de HEERE voor hun ogen.
Dat is eigenlijk wat? Dat we in Exodus al kunnen lezen hoe het in de toekomst zal gaan? Willen we de toekomst begrijpen, willen we de profeten begrijpen, willen we het boek Openbaring begrijpen dat zullen we terug moeten gaan naar de eerste boeken van Mozes. De Thora, waar we al een blauwdruk vinden van de toekomst.
“Egypte was blij” met hun vertrek omdat dit het einde van de plagen betekende. Door die plagen was er “angst” voor Gods volk “op hen gevallen”. Het land was verwoest door alle plagen. In alle huizen was verdriet over de dood van de eerstgeborene. Het was angst voor de God van dit volk. Hij had immers Zijn plagen over Egypte gebracht, die het bewijs zijn van Gods zorg voor Zijn volk. En niet minder belangrijk: Alle goden van Egypte waren op een verschrikkelijke manier te kijk gezet. Verslagen. Alle machten van het goddeloze Egypte bleken om zomaar eens te zeggen drekgoden te zijn.
En ook daarin zien we een vooruitblik in de toekomst. Ook alle goden, ook alle machten en alles wat zich tegen JHWH verzet, zal in de toekomst te kijk worden gezet. De tegenstand en de Tegenstander zal totaal gedesillusioneerd en verslagen zijn. En geen toekomst meer hebben. Einde verhaal. Als dat geen zegen is.
Waar U verschijnt wordt alles nieuw
Want U bevrijdt en geeft leven
Elke storm verstilt
Door de klank van Uw stem
Alles buigt voor Koning Jezus
U bent de held die voor ons strijdt
U baant de weg van overwinning
Elke vijand vlucht en ieder bolwerk valt neer
Naam boven alle namen, Hoogste Heer
Voor eeuwig is Uw heerschappij
Uw troon staat onwankelbaar
Ongeëvenaarde kracht
Ligt in Uw grote naam
Jezus Overwinnaar
De duisternis licht op door U
De duivel is door U verslagen
Dood waar is je macht?
Waar is je prikkel gebleven?
Jezus leeft en ik zal leven!
De schepping knielt in diepst ontzag
De hemel juicht voor onze Koning
En de machten van de hel
Weten wie er regeert
Naam boven alle namen, Hoogste Heer
Voor eeuwig is Uw heerschappij
Uw troon staat onwankelbaar
Ongeëvenaarde kracht
Ligt in Uw grote naam
Jezus Overwinnaar
Psalm 105 -48-: Over overwinnaars gesproken -2-
Over overwinnaars gesproken (2)
Gisteren hebben we met elkaar nagedacht over de uittocht van Israel uit Egypte. Hoe het volk beladen met goud en zilver, zonder een vinger uitgestoken te hebben, Egypte kon verlaten. Omdat de God van Israel de strijd voerde tegen de vijanden en overwon. Waar was de verdienste van het volk? Nergens toch? Niet gestreden en toch overwinnaars.
Dat deed me denken aan de woorden uit Romeinen 8 waar eveneens over overwinnaars wordt gesproken. En misschien ligt er wel een parallel tussen de geschiedenis uit Exodus en Romeinen.
31 Wat zullen wij dan over deze dingen zeggen? Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?
De God van Israel streed voor Zijn volk, Hij was voor Zijn volk.
32 Hoe zal Hij, Die zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard maar voor ons allen overgegeven heeft, ons ook met Hem niet alle dingen schenken?
Het volk van God werd ook ‘alles’ geschonken in goud en zilver en nog veel meer.
33 Wie zal beschuldigingen inbrengen tegen de uitverkorenen van God? God is het Die rechtvaardigt.
De Heere God rechtvaardigde het volk ten opzichte van Egyptelan. Zij waren verheugda dat het volk vertrok.
34 Wie is het die verdoemt? Christus is het Die gestorven is, ja wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook aan de rechterhand van God is, Die ook voor ons pleit.
De God van Israel pleitte door de mond van Mozes voor het volk Israel.
35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard?
De band tussen God en Zijn volk werd niet gescheiden, door alle verdrukking, benauwdheid, vervolging, honger, naaktheid, gevaar en zwaard heen.
36 Zoals geschreven staat: Want omwille van U worden wij de hele dag gedood, wij worden beschouwd als slachtschapen.
Nou Israel wist wat het was hoor om letterlijk slachtschapen van Egypte te zijn.
37Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad.
Maar in dat alles was het volk Israel meer dan overwinnaars. Niet gestreden, wel de buit.
38 Want ik ben ervan overtuigd dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch krachten, noch tegenwoordige, noch toekomstige dingen,
39 noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus, onze Heere.
Want noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch krachten, noch tegenwoordige, noch toekomstige dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel, zelfs de wrede farao en zijn trawanten konden scheiding brengen tussen de liefde van God en Zijn volk.
Frappant, vindt u ook niet?
En wat denkt u. zal het in uw leven anders gaan wanneer u de Heere God lief heeft? Nee toch zeker! Hij laat zijn volk niet in de steek en hij laat u en mij niet in de steek. Nu niet en in de toekomst niet.
Want zoals we al zo vaak in deze geschiedenis hebben gezien, hebben we ook hier met een patroon in het wonderlijke rijke boek van de Bijbel te maken. Het patroon van Gods Strijden voor zijn kinderen en voor Zijn geliefde volk Israel.
Want zoals het ging in de dagen van de farao en de middelaar tussen God en Zijn volk, Mozes, zo zal het ook gaan in de nabije toekomst. Wanneer alle plagen over deze wereld gekomen zullen zijn, alle vijanden onder Zijn voeten zijn gebracht, zal er een geweldige tijd aanbreken voor Zijn volk en voor de mensen hier op aarde. Een tijd van 1000 jaar vrede. En dan zal net als de farao nog eenmaal de tegenstander losgelaten worden en zijn volk achter en de mensen op de aarde achtervolgen met al zijn strijdwagens en ruiters.
Maar ook dan zal het zijn zoals we lezen in Exodus: Zo stortte de HEERE de Egyptenaren midden in de zee. Want toen het water terugvloeide, bedolf het de strijdwagens en de ruiters van het hele leger van de farao, die hen in de zee achterna gekomen waren. Niet een van hen bleef er over. Inderdaad: Meer dan overwinnaars.
Als dat geen zegen is.
Psalm 105 -49-: Over overwinnaars gesproken -3-
Over overwinnaars gesproken (3)
In de voorgaande afleveringen van dit programma hebben we eveneens met elkaar nagedacht over de overwinnaars. Maar ook over de parallellie tussen de plagen die over Egypte komen en de plagen die in het laatste boek van de Schrift zijn opgetekend in Openbaring. De plagen die de Eeuwige over deze aarde zal brengen.
En we hebben daar al eerder met elkaar bij stilgestaan. En ik hoop zo dat uw ogen er voor open gaan dat we in een uiterst bijzondere tijd leven. Ik geloof dat we in een tijd terecht gekomen zijn dat de Eeuwige Zijn plagen over deze wereld aan het brengen is en dat we verder zijn in de tijd dan menigeen denkt. Dat Hij zoals hij voorzegt in Openbaringen 15 met Zijn scherpe sikkel in Zijn hand staat om zoals de engel in Egypte, Zijn sikkel uit te zenden en te maaien, want het uur om te maaien is voor U gekomen, omdat de oogst van de aarde geheel rijp is geworden want ook nu zijn oogst en de trossen van de wijnstok van de aarde, want de druiven ervan zijn rijp.
Zullen we Gods Woord Zelf eens laten spreken?
En ik zag, en zie, een witte wolk, en op de wolk zat Iemand als een Mensenzoon, met op Zijn hoofd een gouden kroon en in Zijn hand een scherpe sikkel.
En een andere engel kwam uit de tempel en riep met luide stem tegen Hem Die op de wolk zat: Zend Uw sikkel en maai, want het uur om te maaien is voor U gekomen, omdat de oogst van de aarde geheel rijp is geworden.
En Hij Die op de wolk zat, zond Zijn sikkel op de aarde, en de aarde werd gemaaid.
En een andere engel kwam uit de tempel, die in de hemel is, en ook hij had een scherpe sikkel.
En weer een andere engel kwam bij het altaar vandaan, en die had macht over het vuur. En hij riep met luide stem tegen hem die de scherpe sikkel had, en zei: Zend uw scherpe sikkel en oogst de trossen van de wijnstok van de aarde, want de druiven ervan zijn rijp.
En de engel zond zijn sikkel op de aarde en oogstte de druiven van de wijnstok van de aarde, en wierp die in de grote wijnpersbak van de toorn van God.
En de wijnpersbak werd getreden buiten de stad, en er kwam bloed uit de wijnpersbak, tot aan de tomen van de paarden, zestienhonderd stadiën. Eén stadie bedraagt ongeveer 185 meter. ver.
En ik zag een ander teken in de hemel, groot en wonderbaarlijk: zeven engelen met Openb. de zeven laatste plagen. Want daarmee zal de toorn van God tot een einde gekomen zijn.
En ik zag iets als een glazen zee, met vuur gemengd. En de overwinnaars van het beest, van zijn beeld, van zijn merkteken en van het getal van zijn naam stonden bij de glazen zee, met de citers van God.
En zij zongen het lied van Mozes, de dienstknecht van God, en het lied van het Lam, met de woorden: Groot en wonderbaarlijk zijn Uw werken, Heere, almachtige God; rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen, Koning van de heiligen!
Wie zou U niet vrezen, Heere, en Uw Naam niet verheerlijken? Immers, U alleen bent heilig. Want alle volken zullen komen en U aanbidden, want Uw oordelen zijn openbaar geworden.
En daarna zag ik, en zie, de tempel van de tent van de getuigenis in de hemel werd geopend.
En de zeven engelen, die de zeven plagen hadden, kwamen uit de tempel, gekleed in smetteloos en blinkend linnen, en omgord om de borst met gouden gordels.
En een van de vier dieren gaf de zeven engelen zeven gouden schalen, gevuld met de toorn van God, Die leeft tot in alle eeuwigheid.
En de tempel werd vervuld met rook vanwege de heerlijkheid van God, en vanwege Zijn kracht. En niemand kon de tempel binnengaan, voordat de zeven plagen van de zeven engelen tot een einde gekomen waren.
Als we dit lezen en op ons in laten werken en de werkelijkheid daarvan realiseren dat dit zo dicht voor de deur staat kan ons dat benauwen. Eerlijk waar. Wat een verschrikkelijke tijd staat er voor de deur.
Maar er ligt ook bemoediging in dit gedeelte. Gods Woord is altijd, hoort u het, altijd een woord van hoop, want lazen we ook: En de overwinnaars van het beest, van zijn beeld, van zijn merkteken en van het getal van zijn naam stonden bij de glazen zee, met de citers van God.
