Psalm 132 -1-
Klik hier om te luisteren.
Psalm 132 -2-
Psalm 132 -3-
Psalm 132 -4-
Psalm 132 -5-
Psalm 132 -6-
Psalm 132 -7-
Psalm 132 -8-
Klik hier om te luisteren
Psalm 132 -9-
Psalm 132 -10-
Psalm 132 -11-
Psalm 132 -12-
Psalm 132 -13-
Psalm 132 -14-
Klik hier om te luisteren
Psalm 132 -15-
Klik hier om te luisteren
Psalm 132 -16-
Klik hier om te luisteren
Psalm 132 -17-
Klik hier om te luisteren
Psalm 132 -18-
Klik hier om te luisteren
Psalm 132: -19-
Psalm 132 -20-
Psalm 132 -21-
Psalm 132 -22-
Psalm 132 -23-
Psalm 132 -24-
Psalm 132 -25-
Psalm 132 -26-
Psalm 132: Tekst Herziene Staten Vertaling
Psalm 132
1 Een pelgrimslied.
HEERE, denk aan David,
aan al zijn lijden,
2 hoe hij de HEERE gezworen heeft,
de Machtige Jakobs deze gelofte deed:
3 Nee, ik ga mijn tent, mijn huis, niet binnen,
ik leg mij op de rustbank, mijn bed, niet neer;
4 ik gun mijn ogen geen slaap,
mijn oogleden geen sluimer,
5 totdat ik voor de HEERE een plaats gevonden heb,
een woning voor de Machtige Jakobs!
6 Zie, wij hebben van de ark gehoord in Efratha,
hem gevonden in de velden van Jaär.
7 Laten wij Zijn woning binnengaan,
ons neerbuigen voor de voetbank van Zijn voeten.
8 Sta op, HEERE, ga naar Uw rustplaats,
U en de ark van Uw macht.
9Laat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid,
laat Uw gunstelingen juichen.
10Wijs het gebed Letterlijk: het gezicht. van Uw gezalfde niet af,
omwille van David, Uw dienaar.
11 De HEERE heeft David in waarheid gezworen,
en Hij zal daar niet van afwijken:
Eén van de vrucht van uw schoot
zal Ik op uw troon zetten.
12 Als uw zonen Mijn verbond in acht zullen nemen
en Mijn getuigenissen, die Ik hun leren zal,
zullen ook hun zonen tot in eeuwigheid
op uw troon zitten.
13 Want de HEERE heeft Sion verkozen,
Hij heeft het begeerd tot Zijn woongebied.
14 Dit is, zei Hij, Mijn rustplaats tot in eeuwigheid,
hier zal Ik wonen, want naar haar heb Ik verlangd.
15 Haar voedsel zal Ik rijk zegenen,
haar armen met brood verzadigen.
16 Haar priesters zal Ik kleden met heil,
haar gunstelingen zullen uitbundig juichen.
17 Daar zal Ik voor David een hoorn doen opkomen
en voor Mijn gezalfde een lamp gereedmaken.
18 Ik zal zijn vijanden met schaamte kleden,
maar op hem zal zijn diadeem schitteren.
Psalm 132 -1-: Over Gods woning gesproken
Over Gods woning gesproken
We staan met deze Psalm weer opnieuw op de drempel om een volgende Psalm te onderzoeken en te bespreken. In de eerdere Psalmen lazen we bij wijze van spreken het fundament van de gemeenschap met de HEERE. Want daarin spraken we met elkaar over Verzoening.
Deze verzoening is voor het volk van God zichtbaar geworden op de grote Verzoendag zoals we dat ook lazen in de voorgaande Psalmen. En in Psalm 131 lazen we over de gezindheid van David, de man naar Gods hart, en daarmee het volk Israel om tot de HEERE, de Aanwezige te naderen. In verootmoediging, met een nederig hart, alle hooghartigheid afleggend en een wandel in afhankelijkheid van de HEERE.
En dan in Psalm 132 rust David niet voor hij een woonplaats gevonden heeft voor de HEERE een woning voor de Machtige Jakobs!
De volgorde van deze Psalmen is maar niet ‘toevallig’, net zoals de weg die de HEERE God gaat met Zijn volk Israel. Het basisprincipe of het basispatroon daarvan vinden we al in de Thora in Deuteronomium 29:
1 Dit zijn de verordeningen en de bepalingen die u nauwlettend in acht moet nemen, in het land dat de HEERE, de God van uw vaderen, u gegeven heeft om het in bezit te hebben, al de dagen dat u op de aardbodem leeft.
2 U moet al de plaatsen waar de volken van wie u het land in bezit neemt, hun goden gediend hebben, volledig vernielen, op de hoge bergen, op de heuvels en onder elke bladerrijke boom.
3 Hun altaren moet u afbreken, hun gewijde stenen in stukken slaan, hun gewijde palen met vuur verbranden en de beelden van hun goden omhakken; en u moet hun naam uit die plaats doen verdwijnen.
4 U mag tegenover de HEERE, uw God, niet doen zoals zij!
5 Maar naar de plaats die de HEERE, uw God, uit al uw stammen zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen, naar Zijn woning moet u vragen en daarheen komen.
In dit gedeelte zien we een basisprincipe of een basispatroon: Wil het volk Israel gemeenschap hebben met de God van Israel, dan zal alles wat vijandig staat ten opzichte van de God van Israel, alle andere goden, zoals Deuteronomium zegt, bij wijze van spreken een kopje kleiner gemaakt moeten worden. Van dat principe lezen we hier in Deuteronomium, maar dat weten we ook van het leven en de geschiedenis van David. David die zijn een groot deel van zijn leven strijd geleverd heeft met de volken om hen heen en pas aan het eind van zijn leven, toen hij alle vijanden verslagen had zodat er ‘ruimte’ ontstond om voor de HEERE een huis en plaats te bouwen.
Maar tegelijkertijd zien we het nu in de tijd waarin wij leven en in de nabije toekomst. Wat dat betreft kunnen we Deuteronomium 29 ook profetisch lezen. Zullen we met die gedachte Deuteronomium 29 nog eens lezen?
1 Dit zijn de verordeningen en de bepalingen die u nauwlettend in acht moet nemen, in het land dat de HEERE, de God van uw vaderen, u gegeven heeft om het in bezit te hebben, al de dagen dat u op de aardbodem leeft.
2 U moet al de plaatsen waar de volken van wie u het land in bezit neemt, hun goden gediend hebben, volledig vernielen, op de hoge bergen, op de heuvels en onder elke bladerrijke boom.
3 Hun altaren moet u afbreken, hun gewijde stenen in stukken slaan, hun gewijde palen met vuur verbranden en de beelden van hun goden omhakken; en u moet hun naam uit die plaats doen verdwijnen.
4 U mag tegenover de HEERE, uw God, niet doen zoals zij!
5 Maar naar de plaats die de HEERE, uw God, uit al uw stammen zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen, naar Zijn woning moet u vragen en daarheen komen.
Hoe dat allemaal zal gaan hoeft geen vraag voor ons te zijn, maar daarvan vinden we uitwerkingen in het leven van David, maar eveneens vinden we dit patroon verder uitgewerkt in het boek Openbaringen. Het boek openbaringen van Jezus Christus, Daar vinden we de strijd die de meerdere David, de Geliefde zoals zijn naam betekend, met alle andere goden en de uiteindelijke overwinning en zal Hij Zijn Naam daar vestigen, Zijn woning en zullen alle stammen daarheen komen zoals Deuteronomium al voorzegt.
Zo zien we in Palm 132 een historisch en profetisch perspectief, een historisch en een profetisch patroon zich ontvouwen.
Maar een andere laag in deze psalm is eveneens aanwezig. Want wil God in ons wonen, Zij n intrek in ons lichaam als Zijn Tempel als woning willen betrekken, dan zullen alle andere afgoden er uit moeten. En zal er verzoening moeten plaatsvinden zoals we lazen in de voorgaande psalmen. Alle trots en hooghartigheid zal afgelegd moeten worden. Zullen we psalm 131 nog eens met die ogen lezen?
1 HEERE, mijn hart is niet hoogmoedig,
mijn ogen zijn niet trots,
ook wandel ik niet in dingen
die te groot en te wonderlijk voor mij zijn.
2 Voorwaar, ik heb mijn ziel tot rust
en tot stilte gebracht,
als een kind dat de borst ontwend is, bij zijn moeder,
mijn ziel is in mij als een kind dat de borst ontwend is.
