Psalm 136 -1-
Psalm 136 -2-
Psalm 136 -3-
Psalm 136 -4-
Psalm 136 -5-
Psalm 136 -6-
Psalm 136 -7-
Psalm 136 -8-
Psalm 136 -9-
Psalm 136 -10-
Psalm 136 -11-
Psalm 136 -12-
Psalm 136 -13-
Psalm 136: Tekst Herziene Staten Vertaling
Eeuwige goedertierenheid
1 Loof de HEERE, want Hij is goed,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
2 Loof de God der goden,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
3 Loof de Heere der heren,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
4 Die grote wonderen doet, Hij alleen,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
5 Die de hemel met inzicht maakte,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
6. Die de aarde boven het water uitspande,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
7 Die de grote lichten maakte,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
8 de zon tot heerschappij over de dag,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
9 de maan en sterren tot heerschappij over de nacht,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
10 Die de Egyptenaren trof in hun eerstgeborenen,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
11en Israël uit hun midden uitleidde,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
12met sterke hand en met uitgestrekte arm,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
13 Die de Schelfzee in tweeën deelde,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
14 en Israël er middendoor deed gaan,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
15 maar de farao met zijn leger in de Schelfzee stortte,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
16 Die Zijn volk door de woestijn leidde,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
17 Die grote koningen versloeg,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
18 en machtige koningen doodde,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
19 Sihon, de koning van de Amorieten,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
20 en Og, de koning van Basan,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
21 Hij gaf hun land als erfelijk bezit,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
22 als erfelijk bezit aan Zijn dienaar Israël,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
23 Die aan ons dacht in onze nederige staat,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
24 en ons aan onze tegenstanders ontrukte,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
25 Die aan alle vlees voedsel geeft,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
26 Loof de God van de hemel,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
Psalm 136 -1-: Over Psalm 136 gesproken
Vandaag maken we een begin met na te denken over deze bijzondere Psalm. En hoe bijzonder is het dat na een poos van letterlijke ‘radiostilte’’ waarin we als laatste na dachten over psalm 135 we met deze psalm een nieuw begin mogen maken met de Psalm die uitdrukkelijk spreekt over Gods liefde en verbondstrouw. We lezen 26 maal in deze psalm over Zijn goedertierenheid, een oud Nederlands woord dat in de vergetelheid is geraakt en een vertaling is van het Hebreeuwse woord chesed, wat we ook kunnen vertalen met genade. En daarmee zijn we dan bij de kern van de psalm terecht gekomen. Gods trouw en Zijn genade. Trouw en genade, de twee wezenskenmerken van de Eeuwige. Maar ook twee kenmerken die we in de tijd waarin wij leven nauwelijks meer kennen. In de tijd waarin wij leven zien we juist vaak het tegenovergestelde. We leven in een tijd waarin we veel ontrouw zien en er sprake is van een afrekencultuur. Dat moet te denken geven toch?
Maar deze Psalm, Psalm 136 ademt een heel andere sfeer:
De liefde en trouw van de Aanwezige, die zich uitstrekt van de schepping tot het einde van de tijd en gaat maar door en door. Voor eeuwig, en eeuwig en eeuwig.
Gods wonderen omvatten de reddende gebeurtenissen ten opzichte van Zijn volk Israel uit de geschiedenis en zelfs Gods dagelijkse voorraad voedsel. Allemaal geschenken van Gods genade. Want Zijn goedertierenheid, zijn chesed, zijn genade is voor eeuwig. Het wordt ons vandaag maar liefst 26 maal ingeprent. Maar liefst 26 maal, het getal van Zijn Naam. JHWH. Het lijkt er vanmorgen op dat God, de Aanwezige zich verbindt aan Zijn belofte: Ik ben er bij. Ik ben bij jou. Wat er ook gebeurt. Geloof je Mij niet? Kijk dan maar eens in al die gebeurtenissen die Ik in Psalm 136 heb op laten schrijven. Ik was er bij. Ook nu in jouw situatie, want Mij goedertierenheid is voor eeuwig.
Als dat geen zegen is.
Samen met soliste Elise Mannah zingen we het prachtige lied 'God van trouw' in de Nicolaïkerk in Utrecht. Zing je mee?
God van trouw
U verandert nooit
Eeuwige, U mijn Vredevorst
Aller Heer, ik vertrouw op U
Heer, ik roep tot U
Opnieuw en opnieuw
Heer, ik roep tot U
Opnieuw en opnieuw
U bent mijn rots wanneer ik wankel
U richt mij op wanneer ik val
Dwars door de storm
Bent U Heer, het anker
Ik stel mijn hoop alleen op U
Psalm 136 -2-: Over Gods trouw gesproken
Over Gods trouw gesproken
In psalm 136 worden, zoals we gelezen hebben de grote wonderen geschreven die de Aanwezige heeft gedaan bij het scheppen van de wereld en het verlossen van Israël. De Psalm is een reactie op de oproep van Psalm 135 om de Heere te loven. Beide De psalmen horen bij elkaar. In het oude Israel werd het hele volk in beurtzang betrokken. Je kunt je dat zo voorstellen dat de priester het eerste deel van een vers zong waarin het werk van de Aanwezige wordt aangehaald, waarop het volk reageerde met het refrein: eeuwig duurt zijn trouw. Er wordt ook wel gedacht dat de Psalm werd gezongen of gereciteerd bij de terugkeer van de ballingschap en het herstel van het volk vierde. En ik kan me dat zomaar voorstellen. Want in de Psalm worden de grote daden van de Heere in alle toonaarden bezongen en het volk was zo blij dat zij elke keer maar weer Zijn goedheid, liefde en genade bezongen. Alle reden dus voor ons, wanneer wij een moeilijke periode doorgemaakt hebben in ons leven om ook de Heere voor Zijn goedheid, liefde en genade te loven en te prijzen. En laten we maar eerlijk zijn. Wanneer we in een lastige periode van ons leven zitten weten we veelal de Heere om hulp en uitredding te roepen, maar blijft het danken veelal niet een beetje karig bij een uitredding? Laten we deze les maar eens vanmorgen meenemen: Zijn goedertierenheid, zijn liefde trouw en genade, Zijn chesed is voor eeuwig.
Terug naar de Psalm. De lof aan de HEERE, met hoofdletters geschreven, de Aanwezige dus, aan het begin en het einde (verzen 1-3 en 26) van de Psalm zijn als de twee boekenstutten die de boeken met de daden van God rechtop houden. Deze bibliotheek van Gods eeuwige trouw en genade in zijn werken bezingt Zijn schepping van de aarde, zijn wonderen in de uittocht, in de woestijn en de oorlogen; dat Hij Israël niet vergat in hun moeilijke tijden en ook zijn verzorging en onderhouden van al wat leeft. Dat betrof het Israel van toen. En niet omdat het van die beste brave, gehoorzame en gelovige mensen waren. Je zou haast zeggen: Integendeel. Hoe vaak lezen we niet dat het volk liep te morren en in opstand kwam tegen de weg die de Heere met Zijn volk ging. En toch, ondanks dat alles zong het volk: Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
Dat was toen, duizenden jaren geleden en dat is nu nog zo. Met Israel in de tijd waarin wij leven. En ook weer niet omdat het zo’n best, braaf en gelovig volk is. In tegendeel. Want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig. Hoor je het? Voor eeuwig. En dat gold en geldt niet alleen en exclusief voor Israel, maar ook voor u en mij in de 21ste eeuw. Je vraagt m hoe ik dat zo zeker weet? Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
Maar het zou zomaar kunnen dat je denkt: Ja, maar ho even, dat geldt niet voor mij, want je zou eens moeten weten wat ik allemaal in mijn leven uitgevreten heb en wat er allemaal voor zonde in mijn hart en denken leeft.
Mag ik je dan bemoedigen? Want dat wat er in jou leeft, is niet uniek en leeft in een ieder van ons. We zijn allemaal van dezelfde lap gescheurd. We zijn allemaal van Adam en allen hebben gezondigd en derven of missen de heerlijkheid van God. En daar doen we niets van af. Maar Paulus zet daar bij wijze van spreken geen punt. Daarmee is niet alles gezegd. Bepaald niet, luister maar: Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus.
Zie je wel genade, Chesed, goedertierenheid, goedheid, genade, liefde, barmhartigheid van de Aanwezige.
Misschien twijfel je nog steeds. Dank denk ik aan de gemeente van Korinthe. We lezen in de eerste brief aan de Korinthen over grote onenigheid in de gemeente. Maar dat niet alleen, maar ook over bizarre seksuele zonden die ik hier lieve maar niet noem. Dan zou je denken dat Paulus maar direct met de deur in huis valt en de gemeente een flinke reprimande geeft.
Maar dan pakt de Heere God als het ware de hand van Paulus en schrijft daarmee de volgende woorden:
Aan de gemeente van God die in Korinthe is, aan de geheiligden in Christus Jezus, geroepen heiligen, met allen die de Naam van onze Heere Jezus Christus aanroepen, in elke plaats, zowel hun als onze Heere: genade zij u en vrede [shalom] van God, onze Vader, en van de Heere Jezus Christus.
Snap jij het? Ik niet. Maar Gods Woord is de Waarheid. Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
Als dat geen zegen is.
Genade, zo oneindig groot.
Dat ik, die 't niet verdien
Het leven vond, want ik was dood
En blind, maar nu kan 'k zien.
Genade die mij heeft geleerd
Te vrezen voor het kwaad.
Maar ook - als ik mij tot Hem keer
Dat God mij nooit verlaat.
Want Jezus droeg mijn zondelast
En tranen aan het kruis.
Hij houdt mij door genade vast
En brengt mij veilig thuis.
Als ik daar in zijn heerlijkheid
Mag stralen als de zon,
Dan prijs ik Hem in eeuwigheid
Dat ik genade vond.
Dan prijs ik Hem in eeuwigheid
Dat ik genade vond.
Psalm 136 -3-: Over eeuwige goedertierenheid gesproken
Over eeuwige goedertierenheid gesproken
In de Psalm wordt over heel verschillend onderwerpen door de dichter gezongen, De dichter zingt van de grootheid van de Aanwezige, Zijn majesteit, liefde, daden en zegen, oordelen en straf. Zelfs in zijn straf en oordeel staan zijn genade, trouw en liefde centraal. Zelfs wanneer je een boterham eet of slok drinken neemt, proef je hoe goed, hoe tov God voor je is. Zelfs wanneer je vervolgt, geslagen, gemarteld en in de gevangenis geworpen wordt horen we in de getuigenissen van de vervolgden vaak doorklinken: want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
Bij het overlijden van haar kind zei een verdrietige moeder, verwijzend naar Psalm 136: maar de Here is eeuwig trouw, zijn goedheid zal ons beschermen. Het is de kracht van het refrein. Het zingt: ondanks alle stormen in je leven en het verschrikkelijke geweld op aarde, duurt zijn trouw tot in eeuwigheid.
En dan dichter bij huis. Ik moet denken aan het leven en overlijden van onze zoon Benjamin, zoon van de rechterhand. Eenmaal tijdens een tentcampagne op zijn knieën gegaan voor de Heere God, maar later de wereld lief gekregen… Waar ligt onze hoop als ouders? In het refrein van deze Psalm: Want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig. Dat is het Anker waar we houvast aan mogen hebben.
Maar als we eerlijk zijn, zijn we van deze genade, van deze chesed allemaal afhankelijk. Zij die de meest verschrikkelijke zonden gedaan hebben en zij die een keurig en net christelijk leven geleefd hebben. Elke keer weer, elke dag weer zijn we afhankelijk van Zijn eeuwige goedertierenheid, liefde en trouw, van zijn chesed. We kunnen zelf geen nagelschrap toebrengen aan onze redding. Maar ‘hallelujah’, dat hoeft ook niet. De dichter van Psalm 136 laat bijna tot vervelens toe zien in de herhaling van het refrein, alsof hij het zichzelf en zijn hoorders, u en mij, in wil prenten dat u en ik afhankelijk zijn van de eeuwige liefde en trouw van de Aanwezige. Het brengt rust, vertrouwen, geloof, berusting, overgave, houvast… Houvast, ook voor vandaag.
Als dat geen zegen is.
Zijn goedheid en genade zijn steeds mijn deel
Elke dag, elke dag die ik leef
Zijn goedheid en genade zijn steeds mijn deel
Elke dag, elke dag die ik leef
En ik zal wonen in 't huis van mijn Heer voor eeuwig
En ik zal delen het feestmaal met Hem
Zijn goedheid en genade zijn steeds mijn deel
Elke dag, elke dag die ik leef
Psalm 136 -4-: Over danken gesproken
Over danken gesproken
Na een paar algemene beschouwingen van de inhoud van de psalm wil ik vandaag een begin maken met het inzoomen op de tekst van de psalm. In het eerste vers horen we de oproep van de dichter om de HEERE, met hoofdletters geschreven, dus daar wordt Zijn Naam JHWH, de Aanwezige genoemd, te loven. En de reden waarom de toehoorders van de dichter daartoe oproept, maar over de hoofden van het volk Israel u en ik vandaag eveneens, wordt direct al vermeld: want Hij is goed, Hij, de Aanwezige is goed, is tov want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig. Genoeg reden toch om Hem ook vandaag te loven en te prijzen toch. En alle dagen van ons leven? Maar oei, wat komen we daar vaak aan te kort. Lopen we te vaak te mopperen over van alles en nog wat. De weersomstandigheden, onze financiële situatie, de auto die het even laat afweten, onze haperende gezondheid zijn zomaar een paar voorbeelden van geliefde onderwerpen. Maar misschien zijn het ook onze misstappen, onze zonden, onze onhebbelijkheden die steeds maar weer zich in ons denken opwerpen. En denk er om dat de duivel, de tegenstander daar graag gebruik van maakt hoor. Die wil ons steeds maar op de neus drukken bij wijze van spreken dat we te slecht zijn en daarom niet in aanmerking komen voor de genade van de Heere God.