En zij zongen het lied van Mozes, de dienstknecht van God, en het lied van het Lam, met de woorden: Groot en wonderbaarlijk zijn Uw werken, Heere, almachtige God; rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen, Koning van de heiligen!
Zullen we eens naar dat lied luisteren? We vinden het in Exodus 15:
Toen zongen Mozes en de Israëlieten dit lied voor de HEERE. Zij zeiden:
Ik zal zingen voor de HEERE,
want Hij is hoogverheven!
Het paard en zijn ruiter
heeft Hij in de zee geworpen.
De HEERE is mijn kracht en lied,
Hij is mij tot heil geweest.
Dit is mijn God, Hem verheerlijk ik;
de God van mijn vader, Hem roem ik.
De HEERE is een Strijder,
HEERE is Zijn Naam.
De wagens van de farao en zijn leger
heeft Hij in de zee geworpen.
De besten van zijn officieren
zijn verdronken in de Schelfzee.
De watervloeden hebben hen bedolven,
zij zijn als een steen in de diepten gezonken.
Uw rechterhand, HEERE,
was heerlijk in macht;
Uw rechterhand, HEERE,
verpletterde de vijand.
In Uw grote majesteit wierp U terneer wie tegen U opstonden.
U zond Uw brandende toorn,
die hen als stoppels verteerde.
Door de adem van Uw neus
is het water opgehoopt,
de stromen stonden als een dam,
de watervloeden zijn gestold in het hart van de zee.
De vijand zei:
Ik achtervolg hen, haal hen in,
deel de buit.
Mijn verlangen wordt aan hen vervuld,
ik trek mijn zwaard,
mijn hand roeit hen uit.
Maar U hebt met Uw adem geblazen,
de zee heeft hen bedolven.
Zij zonken als lood
in machtige watermassa's.
Wie is als U
onder de goden, HEERE?
Wie is als U,
verheerlijkt in heiligheid,
ontzagwekkend in lofzangen,
U Die wonderen doet?
U strekte Uw rechterhand uit,
en de aarde verzwolg hen.
U leidde in Uw goedertierenheid
dit volk, dat U verlost hebt.
U leidde hen zachtjes door Uw kracht
naar Uw heilige woning.
De volken hebben het gehoord, zij sidderden,
angst heeft de inwoners van Filistea aangegrepen.
Toen werden door schrik overmand
de stamhoofden van Edom.
De machthebbers van Moab
greep huivering aan.
Al de inwoners van Kanaän smolten weg van angst.
Op hen viel
verschrikking en angst.
Door de grootheid van Uw arm
verstomden zij als een steen,
terwijl Uw volk, HEERE, erdoorheen trok,
terwijl dit volk, dat U verworven hebt, erdoorheen trok.
U zult hen brengen en hen planten
op de berg die Uw eigendom is,
Uw vaste woonplaats,
die U gemaakt hebt, HEERE,
het heiligdom, Heere,
dat Uw handen gesticht hebben.
De HEERE zal regeren
voor eeuwig en altijd!
Want het paard van de farao, met zijn strijdwagen en zijn ruiters, waren in de zee gekomen, en de HEERE had het water van de zee over hen terug doen vloeien. Maar de Israëlieten gingen op het droge, midden in de zee.
Mirjam, de profetes, de zuster van Aäron, nam een tamboerijn in haar hand, en al de vrouwen gingen achter haar aan, met tamboerijnen en in reidans.
Toen zong Mirjam hun ten antwoord:
Zing voor de HEERE,
want Hij is hoogverheven!
Het paard en zijn ruiter
heeft Hij in de zee geworpen.
Er valt van alles over die Schriftgedeelte te zeggen. We zien de nabije toekomst in dit hoofdstuk als het ware zich ontvouwen. Sommige gedeelten heb ik met nadruk gelezen. En misschien is het u niet ontgaan dat alle daden die hier beschreven zijn spreken over Zijn daden. Over wat Hij gedaan heeft en heel binnenkort ook zal doen. Nergens, maar dan ook nergens wordt gesproken over wat het volk deed. Geen enkele strijd werd door het volk gevoerd. De HEERE, Hij streed voor Zijn Volk en zal binnenkort ook voor u en voor mij strijden. En dat doet Hij ook nu en vandaag.
Maar ik heb het zojuist niet goed gezegd. Het volk deed toch iets, luister maar: de Israëlieten gingen op het droge, midden in de zee. Zij gingen op de weg die Hij bereid had. Gewoon maar achter Hem aan. Geen strijd, niet God een handje helpen in Zijn strijd tegen de farao en zijn trawanten. Nergens voor nodig. Hij is best in staat Zelf de strijd te voeren. O ja, en ook dit deed het volk: Mirjam, de profetes, de zuster van Aäron, nam een tamboerijn in haar hand, en al de vrouwen gingen achter haar aan, met tamboerijnen en in reidans.
Toen zong Mirjam hun ten antwoord:
Zing voor de HEERE,
want Hij is hoogverheven!
Het paard en zijn ruiter
heeft Hij in de zee geworpen.
Lieve mensen, het kan er in de nabije toekomst flink aan toegaan hoor, maar de overwinning staat vast. Groot en wonderbaar zijn uw werken, Here God, Almachtige; rechtvaardig en waarachtig zijn uw wegen, Gij, Koning van de volken. Wie zou niet vrezen en uw naam niet verheerlijken? Immers, U alleen bent heilig. Want alle volken zullen komen en zullen voor U neervallen in aanbidding, omdat uw gerichten openbaar zijn geworden.
Als dat geen zegen is.
Psalm 105 -50-: Over overwinnaars gesproken -4-
Over overwinnaars gesproken (4)
De tekst uit Psalm 105 spreekt over de uittocht van het volk door de Schelfzee en de 05F105volkomen, en u hoort het goed, de volkomen verlossing van de vijand Egypte, de Farao en zijn volk en alle goden van Egypte. In Exodus lezen we: En niet een bleef er van heb over.
We lazen zojuist: Hij leidde hen uit met zilver en goud, onder hun stammen was niemand die struikelde. Ik heb mijzelf in de afgelopen periode afgevraagd waarom dat laatste, dat niemand struikelde er zo expliciet bij stond. Want is dat nou zo bijzonder. Maar nu ik er langer over nagedacht heb ligt misschien wel een deel van de oplossing in de tegenstelling met de Farao en al zijn leger die het volk achterna gingen in de Schelfzee en daar allemaal bleken te struikelen en er niet een overbleef. Wat een contrast? De een gaat met goud en zilver naar de overkant en de ander vindt de dood door dezelfde Rode zee.
De Rode of de Schelfzee, die een beeld van de doop blijkt te zijn. In 1 Korinthe 10 lezen we namelijk: En ik wil niet, broeders, dat u er geen weet van hebt dat onze vaderen allen onder de wolk waren en allen door de zee zijn gegaan, en dat allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee.
En ook hier zien we opnieuw een patroon in de Schrift. Want van Noach lezen we in 1 Petrus 3 lezen we:
Want het is beter te lijden – als God dat wil – terwijl u goeddoet dan terwijl u kwaad doet. Want ook Christus heeft eenmaal voor de zonden geleden, Hij, Die rechtvaardig was, voor onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen. Hij is wel ter dood gebracht in het vlees, maar levend gemaakt door de Geest, door Wie Hij ook, toen Hij heenging, aan de geesten in de gevangenis gepredikt heeft, namelijk aan hen die voorheen ongehoorzaam waren, toen God in Zijn geduld nog eenmaal wachtte in de dagen van Noach, terwijl de ark gebouwd werd, waarin weinige dat is acht zielen behouden werden door het water heen.
Het tegenbeeld daarvan, de doop, behoudt nu ook ons.
Het patroon ontvouwt zich: Eerst de geschiedenis met Nacht, vervolgens het gaan van Mozes en het volk door de rode zee, vervolgens de doop van de gelovigen in de Messias en dan straks in de nabije toekomst waarvan we lezen in het laatste boek, het sluitstuk van Zijn verlossingsplan met deze wereld:
Openbaring 2, vers 7: Wie overwint, hem zal Ik te eten geven van de Boom des levens, die midden in het paradijs van God staat.
Openbaring 2, vers 11: Wie overwint, zal zeker geen schade toegebracht worden door de tweede dood.
Openbaring 2, vers 17: Aan wie overwint, zal Ik van het verborgen manna te eten geven, en Ik zal hem een witte steen geven met op die steen een nieuwe naam geschreven, die niemand kent dan wie hem ontvangt.
Openbaring 2, vers 26: En wie overwint en wie Mijn werken tot het einde toe in acht neemt, hem zal Ik macht geven over de heidenvolken.
Openbaring 3, vers 5: Wie overwint, zal bekleed worden met witte kleren en Ik zal zijn naam beslist niet uitwissen uit het boek des levens, maar Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen.
Openbaring 3, vers 12: Wie overwint, hem zal Ik tot een zuil in de tempel van Mijn God maken, en hij zal daaruit niet meer weggaan. En Ik zal de Naam van Mijn God op hem schrijven en de naam van de stad van Mijn God, het nieuwe Jeruzalem, dat neerdaalt uit de hemel, bij Mijn God vandaan, en Mijn nieuwe Naam.
Openbaring 3, vers 21: Wie overwint, zal Ik geven met Mij te zitten op Mijn troon, zoals ook Ik overwonnen heb, en Mij met Mijn Vader op Zijn troon gezet heb.
Openbaring 21, vers 7: Wie overwint, zal alles beërven, en Ik zal voor hem een God zijn en hij zal voor Mij een zoon zijn.
Maar laten we bij dit alles, evenals bij de voorgaande patronen, bij Noach, bij het gaan van het volk door de Rode zee, en in de tijd waarin wij leven bedenken dat de strijd en overwinning niet door onze daden, maar ondanks onze daden voor behaald, door Christus, de Messias die voor ons de strijd en overwinning heeft behaald. Inderdaad, meer dan overwinnaars.
Als dat geen zegen is.
Psalm 105 -51-: Over overwinnaars gesproken -5-
Over overwinnaars gesproken (5)
Ja, ik weet het, we hebben inmiddels al viermaal hierbij stilgestaan, maar sta mij toe nog eenmaal met u na te denken over dit aspect. Eerder haalde ik in dit programma al aan dat de apostel Paulus in Romeinen 8 spreekt over het feit dat de gelovigen in Christus, de Messias ‘meer van overwinnaars’ zijn. Want wanneer we verlost zijn, nu niet uit het diensthuis van Egypteland, maar uit het diensthuis van de zonde, verlaten hebben, zijn we niet met goud en zilver beladen maar met alle geestelijke zegening in Christus, in de Messias.