3 Israël, hoop op de HEERE,
van nu aan tot in eeuwigheid.
Weet u, buiten de periode van Salomo is het Israel nog overkomen dat zij in vrede met haar vijanden om hen heen te leven. Zijn rijk was dan ook een beeld van het vrederijk dat binnenkort zal aanbreken met de meerdere Koning Salomo.
En ook in de tijd waarin wij leven zal het Israel in eigen kracht niet lukken om vrede met de andere omringende koningen of met andere woorden goden te sluiten. Ook een twee staten oplossing waar al decennialang wordt gesproken zal niet gelukken omdat zoals de HEERE dat al zo duidelijk voorzegt in Deuternomium 29 en we lezen het opnieuw:
1 Dit zijn de verordeningen en de bepalingen die u nauwlettend in acht moet nemen, in het land dat de HEERE, de God van uw vaderen, u gegeven heeft om het in bezit te hebben, al de dagen dat u op de aardbodem leeft.
2 U moet al de plaatsen waar de volken van wie u het land in bezit neemt, hun goden gediend hebben, volledig vernielen, op de hoge bergen, op de heuvels en onder elke bladerrijke boom.
3 Hun altaren moet u afbreken, hun gewijde stenen in stukken slaan, hun gewijde palen met vuur verbranden en de beelden van hun goden omhakken; en u moet hun naam uit die plaats doen verdwijnen.
4 U mag tegenover de HEERE, uw God, niet doen zoals zij!
5 Maar naar de plaats die de HEERE, uw God, uit al uw stammen zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen, naar Zijn woning moet u vragen en daarheen komen.
Echt, alles wat niet Israel is zal uit het land moeten, want Hij heeft het de vaderen gegeven om het in bezit te nemen. En wanneer dat plaatsvindt, zal Hij Zijn woning daar vestigen.
En zo is het ook in uw en mijn leven. Alles wat niet van de HEERE God is in uw en mijn leven, al die andere goden en godjes zullen er uit moeten, al die trots en al die hooghartigheid ons hele leven, onze hele wandel zoals psalm 131 spreekt zal in overeenstemming met Zij leven moeten zijn. Pas dan kan er ook een vreedzame relatie zijn tussen God en u en mij. Ook in ons hart en in uw leven is het onmogelijk een soort tweestaten oplossing na te streven. De Schrift zegt: U kunt niet God en de Mammon kiezen. Kies dan heden wie je dienen wil.
Weet u, en wat wij maar, met alle macht ons hele leven willen proberen is om die twee staten oplossing na te streven. God een beetje en de wereld een beetje. Maar ik kan u verzekeren: Het gaat ons, u en mij niet lukken om dat te realiseren. Om werkelijke vrede op die manier in ons leven te vestigen. Het is een pure onmogelijkheid. Weet u, zoals Israel in Deuteronomium en David gedurende Zijn leven en Israel nu en in de nabije toekomst nodig had en heeft is Salomo. De Vredevorst. Toen nu en in de toekomst. Maar ook in ons persoonlijk leven. Wij krijgen al die afgoden niet uit ons leven. Maar daar is Hij voor aan het kruis gegaan. Wij kunnen proberen en proberen en ons levenlang proberen om die afgoden uit ons leven te bannen, maar het zal bij proberen blijven. Maar het hoeft ook niet, want wanneer wij tot het geloof gekomen zijn, heeft Hij al die afgoden voor u en mij verslagen en werkelijke Vrede in ons aangebracht. Er zou nog heel veel over te zeggen zijn, maar de tijd ontbreekt.
Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; doch wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was.
5 Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.
6 Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.
7 Als dezelve geëist werd, toen werd Hij verdrukt; doch Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open.
8 Hij is uit den angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijn leeftijd uitspreken? Want Hij is afgesneden uit het land der levenden; om de overtreding Mijns volks is de plage op Hem geweest.
9 En men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld, en Hij is bij den rijke in Zijn dood geweest, omdat Hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in Zijn mond geweest is.
10 Doch het behaagde den HEERE Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem krank gemaakt; als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien, Hij zal de dagen verlengen; en het welbehagen des HEEREN zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan.
11 Om den arbeid Zijner ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.
12 Daarom zal Ik Hem een deel geven van velen, en Hij zal de machtigen als een roof delen, omdat Hij Zijn ziel uitgestort heeft in den dood, en met de overtreders is geteld geweest, en Hij veler zonden gedragen heeft, en voor de overtreders gebeden heeft.
Als dat geen zegen is.
Psalm 132 -2-: Over goede bedoelingen gesproken
Over goede bedoelingen gesproken
Het gelovig overblijfsel van de twaalf stammen heeft nu ook de juiste gezindheid om de HEERE te vragen om de verlangens van David te vervullen. De tempel in Jeruzalem wordt herbouwd (Ezechiël 40-43). De sjechina, de wolk van Gods tegenwoordigheid, het zichtbare symbool van Zijn aanwezigheid, keert terug naar Jeruzalem (Ez 43:1-5). Dan gaat in vervulling waarover Haggaï heeft geprofeteerd: “De toekomstige heerlijkheid van dit huis zal groter zijn dan de vorige, zegt de HEERE der heerscharen” (Hg 2:10).
Na Psalm 131 is de pelgrim niet meer met zichzelf bezig, maar alleen nog met het huis van God (Psalm 132), de gemeenschap met zijn medepelgrims (Psalm 133) en de aanbidding van God in Zijn huis (Psalm 134). Hij denkt in Psalm 132 aan de oorsprong van het huis, waar hij wil zijn omdat de HEERE daar woont.
Psalm 132 laat Christus, de Messias, de Zoon van David, zien als de Koning Die het huis van God gaat bouwen. Psalm 133 laat Christus, de Messias zien als de Priester Die de Heilige Geest laat werken, met als gevolg dat de vijandschap tussen het tweestammenrijk en het tienstammenrijk voorgoed voorbij is.
De bouw van het huis van God staat in verbinding met twee koningen die gezamenlijk naar Christus wijzen: David, een beeld van de lijdende Christus, en Salomo, een beeld van de verheerlijkte Messias David had de wens om het huis voor de HEERE te bouwen, Salomo kreeg de opdracht en de macht om dat te doen.
De indeling van Psalm 132 is opmerkelijk. De tweede helft van de psalm is namelijk precies de tegenhanger van het eerste deel ervan. De verzen 2-10 spreken over wat David wilde doen voor de HEERE; de verzen 11-18 spreken over wat de HEERE voor David zal doen. Alles wat in de eerste helft wordt gebeden op grond van de eed van David, wordt in de tweede helft beantwoord op grond van de eed van de HEERE.
1 David heeft de HEERE gezworen (vers 2)
--2 Wat David heeft gezworen (verzen 3-5)
----3 Plaats voor de ark gezocht (verzen 6-7)
------4 Gebed voor een rustplaats (vers 8)
--------5 Gebed voor priesters en gunstelingen (vers 9)
----------6 Gebed voor de gezalfde (vers 10)
1 De HEERE heeft David gezworen (vers 11a)
--2 Wat de HEERE heeft gezworen (verzen 11b-12)
----4 Plaats voor de ark gekozen (vers 13)
------5 Rustplaats vastgesteld (verzen 14-15)
--------6 Belofte voor priesters en gunstelingen (vers 16)
----------7 Beloften aan de gezalfde (verzen 17-18)
Het doet mij denken aan de belofte van de HEERE aan David aangaande de tempelbouw. David wilde een huis voor de HEERE bouwen, maar de HEERE antwoordde dat Hij een huis voor David zal bouwen. Deze belofte is zo belangrijk, dat de HEERE deze met het zweren van een eed heeft bevestigd (vers 11; Ps 89:4-5; 2Sm 7:11).
Deze zelfde wederkerigheid vinden we in Psalm 89 vers 4 en 5
4 Ik heb – sprak U – een verbond gesloten met Mijn uitverkorene,
Ik heb Mijn dienaar David gezworen:
5 Ik zal uw nakomelingen tot in eeuwigheid stand doen houden,
uw troon bouwen van generatie op generatie.
Ziet u wel.