Maar de dichter van de psalm, geïnspireerd door de Heere God Zelf, wil onze gedachten ombuigen, ook vandaag naar Hem. Hij roep ons door de woorden van deze psalm toe niet op onze zonden te zien maar om de HEERE, de Aanwezige te loven en te prijzen, want daar is nota bene alle reden toe: want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
Hij roept u en mij op, nota bene 26 maal in deze psalm, om bij wijze van spreken het in onze gedachten in te prenten dat Hij goed is. want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
Het Hebreeuwse woord dat hier voor loven wordt gebruikt is yadah en wordt ook wel vertaald met bedanken, of danken, bekennen of toegeven. Dus met het volk van Israel worden we opgeroepen om toe te geven en te bekennen dat de HEERE goed is. Niemand is goed, dan Een en Hij getuigd in deze Psalm van Zichzelf: Ik ben goed, Ik ben tov. En zeg eens zelf, wanneer je de Heere kent, is Hij goed of niet. Geef het nu maar toe of beken het nou maar: Hij is goed. En inderdaad, niet voor even, niet zo af en toe, maar Zijn goedertierenheid, zijn liefde, Zijn genade, Zijn trouw, houden nooit, maar dan ook nooit op. Want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
Loof of bedank de HEERE." De oproep is intens ernstig. Onze dank betuigen is wel het minste dat we kunnen doen, en deze zouden we vrij spel moeten geven.
We worden door de HEERE God ook vanmorgen, maar ook ons hele leven lang opgeroepen de Aanwezige te danken, te bekennen, toe te geven, te loven voor al zijn goedheid jegens ons..
We danken in ons leven bij wijze van spreken Jan en alleman, maar laten we maar eerlijk zijn wat schieten we vaak te kort om onze hemelse Vader te loven. We zijn onze weldoeners dankbaar, laten we de Gever van al het goede danken. "Want hij is goed."
In Wezen, en dat bedoel ik letterlijk, is Hij de goedheid Zelf, Alles wat hij doet is goed. Laten we hem bedanken dat we hebben gezien, bewezen en geproefd dat Hij goed is. De dichter van Psalm 34 zegt het prachtig: Proef en zie dat de HEERE goed is; welzalig de man die tot Hem de toevlucht neemt.
Hij is de bron van het goede, het goede van al het goede, de onderhouder van het goede, de volmaker van het goede en de beloner van het goede. Hiervoor verdient Hij de voortdurende dankbaarheid van zijn volk en van u en mij. Vandaag, morgen en alle dagen van ons leven.
Als dat geen zegen is.
Groot is uw trouw, o Heer, mijn God en Vader. Er is geen schaduw van omkeer bij U. Ben ik ontrouw, Gij blijft immer Dezelfde die Gij steeds waart, dat bewijst Gij ook nu.
Refrein: Groot is uw trouw, o Heer, groot is uw trouw, o Heer, iedere morgen aan mij weer betoond. Al wat ik nodig had, hebt Gij gegeven. Groot is uw trouw, o Heer, aan mij betoond.
Gij geeft ons vrede, vergeving van zonden, en uw nabijheid, die sterkt en die leidt: Kracht voor vandaag, blijde hoop voor de toekomst. Gij geeft het leven tot in eeuwigheid.
Psalm 136 -5-: Over het adres van onze dank gesproken
Over het adres van onze dank gesproken
De psalm begint met de oproep om de HEERE, JHWH, te loven (vers 1). Het is Zijn speciale Naam in verbinding met Zijn volk. Het volk looft die Naam omdat Hij dat waard is, “want Hij is goed”. Zijn goedheid blijkt uit Zijn goedertierenheid, dat wil zeggen uit Zijn verbondstrouw. Hij is niet een keer goed geweest, of voor een zekere periode, nee, Hij is waarachtig, volmaakt, volkomen en eeuwig goed. Het is Zijn Wezen.
Zijn volk zal dat in het vrederijk volmaakt ervaren en erkennen. Ze zullen, terwijl ze diep onder de indruk van Zijn goedheid zijn, zeggen dat “Zijn goedertierenheid … voor eeuwig” is. Het houdt in dat wat Hij doet onveranderlijk, onuitputtelijk is, dat het zichtbaar is in al Zijn handelingen en dat de resultaten van Zijn handelingen voor eeuwig blijven (vgl. Pr 3:14).
De eerste keer dat de uitdrukking “want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig” in de Schrift voorkomt, is in verband met het plaatsen van de ark in de tent die David ervoor gespannen heeft (1Kr 16:1). Naar aanleiding daarvan geeft David een psalm om de HEERE te loven. Aan het einde van die psalm zegt hij, wat hier in vers 1 staat: “Loof de HEERE, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig” (1Kr 16:34). Hetzelfde gebeurt als de ark door Salomo in de tempel wordt gebracht (2Kr 5:4-7,13). En hier, in deze psalm, gebeurt het als het volk in de duizendjarige rust van het beloofde land is ingegaan en de HEERE looft in de nieuwe tempel (Jr 33:10-11).
In het tweede vers lezen we dat God, Elohim, ook alle lof toe komt en wel als “de God der goden” (vers 2). De ‘goden’ zijn alle menselijke machthebbers, goede en verkeerde of valse, en alle uitverkoren en gevallen engelen. Al die machten zijn door Hem ontstaan en zijn aan Hem onderworpen. Hij is ver boven hen verheven. Geen mens of engel kan Zijn macht ooit betwisten, laat staan Hem ooit van de troon stoten en Hem Zijn macht ontnemen. Hij is de God der goden omdat Zijn goedertierenheid voor eeuwig is.
Het Hebreeuwse Woord voor God, dat hier gebruikt wordt kennen we denk ik bijna allemaal wel: Elohim. Het woord Elohim komen we al direct tegen in Genesis 1 vers 1: In het begin schiep God, Elohim de hemel en de aarde. Eigenlijk staat er dat hij de hemel en de aarde ‘baarde’. Alsof het een zwangere vrouw betreft.
Wie de taal van het Eerste Testament wil begrijpen, moet zich ook bewust zijn hoe het Hebreeuws spreekt over God. Het woord voor God is ‘el’, dat zoiets als ‘machtige’ betekent. Maar we vinden God gewoonlijk aangeduid met het meervoud: Elohim. Dit weerspiegelt een kenmerkend Hebreeuwse taaleigenschap.
Dingen die in het Hebreeuws als onbegrensd worden gezien, worden vaak aangeduid met een meervoud. Water is zoiets onbegrensds, en wordt daarom aangeduid met de meervoudsvorm mayim.
Maar we lezen in het Hebreeuws voor ‘hemel’ ook het meervoud, ‘hemelen’ omdat zij onbegrensd zijn.
En zo vinden we dus ook God aangeduid met een meervoud, omdat ook Hij wordt gezien, en in werkelijkheid onbegrensd is. Hoe mooi is deze gedachte. Hoe mooi is de Hebreeuwse taal. Het is letterlijk de Goddelijke taal. Paulus, op de weg naar Damascus hoort een stem vanuit de hemel en dan lezen we in Handelingen 26:14 En nadat wij allen op de grond gevallen waren, hoorde ik een stem tot mij spreken en in de Hebreeuwse taal zeggen: Saul, Saul, waarom vervolgt u Mij? Het is hard voor u de hielen tegen de prikkels te slaan.
En vervolgens in vers drie lezen we dat ook de Heere, Adonai, het toekomt dat Hem lof wordt gebracht (vers 3). Hij is de soevereine Heerser in het door Hem geschapen heelal. Hij bestuurt en gebiedt alle elementen waaruit het heelal bestaat en alle leven in het heelal. Er kunnen veel ‘heren’ zijn, personen met een zeker gezag, maar ze zijn volledig aan Hem onderworpen. In Openbaring 19:16 lezen we: Er stond op Zijn bovenkleed en op Zijn dij deze Naam geschreven: Koning der koningen en Heere der heren.
Hij bestuurt alles overeenkomstig Zijn wil. Hij is de oorsprong van alle dingen en brengt alles naar het door Hem bepaalde doel. Dat doet Hij omdat Zijn goedertierenheid voor eeuwig is.
Als dat geen zegen is.
Looft den HEER, want Hij is goed;
Looft Hem met een blij gemoed;
Want Zijn gunst, alom verspreid,
Zal bestaan in eeuwigheid.
Psalm 136 -6-: Alle reden om te danken
Alle reden om te danken
Deze psalm is wel het ‘nationale volkslied’ van het volk van God in het vrederijk genoemd. De Joden noemen Psalmen 113-118 ‘het kleine hallel’, terwijl ze Psalm 136 ‘het grote hallel’ – hallel is loflied – noemen. Het is een terugblik op de schepping en de geschiedenis van Gods volk. Elke handeling in de schepping en in verbinding met Zijn volk is een aanleiding om Zijn goedertierenheid te bezingen.
Alles wat wordt genoemd, zijn bijzonderheden waarin de goedertierenheid van God zichtbaar is. De psalmist noemt de ene na de andere bijzonderheid en zegt van elke bijzonderheid dat de oorsprong ervan Gods goedertierenheid is en dat die goedertierenheid voor eeuwig is.
Wij zouden misschien al die bijzonderheden opsommen en dan in één zin erop wijzen dat het allemaal bewijzen van Gods goedertierenheid zijn. Dat doet de psalmist niet. Hij vermeldt van elke afzonderlijke daad de oorsprong: de goedertierenheid van God. Dat leert ons dat wij oog moeten hebben voor elk detail van de vele bijzonderheden van Gods handelen in ons leven en het leven van al de Zijnen en dat wij Hem daarvoor loven.
De aanleidingen om Hem te loven voor Zijn goedertierenheid zijn onuitputtelijk. Onder de leiding van de Heilige Geest is er door de psalmist een selectie uit Gods handelingen gemaakt om die te bezingen.
Wij mogen die aanvullen met onze ervaringen. De goedertierenheid van de HEERE voor Israël, Gods aardse volk, is zichtbaar in de schepping en in hun verlossing. Als Gods hemelse volk zijn wij met de Heer Jezus verbonden in de hemel (Ef 1:3).
Efeze 1:3 Gezegend of geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegen in de hemelse gewesten in Christus,
Wij mogen Hem loven op grond van Zijn werk op het kruis (Ef 1:7). In Hem hebben wij de verlossing, door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de overtredingen, overeenkomstig de rijkdom van Zijn genade,
Daardoor zijn wij op de innigst denkbare wijze aan Hem verbonden en wel als een lichaam, de gemeente, aan het Hoofd, Christus. Wij zijn met Hem eengemaakt in Zijn dood, in Zijn opstanding uit de doden (Ef 1:20) en in Zijn verheerlijking (Ef 1:21).
Dat wij gelegenheid hebben om Hem te loven, getuigt op zich al van het feit dat Zijn goedertierenheid voor eeuwig is. Elke stap van onze pelgrimsreis op aarde, elke nieuwe uitdaging, elke nieuwe strijd, zelfs onze zwakheid of ons falen, is een aanleiding om de HEERE te loven en te prijzen vanwege Zijn goedertierenheid, want die is voor eeuwig.
Tsja, als ik in gedachten daarbij zelf even stil sta, dan kom ik veel, heel veel te kort. Er zijn zoveel aanleidingen in mijn leven geweest waar ik de Heere niet voor gedankt heb en nog steeds niet dank. De dichter van de psalm begint in vers vier met te danken voor het scheppingswerk. En overdrachtelijk mogen we dat misschien ook wel zien als onze geboorte. Hem danken dat Hij ons gemaakt heeft, zoals we zijn. Misschien denken we soms wel eens dat Hij dat helemaal niet goed gedaan heeft. Misschien wel gezien onze lichamelijke tekortkomingen. Een pijntje hier of een pijntje daar. Een rimpeltje hier of een rimpeltje daar. Of wanneer we naar anderen kijken en ons vergelijken met de ander. Maar dan herinner ik mij de woorden van zwager Wim van mij wanneer zijn vrouw daar wel eens over klaagde en dan zei: Mam, Hij heeft je precies gemaakt zoals hij je bedoeld heeft hoor. Helemaal goed.
Hou dit maar vast vandaag: Elke stap van onze pelgrimsreis op aarde, elke nieuwe uitdaging, elke nieuwe strijd, zelfs onze zwakheid of ons falen, is een aanleiding om de HEERE te loven en te prijzen vanwege Zijn goedertierenheid, want die is voor eeuwig.
Als dat geen zegen is.
De kinderen van de Graaf Jan van Naussauschool zingen er al van:
Dank U voor deze nieuwe morgen,
dank U voor elke nieuwe dag.