In Romeinen 8 spreekt Paulus over de zekerheid van het geloof: niets kan ons scheiden van Gods liefde in Christus Jezus! De apostel onderstreept dat aan de hand van drie belangrijke vragen.
Hij weet hoe mensen in elkaar zitten, en de wereld, maar ook de tegenstander, die ons denken telkens weer weet te beïnvloeden en ons aan het twijfelen wil brengen. Een beschuldiging is zo geuit. En Paulus, weet dat, ik zou bijna zeggen als geen ander, want schrijft hij in 2 Korinthe 12 vers 7: En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen.
Maar vraagt hij in Romeinen 8: "Wie zal beschuldigen inbrengen tegen de uitverkorenen van God?" (vs. 33). Je mag weten dat God vóór je is en niet tegen je, en dat je in Christus, in de Messias, in de Gezalfde, in de Bevrijder, alles hebt ontvangen wat nodig is. Dat zie je en ervaar je allemaal nog niet vandaag, dat wordt in de toekomst allemaal openbaar. Als Paulus vraagt: “Wie zal beschuldigingen inbrengen…?”, luidt het antwoord: “God is het Die rechtvaardigt”!
Als de Allerhoogste je heeft vrijgesproken en gezegd heeft: 'Al je zonden zijn vergeven', sterker nog: 'Je bent volkomen gereinigd', wie kan er dan nog een beschuldigende vinger opheffen? God is het, Die rechtvaardigt en Hij is Degene, Die vasthoudt aan Zijn werk en aan Zijn beloften! Dat was en is het werk, dan dat kon er kan er maar een, toen en nu en dat is de Hogepriester.
Verdoemen is: veroordelen. Romeinen 8:1 zegt: "Dus is er nu geen verdoemenis voor hen die in Christus Jezus zijn…" Het offer dat de Heere Jezus, Jeshua haMesseach, heeft gebracht, is toereikend voor alles en er is geen zonde te groot of het is door Hem weggedaan. Machtig! Wie zal dan veroordelen?
De verlossing is radicaal. Het is niet dat Hij de zaak maar wat opgepoetst of schoongemaakt heeft. God heeft het grondig aangepakt. De Heere Jezus zegt, dat de gelovige verlost is, overgeplaatst, zodat hij/zij eeuwig leven heeft en niet in het oordeel komt, want hij is “uit de dood overgegaan in het leven" (Joh. 5:24)!
Hebr. 8:12 Want Ik zal hun ongerechtigheden genadig zijn, en hun zonden en hun overtredingen zal Ik geenszins meer gedenken.
Dat is de situatie, dat zijn de feiten. Zo heeft God het gewild en zo heeft Hij het ook gedaan. Wie zal dan nog veroordelen? Ja, je kunt jezelf veroordelen, anderen kunnen je veroordelen, maar voor God is dat allang niet meer relevant. Christus Jezus is de gestorvene. Hij heeft dat oordeel gedragen. Daarom stierf Hij aan het kruis: Het is volbracht! En wat méér is, Hij is ook de Opgewekte (vs. 34). Op de derde dag stond Hij op uit de dood, als de Eersteling van een nieuwe schepping, een nieuw leven, en daar heeft elke gelovige nu deel aan: de garantie van eeuwige zaligheid!
Tenslotte is er nog de vraag: “Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?” (vs. 35). Paulus noemt vervolgens zeven dingen op (het getal van de volkomenheid): “Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of het zwaard?” Hij had ook gewoon één antwoord kunnen geven, namelijk: Niets! Helemaal niets! In vers 38 en 39 noemt de apostel tien dingen op, waarvan hij overtuigd is. Niet twijfelachtig dus, maar zeker weten!
- Noch dood
Je kunt sterven. Maar betekent dat, dat je daardoor gescheiden wordt van God? Nee, want je behoort God toe in leven en in sterven.
- Noch leven
Kun je in je leven gescheiden worden van God? Nee! Het leven, met alles erop en eraan (ook fouten en tekortkomingen), kan je niet scheiden van de liefde van Christus. Je bent onlosmakelijk met Hem verbonden.
- Noch engelen, noch overheden
Ook engelen en machten die veel groter en heerlijker zijn dan wij, zelfs de duivel, de tegenstander, is niet bij machte om ons te scheiden van God.
- Noch tegenwoordige, noch toekomstige dingen
Wij maken ons vaak zorgen over dingen die nooit komen. We kunnen onszelf ermee kastijden! Maar... wat er ook gebeurt in het heden of in de toekomst, je kunt nooit (meer) los raken van God.
- Noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel
Niets van wat tot de schepping behoort, kan je scheiden van God! God staat er boven. Hoe groot de machten binnen de schepping ook kunnen zijn, de Schepper is altijd groter. In Psalm 57 lezen we, dat David schuilt bij God, de Allerhoogste: "... Die Zijn werk aan mij voltooien zal" (vs. 3). God is het begin en ook het einde. Hij maakt Zijn werk af (zie ook Fil. 1:6).
Wat betekent dat nu voor de praktijk van ons leven? Dat betekent wat vers 37 zegt: "Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars...". Wat wij ook meemaken. Je kunt wat Paulus zegt, aanvullen met: ziekte, strijd, zorg, teleurstelling, etc.
Een gelovige kan in de meest afschuwelijke omstandigheden terecht komen. Maar die gelovige, en daarom heet hij ook een gelovige, mag vertrouwen op het Woord van God en weten dat hij in dat alles toch meer dan overwinnaar is en niet gescheiden kan worden van de liefde van God.
De overwinning is van God en door God, en daarom kan niemand ons scheiden van Hem!
Als dat geen zegen is.
Psalm 105 -52: Over een wolk gesproken -1-
Over een wolk gesproken (1)
We zijn deze morgen bij een bijzondere passage in de Bijbel terecht gekomen: De verschijning van een wolk, die volgens de schrijver van de Psalm door de Aanwezige over het volk werd uitgespreid om het volk te bedekken en vuur om de nacht te verlichten.
Degenen die bekend zijn met de Bijbel zullen zich hierover niet verbazen, maar wanneer je dit voor het eerst leest en je daar een voorstelling van maakt zullen toch wellicht met de ogen knipperen.
Want deze wolk en dit vuur was gedurende de hele reis van het volk bij hen. Vanaf het moment dat het volk uit Egypte vertrok tot het moment dat Israel het Beloofde Land intrekt. Gedurende de hele barre woestijntocht.
Bij de voorbereiding op deze ochtend kwam ik het achter dat er boeken en boekenvol over deze wolk die het volk begeleidde geschreven zijn. Zullen we gewoon eens beginnen?
In het Hebreeuws wordt hetzelfde woord gebruikt om zowel "oog" als "put" te betekenen (עַיִן ayin). Welke betekenis kwam eerst? Dat is moeilijk te zeggen, maar de metafoor, de beeldspraak die ingebed is tussen het verschil in betekenis tussen deze twee woorden gaat beide kanten op.
Een "oog" is de "put" van iemands gezicht, en, een "put" is het "oog" van de aarde."
In het Nederlands kennen we de uitdrukking dat het oog de spiegels van onze ziel zijn. Onze ogen liegen niet: ze zijn de spiegels van onze ziel. Ze laten de waarheid zien in elke situatie, ongeacht het masker dat we op zetten.
En in Lukas 11 lezen we: De kaars van het lichaam is het oog; wanneer dan uw oog eenvoudig is, zo is ook uw gehele lichaam verlicht; maar zo het boos is, zo is ook uw gehele lichaam duister.
Eeuwenlang hebben geleerden nagedacht over het mogelijke verband tussen de Hebreeuwse woorden voor "wolk" עֲנַן en "gezicht" עֵינִי. Zoals we lezen in Exodus 40:38: Want de wolk van de HEERE was overdag op de tabernakel, en 's nachts was er een vuur in, voor de ogen van heel het huis van Israël tijdens al hun tochten.
Wanneer de woorden worden teruggebracht tot de tweeletterige wortel ע-ן ayin en nun, blijken de woorden verwantschap te hebben. Net als in het Engels wordt het Hebreeuwse woord voor "wolk" gebruikt om zowel een fysieke "wolk" te betekenen als de metaforische "wolk" die "duister" of "onduidelijk" betekent.
Miljoenen mensen werken tegenwoorden in op de computer in de cloud, in de wolk. Niet letterlijk natuurlijk, maar figuurlijk. Wanneer twee mensen elkaar begrijpen wordt gezegd dat ze "oog in oog" zien.
En er is geen reden om te denken dat de Bijbelschrijvers deze associatie niet zagen in de twee woorden die een nagenoeg een vergelijkbare schrijfwijze hebben met uitzondering van de zeer zachte medeklinker י yod, die vergelijkbaar is met de Engelse letter "y". In Hebreeuwse gebedenboeken worden twee יְיָ yods gebruikt om Gods naam weer te geven.
Dus, kunnen we zeggen dat wanneer we Gods naam in een "wolk" plaatsen, we "zicht" hebben.
Maar het tegenovergestelde blijkt in het Hebreeuws ook waar: De Hebreeuwse woorden voor "zonde" heeft ook deze wortel. Het woord עָווֹן avone is een "zonde" die ons "oog" kan "vertroebelen" van goed zien.
Het woord עָוֹן avone wordt vaak vertaald als "ongerechtigheid", en betekent letterlijk "verdraaid, pervers, gebogen, en afgeweken". Een avone een zonde, komt voort uit een verdraaide en verwrongen kijk op de werkelijkheid en is een immorele zonde die voortkomt uit uit de hand gelopen emoties of lust.
Een avone, een zonde, wordt vaak begaan uit een zwakheid in karakter, en niet noodzakelijkerwijs in bewuste tarting van God. Dit type zonde wordt in verband gebracht met veel verslavingen. De persoon die deze zonde begaat is vaak misleid door zichzelf, en kan zelfs geloven dat hij of zij een goede reden heeft voor het gedrag. Bijvoorbeeld, wraakzuchtige gedachten en de meeste vormen van roddelen vallen in deze categorie van zonde.
Maar er is nog een heel ander aspect aan het Hebreeuwse woord anan dat "wolk" betekent, want het wordt in de Bijbel ook gebruikt voor "waarzeggerij". Werd dit soort waarzeggerij door de Israëlieten als een zonde beschouwd? Of werd de vorm van wolken in Bijbelse tijden gebruikt als een middel tot waarzeggerij? Het is mogelijk, het woord voor "wolk" echter met anna, een Arabisch woord voor "verschijning", wat opnieuw de mogelijkheid met zich meebrengt dat het zien van een "oog" wordt geassocieerd met zowel "wolk" als "waarzeggerij".