En zien we deze wederkerigheid misschien wel niet terug in de tijd waarin wij leven? En ik zeg het met alle voorzichtigheid hoor. Maar ook in de tijd waarin wij leven zien we dat Israel een plaats, een land, maar ook een tempel wil bouwen voor de HEERE. Als ik lees over de voorbereidingen die getroffen worden voor de bouw van de derde tempel, de rode vaarzen die gefokt zijn en getransporteerd zijn naar Israel, de priesterorde die hersteld wordt, dan is het allemaal zo goed bedoeld, maar zou het niet kunnen dat het patroon dat we in het leven van David zien zich herhaalt.
Het volk dat voor de HEERE een huis wil bouwen, maar de HEERE antwoordde dat Hij een huis voor David, de Geliefde met een hoofdletter, zal bouwen. Deze belofte is zo belangrijk, dat de HEERE deze met het zweren van een eed heeft bevestigd.
Al Israëls goede bedoelingen ten spijt, al Davids goede bedoelingen ten spijt is het de God van Israel die Zijn eigen huis bouwt in de persoon van de meerdere Salomo.
En zo ligt het ook in ons persoonlijk leven. Hoe vaak denken wij niet, wij zullen dit of dat doen voor de HEERE. Dat kan gaan van het nemen van goede voornemens om ons meer te richten op Hem, een heiliger leven op te bouwen, met andere woorden een tempel voor Hem in ons leven te zijn. Of het kan zijn dat we het verlangen hebben om allerlei dingen voor Hem te doen. Allemaal goede voornemens en niets op tegen hoor. Maar laten we diep van binnen beseffen dat wanneer wij voor de HEERE een huis en een tempel willen bouwen in ons lichaam, in ons vlees, het doet denken aan de belofte van de HEERE aan David aangaande de tempelbouw. David wilde een huis voor de HEERE bouwen, maar de HEERE antwoordde dat Hij een huis voor David zal bouwen.
Weet u, het is allemaal, van begin tot eind allemaal genade. Al onze ons goede bedoelingen, hoe goed bedoelt ook ten spijt. Hij zal Zelf een plaat bereiden en een tempel bouwen in uw en mijn leven. Zijn wij bereid, bent u bereid om al ons eigen werk te staken en Hem Zijn werk in u en mij te volbrengen?
Want als dat geen zegen is.
Psalm 132 -3-: Over cederhout gesproken
Over cederhout gesproken
De psalm is hoogstwaarschijnlijk van Salomo. De verzen 8-10 komen namelijk overeen met enkele verzen uit het gebed dat Salomo bij de inwijding van de tempel bidt (2Kr 6:41-42). We lezen daar:
Welnu, HEERE God, sta op, trek naar Uw rustplaats, U en de ark van Uw macht. Laten Uw priesters, HEERE God, met heil bekleed worden, en laten Uw gunstelingen verblijd zijn over het goede.
HEERE God, wijs het gebed van Uw gezalfde niet af. Denk aan Uw blijken van goedertierenheid aan David, Uw dienaar.
Salomo, de zoon van David, is een beeld of een type van de grote Zoon van David, Die gezegd heeft: “Zie, meer dan Salomo is hier!” (Mt 12:42). Hij is de Zoon van David Die Koning zal zijn in Zijn rijk van vrede.
We horen hier de stem van de Geest van de profetie. Israel, maar ook wij in de tijd waarin wij leven mogen uitzien naar de vervulling van de beloften van God aan David. Die beloften bevatten vooral de eeuwige heerschappij van het geslacht van David, dat is Christus, de Messias, en de aanbidding van God in gerechtigheid in Sion, Jeruzalem.
In deze psalm worden zo het koningschap en het priesterschap van de Heere Jezus, of Jeshua haMessiach op bijzondere wijze met elkaar verbonden. In de Messias zal alles van deze psalm vervuld worden.
We zien ook in deze laatste Pelgrimspsalm de twaalf stammen voor onze ogen als het ware op weg gaan naar het huis van God. Daarbij nemen ze de woorden van deze psalm op de lippen. Dat zal wat zijn geweest, denk u ook niet. Wat een hoop en wat een verwachting spreken bijvoorbeeld uit de woorden: Eén van de vrucht van uw schoot zal Ik op uw troon zetten.
Zoals u misschien weet heb ik op mijn moestuintje een schuurtje staan. En op de tuin en in het schuurtje mogen soms de mooiste gesprekken plaatsvinden. Mogen we spreken van hart tot hart en met elkaar God zoeken in ons gebed. Zo ook een poosje geleden waarin we met elkaar tot de conclusie kwamen dat de Psalmen zo’n bijzondere rijke en diepe inhoud hebben. Luther, Corrie ten Boom en een zwager van mij die nu allemaal bij de Heere zijn, zeiden het al: De psalmen zijn onze geestelijke apotheek.
En weet u, in deze apotheek zijn tegen welke kwaal ook, de meest effectieve medicijnen verkrijgbaar. Medicijnen zijn in het natuurlijk leven heel vaak onbetaalbaar, maar hier in deze vestiging van de apotheek zijn zij vuur u en voor mij gratis, om niet, verkrijgbaar. Zij zijn immers al door een Ander betaald. En wij mogen ze gratis en voor niets zo maar ophalen uit deze apotheek. Er is zelfs geen eigen bijdrage noodzakelijk, maar ook niet gewenst. En ik kan u verzekeren, de medicijnen uit deze apotheek hebben al eeuwenlang hun werking bewezen, helpen altijd en zijn van onschatbare waarde. Weet u waarom: De Apotheker met een hoofletter heeft ze namelijk Zelf met de grootste zorg samengesteld. Ze komen allemaal uit Zijn eigen Apotheek. Hij heeft zelfs het medicijn tegen de meest dodelijke ziekte. Het medicijn dat u eeuwig leven schenkt. Nooit meer tranen, nooit meer pijn. Zelfs eeuwige jeugd. Want dit medicijn vernieuwd uw leven als van een arend.
We gaan weer terug nar de inhoud van de Psalm. Dit pelgrimslied, het dertiende, begint met het gebed tot de HEERE om te (ge)denken “aan David, aan al zijn lijden” (vers 1). Het ‘denken’ zoals vertaald in de Herziene Statenvertaling is geen nauwkeurige vertaling van het Hebreeuwse woord ‘zakar’. “Gedenk” is beter. Het Hebreeuwse woord is niet slechts ‘denken aan iets’ of ‘iets herinneren’, maar ‘handelen vanwege het denken aan iets’. Gedenken is een activiteit van de hele persoon. Je bent er als het ware helemaal bij betrokken.
Zo ook David. We lezen daarvan in 1 Kronieken 22 waar we lezen over de voorbereidingen van de bouw van de tempel om voor God een woonplaats te bouwen. En we lezen dan over de verdrukkingen, over zijn lijden in vers 14:
Zie, ik heb door al mijn verdrukking honderdduizend talent goud gereedgemaakt voor het huis van de HEERE, en een miljoen talent zilver; het koper en het ijzer is niet te wegen, want het is er in grote hoeveelheid. Ik heb ook hout en stenen gereedgemaakt; daar moet je nog meer aan toevoegen. Om u even een beeld te geven hoeveel dit is. Een talent weegt ongeveer 30 kilo. Dus was er sprake van drie miljoen kilo goud alleen al. Ik heb de rekenmachine er even bij gehad en dat zou in de tegenwoordige tijd een straatwaarde hebben van ongeveer 165 miljard Euro…
Zie, ik heb door al mijn verdrukking honderdduizend talent goud gereedgemaakt voor het huis van de HEERE…
Bij al zijn omzwervingen en al zijn strijd heeft hij steeds dit doel voor ogen gehad. Als een man naar Gods hart, zoals David in 1 Samuel 13 vers 14 wordt genoemd, heeft hij er altijd naar gezocht om de HEERE te dienen. Daarom had hij ook het sterke verlangen om voor Hem een huis te bouwen. We lezen daar van in 1 Kronieken 17 vers 1: En het gebeurde, toen David in zijn huis zat, dat David tegen de profeet Nathan zei: Zie, ik verblijf in een huis van cederhout, maar de ark van het verbond van de HEERE onder tentkleden.
Cederhout en tentkleden. Een huis van cederhout spreekt van een duurzaam verblijft, tentkleden spreken van een tijdelijk verblijf.
Zo’n ceder kan bijzonder oud worden en uitgroeien tot een machtige, indrukwekkende naaldboom. Karakteristiek is de etagevormige groei van de zijtakken. De boom kan een hoogte bereiken van wel 40 m en de omtrek van de vertakkingen kan gaan tot 12 m.