Dank U dat ik met al mijn zorgen
bij U komen mag.
2
Dank U voor alle goede vrienden,
dank U, o God voor al wat leeft,
dank U voor wat ik niet verdiende:
dat U mij vergeeft.
3
Dank U voor alle bloemengeuren,
dank U voor ieder klein geluk,
dank U voor alle held’re kleuren,
dank U voor muziek.
4
Dank U dat U in moeilijkheden,
dank U dat U in pijn en strijd,
dank U dat U in alle tijden
toch steeds bij ons zijt.
Psalm 136 -7-: Over Gods schepping gesproken
Over Gods schepping gesproken
Als de vraag wordt gesteld waarom God de hemel en de aarde heeft geschapen, lezen we hier het antwoord: omdat “Zijn goedertierenheid … voor eeuwig” is. Het bezingen van het wonder van de schepping begint met de vaststelling dat de HEERE de Enige is “Die grote wonderen doet” (vers 4). Dat doet en kan niemand anders dan “Hij alleen” (Ps 72:18).
Alles wat de HEERE doet, brengt de mens tot verwondering, ja diepe verwondering. Ook als hij de schepping overdenkt, de ruimte voor de mens om te leven (verzen 5-6) en de vaste tijden (verzen 7-9). Het brengt de natuurlijke mens in verwondering, maar wanneer we de HEERE kennen herkent hij daarin de goedertierenheid van de HEERE.
De HEERE doet dat “alleen”. Dat is niet ‘alleen’ in de zin van zonder hulp van anderen. Dat is natuurlijk ook zo. Maar Hij doet het vooral ‘alleen’ eenvoudig omdat Hij de Enige is Die het kan. Er is niets en niemand anders. Daar komt bij dat de grote wonderen niet zozeer een uiting van Zijn macht zijn, maar van Zijn goedertierenheid die voor eeuwig is. Macht die is gebaseerd op goedertierenheid is niet alleen zeldzaam, het is volkomen uniek. Daarom is Zijn goedertierenheid ook voor eeuwig.
Wanneer je er oog voor krijgt ga je het ook zien. Op mijn volkstuintje, dicht bij de natuur, krijg je als het ware bijna dagelijks les in de wonderlijke scheppingskracht van de Heere God. Ik zal een voorbeeld noemen. Deze winter werden de takken van de bomen gesnoeid en op een stapel gelegd voor de kachel. Het idee kwam echter na een poosje op om van de takken een houtwal te maken, dus sloegen we een aantal stammetjes in de grond en vlechtten we een houtwal. En langzaam maar zeker zagen we dit voorjaar het paaltje van de afgehouwen tak uitlopen. En nu heeft dit paaltje een aantal takken gekregen en wordt het een heuse boom. Wie had dat gedacht… Wanneer ik nu langs de houtwal loop moet is steeds aan de Messias denken. Kijk, het paaltje, afgehouwen tak leek ogenschijnlijk dood, maar eenmaal in de grond gezet ontstond er nieuw leven. Maar de Messias, stierf werkelijk aan het hout en kwam tot leven vanuit de dood. Aanschouwelijk onderwijs dus, zo maar op je groentetuintje. Zo word je zomaar geconfronteerd met de scheppingskracht heel in het klein. Hij is de Enige, Hij alleen zegt de tekst van de Psalm die dat kan. In het klein maar ook in het groot.
“Die de hemel met inzicht maakte” (vers 5). God laat in Zijn grote wonderen met betrekking tot de schepping Zijn inzicht en wijsheid zien, Die Hij alleen bezit (Sp 3:19; 8:24-31; Jr 10:12). Als we naar de hemel kijken, zien we dat Zijn goedertierenheid voor eeuwig is. Het is een ononderbroken bewijs van Zijn goedertierenheid voor de mens, want Hij heeft voor de mens met inzicht in wat deze nodig heeft de hemel gemaakt.
Hetzelfde geldt voor “de aarde” die Hij “boven het water uitspande” (vers 6; Gn 1:9; Ps 24:1-2). Hij heeft de aarde uit het water tevoorschijn laten komen als leefgebied van de mens en andere schepselen. Dat mens en dier zich op de aarde thuis voelen, is het resultaat van de goedertierenheid van God.
In de verzen 7-9 richt de psalmdichter zijn aandacht in het bijzonder op het hemelgewelf en dat met betrekking tot de aarde. Hij spreekt over “de grote lichten” die God “maakte” (vers 7; Gn 1:14). Door de grote lichten wordt alles op aarde verlicht en kan de mens genieten van alles wat God heeft gemaakt.
God maakte “de zon tot heerschappij over de dag” (vers 8; Gn 1:16a) en “de maan en sterren tot heerschappij over de nacht” (vers 9; Gn 1:16b). Deze grote lichten zijn van belang voor het leven op aarde, zowel voor de natuur als voor oriëntatie. Ze getuigen van Gods goedertierenheid voor alle schepselen die Hij heeft geschapen en speciaal voor Zijn volk.
De HEERE heeft deze grote en de kleinere lichten namelijk in de eerste plaats gemaakt om voor Zijn volk te dienen tot vaste tijden (Gn 1:14; Ps 104:19), dat betekent om de tijden van de verschillende feesten van de HEERE voor hen te bepalen (Lv 23:2). Het zijn als het ware de afspraken voor de tijden van ontmoeting tussen de HEERE en Zijn volk.
Bij de voorbereiding van vanmorgen kwam ik terecht bij Psalm 104 waarin de dichter van de Psalm Gods glorie in de schepping in geweldige woorden beschrijft en ik onder de indruk kwam van Zijn wondere wereld. En daar sluiten we dan mee af.
1Loof de HEERE, mijn ziel.
HEERE, mijn God, U bent zeer groot,
U bent met majesteit en glorie bekleed.
2Hij hult Zich in het licht als in een mantel,
Hij spant de hemel uit als een tentkleed.
3Hij maakt de zoldering van Zijn hemelzalen op de wateren,
maakt van de wolken Zijn wagen,
wandelt op de vleugels van de wind.
4Hij maakt Zijn engelen tot hulpvaardige geesten,
Zijn dienaren tot vlammend vuur.
5 Hij heeft de aarde gegrondvest op zijn fundamenten,
die zal voor eeuwig en altijd niet wankelen.
6U had hem met de watervloed als met een gewaad bedekt,
het water stond tot boven de bergen.
7Door Uw bestraffing vluchtten ze,
ze haastten zich weg voor het geluid van Uw donder.
8De bergen rezen op, de dalen daalden neer
op de plaats die U ervoor bestemd had.
9U hebt een grens gesteld, die ze niet zullen overgaan,
ze zullen de aarde nooit meer bedekken.
10Hij wijst de bronnen hun loop104:10 Hij wijst … hun loop - Letterlijk: Die de bronnen zendt. naar de dalen,
zodat ze tussen de bergen door stromen.
11Ze geven alle dieren van het veld te drinken,
de wilde ezels lessen er hun dorst.
12Daarbij wonen de vogels in de lucht,
hun stem klinkt tussen de takken.
13Hij bevochtigt de bergen vanuit Zijn hemelzalen,
de aarde wordt verzadigd door de vrucht van Uw werken.
14Hij doet het gras groeien voor de dieren,
het gewas ten dienste van de mens.
Hij brengt voedsel uit de aarde voort:
15wijn, die het hart van de sterveling verblijdt,
olie, die zijn gezicht doet glanzen,
en brood, dat het hart van de sterveling versterkt.
16De bomen van de HEERE worden verzadigd,
de ceders van de Libanon, die Hij geplant heeft.
17Daar nestelen de vogeltjes,
de cipressen zijn het huis voor de ooievaar.
18De hoge bergen zijn voor de steenbokken,
de rotsen zijn een toevluchtsoord voor de klipdassen.
19Hij heeft de maan gemaakt voor de vaste tijden,
de zon weet wanneer hij ondergaat.
20U brengt de duisternis teweeg en het wordt nacht;
daarin gaan alle dieren in het woud naar buiten.
21 De jonge leeuwen brullen om een prooi
en verlangen van God hun voedsel.
22Wanneer de zon opgaat, trekken ze zich terug
en leggen zich neer in hun holen.
23De mens gaat dan op weg naar zijn werk,
naar zijn dienstwerk, tot de avond toe.
24Hoe groot zijn Uw werken, HEERE,
U hebt alles met wijsheid gemaakt,
de aarde is vol van Uw rijkdommen.Letterlijk: Uw bezittingen.
25Daar ligt de zee, groot en wijd uitgestrekt;
daar leeft krioelend gedierte, niet te tellen,
kleine dieren en grote.
26Daar varen de schepen,
daar gaat de Leviathan, die U gevormd hebt
om hem erin te laten spelen.
27Zij allen wachten op U,
dat U hun voedsel geeft op zijn tijd.
28Geeft U het hun, zij verzamelen het,
doet U Uw hand open, zij worden met het goede verzadigd.
29Verbergt U Uw aangezicht, zij worden door schrik overmand,
neemt U hun adem weg, zij geven de geest
en keren terug tot hun stof.
30Zendt U Uw Geest uit, dan worden zij geschapen
en vernieuwt U het gelaat van de aardbodem.
31De heerlijkheid van de HEERE zij voor eeuwig,
laat de HEERE Zich verblijden in Zijn werken.
32Aanschouwt Hij de aarde, dan beeft hij,
raakt Hij de bergen aan, dan roken zij.
33 Ik zal voor de HEERE zingen in mijn leven,
ik zal voor mijn God psalmen zingen, mijn leven lang.
34Mijn overdenking van Hem zal aangenaam zijn,
ík zal mij in de HEERE verblijden.
35De zondaars zullen van de aarde verdwijnen,
de goddelozen zullen er niet meer zijn.
Loof de HEERE, mijn ziel!
Halleluja!
Als dat geen zegen is.
Heer, onze God, hoe heerlijk is Uw naam
Die U ons noemt door sterren, zon en maan
Hemel en aarde spreken wijd en zijd
Tonen het wonder van Uw heerlijkheid
Heer, onze God, die aard' en hemel schiep
Zeeën en land met macht te voorschijn riep
Wat zijn wij, mensen, dat U aan ons denkt
En ons Uw heerlijkheid en luister schenkt?
U komt ons, Heer, in Christus tegemoet
U geeft ons, Heer
Verlossing door Zijn bloed
U roept ons, mensen, in Uw heerlijkheid
Leven om Jezus' wil in eeuwigheid!
Daarom zal, Heer
Ons lied een loflied zijn
Dat in ons zingt met eindeloos refrein
Prijzend Uw liefde, heffen wij het aan
Heer, onze God, hoe heerlijk is Uw naam!
Psalm 136 -8-: Over het wonder van de verlossing gesproken -1-
Over het wonder van de verlossing gesproken -1-
Deze verzen herinneren aan Psalm 135 (Ps 135:8-9). In Psalm 135 zijn dit daden die Gods Naam en heerlijkheid tot uitdrukking brengen. Deze zelfde daden worden hier bezongen als bewijzen van Zijn goedertierenheid, waarbij elke handeling een aparte lofprijzing tot gevolg heeft.
Het begint ermee dat God ”de Egyptenaren trof in hun eerstgeborenen” (vers 10; Ex 12:29). Dit is een krachtiger uitdrukking dan “Hij trof de eerstgeborenen in Egypte” (Ps 135:8). Hier komt Gods oordeel nadrukkelijk over alle Egyptenaren. Toen brak hun weerstand en lieten zij Israël vertrekken, zelfs met veel geschenken. Wat God met de Egyptenaren heeft gedaan, is een bewijs van Zijn goedertierenheid voor Zijn volk, waarvan het resultaat voor eeuwig onveranderlijk vastligt.
Even tussendoor. Is het je wel eens opgevallen dat Israël in dit verband de zoon van God genoemd wordt? We lezen dat in Exodus 4:19 Ook zei de HEERE tegen Mozes in Midian: Ga, keer terug naar Egypte, want al de mannen die u naar het leven stonden, zijn gestorven.
- Daarom zeg Ik tegen u: Laat Mijn zoon gaan, zodat hij Mij kan dienen. Maar u hebt geweigerd hem te laten gaan, zie, Ik zal uw zoon, uw eerstgeborene, doden.
Ook zei de HEERE tegen Mozes in Midian: Ga, keer terug naar Egypte, want al de mannen die u naar het leven stonden, zijn gestorven.
20Toen nam Mozes zijn vrouw en zijn zonen, liet hen op een ezel rijden en keerde terug naar het land Egypte. En Mozes nam de staf van God in zijn hand.
21De HEERE zei tegen Mozes: Nu u naar Egypte gaat terugkeren, zie erop toe dat u al de wonderen waartoe Ik u in staat gesteld heb, Letterlijk: die Ik in uw hand gelegd heb. vóór de farao doet. Ikzelf echter zal zijn hart verharden, zodat hij het volk niet zal laten gaan.
22 Dan moet u tegen de farao zeggen: Zo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël.
Wanneer ik even stilsta bij de eerstgeborene, wat is het dan eigenlijk bijzonder dat de Heere God zijn eerstgeboren zoon, Israël, uit Egypte roept om hen door de woestijn naar Zijn land, zijn verblijfplaats te roepen en Hij de eerstgeborenen van Egypte dood. De Heere God roept Israël bij wijze van spreken vanuit de dood tot het leven en brengt Egypte van het leven tot de dood. Omgekeerde volgorde, omgekeerde situatie.