Het werkwoord ‘gânân’ heeft ook de betekenis van ‘bedekken’ of ‘overdekken’. De luchtwolken zijn, in zekere zin, een bedekking. Dit werkwoord komt voor in Genesis 9:14. Je zou kunnen schrijven: "als ik de aarde met wolken (of ‘bedekselen’) zal bewolken (of: ‘bedekken’).
De Statenvertaling geeft gewoonlijk een vorm van dit werkwoord weer door "guichelaar" of "guichelarij"; en de NBG door "toverij", "wichelaar", "toekomstvoorspelling", "waarzegger".
In dergelijke gevallen betreft het waarschijnlijk waarzeggerij door het waarnemen der wolken, ofwel het zich bezig houden met "bedekte" dingen (occultisme).
In Micha 5:11 lezen we: Ik zal de toverijen uit uw hand uitroeien en u zult geen wolkenduiders meer hebben.
Weer even terug naar de tekst uit Exodus 40 vers 38: Want de wolk van de HEERE was overdag op de tabernakel, en 's nachts was er een vuur in, voor de ogen van heel het huis van Israël tijdens al hun tochten.
Dit vers uit de Torah, kunnen we op grond van wat we hiervoor allemaal in de Schrift gevonden hebben een unieke interpretatie geven. Hier is een voorbeeld: "Wanneer datgene wat het zicht van het volk verduisterde opsteeg, konden zij zich verplaatsen (lit. "hun tentstaken optrekken"). Maar wanneer hun zicht werd verduisterd door bewolkte onzekerheid, bleven zij in hetzelfde kamp."
En eerlijk, zo heb ik de tekst nog nooit begrepen. Inderdaad, het Hebreeuws is een unieke taal.
Nu nog heel even naar wat wij de vuurkolom noemen.
Wat brengt de mensen, behalve de maan, zicht in de nacht? Een goed vuur, een fakkel, of een lantaarn. Dus zelfs 's nachts mochten de Israëlieten zien wat er voor hen lag. Wat is het onderliggende principe van beweging en rust tijdens de Exodus?
Eerst moet de wolk (onzekerheid, twijfel, duister zicht) opstijgen, zodat we vooruit kunnen komen.
Dit is wat de Israëlieten leidde gedurende alle tweeënveertig reizen gedurende alle veertig jaar in de woestijn. De Israëlieten leerden hoe zij de wolken konden lezen, net zoals wij vandaag leren hoe wij onze emoties kunnen "lezen" in de ogen. Wij leren hoe wij datgene kunnen "lezen" wat ons verhindert om helderziende beslissingen te nemen, terwijl wij vooruitgaan in ons leven.
Tot slot, ter afsluiting vanmorgen nog even dit. De betekenis van wolken kan zowel positief als negatief worden uitgelegd. We spreken van iemands gedachten die troebel zijn (wat 'onduidelijk' of 'duister' betekent). We zeggen bijvoorbeeld dat "elke wolk een zilveren randje heeft" alsof de wolk symbool staat voor pijnlijke situaties. We zeggen over iemand dat hij met zijn hoofd in de wolken loopt alsof wolken een symbool zijn van onrealistisch denken.
Dus, wat is het? Geluk of onduidelijkheid? Hoewel het Bijbels Hebreeuws ditzelfde begrip ook had in de uitgebreide betekenis van het woord "wolk", spreekt de Torah over wolken in hun beschermende hoedanigheid. Bijvoorbeeld: “En de JHWH ging overdag voor hen uit in een wolkkolom, om hen de weg te wijzen; en 's nachts in een vuurkolom om hen licht te geven; opdat zij dag en nacht zouden gaan (Exodus 13:21).”
De wolk beschermde de Israëlieten in de woestijn tegen de hitte van de dag, net zoals de vuurkolom hen verwarmde in de koude nachten.
Een even positieve kwaliteit van wolken wordt gezien wanneer tegen Mozes wordt gezegd: "Zie, de Glorie van de JHWH verscheen in de wolk (Exodus 16:10).” In zijn beschermende hoedanigheid wordt de wolk geïdentificeerd als een soort beschermende bedekking of dakbedekking op de heilige ontmoetingsplaats.
De Thora verklaart: “En de wolk bedekte de tent der samenkomst, en de heerlijkheid van JHWH vulde de tabernakel. Exodus 40:44.”
Als dat geen zegen is.
Psalm 105 -53-: Over een wolk gesproken -2-
Over een wolk gesproken (2)
In de voorgaande aflevering hebben we gezien dat de Bijbel ons de twee kanten van de symboliek van wolken laat zien. Aan de ene kant is het beschermend en vormt het een bedekking. Aan de andere kant vertegenwoordigt de wolk datgene waar niet doorheen kan worden gekomen, waardoor het zicht wordt verduisterd.
In het Boek Klaagliederen profeteert Jeremia tot God en roept: "U hebt Uzelf met een wolk bedekt, zodat ons gebed er niet doorheen zou gaan (Klaagliederen 3:44)",
Maar even verderop in Jesaja lezen we: Ik heb uw overtredingen uitgewist, en uw zonden keren naar mij terug als een wolk, want ik heb u verlost (Jesaja 44:22).”
Misschien ligt de betekenis van de wolk, het Hebreeuwse begrip (עָנָן anan) wel verborgen zijn in een mysterie denken de Rabbijnen. En zij halen het volgende voorbeeld aan:
Heb je ooit met een vriend of vriendin in de mist gelopen? En heb je er ooit wel eens bij stilgestaan dat je stem op dertig meter afstand hoorbaar was? Mist blijkt een uitstekende drager en zender van geluid. Zelfs ons gefluister wordt over lange afstanden gedragen als we een mist ingaan. Maar als geluid wordt gedragen, is het zicht beperkt in het midden van een mist.
We zeggen "we zitten in de mist" als we niet erg helder kunnen denken. In de natuur vermindert mist het gezichtsvermogen, maar versterkt het gehoor. In de Thora (Deuteronomium 6:4) zegt Mozes niet tegen de Hebreeën: "Zie, o Israël", maar eerder: "Hoor, o Israël", alsof geluid het geprefereerde zintuig was om het goddelijke te ervaren. Er schuilt een mysterie in het beperken van het gezichtsvermogen om het gehoor te vergroten, en daarom sluiten de Joden hun onze ogen wanneer zij het Shema zingen.
Het mysterie lijkt te maken te hebben met wat we waarnemen als dichtbij en veraf. Net zoals de mist geluid geleidt en het zicht verduistert, zo lijkt geluid dichtbij te brengen wat eigenlijk ver weg is.
Probeer maar eens te luisteren naar iemand waar je om geeft met je ogen open. De woorden die je hoort kunnen inspirerend of mooi zijn, maar het zien creëert een gevoel van de "realiteit" van scheiding van dat wat buiten je is.
Als je met je ogen open luistert, heb je een relatie met de persoon die aan het woord is.
Maar wanneer je naar diezelfde persoon te luistert met je ogen dicht gebeurt iets mysterieus met je dieptewaarneming. Het is moeilijker om te onderscheiden hoe ver de persoon van je verwijderd is zonder je gezichtsvermogen.
Sterker nog, het kan lijken alsof de woorden van binnenuit komen in plaats van iemand anders. Op een allegorisch niveau leerde Rabbi Shlomo Carlebach dat dit de reden is dat we onwillekeurig onze ogen sluiten als we iemand kussen van wie we houden. Het is alsof ons hele wezen zegt: “Je bent een deel van mij, ik ben een deel van jou. Wij zijn een. Ik houd van je!".
Wellicht is dat een reden om met de ogen dicht te bidden?
Een wolk is een beschermende barrière in de woestijn - het is vaak een welkom teken dat de belofte of regen in droge landen vasthoudt. Het is geen wonder dat de uitgebreide betekenis van het woord 'wolk' in de Hebreeuwse geest te maken had met 'bedekken' en bescherming.
De Aanwezige verschijnt in een wolk, en de wolk is een indicatie van de rustplaats van Gods tegenwoordigheid. Metaforisch kunnen we zeggen dat God in de duisternis verschijnt. Als we helder worden, de ogen openen worden we rationeel en ervaren we de Aanwezige minder. Maar wanneer we moeite en zorgen ervaren, er boven ons leven bij wijze van spreken de wolken zich boven ons leven samenpakken, is er een grotere kans voor ons om de Aanwezige te ervaren. Hoeveel mensen geltuigen niet dat in de diepste momenten van hun even, bijvoorbeeld bij het verlies van een geliefde God er bij was? We denken dat we God minder nodig hebben als er duidelijkheid in ons leven is, maar wanneer iets ons zicht verduistert, ervaren we Zijn aanwezigheid.
Een voorbeeld is met betrekking tot het zicht is dat we 's nachts het verst zien. We denken dat licht ons in staat stelt te zien, en op een bepaald niveau doet het dat ook, maar licht verlicht alleen dat wat dicht bij ons is.
In feite weerhoudt licht ons ervan om de verste afstanden te zien. Wanneer kunnen we sterren zien? 's Nachts, wanneer er alleen duisternis is tussen onze ogen en elke ster. Zoals mist geluid geleidt, zo geleidt duisternis het zicht. 's Nachts kunnen we sterren zien die lichtjaren verwijderd zijn. Overdag zorgt het zonlicht ervoor dat we die grote afstanden niet kunnen zien. Het licht van de zon vernietigt elke mogelijkheid om de sterren te zien.
Er is geen situatie in het leven waarin de Aanwezige zijn kinderen, u en mij, in de steek laat. Hij is aanwezig in de donkerste nachten van pijn en mislukking, evenals op de dagen van vreugde en voorspoed.
Het is waar dat we Hem 's nachts nodig hebben, wanneer we onze zwakheid beseffen, maar misschien nog meer overdag, wanneer we ons sterk voelen.
Hoewel deze zichtbare wolk vandaag de dag niet meer wordt gezien, kan Gods krachtige aanwezigheid nog steeds krachtig worden ervaren in ons leven.
Als dat geen zegen is.
Psalm 105 -54-: Over een wolk gesproken -3-
Over een wolk gesproken (3)
Mozes schreef: "En de HEERE, JHWH, de Aanwezige, ging voor hen uit, overdag in een wolkkolom om de weg te wijzen, en 's nachts in een vuurkolom om hun licht te geven, om dag en nacht te gaan. Hij nam de wolkkolom overdag en de vuurkolom 's nachts niet weg voor het aangezicht van het volk' (Exodus 13:21, 22 ).