In de Bijbel wordt de ceder vaak genoemd in een vergelijking. In deze vergelijkingen leren we iets over het ontzag dat de cederboom bij mensen opwekte:
In Hosea 14 vers 6 en 7 lezen we:
Ik zal voor Israël zijn als de dauw.
Het zal bloeien als een lelie,
wortelen als een ceder op de Libanon;
zijn jonge loten zullen uitlopen.
En in Psalm 92 vers 13 en 14 leen we de woorden:
De rechtvaardigen groeien op als een palm,
als een ceder van de Libanon rijzen zij omhoog.
Ze staan geplant in het huis van de HEER,
in de voorhoven van onze God groeien zij op.
In het Hooglied 5 vers 15 beschrijft de bruid haar geliefde in de volgende bewoording:
Zijn benen zijn als zuilen van albast,
op voetstukken van zuiver goud.
Zijn gestalte is zo fier als een ceder van de Libanon.
In het boek van de profeet Ezechiël in hoofstuk 17 vers 22 en 23 komt er een uitgewerkte vergelijking voor in verband met de machtige cederboom:
Dit zegt God, de HEER: Ikzelf zal uit de top van de hoge ceder, tussen de bovenste takken, een teer twijgje wegplukken, en dat zal ik planten op een hoge en verheven berg. Op de hoogste berg van Israël zal ik het planten, het zal takken dragen en vruchten voortbrengen, en een prachtige ceder worden. In die boom, in de schaduw van zijn takken, zullen vogels wonen, alle soorten vogels die er zijn.
De profeet laat hiermee zien hoe wonderlijk het is dat uit een klein teer twijgje zo’n prachtige boom kan groeien die een zegen wordt voor allerlei soorten vogels. Zo zal God ook met het volk Israël handelen, waarbij Israel vrucht zal dragen en de volkeren onder haar schaduw mogen vertoeven.
Zo zien we dat tet twijgje van de ceder zelfs een messiaanse betekenis krijgt.
Als dat geen zegen is.
Psalm 132 -4-: Over de Machtige van Jacob gesproken
Over de Machtige van Jacob gesproken
In dit pelgrimslied lezen we de woorden:
HEERE, denk aan David,
aan al zijn lijden.
Maar vanuit het Hebreeuws kunnen we ook lezen:
HEERE, denk aan de Geliefde,
aan al zijn lijden.
En dan krijgen deze woorden ineens een heel andere lading. Want dan doet het ons ineens denken aan de Geliefde met een hoofdletter. Aan de volmaakte Geliefde, de volmaakte David, de grote Zoon van David, de Heer Jezus, Yeshua, Die door Zijn lijden en sterven woning in de gelovigen gemaakt heeft, want op grond van het Woord van God mogen we weten dat Hij in ons woont. Als dat geen zegen is…
David heeft met het oog op een woonplaats voor God “de HEERE gezworen” en een “gelofte” gedaan aan “de Machtige Jakobs” (vers 2). Jakob spreekt over “de handen van de Machtige van Jakob” in de zegen die hij over Jozef uitspreekt in Genesis 49 vers 24, en we vallen daar midden in het hoofdstuk, maar we lezen daar:
Boogschutters hebben hem (dat is Jozef) verbitterd,
beschoten en hem gehaat,
maar zijn boog bleef gespannen;
zijn armen en handen bleven soepel
door de handen van de Machtige van Jakob,
– vandaar dat Hij de Herder is, de rots van Israël –
Jozefs armen en handen bleven soepel door de handen van de Machtige van Jacob. Wonderlijk als je dat zo leest vindt u ook niet?
En in Jesaja 49 wordt eveneens over de Machtige van Jacob gesproken met betrekking tot de klacht en vertroosting van Israel. We lezen daar de woorden van de Machtige van Israel over Israel:
Ik zal hen die u onderdrukken, hun eigen vlees te eten geven,
envan hun eigen bloed zullen zij dronken worden als van jonge wijn.
En alle vlees zal gewaarworden
fat Ik, de HEERE, uw Heiland ben, uw Verlosser, de Machtige van Jakob.
En als laatste lezen w Jesaja 60 ver 16:
U zult de melk van de heidenvolken zuigen,
ja, u zult aan de borst van koningen zuigen;
dan zult u weten dat Ik, de HEERE, uw Heiland ben,
en uw Verlosser, de Machtige van Jakob.
De Machtige van Jacob. Het is een van de drie titels van de HEERE in verbinding met de aartsvaders. De andere twee titels van de HEERE, die in verbinding staan met de aartsvaders zijn Hij is het schild van Abraham (Gn 15:1) en de Gevreesde van Izak (Gn 31:42,53) – dat wil zeggen dat Izak God vreesde ofwel ontzag voor Hem had (Gn 27:33).
Door deze naam verbindt de Machtige God Zich met de zwakheid van Jakob, in wie hier het hele volk, alle twaalf stammen, in zijn zwakheid wordt voorgesteld. Deze naam wordt ook nog in vers 5 van Psalm 132 genoemd.
Misschien zouden we kunnen zeggen dat al het streven benadrukt dat al dit streven naar het zoeken van een plaats voor God om te wonen, in zwakheid gebeurt, maar door Zijn macht tot resultaat leidt. Het wijst er dan ook op dat Zijn macht elke tegenstand uitschakelt die dit voornemen wil verhinderen.
We zien dat ook in de loop van de geschiedenis van Israel plaatsvinden in de afgelopen duizenden jaren en zien dat eigenlijk nog steeds plaatsvinden. Maar eenmaal, en als u het mij vraagt zal dat binnen niet al te lange tijd stoppen en zal de Machtige van Jacob, in de persoon van de meerdere Salomo voor Zichzelf een woning bouwen op de plek die Hij daarvoor bestemd heeft. Op Sion, de berg van Zijn heiligheid.
Een berijmde versie van Psalm 132 zegt:
Want Sion is van God begeerd,
't Wordt met Zijn woning hoog vereerd;
"Hier", sprak Hij, die het al beheert,
"Hier zal Ik wonen naar Mijn lust;
Hier is in eeuwigheid Mijn rust."
Mag ik het vandaag ook eens doortrekken naar het persoonlijk leven van u en mij? De HEERE, de Aanwezige is niet alleen de Machtige van Jacob, maar ook van u en mij. En net zoals Jacob zwak was in eigen kracht en afhankelijk van de God van Israel zijn wij dat eveneens.
Strijd de goede strijd van het geloof. Grijp naar het eeuwige leven, waartoe u ook geroepen bent en de goede belijdenis afgelegd hebt voor vele getuigen. Ik beveel u voor God, Die alle dingen levend maakt, en voor Christus Jezus, Die onder Pontius Pilatus de goede belijdenis afgelegd heeft, dit gebod onbevlekt en onberispelijk in acht te nemen, tot de verschijning van onze Heere Jezus Christus. De zalige en alleen machtige Heere, de Koning der koningen en Heere der heren, zal die op Zijn tijd laten zien, Hij Die als enige onsterfelijkheid bezit en een ontoegankelijk licht bewoont; Hem heeft geen mens gezien en niemand kan Hem ook zien. Hem zij eer en eeuwige kracht. Amen.
En in Efeze 2 lezen we: Zo bent u dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus Zelf de hoeksteen is, en op Wie het hele gebouw, goed samengevoegd, verrijst tot een heilige tempel in de Heere; op Wie ook u mede gebouwd wordt tot een woning van God, in de Geest.
Huisgenoten van God. Gebouwd tot een woning van God in de Geest. Snpt u het? Ik niet, maar we mogen het in dankbaarheid geloven en aannemen. Want Hij is de machtige van Jacob.
Als dat geen zegen is.
Deze keer heb ik gekozen voor een oude Psalm uit het berijmde psalmboek. In Psalm 132 zingen we daar de woorden uit vers 1, 5 en 11 en u kunt de woorden vinden op onze website bij de uitzending van vanmorgen:
Gedenk aan David, aan zijn leed;
Gedenk den duur gezworen eed,
Dien hij, o HEER’, U plechtig deed;
Dien eed, waarmee zijn hart en mond
Aan Jakobs God zich dus verbond:
Wij zullen in Zijn woning gaan;
Ons buigen, waar Zijn troon zal staan,
En bidden voor Zijn voetbank aan.
Sta op tot Uwe rust, o HEER’,
Met d’ arke van Uw sterkt’ en eer!
Daar zal Ik David door Mijn kracht,
Een hoorn van rijkdom, eer en macht
Doen rijzen uit zijn nageslacht.