Het Hebreeuwse woord voor ‘eerstgeborene’ is bekor. Het Griekse woord voor ‘eerstgeborene’ – proototokos, waarin we het woord prototype horen – krijgt in het Tweede Testament een toegespitste betekenis: Jezus Christus, de Messias is de eerstgeborene. Met alle eerbied gesproken is Hij het prototype, de eerste onder de broederen. U en mij. Wil je weten hoe en gelovige, een kind van God er in doen en laten uitziet? Kijk naar het prototype, Jezus de Messias.
Nauw verwant met het Hebreeuwse bekor is het bikkoeriem, ‘eerstelingen’ van de oogst, die aan de Heere God geofferd moesten worden. In het Tweede Testament is het begrip aparchè voornamelijk in overdrachtelijke betekenis te vinden: Christus en de geroepen heiligen, in eerste instantie Zijn volk Israël.
18 Want ik ben ervan overtuigd dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden.
19Met reikhalzend verlangen immers verwacht de schepping het openbaar worden van de kinderen van God.
20Want de schepping is aan de zinloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar door hem die haar daaraan onderworpen heeft,
21in de hoop dat ook de schepping zelf zal bevrijd worden van de slavernij van het verderf om te komen tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God.
22Want wij weten dat heel de schepping gezamenlijk zucht en gezamenlijk in barensnood verkeert tot nu toe.
23En dat niet alleen, maar ook wijzelf, die de eerstelingen van de Geest hebben, ook wijzelf zuchten in onszelf, in de verwachting van de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing van ons lichaam.
Als dat geen zegen is.
Psalm 136 -9-: Over het wonder van de verlossing gesproken -2-
Over het wonder van de verlossing gesproken -2-
De voorgaande keer eindigden we met na te denken over de eerstgeborenen zoals we in vers 10 lezen. De eerstgeboren van Egypte werd getroffen door de Eerstgeborene van de Vader.
Het woord ‘eersteling’ heeft in de bijbel een specifieke betekenis. ‘Eerstelingen’ zijn de eerste vruchten van de oogst en de eerste worp van het vee. In Israël leefde het besef dat God recht had op die ‘eerstelingen’ of ‘eerstgeborenen’ en dat ze Hem uit respect en dankbaarheid geschonken dienden te worden. Zo werden de eerstelingen van de oogst in een mand verzameld – zeven soorten vruchten: tarwe, gerst, druiven, vijgen, granaatappels, olijven en honing (Deut. 8:8) -, naar de tempel gebracht en aan de dienstdoende priester overhandigd. Vervolgens werd een gebed uitgesproken waarin vol dankbaarheid werd herinnerd aan het feit dat het volk Israël na lange omzwervingen het beloofd land in bezit had mogen nemen, ‘een land dat overvloeit van melk en honing’ (Deut. 26:1-11). Ten aanzien van de – mannelijke! – eerstelingen van het vee bepaalt het gebod dat zij geheiligd moeten worden; ‘U mag met het eerstgeborene van uw runderen geen arbeid verrichten en het eerstgeborene van uw schapen niet scheren’ (Deut. 15:19-23).
Toen de Heere Jezus Christus als de Eersteling opstond op 'de dag van de eerste schoof' ging volgens Leviticus 23 dus een periode in van vijftig dagen. Men telde - en eigenlijk deed heel Israël dat - tot de vijftig dagen vol waren. In Handelingen 2 lezen we daarover: "En toen de dag van het Pinkster feest vervuld werd, waren zij allen eensgezind bijeen". Letterlijk staat hier: 'En toen de vijftigste dag vervuld was ...'; "Pinkster" is hier de vertaling van 'vijftigste'. Dit laat ons in ieder geval zien dat het Wekenfeest z'n vervulling kent in het feest dat wij als het 'Pinksterfeest' vieren. De term 'Wekenfeest' komt dus van de voorliggende periode, uitgedrukt in weken, terwijl 'Pinksterfeest' wijst op dezelfde periode, maar dan uitgedrukt in dagen.
De vervulling van deze feesten heeft alles met Israël te maken. Het verkondigen van de "grote werken van God" stemde geheel overeen met de taak die Israël als koninklijk priesterschap in Gods plan heeft: "Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk, een volk dat God Zich tot Zijn eigendom maakte; opdat u de deugden zou verkondigen van Hem Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht ..." (1 Pet. 2:9).
En dan volgt de boodschap van Petrus waarin hij onder meer zegt: "Maar dit is wat gesproken is door de profeet Joël: En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van Mijn geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, uw jongemannen zullen visioenen zien en uw ouderen zullen dromen dromen. En ook op Mijn dienaren en op Mijn dienaressen zal Ik in die dagen van Mijn geest uitstorten en zij zullen profeteren" (vs. 2:16-18).
Dat de Heer van Zijn geest over Zijn volk uitstortte, stemt ook overeen met de woorden die we in het Oude Testament lezen. In Ezechiël 36 staat bijvoorbeeld: "Dan zal Ik u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit uw lichaam wegnemen en u een hart van vlees geven. Ik zal Mijn geest in uw binnenste geven. Ik zal maken dat u in Mijn verordeningen wandelt en dat u Mijn bepalingen in acht neemt en ze houdt. U zult wonen in het land dat Ik uw vaderen gegeven heb, u zult een volk voor Mij zijn en Ík zal een God voor u zijn" (vs. 26-28). En: "Wanneer Ik hen uit de volken terugbreng en hen bijeenbreng uit de landen van hun vijanden, zal Ik door hen voor de ogen van veel heidenvolken geheiligd worden" en "Ik zal Mijn aangezicht niet meer voor hen verbergen, wanneer Ik Mijn geest over het huis van Israël heb uitgestort, spreekt de Heere HEERE" (Ezech. 39: 27 en 29).
Dat dit alles te maken heeft met het nieuwe verbond blijkt duidelijk uit Jeremia 31: "Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten, niet zoals het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb op de dag dat Ik hun hand vastgreep om hen uit het land Egypte te leiden - Mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ík hen getrouwd had, spreekt de HEERE. Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn" (vs. 31-33).
Handelingen 2 is niets anders dan de vervulling van deze woorden! Er waren Joodse mensen uit het gebied van de volkeren terug in het land en de belofte dat de Heer Zijn aangezicht niet meer zou verbergen voor Zijn volk, wanneer Hij Zijn geest zou hebben uitgestort, gold in die tijd ook. Lees bijvoorbeeld Handelingen 1:11 en 3:19-21.
Let er dus op dat Handelingen 2 en wat er volgt niet de vervulling is, maar een vervulling. Het betreft hier de eerstelingen maar de volle oogst ligt nog in de toekomst.
Daarmee is het Wekenfeest niet alleen een feest dat een vervulling kent in het verleden. Er komt ook nog een toekomstige vervulling! Dit betekent dat zich opnieuw een situatie zal voordoen waarin God van Zijn geest zal uitstorten op het volk, om zo het nieuwe verbond tussen Hem en Zijn volk alsnog te realiseren. Gods plannen falen immers niet; wat Hij gezegd heeft, zal ook zeker gebeuren.
Als dat geen zegen is.
Psalm 136 -10-: Over Egypte en Egyptenaren gesproken -1-
Over Egypte en Egyptenaren gesproken -1-
De verlossing van Israël uit Egypte was destijds een demonstratie van de macht van God. Die begon met een confrontatie van de HEERE, JHWH, met de Farao maar vooral ook met de goden van Egypte. Het verleden is een schaduwbeeld van de toekomst! Daarmee is de geschiedenis van Mozes met het volk Israel en Egypte en alle plagen niet uitsluitend een verhaal uit de historie maar eveneens een uitbeelding, een schaduw van wat zich in de nabije toekomst zal plaatsvinden. Daar in Exodus treft het het land Egypte, straks zal dit plaatsvinden in het hele wereldgebeuren.
We lezen immers in Jesaja 19 vers 1 de volgende profetie over Egypte met betrekking tot de toekomst: Zie, de HEERE rijdt op een snelle wolk en komt in Egypte. De afgoden van Egypte zullen beven voor Zijn aangezicht en het hart van de Egyptenaren zal smelten in hun binnenste.
Exodus 12:12 zegt: Want Ik zal in deze nacht door het land Egypte trekken en alle eerstgeborenen in het land Egypte treffen, van de mensen tot het vee. En Ik zal aan al de goden van de Egyptenaren strafgerichten voltrekken, Ik, de HEERE.
Die (af)goden hadden een belangrijke plaats in de cultuur van de Egyptenaren, zoals nu in de tijd waarin wij leven over de hele aarde. Zij hebben ook te maken met de engelmachten in de hemelen, want elk rijk heeft zijn eigen engelvorst(en) leren wij uit het boek Daniël. Er wordt gesproken over de ´vorst der Grieken´ en de ´vorst van de Meden en Perzen´, en ook Israël heeft een vorst in de hemelen, namelijk Michaël.
Vóór de uittocht van Israël bond de Heere de strijd aan met de goden van Egypte, zoals Hij in de nabije toekomst de strijd zal aanbinden tegen de goden van deze wereld. De tekenen die Mozes verrichtte, deden de tovenaars aanvankelijk net zo makkelijk, maar uiteindelijk moeten zij buigen voor de macht van JHWH, de Aanwezige. De hemelse machten moeten buigen voor de Almachtige!
De Egyptenaren associeerden hun goden o.a. met de machten over de natuur. De plagen die God zond, waren dan eigenlijk ook een oordeel over die goden of engelmachten.
De god Hapi bijvoorbeeld zorgde er volgens de Egyptenaren voor dat de Nijl ieder jaar weer overstroomde en zo vruchtbaarheid bracht. De eerste plaag van het Nijlwater dat in bloed veranderde was dus ook een oordeel over deze god.
De Egyptische godin Heket werd afgebeeld met een kikkerkop en soms volledig als kikker. Daar heeft de tweede plaag mee te maken.
Zo moest de god Serapis beschermen tegen sprinkhanenplagen (zie de achtste plaag) en de drie dagen duisternis (negende plaag) had alles te maken met de goden van het licht, de zonnegoden als Amon-Ra (ook wel. Re) en Osiris.
Ook in het boek Openbaring lezen we over sprinkhanen in Openbaring 9:3 En uit de rook kwamen sprinkhanen op de aarde, en hun werd macht gegeven, zoals de schorpioenen van de aarde macht hebben. En tegen hen werd gezegd dat ze geen schade mochten toebrengen aan het gras van de aarde, of welke groene plant of welke boom dan ook, maar alleen aan de mensen die het zegel van God niet op hun voorhoofd hadden. En hun werd macht gegeven, niet om hen te doden, maar om hen te pijnigen, vijf maanden lang. Hun pijniging was als de pijniging door een schorpioen, wanneer hij een mens steekt. En in die dagen zullen de mensen de dood zoeken maar die niet vinden. En zij zullen ernaar verlangen te sterven, maar de dood zal van hen wegvluchten. En de sprinkhanen zagen eruit als paarden die voor de oorlog gereedgemaakt zijn. En op hun koppen droegen zij kransen als van goud, en hun gezichten leken op gezichten van mensen. En zij hadden haar als haar van vrouwen, en hun tanden waren als tanden van leeuwen. En zij hadden borstharnassen van ijzer, en het geluid van hun vleugels was als het geluid van wagens met veel paarden die ten strijde snellen. En zij hadden staarten die leken op schorpioenen, en er zaten angels aan hun staarten. En zij hadden de macht om de mensen schade toe te brengen, vijf maanden lang. En zij hadden een koning over zich, de engel van de afgrond. Zijn naam is in het Hebreeuws Abaddon, en in het Grieks heeft hij de naam Apollyon.
Maar ook over duisternis op de aarde in Openbaring 8:12 De vierde engel blies op de bazuin, en het derde deel van de zon werd getroffen, en het derde deel van de maan en het derde deel van de sterren, zodat het derde deel daarvan verduisterd werd, en zodat de dag voor een derde deel niet licht werd, en de nacht evenmin.
In Exodus 10.22-23a lezen we: Toen Mozes zijn hand uitstrekte naar de hemel, kwam er een dikke duisternis in heel het land Egypte, drie dagen lang. Zij zagen elkaar niet, en drie dagen lang stond niemand op van zijn plaats. Voor alle Israëlieten echter was het licht in hun woongebieden.
Niemand stond op van z´n plaats! Wij zeggen wel eens: ´je kon geen hand voor ogen zien´. Hier was het kennelijk nog erger. Dit oordeel van God was tegelijk een machtig wonder voor de Israëlieten!
Zo zien we dat wat we in het klein zien gebeuren in Egypte, straks over de hele aarde zal plaatsvinden. Exodus is een voorafschaduwing voor de nabije toekomst. Zo hoeven we ook niet in het duister te tasten over waar het met deze wereld naar toe gaat, maar kunnen we de toekomst lezen in het verleden.
Uiteindelijk zal het leiden tot de verlossing van Israel. Dat gaat niet zonder slag of stoot. Er gaat een hele woestijnreis, toen , maarzeker ook nu aan vooraf, maar uiteindelijk mogenze het Beloofde Land, ook in overdrachtelijke zin, in bezit nemen.