Oude legerleiders gebruikten soms rook- of vuursignalen om hun troepen door de wildernis te leiden. Israëls wolk- en vuurkolom werd echter niet door menselijke middelen voortgebracht, het was een wonderbaarlijke weergave van de aanwezigheid van God Zelf, JHWH (1 Korintiërs 10:1-4) die voor hen verscheen toen ze Etham verlieten en de woestijn binnengingen.
We lezen daar namelijk:
En ik wil niet, broeders, dat u er geen weet van hebt dat onze vaderen allen onder de wolk waren en allen door de zee zijn gegaan, en dat allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee, en allen hetzelfde geestelijke voedsel gegeten hebben, en allen dezelfde geestelijke drank gedronken hebben. Zij dronken namelijk uit een geestelijke rots, die hen volgde; en die rots was Christus, de Messias.
In de wolkkolom wandelde de Heer Zelf met Zijn volk. En vanuit de wolk sprak Hij tot Mozes. Daar verscheen de heerlijkheid van de Heer, bekend als de "Shekinah", (Exodus 16:10;40:34). Het was vergelijkbaar met de manier waarop de Heere Zichzelf al aan Mozes had geopenbaard bij de brandende braamstruik (hfst. 3:2), en bij de Sinaï in donder en bliksem (ch. 19:16, 18). Zo vertegenwoordigden het vuur en de wolk de goddelijke leiding en bescherming.
Kijk, dit verhaal hebben we misschien al tientallen keren gehoord. En het kan zomaar zijn dat bij wijze van spreken de sleet er in gekomen is en we de verbazing over dit feit kwijt geraakt zijn. Maar wat moet het voor Mozes en het volk wel niet geweest zijn wanneer God nota bene in zichtbare vorm veertig jaar, het getal van een geslacht, dus je hele leven met je optrekt.
Gods aanwezigheid
De wolkkolom moest de Israëlieten overdag leiden en 's nachts hun kamp verlichten. Uit Nehemia 9:19 en Numeri 9:15–23 kunnen we concluderen dat de wolkkolom en de vuurkolom tijdens hun reizen door de wildernis bij Israël bleven. Aangezien er geen melding van wordt gemaakt in het boek Jozua, kan het zijn verdwenen net voor het oversteken van de Jordaan, aan het einde van de 40 jaar. Dus, aangekomen in het Beloofde Land was er geen sprake meer van de wolk- en vuurkolom. Maar dat was ook niet nodig want zij waren bij wijze van spreken in Gods huis terecht gekomen. Het was en is en zal altijd Zijn land zijn.
Maar mag ik het vandaag eens doortrekken naar ons leven? Al deze dingen nu zijn hun overkomen als voorbeelden lezen we in 1 Korinthe 10.
Het feit dat de wolkkolom bij Israël bleef tijdens hun lange reis, zelfs toen ze ontrouw waren, is een hoop voor u en mij dat de HEERE u en mij niet in de steek zal laten op onze levensweg.
Er is geen situatie in het leven waarin de Heere zijn kinderen in de steek laat. Hij is aanwezig in de donkerste nachten van pijn en mislukking, evenals op de geweldige dagen van vreugde en voorspoed. Het is waar dat we Hem 's nachts nodig hebben of in de nachten van ons leven, wanneer we onze zwakheid beseffen, maar misschien nog meer overdag, wanneer we ons sterk voelen.
Hoewel deze zichtbare pilaar vandaag de dag niet meer wordt gezien, kan Gods aanwezigheid nog steeds ervaren worden in ons leven. We hebben Zijn geschreven Woord wat het volk van Israel ontbeerde, wij hebben de eeuwen achter ons liggen waarin God Zijn Woord steeds maar weer opnieuw nakwam. We vinden in Zijn Woord kracht voor vandaag en blijde hoop voor de toekomst.
Gezegend zijn we wanneer we Gods leiding in ons leven zien.
Psalm 105 -55-: Over een wolk gesproken -4-
Over een wolk gesproken (4)
Het volk gaat onder Gods leiding naar het beloofde land. Hij geeft de route aan. Dat doet de Heere overdag d.m.v. een wolkkolom en ’s nachts door een vuurkolom.
Die wolkkolom en vuurkolom hebben verschillende functies. Daar wil ik vanmorgen eens met u over nadenken. Misschien leert het ons iets.
Ten eerste geven ze de richting aan.
Het is dus een soort navigatie. Ten tweede zorgt de wolkkolom overdag voor schaduw en de vuurkolom verlicht de pik- en pikdonkere woestijnnacht. Tenslotte zijn ze een teken van de blijvende nabijheid en trouw van de HEEERE. De Israëlieten mogen de wolk - en vuurkolom volgen.
Dit wil niet zeggen dat ze de kortste route aangewezen krijgen. Integendeel. Die kortste route rechtstreeks naar het Beloofde land zou ongeveer twee weken hebben geduurd. Maar Hij leidt de Israëlieten om. Dat doet de Heere niet voor niets. De Egyptenaren zullen daardoor denken dat ze verdwaald zijn. De Heere zal het hart van Farao verharden zodat hij de Israëlieten zal najagen. Ondanks alles wat er gebeurd is, krijgt Farao spijt dat hij het volk vrijgelaten heeft. Hij jaagt ze achterna met een groot leger. Daar gaat hij…
De wolkkolom is het middel waarmee en waarin God zijn volk overdag leidde op de weg in de woestijn. Dat was geen zinnebeeld maar de realiteit van Gods tegenwoordigheid als Leidsman en Hoeder van zijn volk.
Exodus 13:21 De HEERE ging vóór hen uit, overdag in een wolkkolom om hun de weg te wijzen, en 's nachts in een vuurkolom om hun licht te geven, zodat zij dag en nacht verder konden trekken. Hij nam de wolkkolom overdag en de vuurkolom in de nacht niet weg voor de aanblik van het volk.
Numeri 14:14 Zij zullen het zeggen tegen de inwoners van dit land, die gehoord hebben dat U, HEERE, in het midden van dit volk bent, dat U oog in oog gezien wordt, HEERE, en dat Uw wolk boven hen staat, en dat U overdag in een wolkkolom voor hen uit gaat en 's nachts in een vuurkolom.
In de wolk zag Hij neer (letterlijk en figuurlijk) op het leger van de Egyptenaren (Ex. 14:24). Maar het gebeurde bij het aanbreken van de dag, dat de HEERE in de vuur- en wolkkolom neerzag op het leger van de Egyptenaren, en Hij bracht het leger van de Egyptenaren in verwarring
In de wolkkolom daalde Hij later neer tot bij de ingang van de tent der samenkomst (Ex. 33:9). Vanuit de wolkkolom riep Hij Aäron en Mirjam (Num. 12:5). Hij sprak tot de Israëlieten in een wolk (Ps. 99:7).
Ne 9:19 Zelfs toen ze voor zichzelf een gegoten kalf gemaakt hadden en zeiden: Dit is uw God Die u heeft doen optrekken uit Egypte, en grote godslasteringen hadden gepleegd, hebt U hen in Uw grote barmhartigheid toch niet verlaten in de woestijn. De wolkkolom week overdag niet van boven hen om hen te leiden op de weg, en ook de vuurkolom 's nachts niet om voor hen de weg te verlichten waarop zij zouden gaan.
De wolkkolom diende overdag tot een deksel tegen de hitte van de zon. En ik weet niet of u in die buurt in de woestijn wel eens geweest bent, maar het kan er echt verschrikkelijk warm zijn. Ps 105:39 Hij breidde een wolk uit tot een deksel, en vuur om den nacht te verlichten. (SV)
De wolk diende eveneens als bescherming voor het volk:
Ex 14:19 En de Engel Gods, Die voor het heir van Israël ging, vertrok, en ging achter hen; de wolkkolom vertrok ook van hun aangezicht, en stond achter hen. (SV)
In de wolk daalde de HEERE ook neer tot bij de ingang van de tent der samenkomst.
Ex 33:9 Zodra Mozes de tent binnenging, gebeurde het dat de wolkkolom neerdaalde en bij de ingang van de tent bleef staan en dat [de HEERE] met Mozes sprak. Ex 33:10 En zodra heel het volk de wolkkolom zag staan bij de ingang van de tent, stond heel het volk op en boog zich neer, ieder in de opening van zijn tent. (HSV)
Wat een zorg van de HEERE God voor Zijn volk, vind u ook niet. Als je dit zo op een rijtje zet, dan komt de gedachte naar boven dat het volk het zonder de wolk niet gered had in de woestijn van hun leven.
En ik zeg het juist op deze manier omdat ook wij het zonder Hem in ons leven het er ook niet levend van afbrengen. Een oude leraar van mij zij vroeger wel eens: Mensen die hun leven onder God doorbrengen bestaan wel, maar zij leven niet.
Wat zijn we toch begenadigd wanneer we Hem hebben mogen leven kennen. Wanneer Hij onze Leidsman is op de weg in ons leven, wanneer Hij onze bescherming is. Lees Psalm 23 maar eens. En we kunnen dat op twee manieren lezen en het is in het Hebreeuws alle twee waar: Mij zal niets ontbreken, maar er staat tegelijkertijd: Ik zal niet ontbreken.
Als dat geen zegen is.
Psalm 105 -56-: Over vlees gesproken
Over vlees gesproken
Als je er even bij stilstaat, wat een zorg van de HEERE voor Zijn volk, vind U ook niet? Hij leidt Zijn volk uit beladen met zilver en goud, gezondheid, want niemand struikelde, verlost hen van die verschrikkelijke vijand, zorgt voor een schaduwdoek tegen de stekende zon, verlichting in de nacht. Je zou denken: Niets te klagen. Maar Zijn zorg gaat verder.
Op hun gebed om voedsel heeft Hij geantwoord door “kwartels” te laten komen en hen met “hemels brood”, het manna, te verzadigen (vers 40; Ex 16:13-16).
In Exodus wordt er maar heel in het kort iets gezegd over de komst van de kwartels, maar in Numeri 11 lezen we een uitgebreider:
Toen stak er van de kant van de HEERE een wind op en voerde kwakkels aan vanaf de zee, en verspreidde ze boven het kamp, ongeveer een dagreis naar de ene kant en een dagreis naar de andere kant, rondom het kamp, ongeveer twee el hoog boven het aardoppervlak.
En het volk stond op, die hele dag en die hele nacht, en heel de volgende dag, en men verzamelde de kwakkels. Wie het minst had, had tien homer (Een homer is een korenmaat van vermoedelijk tussen de 200 en 450 liter). verzameld, en men spreidde ze wijd voor zich uit, rondom het kamp.
Het vlees zat nog tussen hun tanden, voordat het gekauwd was, toen de toorn van de HEERE tegen het volk ontbrandde, en de HEERE bracht het volk een zeer grote slag toe.