’k Heb Mijn gezalfden knecht een licht,
Een held’re lampe toegericht.
Psalm 132 -5-: Over de eed zweren gesproken
Over de eed zweren gesproken
In de voorgaande uitzending hebben we met elkaar stilgestaan bij de Machtige van Jacob. Maar vandaag wil ik nog even terug gaan naar de woorden er voor: Hoe hij, dat ik David, de HEERE gezworen heeft.
En bij dat zweren van David wil ik vanmorgen even met u stilstaan.
De Bijbel verbiedt ons te zweren (Mt 5:34; Jk 5:12). Is dit gebod absoluut bedoeld of niet?
We lezen in de Bijbel dat God zelf een eed gezworen heeft (Hb 6:16,17) i.v.m. Zijn belofte aan Abraham. En ook i.v.m. het priesterschap van Jezus Christus (Hb.7: 20,21).
Ook bij Paulus vinden we iets van een eedzwering in de woorden 'De Heer is mijn getuige' en 'Ik betuig voor God en Christus Jezus in de uitverkoren engelen' (1 Tm 5: 21).
Daartegenover staan heel sterke uitdrukkingen tegen het zweren in de in de vraag genoemde teksten. Let daarbij op de woorden 'zweert in het geheel niet' en 'uw ja zij ja'.
De toevoeging in Jk 5:12 b 'opdat gij niet onder het oordeel valt' lijkt echter meer op het lichtzinnige zweren onder elkaar aan te duiden. Ik voor mij laat het maar bij de woorden: 'zweert in het geheel niet' en 'uw ja zij ja'.
Maar dat even ter zijde. Het Hebreeuwse woord voor zweren is שָׁבַע (shaba) en heeft de betekenis van het getal zeven en zweren. Maar wat hebben die beide begrippen nu met elkaar te maken.
Het woord Shaba is samengesteld uit drie letters, De shin, de bet/vet en de ayin. En deze letters komen eveneens voor in het woord Sheva. En Sheva staat voor zeven in het Nederlands. We herkennen Sheva bijvoorbeeld in Be’er Sheva. De plaats waar de ogen van Hagar geopend worden voor de bron van zeven om Ismael te drinken te geven. Be'er Sheva is letterlijk "de bron van zeven".
Het gebruik van het getal zeven duidt vaak op "volheid" en "volledigheid", en zo is het ook een plechtige belofte, of een eed die kan worden gegarandeerd door deze simpelweg zeven keer te herhalen.
Het verband tussen deze twee woorden (“zeven” en “eed”) wordt geïllustreerd in de geschiedenis van Avraham en Avimelech.
Avraham plaatst zeven (“sheva”) lammeren voor Avimlelech, als getuige van het feit dat hij de put had gegraven die nu ter discussie stond.
We lezen dit gedeelte uit Genesis 21 even:
Abraham zette zeven ooilammeren van het kleinvee apart. Toen zei Abimelech tegen Abraham: Wat betekenen die zeven ooilammeren hier, die u apart gezet hebt? Hij zei: U moet die zeven ooilammeren uit mijn hand aannemen, zodat het voor mij als bewijs zal dienen dat ik deze put gegraven heb. Daarom noemde men die plaats Berseba, Berseba betekent: ‘put van zeven’, Be’er, is put en sh'vu'ah is eed, dus ‘put van de eed’ . want zij beiden hebben daar een eed gezworen.
De garantie van volheid in de vorm van "zevens" maakt het als een eed.
God schiep de aarde in zes dagen en voegde er aan het einde nog een dag toe, de zevende – Shabbat – שבת, die Hij apart zette voor rust, herinnering en bekendmaking. En Shabbat heeft weer hetzelfde woordverband met zeven, met zweren.
De weekdagen in het Hebreeuws worden genoemd door hun numerieke volgorde:
Zondag – YOM RISHON – יום ראשון (Eerste dag)
Maandag – YOM SHENEE – יום שני (Tweede dag)
Dinsdag – YOM SH'LISHEE – יום שלישי (Derde dag)
Woensdag – YOM REVI'EE- יום רביעי (Vierde dag)
Donderdag – YOM KHAMISHEE – יום חמישי (Vijfde dag)
Vrijdag – YOM SHISHEE- יום שישי (Zesde dag)
Maar de zevende dag wordt echter Shabbat – שבת (sin, beth, ayin) genoemd. De zevende.
In het moderne Hebreeuws wordt de wortel שבת gebruikt om arbeidersstaking te beschrijven – SH'VITA –. Dus met dezelfde wortel. Als het werk staken, stoppen, shabbat.
En de uitdrukking,
נשק – SH'VITAT NESHEK
waar we het zelfde woordverband in vinden is staakt- het-vuren
De heiliging van de zevende dag, de herdenking van het getal "zeven" (door de "week" in het Hebreeuws "SHAVU'A" - שבוע te noemen ), zien we de volheid en volledigheid van wat de Schepper heeft bereikt, en de gegarandeerde vervulling ervan.
Als dat geen zegen is.
Psalm 132 -6-: Over de plaats waar God wil wonen gesproken -1-
We denken na over de woorden:
hoe hij de HEERE gezworen heeft,
de Machtige Jakobs deze gelofte deed:
Op welk moment in zijn leven David zijn eed heeft gezworen, staat niet in de Schrift. Mogelijk heeft hij dat gedaan in de periode dat hij koning is geworden. Hij heeft veel later een prachtig paleis voor zichzelf gebouwd, terwijl de ark van de HEERE in een eenvoudige tent stond. David is in zijn inzet om een woonplaats voor God te zoeken een beeld van de Heere Jezus, Die van Zichzelf zegt, dat de ijver voor Gods huis Hem heeft verteerd.
Wanneer Jezus de tempel reinigt, lezen we in Johannes 2: En Hij zei tegen hen die de duiven verkochten: Neem deze dingen vanhier weg, maak niet het huis van Mijn Vader tot een huis van koophandel. En Zijn discipelen herinnerden zich dat er geschreven is: Want de ijver voor Uw huis heeft mij verteerd. En we vinden dat in Psalm 69 vers 10.
Wanner we de woorden van David in het vervolg van Psalm 132 lezen komen we onder de indruk van de enorme drijfveer van Davids verlangen om voor de HEERE een huis te bouwen wanneer hij zegt: “Nee, ik ga mijn tent, mijn huis, niet binnen, ik leg mij op de rustbank, mijn bed, niet neer; ik gun mijn ogen geen slaap, mijn oogleden geen sluimer, totdat …”
Wat een onvoorstelbare passie en gedrevenheid. David gunt zichzelf de luxe van rust en comfort niet, totdat de ark van de HEERE zijn plaats van rust heeft gekregen.
Hij zal niet rusten voordat hij dit verlangen heeft verwezenlijkt. Dit komt overeen met het verlangen van God Zelf om een plaats te hebben waar Hij Zijn Naam vestigt en waarvan Hij wil dat Zijn volk daarnaar vraagt en zoekt. We lezen in Deuteronomium 12 over de plsaats waar de HEERE God gediend wil worden. Hij geeft daar Zelf de voorschriften voor. Luister maar:
11Dan zal daar de plaats zijn die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen. Daarheen moet u alles brengen wat ik u gebied: uw brandoffers, uw slachtoffers, uw tienden, de hefoffers uit uw hand en heel de keur van uw gelofteoffers die u de HEERE belooft,
14 maar alleen op de plaats die de HEERE in een van uw stammen zal uitkiezen. Daar moet u uw brandoffers brengen en daar moet u doen alles wat ik u gebied.
18 Alleen voor het aangezicht van de HEERE, uw God, op de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen, mag u dat eten: u, uw zoon en uw dochter, uw slaaf en uw slavin, en de Leviet die binnen uw poorten is; en u zult u voor het aangezicht van de HEERE, uw God, verblijden over alles wat u ter hand genomen hebt.
21 Wanneer de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen, ver van u vandaan is, dan mag u van uw runderen en uw kleinvee die de HEERE u gegeven heeft, slachten, zoals ik u geboden heb, en mag u ervan eten binnen uw poorten, naar het volle verlangen van uw ziel.
26 Maar de heilige gaven die u hebt, en uw gelofteoffers, moet u opnemen en ermee naar de plaats komen die de HEERE zal uitkiezen.
Zoals de HEERE God het volk in Deuteronomium de plaats wijst waar zij hem moeten dienen, zo wijst God wijst David die plaats aan in 2Sm 24:18-25; 1Kr 22:1).