Maar ook dat is een voorafschaduwing. Ook in het klein. Straks zal de Heere God ook deze hele aarde verlossen van de slavernij van de vorst van deze wereld die nu regeert, de vorst van de duisternis dezer eeuw, maar ons wacht een geweldige toekomst:
We lezen in Openbaring 22:Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om bij u in de gemeenten van deze dingen te getuigen. Ik ben de Wortel en het Nageslacht van David, de blinkende Morgenster. Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om bij u in de gemeenten van deze dingen te getuigen. Ik ben de Wortel en het Nageslacht van David, de blinkende Morgenster. En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom! En laat hij die dorst heeft, komen; en laat hij die wil, het water des levens nemen, voor niets. Want ik getuig aan ieder die de woorden van de profetie van dit boek hoort: Als iemand iets aan deze dingen toevoegt, zal God hem de plagen toevoegen die in dit boek geschreven zijn. En als iemand afdoet van de woorden van het boek van deze profetie, zal God zijn deel afdoen van het boek des levens, en van de heilige stad, van de dingen die in dit boek geschreven zijn. Hij Die van deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig. Amen. Ja, kom, Heere Jezus! De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen.
Als dat geen zegen is.
Psalm 136 -11-: Over Egypte en Egyptenaren gesproken -2-
Over Egypte en Egyptenaren gesproken -2-
We denken deze keer weer wat verder na over dit onderwerp waar we de vorige ker gezien hebben dat datgene wat de Egyptenaren in het verleden overkwam straks plaats zal vinden op wereld niveau waarover we lezen in het boek Openbaring. We dachten na over de sprinkhanenplaag en over het licht en de duisternis.
Overigens werd in de oudheid de zon(negod) ook wel gesymboliseerd door of vergezeld van een slang. We moeten dan onwillekeurig denken aan de staf van Aäron die veranderde in een slang. En de geleerden van Egypte deden met hun toverkunsten hetzelfde! De God der goden echter bewees Zijn macht doordat de staf van Aäron de staven van de Egyptische wijzen verslond (Exod. 7:10-12). En zo zal het ook straks zijn. De God der goden zal ook straks Zijn macht bewijzen en de slang de kop vermorzelen lezen we in Genesis 3 al.
Egypte wordt op sommige plaatsen in de Bijbel aangeduid als Rahab (Ps. 87:4, Jes. 30:7). Tegelijkertijd is deze Rahab ook de naam van een zeemonster in Jesaja 51:9 (vgl. ook Job. 26:12, Ps. 89:11). Jesaja lijkt te verwijzen naar de doortocht door de Schelfzee destijds, terwijl in vers 10 ook gesproken wordt over de ´grote watervloed´ (SV: ´wateren des groten afgronds´), hetgeen de vertaling is van het Hebreeuwse ´tehom´. Dit woord komen we ook tegen in Genesis 1:2 in verband met de woestheid en ledigheid van de aarde.
Jesaja 51:9 Ontwaak, ontwaak, bekleed u met kracht, arm van de HEERE! Ontwaak als in de dagen van weleer, als bij de generaties van vroeger eeuwen! Bent u het niet die Rahab hebt neergehouwen, het zeemonster doorboord? Bent u het niet die de zee heeft drooggelegd de wateren van de grote watervloed, die de diepten van de zee gemaakt heeft tot een weg zodat de verlosten erdoor konden gaan? Zo zullen wie door de HEERE zijn vrijgekocht, terugkeren en met gejuich in Sion komen. Eeuwige blijdschap zal op hun hoofd zijn, vreugde en blijdschap zullen zij verkrijgen, verdriet en gezucht zullen wegvluchten.
Het is dan ook niet ondenkbaar dat met deze Rahab ook verwezen wordt naar de meerdere van de Farao´s (zie Ezech. 29:3 en 32:2), de engelvorst van Egypte, die feitelijk niemand anders is dan vorst van alle wereldrijken, de macht der duisternis.
Zo lezen we bijvoorbeeld in Ezechiel 32: Het gebeurde in het twaalfde jaar, in de twaalfde maand, op de eerste van de maand, dat het woord van de HEERE tot mij kwam: Mensenkind, hef een klaaglied aan over de farao, de koning van Egypte, en zeg tegen hem: U leek onder de heidenvolken op een jonge leeuw; en u was als een zeemonster in de zeeën, u barstte los in uw rivieren, bracht het water met uw voeten in beroering en maakte hun rivieren troebel. Zo zegt de Heere HEERE: Ik zal daarom Mijn net over u uitspreiden door een menigte van vele volken. Die zullen u ophalen in Mijn sleepnet. Ik zal u achterlaten op het land, u op het open veld werpen. Aan de wilde dieren van de aarde en aan de vogels in de lucht heb Ik u tot voedsel gegeven.
In het boek Openbaring vinden we hem terug als de “draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan” (Opb. 12:9 en 20:2).
In het boek Openbaring lezen we dat de God der goden in de eindtijd zal afrekenen met satan en zijn engelmachten. Door de tijden hebben zij de aardse rijken door middel van mensen die in hun macht zijn, gedomineerd. Uiteindelijk zal hun regering uitlopen in de ´beestheerschappij´ (Opb. 13). Dat is de laatste manifestatie van hun macht. In Openbaring wordt gesproken over het finale oordeel van God, door middel van de ´zeven laatste plagen´ (Hs. 15:1). Daarmee zal “de toorn van God tot een einde gekomen zijn.”
De God der goden houdt afrekening met alle (af)goden van de duisternis en zal hen tenietdoen, opdat daarmee zal blijken dat Hij, de Heere van de legermachten, boven alles is verheven! Inderdaad, wanneer we ons afvragen waarom dit alles al plaatsvinden, dan keren we weer terug naar Psalm 136:
Die de Egyptenaren trof in hun eerstgeborenen,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
Als dat geen zegen is.
Looft de Heer want Hij is goed,
looft het met een blij gemoed,
Want Zijn gunst alom verspreidt
Zal bestaan in eeuwigheid.
Psalm 136 -12-: Over verlossing gesproken
Over verlossing gesproken
Na het oordeel over de Egyptenaren heeft de Aanwezige, JHWH, een volgende daad gedaan waaruit Zijn goedertierenheid blijkt: Hij leidde Israël uit het midden van de Egyptenaren uit (vers 11). Na het breken van de macht van de onderdrukkers bevrijdde Hij Zijn volk uit het midden van hun onderdrukkers. De verlossing door de Schelfzee wordt uitvoerig beschreven (verzen 11-15), want het is een schaduwbeeld van de komende verlossing van het gelovig overblijfsel uit de macht van de antichrist. We lezen over de toekomstige verlossing van Israel van haar onderdrukker in Jesaja 43:16-21:
16 Zo zegt de HEERE,
Die een weg maakte in de zee
en een pad in machtige wateren,
17Die strijdwagens en paarden deed uitrukken,
leger en macht
zij liggen tezamen neer, zij zullen niet meer opstaan,
uitgedoofd zijn zij, uitgeblust als een vlaspit.
18Denk niet aan de dingen van vroeger,
let niet op de dingen van het verleden.
19Zie, Ik maak iets nieuws.
Nu zal het ontkiemen. Zult u dat niet weten?
Ja, Ik zal een weg aanleggen in de woestijn,
rivieren in de wildernis.
20De dieren van het veld zullen Mij eren –
jakhalzen en struisvogels –
want Ik zal water geven in de woestijn,
in de wildernis rivieren,
om Mijn volk, Mijn uitverkorene, te drinken te geven.
21 Dit volk heb Ik Mij geformeerd.
Zij zullen Mijn lof vertellen.
De laatste woorden blijven als het waren in mijn oren doorklinken: Zij zullen mijn lof verkondigen.
In de tijd waarin wij leven beleven we een herstel van Israel. Maar als we eerlijk zijn, en dat moeten we, zien we nog geen nationaal geestelijk herstel van Israel. De politiek, het geharrewar en het zoeken naar een aardse vrede stempelt het handelen van Israel in de dagen die wij beleven.
Belangrijker dan het uiterlijk herstel van volk, stad en tempel, is het feit dat God met Israël een nieuw verbond heeft gesloten, waar alle zegeningen uit voortvloeien. Israël zal God met een volkomen toegewijd hart dienen, ze zullen, zoals gezegd, de wet des Heren in hun binnenste geschreven hebben en Gods lof verkondigen over de hele wereld. Jeremia profeteerde hierover heel uitvoerig in de hoofdstukken 31 t/m 33 van zijn profetie.
Een geweldig werk aan het innerlijk van het volk zal dan door de Geest van God verricht worden, zodat het overblijfsel van Israël geen onrecht zal doen, noch leugen spreken, en in hun mond geen bedrieglijke tong gevonden zal worden (Zef. 3:13).
Ook zal de Geest van God op het volk zijn uitgestort en Joël 2 zijn volle vervulling hebben gevonden (zie Ezech. 36:26-28; 39:29; Jes. 44:3).
Het volk zal in zijn geheel uit rechtvaardigen bestaan (Jes. 60:21).
Uw volk, zij allen zullen rechtvaardigen zijn,
voor eeuwig zullen zij de aarde in bezit nemen.
Zij zullen een stekje zijn, door Mij geplant,
een werk van Mijn handen, opdat Ik verheerlijkt zal worden.
Heel veel schriftgedeelten spreken over deze innerlijke omkeer. Zullen we er vanmorgen gewoon eens een paar in herinnering roepen en lezen?
Jes. 29:17 tot en met 19:
Is het niet nog een klein moment
totdat de Libanon zal veranderen in een vruchtbaar veld,
en het vruchtbare veld als een woud beschouwd zal worden?
Op die dag zullen de doven horen de woorden van het Boek,
en, verlost van donkerheid en duisternis, zullen de ogen van de blinden zien.
De zachtmoedigen zullen blijdschap op blijdschap hebben blijdschap op blijdschap hebben - Letterlijk: blijdschap toevoegen. in de HEERE,en de armen onder de mensen zullen zich in de Heilige van Israël verheugen.
Jesaja 32:vers 1 en 4 waar we lezen over de profetie over het rijk van de Messias
Zie, een Koning zal regeren in gerechtigheid
en vorsten zullen heersen overeenkomstig het recht.
Die Man zal zijn als een beschutting tegen de wind,
een schuilplaats tegen de vloed,
als waterbeken in een dorre streek,
als de schaduw van een zware rots in een dorstig land.
Dan zullen de ogen van wie zien, zich niet afwenden
en de oren van wie horen, zullen er acht op slaan.
Het hart van onbedachtzamen zal inzicht krijgen,
en de tong van stamelaars zal bedreven zijn om duidelijk te spreken.
En in Jesaja 33 vers 1 tot en met 6 lezen we over God Die op staat op om Jeruzalem te verlossen
Wee u, verwoester, u die zelf niet verwoest bent,
en u die trouweloos handelt, al heeft men tegenover u niet trouweloos gehandeld.
Hebt u het verwoesten voltooid, dan zult u zelf verwoest worden;
bent u gereed met trouweloos handelen, dan zal men tegen u trouweloos handelen.
HEERE, wees ons genadig, op U hebben wij gewacht.
Wees elke morgen hun arm;
ja, ons heil in tijd van benauwdheid.
Dan zal uw buit verzameld worden, zoals zwermsprinkhanen zich verzamelen;
zoals sprinkhanen erop afstormen, stormt men erop af.
De HEERE is hoogverheven, want Hij woont in de hoogte
Hij heeft Sion vervuld met recht en gerechtigheid.
- Hij zal zijn de vastheid van uw tijden,
een rijkdom aan heil, wijsheid en kennis;
de vreze des HEEREN zal zijn schat zijn.
Dit nieuwe verbond zal niet meer verbroken worden: “Ja ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten, dat Ik Mij niet van achter hen afwenden zal en dat Ik hen wél zal doen, en mijn vrees zal Ik in hun hart leggen, zodat zij niet van Mij afwijken” (Jer. 32:40).
Als dat geen zegen is.
Als God zijn stem doet horen in Israël
dan zien wij al zijn luister en macht.
Kom naar de heilige berg van God.
Zing dit feestlied in de nacht.
Refrein:
Hij’s de Machtige van Israël.
De Machtige van Israël.
Zijn stem wordt gehoord
in de sterkte van zijn woord.
De Machtige van Israël.
Dan toont Hij zijn kracht
en de blinden zullen zien.
De doven verstaan zijn stem.
De tong van de stomme
zal zingen in de nacht.
De lamme zal dansen voor Hem.
De dorre woestijn zal gaan
bloeien als een roos.
De wildernis jubelt en lacht.
Spreek tot het hart
van wie moe is en bang: Wees sterk!
De Heer vernieuwt uw kracht!
Psalm 136 -13-: Over verlossing gesproken -2-
Over verlossing gesproken -2-
De voorgaande keer hebben we gezien dat na het oordeel over de Egyptenaren de Aanwezige, JHWH, een volgende daad gedaan heeft waaruit Zijn goedertierenheid blijkt: Hij leidde Israël uit het midden van de Egyptenaren (vers 11), maar daar bleef en blijft het niet bij, want Zij zullen ook lof vertellen in de nabije toekomst.