Daarom gaf men die plaats de naam Kibroth-Taäva, (Kibroth-Taäva betekent: graven van gulzigheid). want daar hadden zij het volk dat zo gulzig geweest was, begraven.
We lazen zojuist: Zij baden, en Hij deed kwartels komen, Hij verzadigde hen met hemels brood. Weet u wat me zojuist voor het eerst opviel? Het volk verzadigde zich met kwartels, maar het was Gods bedoeling dat zij zich met het hemels brood zouden verzadigen: Hij verzadigde hen met hemels brood.
Bijna alle geleerden identificeren de "שְׂלָו" met de gewone kwartel, een vogel uit de fazantenfamilie. Elke herfst en lente, op hun route tussen Europa en Afrika, migreren kwartels over de zee en landen in de Sinaï woestijn. Ze komen uitgeput aan en zijn een gemakkelijke prooi voor jagers. Sommige kwartels blijken giftig te zijn en verlamming en zelfs de dood te veroorzaken. Het wonder van de "שְׂלָו" in Shemot en de bijbehorende plaag beschreven in Bemidbar kan dus worden begrepen tegen de achtergrond van de natuurlijke migratiepatronen en kenmerken van de kwartel.
In de Bijbel komen kwakkels twee keer voor. In alle twee de gevallen dienden zij als voedsel voor de Israëlieten op weg van Egypte naar Kanaän. In Exodus 16:1-3 lezen wij hoe het volk tegen Mozes en Aäron morde dat het geen eten had, waarop God het vlees en brood beloofde (vn.11-12). Maar hoe? Het was juni en de trektijd voor kwakkels was voorbij. Toch bracht God er genoeg bijeen om het hele volk te verzadigen. Niettemin was Hij niet van plan dit wonder elke dag te herhalen; Hij had Zijn volk een andere kost bereid, het manna.
Dat was het hemelse brood, met een geestelijk les: “Ja, Hij verootmoedigde u, deed u honger lijden en gaf u het manna te eten … om u te doen weten, dat de mens niet alleen van brood leeft, maar dat de mens leeft van alles wat de mond van de HERE uitgaat” (Deuteronium 8:3).
Het manna, het brood dat uit de hemel neerdaalde, stelt het geestelijke voor, en de kwakkels het vleselijke. Israël moest leren op God, en niet op vlees, te vertrouwen. Veelzeggend is het commentaar van de Psalmist: “Zij vroegen en Hij deed kwartels komen, met brood uit de hemel verzadigde Hij hen” (Psalm 105:40). Slechts het ware brood uit de hemel kan ons verzadigen.
En juist dat principe vinden we ook in de tekst die we zojuist lazen in Exodus
Twee jaar later kwamen de Israëlieten weer tegen Mozes in opstand. Zij waren het manna zat, en verlangden vlees te eten (Numeri 11:4-6). Gods toorn ontbrandde en Hij gaf hen een onvergetelijke les: “De HERE zal u vlees geven … een volle maand lang, totdat het uw neus uitkomt en gij ervan walgt … omdat gij de HERE hebt veracht” (vn.18-20).
Mozes kon zijn oren niet geloven, maar Gods hand is niet beperkt! Uit twee richtingen bracht God grote vluchten kwakkels samen, één uit Arabië (O), de andere uit Oost-Afrika (Z) (Psalm 78:26-27). Maar dat hielp hen niet want terwijl zij het vlees nog aan het kauwen waren, sloeg God hen met een zware slag (of, plaag) en velen kwamen om (Psalm 106:15).
Toen gaf Hij hun wat zij begeerden, maar henzelf Letterlijk: hun zielen. Deed Hij uitteren. Letterlijk: zond Hij een uittering.
In Psalm 78 lezen we hier van:
Hij deed de oostenwind opsteken langs de hemel
en voerde door Zijn macht de zuidenwind aan.
Hij liet vlees op hen regenen als stof
en gevleugelde vogels als zand van de zee.
Hij deed het vallen midden in Zijn kamp
rondom Zijn woningen.
Toen aten zij en werden volop verzadigd,
omdat Hij hun bracht wat zij begeerden.
Zij waren van hun begeerte nog niet bekomen,
hun voedsel was nog in hun mond,
of Gods toorn laaide tegen hen op:
Hij doodde de welgedane mensen onder hen
en velde de besten van Israël neer.
Zij die het meest gulzig waren, zij die zich het meest te buiten gingen aan het vlees, de welgedane mensen, de besten van Israel, velde hij neer. Wat een ongelooflijke tragiek.
En opnieuw moet ik denken aan de woorden uit 1 Kor. 10:11 En deze dingen alle zijn hunlieden overkomen tot voorbeelden, en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn.
Tioen ik nog een klein jochie was dacht ik, wanneer ik deze geschiedenissen hoorde lezen altijd: Hoe kan die Farao en hoe kan het volk van God zo dom geweest zijn om niet gewoon te luisteren naar het Woord van God en als het ware elke keer maar weer Gods plagen over zichzelf uit te roepen.
En nu ik zo ongeveer aan de andere van van het leven sta denk ik vaak bij het lezen van deze geschiedenissen: Hoe dom kan ik zijn door elke keer maar weer in de fout te gaan, niet te luisteren naar het Woord van God. Het begin van het programma startten we met de woorden:
Als je er even bij stilstaat, wat een zorg van de HEERE voor Zijn volk, vind U ook niet? Hij leidt Zijn volk uit beladen met zilver en goud, gezondheid, want niemand struikelde, verlost hen van die verschrikkelijke vijand, zorgt voor een schaduwdoek tegen de stekende zon, verlichting in de nacht. Je zou denken: Niets te klagen. Maar Zijn zorg gaat verder. En precies hetzelfde kunnen we over ons zeggen wanneer we Hem hebben mogen leren kennen in geestelijk opzicht. En wat lopen we vaak te klagen en te morren en te mopperen. Wat zijn we vaak ontevreden over de weg die de Heere God met ons in ons leven gaat.
Laat het voor ons een les zijn. Morgen hopen we na te denken over het hemels brood dat uit de hemel neerdaalde elke dag maar weer.
Joh. 6:31 Onze vaders hebben het manna gegeten in de woestijn, gelijk geschreven is: Hij gaf hun het brood uit den hemel te eten.
Joh. 6:58 Dit is het Brood Dat uit den hemel nedergedaald is; niet gelijk uw vaders het manna gegeten hebben en zijn gestorven; die dit Brood eet, zal in der eeuwigheid leven.
Als dat geen zegen is.
Psalm 105 -57-: Over Brood gesproken
Over Brood gesproken
Wat een tragiek. Het volk dat zich verzadigt met het vlees vindt de dood en de HEERE verzadigt het volk met hemels brood en vindt daarin het leven.
Wat is dit? Tsja, dat was de vraag die het volk stelde toen zij voor het eerst het hemels brood op het veld zagen liggen. En toen Jezus Zich tijdens zijn omwandeling op aarde bekend maakte vroegen zij zich af: Wie is dit?
Brood, in het Hebreeuws ‘lechem’, zo gewoon maar ook zo bijzonder.
Jezus Christus zegt: ”Ik ben het brood des levens” (Johannes 6:35) of anders gezegd, Ik Ben het Brood dat leven geeft.
Dagelijks brood geeft al leven, maar tot de dood, maar dit Brood geeft Leven tot over de dood!
Wat zegt de Hebreeuwse taal over brood?
Het Hebreeuwse woord voor brood is לחם / lechem.
Elke letter in het Hebreeuwse alfabet heeft een getalswaarde.
Nu gaan we de letterwaarde eens bekijken van de letters die het woord לחם , lechem, brood vormt. We lezen van rechts naar links. Dus we komen eerst de letter Lamed tegen. En de Hebreeuwse betekenis van deze lamed is; prikstok, ossenstok, herdersstaf`. De Geestelijke betekenis zou je kunnen omschrijven als; Herder, autoriteit, leren. ossenjuk.
De getalswaarde van deze letter Lamed is 30. Dit getal geeft als veelvoud van 10 (3×10) een hogere mate van volmaaktheid van Goddelijke ordening aan, waarbij het ook het juiste moment aangeeft. Zo was Christus 30 jaar toen Hij zijn bediening begon (Lukas 3:23). Jozef was een beeld van de Heer en was 30 jaar toen hij bij de Farao in dienst trad. (Genesis 41:46). David was 30 toen hij koning werd (2Samuël 5:4)
De tweede letter van לחם , lechem, brood is de letter Chet. En de Hebreeuwse betekenis van deze letter Chet is omheining, omtuining, tentmuur, hek. De Geestelijke betekenis zou je kunnen omschrijven als; blokkade, begrenzing, bescherming.
De getalswaarde van de letter Chet is 8. En de betekenis van deze waarde is bijzonder!
Het Hebreeuws voor het getal 8 is sh`monch. Dit is afgeleid van de wortel shameen, dat `vet maken` , `bedekken met vet` of `overvloedig laten zijn` betekent. Het deelwoord duidt iemand aan die `zeer overvloedig is in kracht, etc.` Als zelfstandig naamwoord betekent het `zeer overvloedige vruchtbaarheid, olie`, etc. Als getal is het daarom het getal van de overvloed.
Zoals het getal 7 op volmaaktheid in rust, etc. duidt (denk aan de 7e dag), zo wijst het getal 8 op datgene wat de 7 overstijgt, en is het tegelijkertijd de 1e van een nieuwe reeks. Zo vertegenwoordigt dit getal 8 zowel de 1e als de 8e.
De derde letter van לחם , lechem, brood is de letter Mem. En de Hebreeuwse betekenis van deze letter Mem is Water. De Geestelijke betekenis kan je omschrijven als Overvloed, menigte en machtig.
De getalswaarde van de letter Mem is 40. Dit getal staat vanouds bekend als een belangrijk getal.
Enerzijds omdat het vaak voorkomt, anderzijds vanwege de verbinding van dit getal met perioden van beproeving. Genesis 7:12 En er was regen op de aarde, veertig dagen en veertig nachten. Veertig jaren was het volk in de woestijn,
Een periode van veertig dagen komt ook voor in:
- het bericht over de zondvloed (Gen. 7:12; 8:6);
- het leven van Mozes, nl. de duur van zijn verblijf op de berg Gods (Ex. 24:18; 34:28);
- de geschiedenis van de twaalf verspieders (Num.13:25);
- het verslag van de strijd tussen David en Goliat (1 Sam. 17:16);
- de opdracht voor de profeet Ezechiël om de ongerechtigheid van het huis van Juda te dragen (Ezech. 4:6);
- het boek Jona, nl. de tijd van berouw voor de stad Nineve (Jona 3:4);
- de duur van de verzoeking in de woestijn (Matt. 4:2).