18 Op die dag kwam Gad bij David en zei tegen hem: Ga de heuvel op en richt op de dorsvloer van Arauna, de Jebusiet, een altaar op voor de HEERE.
19 En David ging naar boven, overeenkomstig het woord van Gad, zoals de HEERE geboden had.
20 Arauna keek omlaag en zag de koning en zijn dienaren naar zich toe komen. Daarop kwam Arauna de dorsvloer af en boog zich voor de koning neer, met zijn gezicht ter aarde.
21 En Arauna zei: Waarom komt mijn heer de koning naar zijn dienaar toe? En David zei: Om deze dorsvloer van u te kopen, om voor de HEERE een altaar te bouwen, zodat de plaag over het volk tot stilstand gebracht wordt.
22 Toen zei Arauna tegen David: Laat mijn heer de koning nemen en offeren wat goed is in zijn ogen. Ziedaar, de runderen voor het brandoffer, en de dorssleden en de werktuigen voor de runderen voor het brandhout.
23 Dit alles, o koning, geeft Arauna aan de koning. Verder zei Arauna tegen de koning: Moge de HEERE, uw God, u goedgezind zijn.
24 Maar de koning zei tegen Arauna: Nee, ik wil het beslist voor de volle prijs van u kopen, want ik wil de HEERE, mijn God, geen brandoffers brengen die niets kosten. Zo kocht David de dorsvloer en de runderen voor vijftig sikkel.
25 Vervolgens bouwde David daar voor de HEERE een altaar, en bracht brandoffers en dankoffers. Zo liet de HEERE Zich verbidden ten gunste van het land, en de plaag over Israël werd tot stilstand gebracht.
De uitdrukking ‘plaats’ heeft in het Hebreeuws eveneens de betekenis van ‘woning’ in vers, dat wil zeggen dat het een plaats is om er te wonen.
In 2 Kron. 3: 1-2 lezen we dat de dorsvloer op de berg Moria lag en dat de plek door David was bereid voor de tempel, die door Salomo werd gebouwd. De plaats' was en is een veel groter stuk grond dan nodig was voor Davids altaar, en misschien ook de woning van Arauna. Van de plek zegt David in 1 Kronieken 22:1 ... Dit hier is het huis van de HEERE God, en dit is het brandofferaltaar voor Israël.
De plek maakt in de dagen waarin wij leven deel uit van wat tegenwoordig het Tempelgebied wordt genoemd.
We laten het hier deze keer even bij. De volgende keer hopen we stil te staan wat al datgene wat wij deze keer overdacht hebben betekend voor ons persoonlijke leven, zodat we het toe kunnen passen in ons eigen leven.
Psalm 132 -7-: Over de plaats waar God wil wonen gesproken -2-
Over de plaats waar God wil wonen gesproken -2-
In de voorgaande aflevering hebben we met elkaar gezien dat de HEERE God bijzonder hecht aan zijn plaats waar Hij gediend wil worden. We lazen daarvan in Deuteronomium bijvoorbeeld de woorden: Dan zal daar de plaats zijn die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen.
Zoals de HEERE God het volk in Deuteronomium de plaats wijst waar zij hem moeten dienen, zo wijst God wijst David die plaats aan in 2Sm 24:18-25.
Op die dag kwam Gad bij David en zei tegen hem: Ga de heuvel op en richt op de dorsvloer van Arauna, de Jebusiet, een altaar op voor de HEERE.
Maar er is meer over te zeggen. In Haggaï 1:9 lezen we de woorden ‘Vanwege Mijn huis, dat verwoest ligt, terwijl u zich uitslooft, ieder voor zijn eigen huis.’
In Dit hoofdstuk lezen we dat de HEERE het volk aanspoort om de tempel te herbouwen. De tempel ligt nog steeds in puin, ook al zijn de Joden teruggekeerd uit de ballingschap. Ze wonen in hun fraai overdekte huizen, zoals het in vers 4 staat, terwijl het huis van de Heere verwoest is.
Ze hadden al wel een altaar opgericht en de fundamenten van de tempel gelegd (Ezra 3:10), maar daarna waren ze ermee gestopt toen ze een verbod van het Perzische hof kregen. Vandaar dat de Heere hun Zijn zegen niet kan geven. Daarom kwam er droogte over het land, werd de regen ingehouden en gaf de aarde haar opbrengst niet meer. Hongersnood als gevolg van ongehoorzaamheid aan God. Vandaar de oproep om aan de slag te gaan. ‘Dan zal Ik er behagen in scheppen en verheerlijkt worden, zegt de HEERE’ (vers 8).
Tsja, over de plaats waar God wil wonen gesproken. De woorden en gedachten brengen mij bij het hier en nu. In de tijd waarin wij leven. Hoe staat het ervoor met onze tempel? Dan denk ik niet in de eerste plaats aan onze kerken en de ruimten waarin wij samenkomen. Dat hebben we vaak wel goed voor elkaar.
Maar ik denk aan ons eigen lichaam, dat in de brief aan de Korinthiërs, in 1 Korinthe 3:16 en 17 een tempel van God wordt genoemd.
‘Weet u niet, dat u Gods tempel bent en dat de Geest van God in u woont? Als iemand de tempel van God te gronde richt, zal God hem te gronde richten, want de tempel van God is heilig, en deze tempel bent u’.
1 Korinthe 6:19 – ‘Of weet u niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, Die in u is en Die u van God hebt ontvangen, en dat u niet van uzelf bent?’
Denk hierbij ook aan een tekst als 1 Timotheüs 3:15 waar Paulus aan Timotheüs schrijft: ‘Maar voor het geval dat ik langer wegblijf, weet u nu hoe men zich moet gedragen in het huis van God, dat is de gemeente van de levende God, zuil en fundament van de waarheid.’
Misschien zijn het wat uitgesleten uitdrukkingen en woorden geworden. We hebben het al zo vaak gehoord en we weten het allemaal wel. En de mensen die roken krijgen het wel eens te horen: Denk je er wel aan dat je lichaam een tempel is? En het is waar, maar ook niet rokers betreft dit tekstgedeelte.
Hoe staat het ervoor met onze, met uw en mijn tempel? Ook al hebben we door genade de Heere Jezus als onze Redder en Verlosser leren kennen en liefhebben, dan kan het toch zo zijn dat onze tempel verwoest ligt.
We zwoegen en draven voor onze aardse huizen, onze carrière, onze baan, onze dure auto, onze kinderen, onze vakanties… en misschien ook wel voor tussen aanhalingstekens ‘onze’ kerk, onze gemeente en onze waarheid.
Is dat dan verkeerd? Dat hoeft niet, maar het kan goed zijn dat onze prioriteiten volkomen verkeerd zijn komen te liggen in de loop van jaren. We kunnen zo gericht zijn op al die aardse en zichtbare dingen, dat we onze geestelijke tempel totaal verwaarlozen. Dan kan, zoals voor Juda gold – lees Haggaï 1 maar – (geestelijke) hongersnood en tegenslag het gevolg zijn.
Filippenzen 2:21 zegt in dit verband heel treffend: ‘Want zij zoeken allen hun eigen belangen, niet die van Christus Jezus.’ Mooi is het al wanneer we de belangen van de ander zoeken in ons leven, maar veel rijker is het wanneer we de belangen van de Ander met een hoofdletter zoeken.
Misschien vragen we ons wel verwonderd af hoe het toch komt dat we zo weinig van de Heere ervaren in ons leven en in onze kerken en gemeenten. Laten we ons leven zelf eens kritisch bekijken. Laten we onszelf eens onderzoeken op dit punt. En heel eerlijk zijn. Waar maken we ons druk over? Waar is ons hart vol van? Waar besteden we onze tijd aan?
Is Romeinen 12:1 werkelijkheid in ons leven – ‘Ik roep u er dan toe op, broeders, door de ontfermingen van God, om uw lichamen aan God te wijden als een levend offer, heilig en voor God welbehaaglijk…’
Tsja, het is misschien pijnlijk voor u, maar ik sluit me daarbij zelf helemaal in. En tegelijkertijd weten we wel: een leven met Hem oneindig veel rijker is dan een leven zonder Hem.
Want als dat geen zegen is.