We zagen dat dat wanneer Israël hersteld zal zijn, nationaal en geestelijk zij tot zegen zullen zijn voor de volken. De volken zullen niet meer naar Jeruzalem optrekken om het te belegeren, maar om het woord van de Heere te horen en Hem te dienen. De profetie spreekt zich hierover als volgt uit: En alle volkeren zullen derwaarts heenstromen en vele natiën zullen optrekken en zeggen: Komt laten wij opgaan naar de berg des Heren, naar het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en des Heren woord uit Jeruzalem” (Jes. 2:3; zie ook Jer. 3:17). Dan zal het nageslacht van Abraham een zegen worden voor de volken en niet meer een vloek: “Gelijk gij onder de volken een vervloeking geweest zijt, o huis van Juda en huis van Israël, zo zult gij doordat Ik u heil schenk, een zegen worden” (Zach. 8:13).
De aarde zal niet meer godloos zijn, maar vol van de kennis des Heren (Jes. 11:9b; Hab. 2:14). 14Want de aarde zal vol worden met de kennis van de heerlijkheid van de HEERE, zoals het water de bodem van de zee bedekt.
Het boek Genesis laat ons zien dat de eerste mensen een geweldige ouderdom bereikten. Naarmate de zonde echter doorwerkte werd de leeftijd van de mens ingekort. Het bekende psalmwoord zegt: “De dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, en indien wij sterk zijn, tachtig jaren” (Ps. 90:10).
In het vrederijk zal de mens opnieuw een hoge ouderdom bereiken: “Er zullen weer oude mannen en vrouwen op de pleinen van Jeruzalem zitten, ieder met een stok in de hand vanwege zijn hoge leeftijd” (Zach. 8:4).
“Daar zal niet langer een zuigeling zijn, die slechts weinige dagen leeft, noch een grijsaard, die zijn dagen niet voleindigt, want de jongeling zal als honderdjarige sterven, zelfs de zondaar zal eerst als honderdjarige door de vloek getroffen worden… want als de levensduur van de bomen zal de leeftijd van mijn volk zijn” (zie Jes. 65:20-22).
De gevolgen van de vloek, die na de zondeval over de aarde kwam, zullen zijn opgeheven. Dan zal de aarde haar opbrengst wél geven en al geen dier leven ten koste van het andere. Ziekte en dergelijke beproevingen zullen tot het verleden behoren.
Ook hierover laten we de Schrift zelf spreken: “Dan zal de wolf bij het schaap verkeren en de panter zich neerleggen bij het bokje; het kalf, de jonge leeuw en het mestvee zullen samen zijn, en een kleine jongen zal ze hoeden; de koe en de berin zullen samen weiden, haar jongen zullen zich samen neerleggen, en de leeuw zal stro eten als het rund; dan zal een zuigeling bij het hol van een adder spelen en naar het nest van een giftige slang zal een gespeend kind zijn hand uitstrekken” (Jes. 11:6-8).
En geen inwoner zal zeggen: “Ik ben ziek…” (Jes. 33:24). De ogen van de blinden zullen geopend en de oren van de doven ontsloten zijn (Jes. 35:5, 6). Grote vruchtbaarheid zal de aarde en in het bijzonder Palestina kenmerken:
“Want in de woestijn zullen wateren ontspringen en beken in de steppe, en het gloeiende zand zal tot een plas worden en het dorstige land tot waterbronnen; waar de jakhalzen verblijven en legeren, zal gras met riet en biezen zijn” (Jes. 35:6, 7).
Kanaän zal weer waar maken dat het een land is vloeiende van melk en honing; want de vloek van de wet zal eveneens opgeheven zijn (Jes. 30:23, 24).
“Ik zal de regen doen neerdalen op zijn tijd, zegenbrengende regens zullen het zijn; het geboomte des velds zal zijn vrucht geven en het land zijn opbrengst” (Ezech. 34:26, 27 zie ook vs. 29).
Terecht wordt deze periode een tijd van vrede genoemd en spreken we van het vrederijk. Waar de verhouding tussen Israël en zijn God, en tussen de mens in het algemeen en de Schepper op Goddelijke wijze geregeld is, daar zal ook de verhouding van de volkeren onderling van vrede getuigen. “Dan zullen zij hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden en hun speren tot snoeimessen; geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren” (Jes. 2:4). 2).
Onder de vele dingen die in de periode van vrede hersteld worden neemt het koningschap wel een heel belangrijke plaats in. Aan David heeft God beloofd dat het hem nooit aan een nakomeling op de troon zou ontbreken (1 Kon. 2:4). Al is deze troon door de ontrouw van het huis van David een tijdlang “vacant” geweest, God zal zorgen voor een “eeuwige bezetting”. Toen de Here Jezus geboren werd, getuigde Gabriël: “En de Heere God zal Hem de troon van zijn vader David geven en Hij zal over het huis van Jakob koning zijn tot in eeuwigheid en aan zijn koningschap zal geen einde zijn” (Luk. 1:32, 33).
De droom van Nebukadnezar (Daniël 2) en het visioen van Daniël (hfdst. 7) worden realiteit als aan de vier wereldrijken van de volken definitief een einde is gemaakt en het koninkrijk is opgericht, dat “aan geen ander gegeven zal worden”. De enige verandering die dit rijk en de regering van de Messias zal ondergaan, is dat Christus het rijk aan de Vader overdraagt en de Drie-enige God dan alles in allen zal zijn (zie 1 Kor. 15).
“En in getrouwheid zal daarop in Davids tent zetelen één, die richt en die recht zoekt en die zich haast gerechtigheid te oefenen” (Jes. 16:5). “Maar zij zullen de Heere, hun God, dienen en David, hun koning, die Ik hun verwekken zal” (Jer. 30:9). “Ik, de Here, zal hun tot een God zijn, en mijn knecht David zal vorst wezen in hun midden” (Ezech. 34:24).
Deze voorzeggingen betreffen Israël en geen ander volk. Toch mogen ook wij, die tot de gemeente behoren, ons in deze profetieën verblijden en er praktische lessen uit putten. We zien er in hoe de mens faalt, maar hoe God het falen van de mens “overheerst” en glorie doet uitspruiten. We zien de grote trouw van God aan zijn eens gegeven woord. Wat Hij beloofd heeft, gaat in vervulling. Alle beloften zijn ja en amen! Bovenal zien we dat Jezus Christus, door zijn volk verworpen en door de wereld miskend, dan de plaats van Heerlijkheid zal innemen en Hem eer zal worden gebracht door de hele schepping.
Hoe geweldig van inhoud de heilsprofetie ook is, en hoe zegenrijk de periode van vrede zal zijn, toch is nog niet het volmaakte gekomen.
Er is nog sprake van dood. Laat iemand pas als honderdjarige sterven en dan een jongeling heten, toch komt er nog een einde aan zijn leven. Er is nog sprake van “zondaar”. Al is satan in die tijd gebonden, de zonde is er nog wel. Dan zal niet de zonde meer heersen zoals nu, maar de gerechtigheid. Zodra het kwaad zich openbaart, wordt het geoordeeld. Christus doet namelijk uit zijn koninkrijk de ergernissen weg en verwijdert elke morgen de afvalligen en de ongerechtigheid (Matth. 13:41; Ps. 101:8).
Over deze gweldige periode heen echter blinkt een nog grootser perspectief, als de gerechtigheid niet alleen zal heersen, maar zal wonen op aarde. Dat zal het geval zijn als aarde en hemel zijn “weggevlucht” en de eeuwige gelukzaligheid is aangebroken.
Het volk heeft gezien dat God Zijn “sterke hand” en Zijn “uitgestrekte arm” heeft gebruikt tegen de Egyptenaren en voor hen (vers 12; Ex 6:6; Dt 5:15; 7:19; 26:8; Jr 32:21). Dit machtsvertoon tot oordeel van de Egyptenaren en ten gunste van Zijn volk komt voort uit Zijn goedertierenheid voor Zijn volk. Het resultaat van de bevrijding kan nooit veranderen, het zal nooit eindigen, want “Zijn goedertierenheid is voor eeuwig”.
De bewijzen van Gods goedertierenheid houden niet op bij de bevrijding. Toen het erop leek dat ze voor een onoverkomelijke hindernis stonden en ze weer gevangen zouden worden genomen, deelde God de Schelfzee in tweeën (vers 13; Ex 14:21). Letterlijk staat er dat Hij de Schelfzee ‘in stukken sneed’, wat de macht van Zijn daad nog duidelijker doet uitkomen.
Vervolgens deed God “Israël er middendoor … gaan” (vers 14; Ex 14:22,29). Wat een onoverkomelijke hindernis leek te zijn, werd een gebaande weg. Het water bleef door de macht van God als muren staan, terwijl Israël door de zee heentrok. Dit is weer een bijzonder bewijs van de goedertierenheid van God die voor eeuwig is.
Het afsluitende bewijs van Gods goedertierenheid met betrekking tot de verlossing van Zijn volk is de definitieve verdelging van de Farao en al zijn trawanten. In Psalm 136 staat dat God “de farao met zijn leger in de Schelfzee stortte”. In de beschrijving van deze gebeurtenis in het boek Exodus staat er niet expliciet bij dat de farao in de Schelfzee verdronk; dat wordt hier wel gezegd. Het woord ‘stortte’ is een woord dat wordt gebruikt voor een boom die zijn bladeren afschudt. Het is een daad van Gods oordeelsmacht.
Zoals we al eerder gezien hebben is de verlossing van Israel in Exodus een beeld van wat in de toekomst zal plaats vinden en zo is de Farao een beeld van de verdrukker van Gods volk, inderdaad de grote tegenstander van wie God toebehoren, de satan en zijn leger. Zo gezien zien we in de geschiedenis dat de Heere Farao en zijn leger in de zee stortte het beeld van wat we lezen in Openbaring 20:10 En de duivel, die hen misleidde, werd in de poel van vuur en zwavel geworpen, waar ook het beest en de valse profeet reeds zijn. En zij zullen dag en nacht gepijnigd worden in alle eeuwigheid.
Dat oordeel een daad van goedertierenheid is, zal iedereen bevestigen die het kwaad haat en het recht liefheeft.
Als dat geen zegen is.
Israel zingt er al van, luister maar:
Juich, aarde, juicht alom den HEER;
Dient God met blijdschap, geeft Hem eer;
Komt, nadert voor Zijn aangezicht;
Zingt Hem een vrolijk lofgedicht.
De HEER is God; erkent, dat Hij
Ons heeft gemaakt (en geenszins wij)
Tot schapen, die Hij voedt en weidt;
Een volk, tot Zijnen dienst bereid.
De HEER is God; erkent, dat Hij
Ons heeft gemaakt (en geenszins wij)
Tot schapen, die Hij voedt en weidt;
Een volk, tot Zijnen dienst bereid.
Want goedertieren is de HEER;
Zijn goedheid eindigt nimmermeer;
Zijn trouw en waarheid houdt haar kracht
Tot in het laatste nageslacht.
Psalm 136 -14-: Over verlossing gesproken -3-
Over de woestijnreis gesproken -3-
Vandaag maken we weer een stapje in de psalm. Daar waar we de afgelopen periode met elkaar nadachten over de verlossing lazen we zojuist over de reis door de woestijn en de vijandelijke koningen die verslagen moesten worden zowel buiten als in het beloofde land, waarbij de machtige koningen Sihon en Og heel speciaal worden genoemd.
De Bijbel is een wonderlijk boek waarin je een leven lang kunt lezen en onderzoeken en hoe oud je ook wordt nooit uitgestudeerd wordt. Het Woord van God, de Schepper van hemel en aarde, blijkt Zelf een Boek geschreven te hebben waarin we dan ook niet worden opgeroepen om te begrijpen maar om te geloven.
Maar we lezen tegelijkertijd in het Woord:
Op dat ogenblik kwamen de discipelen bij Jezus en vroegen: Wie is wel de grootste in het Koninkrijk der hemelen? En Hij riep een kind tot Zich, plaatste dat in hun midden, en zeide: Voorwaar, Ik zeg u, wanneer gij u niet bekeert en wordt als de kinderen, zult gij het Koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan. Wie nu zichzelf gering zal achten als dit kind, die is de grootste in het Koninkrijk der hemelen.
Op die manier kunnen we ook de geschiedenis van het volk van Israel, het door God Zelf verkozen volk lezen als een historische beschrijving van de weg die de Heere God met Zijn volk gegaan is. Verlost van de verschrikkelijke Farao, geleid door de woestijn en uiteindelijk gebracht in het Beloofde Land.