Het getal 40 is het product van 5 en 8; het wijst daarom op de werking van genade (5) die leidt tot en uitloopt op herleving en vernieuwing (8). Dit is zeker het geval waar het getal 40 gerelateerd is aan een periode van duidelijke beproeving.
Nu hebben we het woord לחם , lechem, brood vanuit de Hebreeuwse betekenis bekeken en verbazen ons wat een prachtige betekenis er in dat ene woord verborgen zit.
We zien ook meteen dat dit woord brood een direct heenwijzen is naar onze Heere Jezus Christus!
Zo wijst de Lamed op de Herder, de Chet op de Berschermer en de Mem op het levende Water.
En zelfs de getalswaarden van de letters wijzen allemaal op de Messias, op Christus. Hoe geweldig mooi is dat.
Daarom zegt de Schift ook: Onderzoekt de Schriften; want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen. Johannes 5:39
Als dat geen zegen is
Psalm 105 -58-: Over water uit de Steenrots gesproken -1-
Over water uit de Steenrots gesproken (1)
Vandaag wil ik met u stilstaan bij vers 41:
Hij opende een rots en er vloeide water uit,
dat als een rivier door de dorre plaatsen stroomde.
Water uit de rots. Weer zo’n bijzonder wonder. En niet zo’n klein beetje ook, want het werd een rivier die door de dorre plaatsen stroomde. En dat in een woestijn… Wanneer God zegent is Hij niet karig. We hebben niet met een karig God te maken. Hij zorgt er voor dat Zijn volk beladen met zilver en goud het land verlaat, niemand die struikelt, bij de ongelooflijke hoeveelheid kwartels stonden we al eerder stil, hij verzadigt het volk elke dag met hemels brood en schenkt een rivier aan water.
Ik moest er zojuist aan denken dat God ien wonderen, tien plagen onder de Egyptenaren bracht, maar hoeveel wonderen en zegeningen schonk Hij wel niet aan Zijn volk in de woestijn gedurende hun reis door de woestijn? We zijn bij wijze van spreken nog maar net op reis en de zegeningen zijn bij wijze van spreken niet meer op een hand te tellen.
Vreemd eigenlijk dat we wel oog hebben voor alle plagen die genoemd worden in Egypte, we weten precies het aantal plagen, tien, maar er veel minder aandacht is voor alle zegeningen die God Zijn volk schenkt. Eerlijk zijn weet u hoeveel zegeningen?
En nu weer zo’n machtig wonder: Water uit een rots, niet zomaar, niet dat het volk bij een plaats kwam tijdens de reis en er al water uit een rot kwam, maar de rots moest geslagen worden met de staf, de stok van Mozes. En toen kwam er water uit. Dat was nog nooit vertoond. De plagen in Egypte, de zegeningen in de woestijn. Je moet er maar oog voor hebben.
Laat ik het vanmorgen maar eens naar ons toehalen. Persoonlijk maken. Och, och, och wat wordt er toch geklaagd in deze wereld. De gelijkenis met het volk van God is zo gemaakt en niet zo moeilijk. In de Bijbel heet dat morren, het volk morde over van alles en nog wat en dat terwijl zij overvloedig werden gezegend hebben we zojuist gezien.
En wij, wij zijn echt geen haar beter. Gewoon als volk niet, hier in Nederland en wat wordt er geklaagd. Een keer het journaal kijken en je weet het. Of een keer met de buurman klagen en je weet het ook. Het weer is niet goed, het regent te veel of te weinig, we zijn hier in Nederland met zilver en goud overladen, we zijn een van de welvarendste landen in deze wereld en we zeuren over een paar procent loonsverhoging. We hebben een gezondheidszorg om over naar huis te schrijven, niemand die hoeft te struikelen om in de vergelijking te blijven, maar er gaat geen journaal voorbij of het onderwerp komt wel langs dat het allemaal niet goed gaat. En tegelijkertijd zijn we een van de meest tevreden mensen hier op aarde blijkt uit de peilingen onder de Nederlanders, maar tegelijkertijd kunnen we zeuren tot in het oneindige bijna. Het individualisme viert hoogtij: ikke, ikke, ikke en de rest kan… vul het verder maar zelf aan. Ik stop met deze klaagzang want ik word er zelf een beetje depri van merk ik zelf, wanneer ik me deze spiegel nu zelf voor hou.
En laten we eerlijk zijn, in de kerk en onder de christenen is het echt niet veel beter. Lieve broers en zussen, we zijn de aller rijkste mensen hier op aarde, een collega van mij zij gisteren nog tegen me dat hij miljonair is, en daar bedoelde hij nou niet bepaald zijn bankrekening bij de Rabobank mee. We zijn als kinderen van God, net zoals het volk overladen met zilver en goud, onder Zijn schaduw, de wolkkolom mogen we leven, hij verzadigt ons met het hemels brood, Zijn Woord en heeft ons Zijn Levend water gegeven, waardoor we nooit meer dorst hoeven te hebben. Amen?
In mijn leven ben ik op een gegeven moment gegrepen door de woorden uit de Efeze brief waarin God als het ware Zijn schatkist opent en uitstal wat ik in Christus, in de Messias ontvangen heb. En niet alleen ik, maar wanneer ook u een kind van de Heiland bent, hebt u ook daar deel aan gekregen. Zullen we het gedeelte eens lezen en de schatkist openen vanmorgen? En ik lees het uit de Statenvertaling omdat dat het meest dicht bij de oorspronkelijke tekst ligt:
1 PAULUS, een apostel van JEZUS CHRISTUS door den wil Gods, den heiligen die te Éfeze zijn, en gelovigen in Christus Jezus:
2 Genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus.
3 Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.
4 Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde;
5 Die ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil;
6 Tot prijs der heerlijkheid Zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde;
7 In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar den rijkdom Zijner genade,
8 Met welke Hij overvloedig is geweest over ons in alle wijsheid en voorzichtigheid;
9 Ons bekendgemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, hetwelk Hij voorgenomen had in Zichzelven;
10 Om in de bedeling van de volheid der tijden wederom alles tot één te vergaderen in Christus, beide wat in den hemel is en wat op de aarde is;
11 In Hem, in Welken wij ook een erfdeel geworden zijn, wij, die tevoren verordineerd waren naar het voornemen Desgenen Die alle dingen werkt naar den raad van Zijn wil;
12 Opdat wij zouden zijn tot prijs Zijner heerlijkheid, wij die eerst in Christus gehoopt hebben.
13 In Welken ook gij zijt, nadat gij het Woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid, gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte,
14 Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkregen verlossing, tot prijs Zijner heerlijkheid.
Weet u, we zijn ons niet half bewust hoe beladen wij zijn met zilver en goud. De rest van mijn leven zou ik met u willen nadenken over alleen al deze rijkdommen die we in de Messias hebben ontvangen. Om ons samen te verwonderen welke schatten ons ten deel zijn gevallen.
Als dat geen zegen is.
Pslm 105 -59-: Over water uit de Steenrots gesproken -2-
Over water uit de Steenrots gesproken (2)
En U zult op de rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke'. (Ex. 17 : 6)
En zo was het. En God zag dat het goed, dat het tov was, zeg ik er dan maar bij.
Tsja, in de voorgaand aflevering hebben we aan de hand van Efeze 1 stilgestaan bij de geweldige schatten die we in Christus, in de Messias ontvangen hebben. Maar tegelijkertijd realiseer ik me heus wel:
Er is geen roos zonder doornen. Er is geen huis zonder kruis; geen hart zonder smart.
Het leven is in menig opzicht als een reis door de woestijn. Daar zijn 'elims': momenten van verkwikking, dagen van vreugde, tijden van voorspoed. Maar Elim is het Beloofde Land niet. De weg daarheen loopt over zand en stenen, langs ravijnen en door diepe dalen. De woestijn - dat is het oord van wildernis, de Bemidbar.
De woestijn - dat is honger, dorst, eenzaamheid, ziekte, verdriet, donkerheid!
In de woorden:
41 Hij opende een rots en er vloeide water uit,
dat als een rivier door de dorre plaatsen stroomde.
zien we een fragment, van een veertigjarige trektocht door barre oorden en onherbergzame streken.
Na een lastige reis door de woestijnen Sur en Sin is het volk aangekomen in Rafidim, letterlijk: pleisterplaatsen.
Israël bevindt zich hier dicht in de buurt van een vruchtbare vallei met veel bronnen en rijke plantengroei. Maar het volk kan er niet bij komen. De Amelekieten hebben dit gebied bezet en weigeren de doortocht. Daar zitten ze nu: midden in de woestijn. Zullen ze hier nu sterven van dorst? Een zware beproeving!
En het 'zware' van de beproeving is, dat zij zich hebben gelegerd in Rafidim 'op het bevel van de Heere' (vs. 1). Dat maakt de situatie zo mogelijk nog complexer en compleet onbegrijpelijk. Juist het feit dat de Heere hen op deze plaats bracht, roept zoveel vragen op.
Is dit nu Gods weg? Is dit Zijn bedoeling? Waar is God? Een vraag uit het leven gegrepen. Een vraag die velen in dit leven hier en nu zich afvraagt en soms zelfs kwelt. Waarom, waarom, waarom… Waarom al dat leed en verdriet?
Indringende levensvragen vragen, die niet van vlakke of makkelijke antwoorden gediend zijn! Laat het ons niet vreemd voorkomen, dat Israël hier begint te twisten met Mozes... met Gód! Als we eerlijk zijn kennen ook wij deze waarom vragen in het leven.
Ook wij kennen de vertwijfelde vragen in en van het leven. 'Is de Heere in ons midden of niet? ' vragen de Israëlieten. En ik moet opnieuw denken aan de woorden: Hun zijn deze dingen overkomen tot voorbeelden voor ons over wie de einden der tijden gekomen zin. Daarmee zijn de vragen van Israel onze vragen geworden. Uw en jouw vragen. Mijn vragen.
'Massa' betekend ontevredenheid (lett. 'op de proef stellen') en 'Merriba', dat is 'twist'. Zo is deze plaats de geschiedenis ingegaan. En laten ook wij maar eerlijk zijn. Het leven valt niet altijd mee. Christen of niet.
De dichter van Psalm 90 zegt het zo: De dagen van onze jaren: daarin zijn zeventig jaren, of, als wij bij krachten. zijn, tachtig jaren, maar het beste daarvan is moeite en verdriet, want het wordt snel afgesneden en wij vliegen heen. En dat in tegenstelling tot alle Facebookposts die ons een totaal ander beeld voorschotelen.
Massa en Meriba! 'Laat Meriba, laat Massa u ten afschrik wezen', zegt een dichter (Ps. 95). Vragen mogen er zijn in ons leven, we mogen het oneens zijn met de weg die de Heere God met ons gaat in ons leven. Dorst en honger zijn hele reële levensbedreigende situaties voor het volk dat in de woestijn leeft.