Psalm 132 -8-: Over het heiligdom gesproken -1-
Over het heiligdom gesproken -1-
In de dagen van Saul is er niet naar de ark gevraagd (1Kr 13:3). Twintig jaar is de ark in Kirjath-Jearim, in het huis van Abinadab (1Sm 7:1-2). David begint ernaar te vragen. Wanneer hij en zijn mannen, “wij”, in Efratha zijn, “in de velden van Jaär”, horen ze over “hem” (vers 6).
De ark wordt niet bij name genoemd. De psalmist spreekt over ‘hem’ in de veronderstelling dat iedereen wel zal weten waarover hij spreekt.
De terugkeer van de ark van het verbond na de ‘Ikabod’-periode. We lezen daarvan in 1 Samuel 4:
En zijn schoondochter, de vrouw van Pinehas, was zwanger en zou baren. Toen zij het bericht hoorde dat de ark van God meegenomen was en dat haar schoonvader en haar man gestorven waren, kromde zij zich en baarde, want haar weeën overvielen haar.
En omstreeks de tijd van haar sterven spraken de vrouwen die bij haar stonden: Wees niet bevreesd, want u hebt een zoon gebaard. Maar zij antwoordde niet en nam het niet ter harte.
En zij noemde het jongetje Ikabod, en zei: De eer is weggevoerd uit Israël. Dit zei ze, omdat de ark van God meegenomen was, en vanwege haar schoonvader en haar man.
En zij zei: De eer is weggevoerd uit Israël, want de ark van God is meegenomen.
De Ikabod periode is dus de periode dat de ark van God is weggenomen.
Maar wanneer David op de troon zit, koning is, gaat hij de ark uit het huis van Abinadab ophalen (2Sm 6:2-3). Dat doet hij eerst niet op de goede manier. Dan komt de ark in het huis van Obed-Edom. Na drie maanden haalt hij daar de ark op en brengt hem op de door God voorgeschreven manier naar Sion (2Sm 6:4-17).
Dit alles s is een verwijzing naar de terugkeer van de sjechina, dat is de wolk van Gods tegenwoordigheid, het zichtbare symbool van Zijn aanwezigheid, naar Jeruzalem (Ez 43:1-7).
Op de plaats waar David de ark heeft gebracht, dat is in “Zijn woning” (Ps 74:7), de woning van God, wil het volk binnengaan om God te aanbidden (lezen we in vers 7 van Psalm 132). Historisch gebeurt dat wanneer David en het volk de ark brengen naar de tent die hij ervoor heeft gespannen (2Sm 6:17).
Tsja, en wanneer je dit alles zo leest, dan dringt de vraag zich op hoe we deze gebeurtenissen kunnen lezen. En inderdaad we kunnen het lezen als een geschiedschrijving wat er destijds heeft plaatsgevonden. Maar heeft deze gebeurtenis ook iets te zeggen over de tijd waarin wij leven of over de nabije toekomst. En de vraag stellen is in dit geval denk ik ook de vraag beantwoorden. Maar wel met alle voorzichtigheid en met gevouwen handen.
Want als we de tijd zien waarin wij leven en waarin ook het volk van Israel leeft, dan kunnen we eigenlijk niet anders dan tot de conclusie komen, en ik zeg het nogmaals met alle voorzichtigheid en schroom dat ook nu in de tijd waarin wij leven Israel leeft in een Ikabod periode. De vrouw van Pinahas zij zei: De eer is weggevoerd uit Israël, want de ark van God is meegenomen. En ook nu leeft Israel in een periode dat de eer weggevoerd is uit Israel, want de Tempel is bij wijze van spreken weggenomen uit Israel. En op die plaats staat nu een verschrikkelijk gebouw.
En we horen in de tijd waarin wij leven allerlei verschillende stemmen in Israel over de Tempelbouw, alle spullen zouden klaarliggen, de rode vaarzen zijn aanwezig. Maar moeten we ons niet in alle eerlijkheid afvragen of dit de manier is die God wil. Of dit de weg van de HEERE God is. Want in de geschiedenis met David lezen we dat hij de ark uit het huis van Abinadab ophaalt en dat hij dat de eerste keer niet op de goede manier doet. En Uzza, wiens naam de Sterkte betekend, sterft. Tsja, in eigen kracht gaat het niet. En David noemde die plaats Perez-Uzza. Breuk met de Sterkte, Breuk met de Sterke. Mogen we het zo invullen dat er sprake is van een breuk van het volk Israel met de Sterke?
Hoe het ook zij, dan vermeld de tekst: Dan komt de ark in het huis van Obed-Edom en deze naam betekend “Dienaar van Edom”. Hij was een Gethiet staat er vermeld en zij zijn de de inwoners van de Filistijnse stad Gath. Gath, was een van de vijf Filistijnse hoofdsteden (Askelon, Asdod, Gaza, Ekron en Gath). Het lag in het aan Juda toebedeelde landsdeel was de geboorteplaats van de reus Goliath.
Sommigen denken, dat Obed-Edom een herder was, geboren in Gath, een stad der Filistijnen. Het lijkt mij waarschijnlijker, dat hij uit Gath-Rimmon komt, een Levietenstad, en dat hij tot de stam Levi behoorde, maar eerlijk gezegd begrijp ik er dan niets van dat hij de naam Obed-Edom, dienaar van Edom krijgt.
Maar het bijzondere is dat de Heere God deze Obed-Edom, de dienaar van Edom, na de geschiedenis met de Breuk van de Sterke, op een heel bijzondere wijze zegent?
Obed- Edom, de dienaar van Edom, ontvangt de Ark, het symbool van Gods aanwezigheid, de sjechina, in zijn huis en de Dienaar van Edom verandert in een dienaar van de Heere God. En God zegent hem en zijn huis.
Wellicht vinden we een vergelijkbaar patroon of gebeurtenis tijdens Jezus omwandeling op aarde in Marcus 3, en ik lees voor het verband een aantal voorafgaande verzen:
1En Hij (Jezus) kwam opnieuw in de synagoge; en er was daar iemand die een verschrompelde hand had.
2En ze (de Farizeeën) letten scherp op Hem om te zien of Hij hem op de sabbat genezen zou, opdat zij Hem zouden kunnen beschuldigen.
3En Hij zei tegen de man die de verschrompelde hand had: Sta op en ga in het midden staan.
4 En Hij zei tegen hen: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen of kwaad te doen, een mens Letterlijk: ziel te behouden of te doden? En zij zwegen.
5 En nadat Hij hen rondom toornig aangekeken had, tegelijk bedroefd over de verharding van hun hart, zei Hij tegen de man: Steek uw hand uit. En hij stak hem uit, en zijn hand werd hersteld, gezond als de andere.
6 En toen de Farizeeën weggegaan waren, beraadslaagden zij meteen met de Herodianen tegen Hem hoe zij Hem om zouden kunnen brengen.
Even tussen haakjes (er is hier duidelijk sprake van een breuk tussen de leraren van het volk en in een bepaald opzicht daarmee het volk. Ze wilden van Hen af. We lezen verder:)
7En Jezus vertrok met Zijn discipelen naar de zee; (tussen haakjes, het beeld van de volkeren) en Hem volgde een grote menigte uit Galilea en uit Judea,
8 en uit Jeruzalem en uit Idumea (tussen haakjes dat zijn de Edomieten, de diennaren van Edom) en van over de Jordaan; ook een grote menigte uit de omgeving van Tyrus en Sidon (tussen haakjes: U weet wel, dat zijn de godloze steden van oorsprong) die gehoord had wat voor grote dingen Hij deed, kwam naar Hem toe.
9 En Hij zei tegen Zijn discipelen dat er steeds een scheepje bij Hem moest blijven vanwege de menigte, opdat ze Hem niet verdringen zouden.
10 Want Hij had er velen genezen, zodat allen die aandoeningen hadden, op Hem aandrongen om Hem te kunnen aanraken.
11En telkens wanneer de onreine geesten Hem zagen, vielen zij voor Hem neer en riepen: U bent de Zoon van God!
Het voert te ver om hier in dit verband verder bij stil te staan, maar zien we hier niet een paralel of een profetie met betrekking tot het volk van God en het heilsplan van God met deze wereld?
Maar daarmee is de geschiedenis niet afgelopen., want David rust niet voor de Ark op Zijn Plaats is. We lezen daarvan in Psalm 132, maar eveneens in 2 Samuel 6:
Toen ging David op weg en bracht de ark van God met blijdschap vanuit het huis van Obed-Edom over naar de stad van David.
13En het gebeurde, nadat de dragers van de ark van de HEERE zes stappen gedaan hadden, dat hij een rund en een gemest kalf offerde.