Maar tegelijkertijd kunnen we de weg die de Heere met Zijn volk ging geestelijk inhoud geven door het geestelijk leven van jou en mij in de geschiedenis met Zijn volk daarin te lezen. Want inderdaad, wanneer we verlost zijn van het slavenjuk van de duivel, wanneer we door de Schelfzee als het ware door de dood tot het leven gekomen zijn hebben we de neiging, net als Mozes het lied van de verlossing uit volle borst te zingen, en tussen haakjes, daar is natuurlijk helemaal niets op tegen, want dan mogen we weten verlost te zijn van de Farao, van de Satan. Maar dan hebben we nog veertig jaren te gaan, veertig jaar, het getal van een geslacht, bij wijze van spreken een leven lang, waarin we in dit leven door de woestijn van het leven, te gaan hebben. Niet alleen, maar begeleid door de wolk en vuurkolom. Hij is er bij. Altijd. Dag en nacht. Is de woestijnreis va het leven makkelijk. Nee, zeker niet. De ene keer is het dit, geen water, geen eten, veel vijanden, veel strijd. Ook in jou en mijn leven, maar vergeet nooit: Hij is er bij en geeft licht en schaduw voor onderweg en wijst jou en mij de weg. Maar let op. Voor de wolk en vuurkolom moest het volk wel omhoog kijken. Gericht zijn op de weg die Hij aan wees. Ja ja, we zijn er bijna, maar nog niet helemaal. Want de woestijnreis is geen doel op zich. Het doel van ons leven is niet de woestijnreis, maar het Beloofde Land. Zijn land. Daar waar Hij woont. Daar in Jeruzalem in Zijn woning. Een veel geciteerde uitspraak van Corrie Ten Boom is dan ook: Inderdaad, het beste komt nog. Straks bij Hem te Zijn. Voor eeuwig en altijd. Kan jij er soms ook zo naar verlangen tijdens je woestijnreis. Je reis door het leven?
Zo kent de geschiedenis van Israel een historisch perspectief en een geestelijk perspectief, maar ook een profetisch perspectief waarin ons geopenbaard wordt wat in de nabije toekomst plaats zal vinden en misschien nu al plaatsvindt met zijn volk Israel en de hele wereld. Want we hoeven niet in het duister rond te tasten wat er in de toekomst plaats zal vinden. Het wordt ons in Zijn Woord geopenbaard. Maar daarvoor moeten we wel schatgraven, schatgraven in Zijn Woord.
Wat gold voor de uitverkiezing door God van het oude Israël, geldt evenzo voor Zijn andere tussenkomsten namens Israël; het waren allemaal voorafschaduwingen van Zijn heilsdaden in Christus in deze laatste tijden. De verlossing van Israël uit Egypte, expliciet herdacht in onze psalm, is dus de voorafschaduwing van Zijn heilsdaden in de nabije toekomst. We hoeven dus niet aangaande de toekomst in het duister te leven, maar mogen leven vanuit Zijn Woord in het Licht. Daar willen we de volgende keren ook een paar keer bij stilstaan.
Intussen mogen we elkaar, ook vandaag Gods zegen toewensen op de woestijnreis van vandaag. En wat er vandaag ook gebeurt, in voor- of zoals wij dat noemen tegenspoed, vergeet niet: Hij is er bij. Hij is JHWH. Hij is de Aanwezige.
Als dat geen zegen is.
Christian Verwoerd zing er van in zijn lied over Psalm 121.
Psalm 136 -15-: Over overwinning gesproken -1-
Over overwinning gesproken -1-
De voorgaande keer stonden we in het kort met elkaar stil bij het historisch, geestelijk- en profetisch perspectief van de tekst.
Deze keer willen we even stilstaan bij de profetische betekenis van de tekst, waarin we lezen dat de HEERE, Zijn volk door de woestijn leidde, grote koningen versloeg en machtige koningen doodde. Twee van deze koningen worden met name genoemd zelfs. Sihon, de koning van de Amorieten en Og, de koning van Basan.
De psalm geeft een samenvatting van de overwinning van de HEERE (tussen haakjes, niet Israel) op koning Sihon van Chesbon en koning Og van Basan. Na de nederlaag van deze twee koningen namen de Israëlieten hun land in. Mozes verklaarde: " Zo namen we destijds het land in handen van de twee koningen van de Amorieten die aan de overzijde van de Jordaan waren, van het dal van de Arnon tot aan de berg Hermon ." De tekst identificeert beide koningen als Amorieten.
Amorieten waren bewoners van, onder meer, het bergland in Kanaän. Zij zijn afstammelingen van Noachs kleinzoon Kanaän (Gen. 10:15). Ze waren één van de Kanaänietische volkstammen (Hethieten, Jebusieten, Amorieten, Girgasieten, Hevieten) in het land Kanaän. Ze bewoonden daar het bergland ten westen en vooral ten oosten van de Jordaan (Gen. 14 :7,13).
De naam Amoriet betekent 'zegger', 'spreker', en de naam Chesbon, de woonplaas van de spreker, betekent list. Even tussendoor: Dit doet mij denken aan een andere spreker die met een list. Je weet wel, de slang in de hof. De verleider van het begin. En zijn methode is nog steeds hetzelfde.
Ze stammen van Kanaän, Noachs kleinzoon, af.
Ge 10:15 En Kanaän gewon Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth, Ge 10:16 En den Jebusiet, en den Amoriet, en den Girgasiet, Ge 10:19 En de landpale der Kanaanieten was van Sidon, daar gij gaat naar Gerar tot Gaza toe; daar gij gaat naar Sodom en Gomorra, en Adama, en Zoboim, tot Lasa toe.
De Hebreeuwse naam is סדם, sedom, wat betekent ‘branden’
De naam Gomorra betekent 'vereniging', van Hebr. amôr, 'te zamen drukken, binden'. Het franse woord voor liefde is amour.
Sodom en Gomorra ondergaan de straf van eeuwig vuur. Deze steden zijn het derde voorbeeld van bestraffing in de Judasbrief (Jud. 1:6-7).
En de engelen die hun oorspronkelijke staat niet hebben bewaard, maar hun eigen woonplaats verlaten hebben, 2 Petr. 2:4heeft Hij voor het oordeel van de grote dag met eeuwige boeien in de duisternis in verzekerde bewaring gesteld.
Evenzo is het met Sodom en Gomorra, en de steden eromheen, die op dezelfde wijze als zij hoererij bedreven hebben en ander vlees achterna zijn gegaan. Zij liggen daar als een waarschuwend voorbeeld, doordat zij de straf van het eeuwige vuur ondergaan.
En dan Og, de koning van Basan. De bijbel vertelt ons dat Og de laatste van de Rephaïm was, een oud reuzenras dat in het land leefde in de tijd van Abraham ( een oud reuzenras dat in Palestina leefde in de tijd van Abraham (Genesis 15:20; Deuteronomium 2:11). Mozes verklaarde: " alleen Og, de koning van Basan, was overgebleven van het overblijfsel van de Refaïeten ." Koning Og was dus ook van dat gigantische ras en alleen al dit feit kan verklaren waarom de Israëlieten hem en zijn leger misschien vreesden. God had een goede reden om Zijn volk te versterken door hen te vertellen Og niet te vrezen. Zo'n geruststellende verklaring was nodig om de geest van Israël voor te bereiden op de strijd, zodat ze konden zegevieren.
Behalve dat hij een reus was, was Og ook opmerkelijk. De tekst vertelt ons dat zijn ledikant een ijzeren ledikant was; het is in Rabba van de zonen van Ammon. De plaats genaamd "Rabbah" was de hoofdstad van het oude Ammon. Tegenwoordig heet het "Amman" en is het de hoofdstad van Jordanië. Verder leren we dat de bed lang was. De lengte was negen el en de breedte vier el per gewone el.” Een el was de lengte van een onderarm. Dus uitgaande van een el van twintig centimeter, zou het ijzeren bed van Og dertien en een halve voet lang zijn geweest. Het retorische doel van deze achtergrondnotitie over Og was om zijn grootsheid te tonen. Vermoedelijk had hij zo'n enorm bed van ijzer nodig om zijn grote omvang en gewicht te dragen. Maar hoe groot koning Og ook was, de HEERE van de legermachten gaf hem in handen van de Israëlieten omdat de HEER almachtig is. Dus met de vernietiging van Og was het gigantische ras genaamd "Rephaim" volledig verdwenen. Totaal weg van de aardbodem.
Tsja, wanneer je deze dingen zo op een rijtje zet dan hadden Sihon en Og bepaald niet de beste papieren. Hun afkomst wijst op een demonische achtergrond. Maar een ding weten we zeker. Want Psalm 136 leert ons:
17 Die grote koningen versloeg,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
18 en machtige koningen doodde,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
19 Sihon, de koning van de Amorieten,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
20 en Og, de koning van Basan,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
Als dat geen zegen is!
Psalm 136 -16-: Over overwinning gesproken -2-
Over overwinning gesproken -2-
Vandaag gaan we weer verder met na te denken over Psalm 136 waarin de grootsheid en de macht van de Schepper en Onderhouder van deze schepping op zo veel verschillende manieren wordt getoond. Dat wat Hij in het verleden heeft gedaan en wat Zijn werken nu zijn. Want we denken misschien wel eens of vaak dat God deze schepping aan Zijn lot heeft overgelaten en ons maar een beetje aan laat tobben. Wees maar eerlijk, wie heeft dat nooit gedacht of denkt dat nooit. Maar niets is minder waar hoor. Hij heeft het alles in Zijn hand en het verloop van de geschiedenis gaat allemaal volgens Zijn grote reddingsplan voor Zijn Schepping. En dat niet alleen voor deze wereld , maar ook voor uw jouw en mijn leven. Echt waar. Wil je een bewijs? Hij zegt: Er valt geen haar van je hoofd zonder de wil van de Hemelse Vader. Geloof het maar, want God is geen God dat Hij liegen zou. Hij is de enige die we op Zijn Woord kunnen geloven. Alle mensen zijn leugenaars leert de Schrift. Hoe confronterend is dat. Ook u, jij en ik, maar Hij? Hij heeft geen zonde gekend of gedaan. Ook geen leugentje om best wil. Hij is te vertrouwen, van A tot Z. En Hij laat ons niet in het ongewisse over de Zijn grote reddingsplan voor u, jou en mij persoonlijk, met betrekking tot Israel en ook niet met betrekking tot deze hele wereld. Zijn Schepping. Dat heeft Hij bewezen in de levens van talloze mensen. Abraham, Izak en Jacob om er een paar te noemen. Maar ook in de levens van hen die we lief hebben en ons zijn voorgegaan. Ook in de geschiedenis van Israel. Hij Die Zijn volk door de woestijn leidde, Die grote Koningen versloeg en machtige koningen doodde, lazen we zojuist in de Psalm. En in tegenstelling wat beleggingsmaatschappijen na hun reclame spot verplicht zijn om te vertellen, dat resultaten uit het verleden geen garantie zijn voor de toekomst, mogen we met heel ons hart geloven dat Zijn werken in het verleden een rotsvaste verzekering zijn voor de toekomst. Want nog een keer: God is geen God dat hij liegen zou.
En zo is het ook met betrekking tot de tekst van vanmorgen. Resultaten uit het verleden zijn een voorafschaduwing voor de toekomst. Al eerder hebben we eens stilgestaan bij de patronen die in de Bijbel steeds maar weer terug komen. Een ander woord wat we voor patronen kunnen gebruiken is misschien bekender: Voorafschaduwing. Een voorbeeld daarvan vinden we bijvoorbeeld in de zeven feesten van de Heere, zoals Pesach of Pasen, Pinksteren, het Loofhuttenfeest. Het zijn allemaal voorafschaduwingen van wat allemaal straks in zijn volheid nog zal plaatsvinden. En Adam, als voorafschaduwing van de Heere Jezus, die de tweede Adam wordt genoemd. En van hoeveel personen in de Bijbel lezen we niet en weten we niet dat hun leven een voorafschaduwing zijn van de Heere Jezus. Adam noemden we al, Henoch, Mozes, Jozua, Jozef, David, Salomo. Inderdaad, allemaal gebrekkig, maar de meerdere Salomo zal zijn zonder gebrek en zonder rimpel. Volmaakt.
En zo mogen we ook in deze Psalm 136 een patroon en een voorafschaduwing zien van wat, en ik geloof het met heel mijn hart, binnenkort plaats zal vinden. In de voorgaande overdenking hebben we stilgestaan bij de geestelijke achtergronden van Sihon, u weet wel, die man met die grote mond die nota bene koning is en woont in de stad van de list. En dan Og, de koning van Basan, een reus, maar waarvan de Schift getuigt dat hij de laatste was en met zijn dood was dat goddeloze geslacht totaal van de aardbodem verdwenen.
Maar daarmee is de spreekwoordelijke kous niet af. Want we lezen in Openbaring hoe het zal zijn in het laatst van de dagen. We zullen een paar teksten daarover lezen:
Openb. 13:5 En hetzelve (het beest uit de afgrond) werd een mond gegeven om grote dingen en godslasteringen te spreken; en hetzelve werd macht gegeven om zulks te doen twee en veertig maanden.
Openb. 13:6 En het opende zijn mond tot lastering tegen God, om Zijn Naam te lasteren, en Zijn tabernakel, en die in den hemel wonen.
Openb. 14:5 (idem met kt.) En in hun mond is geen bedrog gevonden, want zij zijn onberispelijk voor den troon Gods.
Openb. 16:13 (idem met kt.) En ik zag uit den mond van den draak en uit den mond van het beest en uit den mond van den valse profeet drie onreine geesten gaan, den vorsen gelijk.
Openb. 19:15 (idem met kt.) En uit Zijn mond ging een scherp zwaard, opdat Hij daarmede de heidenen slaan zou. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren roede; en Hij treedt den wijnpersbak van den wijn des toorns en der gramschap des almachtigen Gods.
Hier zie ik Sihon en Og weer tevoorschijn komen. De man met die grote mond. De man van leugen en bedrog. En Og, het beest uit de afgrond. Niet bang worden hoor, want hem wordt macht gegeven om dat te doen twee en veertig maanden.