Maar stopt daar het verhaal met Israel mee? Ook in ons leven? Nee, we moeten eerlijk zijn en wel doorlezen. Want God laat nooit Zijn volk in de steek, net zoals Hij u, jou en mij niet in de steek laat. Luister maar:
'Toen zeide de Heere tot Mozes (...) Zie Ik zal aldaar voor uw aangezicht op de steenrots in Horeb staan; en u zult op de steenrots slaan! (vgl. Num. 20), zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke...'
Hoe is het mogelijk! Opnieuw overvloedige genade! Als een vader, die, hoewel het volk twijfelde over de zorgen van Vader, liep te zeuren en te morren, het volk overvloedig zegent, het water werd tot een rivier.
Misschien leert deze geschiedenis u en mij iets, want deze dingen zijn het volk overkomen tot voorbeelden voor ons. In de eerste brief aan de gemeente van Korinthe wordt ons het geheim geopenbaard: En de steenrots was 'Christus' (10 : 4).
Water uit de rotssteen - overvloeiende genade. Niet zomaar een stroompje, maar stromen. Hij bracht stromen voort uit de rotssteen en deed wateren afdalen als rivieren (Ps. 78). Zie het stromen: Levend water.
Als dat geen zegen is.
Psalm 105 -60-: Over belofte maakt schuld gesproken
Over belofte maakt schuld gesproken
We naderen vanmorgen het einde van deze Psalm. Een Psalm die de weg van het volk vanuit Egypte naar de Steenrots leidde. Een weg die niet zonder horten of stoten ging zoals wij dan zeggen, maar uiteindelijk wel terechtkomt bij de Steenrots. Nog niet in het beloofde land, maar de Steenrots die hier bedoeld wordt levert Levend Water, en die stroomt tot in het eeuwig leven leen we op een andere plaats.
Als je jezelf concentreert op de houding van het volk Israel gedurende de achterliggende reist tot nu toe, dan lezen we over, laten we maar zeggen een nukkig volk wat vaak ontevreden was en vaak terugverlangde naar de vleespotten van Egypte. Wat een gedoe elke keer zeg.
En toch, en toch, de God van Israel zegent zijn volk elke keer weer. En niet zo’n klein beetje ook. Bepakt en bezakt met zilver en goud. Een wolk als schaduw overdag en voldoende licht voor in de nacht, veertig jaar een Tom Tom bij de hand die de weg wijst. Elke dag vers brood voor het opraken. Het kon niet op. Weet u waarom God al deze zegeningen aan zijn volk gaf?
Hij heeft voor al deze zegeningen een reden, wat we zien aan het woord “want” (vers 42). Hij heeft dit allemaal gedaan omdat “Hij zich herinnerde zegt de Hebreeuwse tekst aan Zijn heilige woord, aan Abraham, Zijn dienaar”. Zijn heilig woord is Zijn absoluut betrouwbare woord. Hij doet, wat Hij heeft gezegd (vgl. Jz 23:14).
Wat kunnen weinig woorden toch veel zeggen! Het woord 'ja' is zo'n woord. In sommige situaties is dit ene woord genoeg. Genoeg om alle twijfel uit te bannen. Genoeg om duidelijk te maken wie de ander voor je is. Genoeg om te zeggen wat er in je hart leeft. 'Wat is daarop uw antwoord?', vraagt de ambtenaar van de burgerlijke stand. En bruid en bruidegom antwoorden - stralend van geluk - met een eenvoudig 'ja'.
'Amen' is ook zo'n klein maar veelzeggend woord. 'Amen' betekent: het is vast en zeker!
In het Tweede Testament gebruikt Paulus deze twee woorden om de vastheid van Gods beloften aan te geven. Ik denk daarbij aan 2 Cor. 1: 20. Daar zegt Paulus dat Gods beloften in Christus, in de Messias 'ja' zijn en dat door Hem ook het 'amen' klinkt. Klaarblijkelijk is de tweeslag 'ja en amen' voldoende om de hele Bijbelse boodschap samen te vatten.
“Zo”, op deze manier en daarom, “leidde Hij Zijn volk uit met vreugde” (vers 43). Het is Zijn volk. Hun bevrijding door Hem van het slavenjuk heeft bij hen vreugde veroorzaakt. Wat zijn ze blij geweest. Zij zijn “Zijn uitverkorenen”. Alleen daarom heeft Hij zo met hen gehandeld. Wat een genade, waarover ze hebben gejuicht. Zo is Psalm 105 een illustratie van wat de HEERE in de toekomst gaat doen.
Vreugde en gejuich worden genoemd als de stemming van de verlosten met verwijzing naar de feestelijke vreugde die aan de Rode Zee en bij de Sinaï werd getoond. Door deze laatste woorden uit de Psalm moet ik denken aan dezelfde beschrijvingen van het tegenbeeld in Jesaja 35:10 waar de Profeet ook spreekt over de blijdschap om de terugkeer van de vrijgekochten
Want wie door de HEERE zijn vrijgekocht, zullen terugkeren;
zij zullen Sion binnenkomen met gejuich.
Eeuwige blijdschap zal op hun hoofd zijn,
Openb. 21:4vreugde en blijdschap zullen zij verkrijgen,
verdriet en gezucht zullen wegvluchten.
Maar ook in Jesaja 51 waar we lezen over de reddende gerechtigheid van God lezen we woorden van dezelfde strekking:
Zo zullen wie door de HEERE zijn vrijgekocht, terugkeren
en met gejuich in Sion komen.
Eeuwige blijdschap zal op hun hoofd zijn,
vreugde en blijdschap zullen zij verkrijgen,
verdriet en gezucht zullen wegvluchten.
En in Jesaja 55 lezen we:
Want zoals regen of sneeuw
neerdaalt van de hemel
en daarheen niet terugkeert,
maar de aarde doorvochtigt
en maakt dat zij voortbrengt en doet opkomen,
zaad geeft aan de zaaier en brood aan de eter,
zo zal Mijn woord zijn dat uit Mijn mond uitgaat:
het zal niet vruchteloos tot Mij terugkeren,
maar het zal doen wat Mij behaagt,
en het zal voorspoedig zijn in hetgeen waartoe Ik het zend.
Want in blijdschap zult u uittrekken
en met vrede voortgeleid worden.
De bergen en de heuvels zullen voor uw ogen uitbreken in gejuich
alle bomen van het veld zullen in de handen klappen.
Als dat geen zegen is.
Psalm 105 -61-: Over toekomstmuziek gesproken
Over toekomstmuziek gesproken
We zijn bij het laatste vers van deze indrukwekkende Psalm 105 gekomen. Waarin beschreven wordt dat Hij, JHWH, zijn volk, verdreven uit Egypte, verdreven uit het slavenhuis, de landen van de heidenvolken in bezit nemen waarvoor nu de volken hadden gezwoegd. Omgekeerde situatie dus. Eerst zwoegde Israel voor de Egyptenaren en nu aan het einde van de reis hebben de heidenen gezwoegd voor Zijn volk. Het kan verkeren.
In de afgelopen maanden waarin we deze Psalm met elkaar overdacht hebben, hebben we ook op verschillende plaatsen de geschiedenis van Gods handelen met Zijn volk doorgetrokken naar het persoonlijk leven, maar ook naar de nabije toekomst. Want we ontdekten patronen vanuit het verleden naar het heden maar ook naar de toekomst. Zoals onder anderen beschreven in het sluitstuk van de Bijbel in het boek Openbaring van Jezus Christus, de Messias.
Jesaja heeft daar in Zijn tijd al over geprofeteerd en daar met zijn woorden wil ik deze overdenkingen over Psalm 105 ook afsluiten. We lezen Jesaja 45 vanaf vers 14:
Zo zegt de HEERE:
De arbeidsopbrengst van de Egyptenaren en de koophandel van de Cusjieten,
en de Sabeeërs, mannen van grote lengte,
zullen naar u overgaan en zullen van u zijn.
Zíj zullen u navolgen, in boeien zullen zij overkomen
en voor u zullen zij zich buigen,
zij zullen u smeken en zeggen:
Voorzeker, God is bij u, en niemand anders;
er is geen andere God.
De Verborgene openbaart Zich
15Voorwaar, U bent een God Die Zich verborgen houdt,
de God van Israël, de Heiland.
16Zij allen zullen beschaamd en ook te schande worden,
tezamen zullen zij met smaad weggaan, de makers van afgodsbeelden.
17Israël echter wordt door de HEERE verlost:
een eeuwige verlossing. Letterlijk: verlossing van eeuwigheden.
U zult niet beschaamd en niet te schande worden,
voor eeuwig niet, nooit!
18Want zo zegt de HEERE,
Die de hemel geschapen heeft,
die God
Die de aarde geformeerd en haar gemaakt heeft.
Hij heeft haar gegrondvest,
Hij heeft haar niet geschapen opdat zij woest zou zijn,
maar Hij heeft haar geformeerd opdat men erop zou wonen:
Ik ben de HEERE, en niemand anders.
19Ik heb niet in het verborgene gesproken,
in een duistere plaats op aarde.
Ik heb tegen het nageslacht van Jakob niet gezegd:
Zoek Mij tevergeefs.
Ik ben de HEERE, Die gerechtigheid spreekt,
Die bekendmaakt wat billijk is.
20Verzamel u, kom,
treed tezamen naar voren,
u die bent ontkomen aan de heidenvolken.
Zij weten niets,
zij die hun houten beelden ronddragen,
of een god aanbidden
die niet verlossen kan.
21Maak bekend en breng naar voren,
ja, beraadslaag samen:
Wie heeft dit van oudsher doen horen?
Wie heeft dat van toen af bekendgemaakt?
Ben Ik het niet, de HEERE?
Buiten Mij is er geen andere God,
een rechtvaardig God, een Heiland;
er is niemand behalve Ik.
22Wend u tot Mij, word behouden,
alle einden der aarde,
want Ik ben God en niemand anders.
23Ik heb gezworen bij Mijzelf
– uit Mijn mond is in gerechtigheid
een woord uitgegaan en het zal niet terugkeren –
dat voor Mij elke knie zich zal buigen,
elke tong bij Mij zal zweren.
24Voorzeker, in de HEERE – zal men van Mij zeggen –
zijn rechtvaardige daden en kracht,
tot Hem zal men komen. Maar zij zullen beschaamd worden,
allen die tegen Hem in woede ontstoken zijn.
25Echter in de HEERE zal gerechtvaardigd worden en zich beroemen
heel het nageslacht van Israël.
Als dat geen zegen is.