En de Schrift leert ons in Numeri 21 vers 34 wat de afloop is: Toen zei de HEERE tegen mij: Wees niet bevreesd voor hem, want Ik heb hem, heel zijn volk en zijn land in uw hand gegeven; u moet met hem doen zoals u met Sihon, de koning van de Amorieten, die in Hesbon woonde, gedaan hebt. En de HEERE, onze God, gaf ook Og, de koning van Basan, en heel zijn volk in onze hand, zodat wij hem versloegen, tot er niemand van hem was overgebleven.
En in Openbaring lezen we dat zo in hoofdstuk 19 vers 15: En uit Zijn mond ging een scherp zwaard, opdat Hij daarmede de heidenen slaan zou. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren roede; en Hij treedt den wijnpersbak van den wijn des toorns en der gramschap des almachtigen Gods.
Openbaring 20:10 En de duivel, die hen misleidde, werd in de poel van vuur en zwavel geworpen, waar ook het beest en de valse profeet reeds zijn. En zij zullen dag en nacht gepijnigd worden in alle eeuwigheid.
En zie, Ik kom spoedig en Mijn loon is bij Mij om aan ieder te vergelden zoals zijn werk zal zijn. Ik ben de Alfa, en de Omega, het Begin en het Einde, de Eerste en de Laatste.
En dan eindigt het boek Openbaring, maar ook de Schift met het finale, het laatste woord in Openbaring 22 met de machtige woorden:
De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen.
Als dat geen zegen is.
Psalm 136 -17-: Over de landbelofte gesproken -1-
Over de landbelofte gesproken -1-
Na het verslaan van de koningen Sihon en Og, als typen van de Tegenstander van de Heere God, volgt in Psalm 136 de inname van het erfelijk bezit, het land. En de reden daarvan wordt ook gegeven: Want zijn goedertierenheid is voor eeuwig. We lazen daarvan in de verzen 21 tot en met 24:
21 Hij gaf hun land als erfelijk bezit,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
22 als erfelijk bezit aan Zijn dienaar Israël,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
23 Die aan ons dacht in onze nederige staat,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
24 en ons aan onze tegenstanders ontrukte,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
Ik moet denken aan een gesprek dat ik ooit eens had met een voorganger van een gemeente over Israel. En hij vertelde mij met droge ogen dat hij niets had met Israel. Nu hoeven we natuurlijk niet de ogen te sluiten voor wat er allemaal plaatsvindt in Israel, maar we zullen er wel rekening mee moeten houden dat Israel door de Heere God wel Zijn dienaar wordt genoemd.
Maar misschien vraagt u zich ook wel eens af hoe het dan met het huidige Israel staat. Wanneer we zien wat er allemaal plaatsvindt. De rellen, de demonstraties. En ondanks de orthodoxie, maar laten we eerlijk zijn, zonder de Heere Jezus daarin te erkennen, de enorme secularisatie die ook in het land plaatsvindt, dan kunnen we toch ook niet vol houden dat Israel op de plaats is die de Heere God op het oog heeft voor Zijn volk?
Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Volstrekt niet! Ik ben immers ook een Israëliet, zegt Paulus in Romeinen 11
- God heeft Zijn volk, dat Hij van tevoren kende, niet verstoten. Of weet u niet wat de Schrift zegt in de geschiedenis van Elia, hoe hij God aanspreekt over Israël en zegt:
- Heere, Uw profeten hebben zij gedood en Uw altaren afgebroken, en ik ben alleen overgebleven. Ook staan zij mij naar het leven.
- Maar wat zegt het Goddelijk antwoord tegen hem? Ik heb voor Mijzelf nog zevenduizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baäl niet gebogen hebben.
- Zo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel ontstaan, overeenkomstig de verkiezing van de genade.
- Maar als het door genade is, is het niet meer uit de werken, anders is genade geen genade meer. En als het uit de werken is, is het geen genade meer, anders is het werk geen werk meer.
- Wat dan? Wat Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen, maar het uitverkoren deel heeft het verkregen en de anderen zijn verhard,
- zoals geschreven staat: God heeft hun een geest van diepe slaap gegeven, ogen om niet te zien en oren om niet te horen, tot op de dag van heden.
- En David zegt: Laat hun tafel voor hen worden tot een strik, tot een valkuil, tot een struikelblok en tot vergelding.
- Laat hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien en maak hun rug voor altijd krom.
- Ik zeg dan: Zijn zij soms gestruikeld met de bedoeling dat zij vallen zouden? Volstrekt niet! Door hun val echter is de zaligheid tot de heidenen gekomen om hen tot jaloersheid te verwekken.
- Als dan hun val voor de wereld rijkdom betekent en hun verlies rijkdom voor de heidenen, hoeveel te meer hun volheid!
- Want tegen u, de heidenen, zeg ik: Voor zover ik de apostel van de heidenen ben, maak ik mijn bediening heerlijk,
- om daardoor zo mogelijk mijn verwanten wat betreft het vlees tot jaloersheid te verwekken en enigen uit hen te behouden.
- Want als hun verwerping verzoening voor de wereld betekent, wat betekent dan hun aanneming anders dan leven uit de doden?
- En als de eerstelingen heilig zijn, dan het deeg ook, en als de wortel heilig is, dan de takken ook.
- Als nu enige van die takken afgerukt zijn, en u, die een wilde olijfboom bent, in hun plaats bent geënt en mede deel hebt gekregen aan de wortel en de vettigheid van de olijfboom,
- beroem u dan niet tegenover de takken. En als u zich beroemt: U draagt de wortel niet, maar de wortel u.
- U zult dan zeggen: De takken zijn afgerukt, opdat ik zou worden geënt.
- Dat is waar. Door ongeloof zijn zij afgerukt en u staat door het geloof. Heb geen hoge dunk van uzelf, maar vrees.
- Want als God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, dan is het ook mogelijk dat Hij u niet spaart.
- Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God: strengheid over hen die gevallen zijn, over u echter goedertierenheid, als u in de goedertierenheid blijft. Anders zult ook u afgehouwen worden.
- En ook zij zullen, als zij niet in het ongeloof blijven, geënt worden, want God is machtig hen opnieuw te enten.
- Want als u afgehouwen bent uit de olijfboom die van nature wild was, en tegen de natuur in op de tamme olijfboom geënt bent, hoeveel te meer zullen zij die natuurlijke takken zijn, geënt worden op hun eigen olijfboom.
- Want ik wil niet, broeders, dat u geen weet hebt van dit geheimenis (opdat u niet wijs zou zijn in eigen oog), dat er voor een deel verharding over Israël is gekomen, totdat de volheid van de heidenen is binnengegaan.
- En zo zal heel Israël zalig worden, zoals geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.
- En dit is het verbond van Mij met hen, wanneer Ik hun zonden zal wegnemen.
- Zij zijn weliswaar wat het Evangelie betreft vijanden vanwege u, maar wat de verkiezing betreft geliefden vanwege de vaderen.
- Want de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk.
- Zoals ook u immers voorheen God ongehoorzaam was, maar nu ontferming verkregen hebt door hun ongehoorzaamheid,
- zo zijn ook zij nu ongehoorzaam geworden, opdat ook zij door de ontferming die u bewezen is, ontferming zouden verkrijgen.
- Want God heeft hen allen in hun ongehoorzaamheid opgesloten om Zich over allen te ontfermen.
- O, diepte van rijkdom, zowel van wijsheid als van kennis van God, hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen!
- Want wie heeft de gedachten van de Heere gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?
- Of wie heeft Hem eerst iets gegeven en het zal hem vergolden worden?
- Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid, tot in eeuwigheid. Amen.
En als dat geen zegen is.
Psalm 136 -18-: Over de landbelofte gesproken -2-
Over de landbelofte gesproken -2-
In de voorgaande overdenking stonden we ook al bij dit onderwerp stil en kwamen we al heel snel uit bij Romeinen 11.
We gaan weer even terug waar het allemaal begon. Aan Abraham beloofde de HERE een land om in te wonen. We lezen daarvan in Gen.15 vers 7-21, waar we lezen over wat wij noemen de verbondssluiting tussen de Heere God en Abraham. U weet wel, daar waar de Heere God tussen de gedode dieren door ging terwijl Abraham sliep. Je zou kunnen zeggen Abraham was wel en niet betrokken bij die verbondssluiting. En we lezen dan in Genesis, Bereshit: Verder zei Hij, dat is de Heere God) tegen hem (dat is Abraham): Ik ben de HEERE, Die u uit Ur van de Chaldeeën geleid heeft, om u dit land te geven om het in bezit te hebben.
Er zou veel over deze tekst te zeggen zijn. Want ook hier zien we opnieuw de totstandkoming, het ontstaan, het begin van een patroon. Ook nu in de tijd waarin wij leven zien we Israëlieten uit het Ur van de Chaldeeën in geestelijke zin trekken, maar ook in de nabije toekomst zal d Heere God Zijn volk, Zijn Israel, Zijn Strijder Gods uit het goddeloze Ur leiden en trekken naar Zijn land het Beloofde Land en zal hen daar opnieuw planten zegt de Bijbel.
Jer. 24:6 En Ik zal Mijn ogen op hen stellen ten goede en zal hen wederbrengen in dit land; en Ik zal hen bouwen en niet afbreken, en zal hen planten en niet uitrukken.
Jer. 32:41 En Ik zal Mij over hen verblijden, dat Ik hun weldoe; en Ik zal hen getrouwelijk in dit land planten, met Mijn ganse hart en met Mijn ganse ziel.
Amos 9:15 En Ik zal hen in hun land planten; en zij zullen niet meer worden uitgerukt uit hun land, dat Ik hun lieden gegeven heb, zegt de HEERE uw God.
Letterlijk de hele wereld maakt zich druk over dat stukje land van wie dat nu zal zijn sinds 1948. Miljoenen mensen zijn van mening dat het land toebehoort aan Israel en weer anderen zijn er heilig van overtuigd dat het land de Palestijnen en consorten toegehoord. Maar het zou goed zijn wanneer al deze mensen de bijbel zouden raadplegen. Dan zouden zij lezen in
Jeremia 16, vers 18
Ik zal eerst hun ongerechtigheid en hun zonde dubbel vergelden, omdat zij Mijn land ontheiligd hebben: zij hebben Mijn eigendom met de dode lichamen van hun afschuwelijke afgoden en hun gruweldaden vervuld.
Ezechiël 36, vers 5
daarom, zo zegt de Heere HEERE: Voorwaar, in het vuur van Mijn na-ijver heb Ik gesproken tot het overblijfsel van de heidenvolken en tot heel Edom, die zichzelf Mijn land tot erfelijk bezit hebben gegeven met de blijdschap van heel hun hart, met leedvermaak, zodat zijn weidegrond tot buit zou zijn.
Ezechiël 38, vers 16
U zult als een wolk optrekken tegen Mijn volk Israël om het land te bedekken. Het zal gebeuren in later tijd. Dan zal Ik u over Mijn land doen komen, zodat de heidenvolken Mij kennen, wanneer Ik door u, Gog, voor hun ogen geheiligd word.
Joël 1, vers 6
Want een volk is tegen Mijn land opgetrokken,
Joël 3, vers 2
Ik zal alle heidenvolken bijeenbrengen en hen doen afdalen naar het dal van Josafat. Daar zal Ik met hen een rechtszaak voeren, vanwege Mijn volk en Mijn eigendom Israël, dat zij onder de heidenvolken verstrooid hebben. Mijn land hebben zij verdeeld.
Duidelijker kan toch niet? Het is het land van de Heere God. Dat hij als erfelijk bezit aan het door Hem uitverkoren volk schenkt.
We sluiten af met de geweldige woorden uit Ezechiel 37:21
Ezechiël 37:21 En spreek tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga de Israëlieten nemen uit de heidenvolken waarheen zij gegaan zijn. Ik zal hen van rondom bijeenbrengen en hen naar hun land brengen.
- Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen van Israël. Zij zullen allen één Koning als koning hebben. Zij zullen niet langer als twee volken zijn, en niet langer nog in twee koninkrijken verdeeld zijn.
- Dan zullen zij zich niet meer verontreinigen met hun stinkgoden en met hun afschuwelijke afgoden en met al hun overtredingen. Ik zal hen verlossen in al hun woongebieden, waar zij gezondigd hebben, en Ik zal hen reinigen. Dan zullen zij een volk voor Mij zijn en Ík zal een God voor hen zijn.
- En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn. Voor hen allen zal er één Herder zijn. Zij zullen in Mijn bepalingen wandelen en Mijn verordeningen in acht nemen en die houden.
- Zij zullen wonen in het land dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob, gegeven heb, waarin uw vaderen gewoond hebben. Zij zullen daarin wonen, zij met hun kinderen en hun kleinkinderen, tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal tot in eeuwigheid hun Vorst zijn.
- Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten. Het zal een eeuwig verbond met hen zijn, Ik zal hun een plaats geven en hen talrijk maken, en Ik zal Mijn heiligdom in hun midden zetten tot in eeuwigheid.
- Mijn tabernakel zal bij hen zijn, Ik zal een God voor hen zijn en zíj zullen een volk voor Mij zijn.
- Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, Die Israël heiligt, wanneer Mijn heiligdom voor eeuwig in hun midden zal zijn.
Als dat geen zegen is.