14David huppelde uit alle macht voor het aangezicht van de HEERE; en David was gekleed in een linnen priesterhemd.
15Zo brachten David en heel het huis van Israël de ark van de HEERE over, met gejuich en met bazuingeschal.
Na zes stappen, na zesduizend jaar wordt de offerdienst hersteld en wordt het gemeste kalf geslacht, zal David niet alleen het Koningschap uitoefenen maar eveneens het Priesterambt. David de Koning en Profeet en Priester van Israel, want zo lezen we: en David was gekleed in een linnen priesterhemd.
Tsja, en dan kan het niet uitblijven. Dan wordt het Feest met een Hoofdletter geschreven.
David (de Geliefde) huppelde uit alle macht voor het aangezicht van de HEERE.
Is het daarmee afgelopen? Einde verhaal? Eind goed, al goed. Nee hoor gelukkig niet. Want het patroon zet zich voort. Van 2 Samuel, via Marcus 3 naar de profeet Zacharia. Want ook daar komt de Ark, de Sjechiena de heerlijkheid van de God van Israel uit de richting van het Oosten. Evenals in Samuel 6 en Marcus 3. Laten we maar snel verder lezen:
1 Daarop leidde Hij (dat dis de HEERE) mij (Zacharia) naar de poort, de poort die naar het oosten gekeerd was.
2 En zie, de heerlijkheid van de God van Israël kwam uit de richting van het oosten, en Zijn geluid was als het bruisen van machtige wateren, en de aarde werd verlicht vanwege Zijn heerlijkheid.
3 En de aanblik van het visioen dat ik zag, was als het visioen dat ik gezien had, toen ik kwam om de stad te gronde te richten. Het waren visioenen als het visioen dat ik aan de rivier de Kebar gezien had. Toen wierp ik mij met het gezicht ter aarde.
4 En de heerlijkheid van de HEERE kwam het huis binnen via de poort die op het oosten uitzag.
5 Toen hief de Geest mij op en bracht mij in de binnenste voorhof. En zie, de heerlijkheid van de HEERE had het huis vervuld.
6 Daarop hoorde ik Iemand uit het huis met mij spreken, terwijl de Man naast mij bleef staan,
7 en Hij zei tegen mij: Mensenkind, dit is de plaats van Mijn troon en de plaats van Mijn voetzolen, (Let hierbij op de woorden van vers 7 van Psalm 132: 7 waar staat: Laten wij Zijn woning binnengaan, ons neerbuigen voor de voetbank van Zijn voeten.) waar Ik voor eeuwig wonen zal onder de Israëlieten.
Als dat geen zegen is.
Beste luisteraar, het was een beetje lang en leerstelling vanmorgen. Ik hoop dat u het mij niet kwalijk neem. Mocht u willen reageren naar aanleiding van vanmorgen, stuur dan een mail naar cees@radioisrael.nl
Ik kom in Uw heiligdom binnen
'T Voorhangsel ga ik voorbij
'K Breng U mijn offer, een zoete geur
Vrucht van wat U deed in mij
Mijn mond brengt een offer van lof, Heer
'T Gaat nu alleen om Uw eer
'T Reukwerk van mijn lofgezang
Stijgt op in Uw woning
Ik kniel voor de troon van mijn Koning
Samen met mijn stem hef ik
Ook mijn handen op tot U
'T Loflied komt diep uit mijn hart
Lofprijs, aanbidding, glorie en kracht
Komen U toe, God van 't heelal voor eeuwig
Lofprijs, aanbidding, glorie en kracht
Komen U toe, God van ’t heelal
Psalm 132 -9-: Over het heiligdom gesproken -2-
Over het heiligdom gesproken -2-
Ik de voorgaande uitzending hebben we aan de hand van vers 7 stilgestaan bij de woning van de HEERE, de Aanwezige. En in de periode waarin Davids Koningschap was dat de Ark. In vers 6 lazen de namelijk zojuist:
Zie, wij hebben van de ark gehoord in Efratha,
hem gevonden in de velden van Jaär.
De ark van het verbond (de: Aron haBrit) was een heilige kist.
De ark werd door Basaleël (zijn naam betekend: "in de schaduw [bescherming] van God"), gemaakt tijdens de uittocht uit Egypte, bij de Sinaï. Het was een draagbare kist, waarin de twee stenen platen met daarop de tien geboden bewaard werden. Hij stond in het allerheiligste, de binnenste ruimte van de tabernakel, en later in dezelfde ruimte in de tempel van Salomo te Jeruzalem.
In Numeri 7 vers 89 lezen we: En wanneer Mozes de tent van ontmoeting binnenging om met Hem te spreken, hoorde hij een stem tot hem spreken van boven het verzoendeksel, dat op de ark van de getuigenis ligt, van tussen de twee cherubs. Zo sprak Hij tot hem.
In de voorgaande aflevering hebben we het patroon ontdekt van de ark van het verbond, in de gebeurtenissen met David, de gebeurtenis in het leven van Jezus, maar eveneens in de profetie van Zacharia.
Maar wat heeft de Ark, de woonplaats die God verkoos om in te wonen in geestelijk opzicht met Israel te maken. Want we mogen toch ook een geestelijk aspect aan de worden van Psalm 132 vers 7 toekennen?
Laten wij Zijn woning binnengaan,
ons neerbuigen voor de voetbank van Zijn voeten.
In deze en de volgende uitzending wil ik aan de hand van die gedachte met u stilstaan bij de ark als het hart van de Tabernakel het hart van de Tempel.
Te midden van alle ellende waarin Israël zich het grootste deel van haar geschiedenis heeft bevonden, konden de rechtvaardigen zich altijd vastklampen aan Gods beloften. Verspreid over de Schrift staan er vele. Het zijn onvoorwaardelijke beloften. De God van Waarheid en de God van Israël heeft gesproken. Niets of niemand zal de uitvoering ervan kunnen tegenhouden.
Een van die machtige beloften staat in Ezechiël 36. “Want Ik zal u uit de heidenen halen, en zal u uit al de landen vergaderen; en Ik zal u in uw land brengen. Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen. En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven. En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen. En gij zult wonen in het land, dat Ik uw vaderen gegeven heb, en gij zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn” (Ezech. 36:24-28).
Toen Ezechiël dit woord tot Israël bracht was het grootste deel van het volk in ballingschap. De tien stammen waren al meer dan honderd jaar eerder weggevoerd uit het land van hun vaderen. De twee overgebleven stammen, Juda en Benjamin, waren uiteindelijk in Babel terecht gekomen. Het land lag er troosteloos bij en het volk was verspreid onder de heidenen. Zo op het oog een uitzichtloze situatie, maar te midden van in dit alles zendt God Zijn profeten om de heilrijke toekomst van Zijn volk bekend te maken.
In Ezechiël 11:19 wordt dezelfde belofte herhaald.
Ik zal hun één hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit hun vlees wegdoen en hun een hart van vlees geven, zodat zij in Mijn verordeningen gaan en Mijn bepalingen in acht nemen en die houden. Dan zullen zij Mij een volk zijn, en zal Ík hun een God zijn.
En met de woorden van Jozef tot Farao mogen we dan ook wel zeggen “dat de zaak van God vastbesloten is, en dat God haast om dezelve te doen” (Gen. 41:32).
Wat moeten we onder ‘het stenen hart’ van Israël verstaan? Vraag het een willekeurige christen, en hij zal antwoorden: dat is het verharde en onbekeerlijke hart van Israël. Het is een verklaring, die tot op zekere hoogte wel grond heeft in de Schrift. De profeet Ezechiël heeft zelf de ervaring met dit harde hart. “Maar het huis van Israël wil naar u niet horen, omdat zij naar Mij niet willen horen; want het ganse huis van Israël is stijf van voorhoofd, en hard van hart zijn zij” (Ezech. 3:7). Menigeen ziet hierin het stenen hart van Israël. Toch denk ik dat we het in een andere richting moeten zoeken.
Waar klopte het hart van Israël? Laat ik u meenemen naar de woestijn, meer dan drieduizend jaar geleden. Het volk was net verlost uit Egypte door de machtige hand van de HEERE en trok voort naar het land Kanaän. Het reisde niet als een ongeordende bende. De plaatsen van de stammen waren naar Gods voorschrift nauwkeurig bepaald. Ze moesten zich in een duidelijke formatie rondom de pas gebouwde Tabernakel legeren. Rondom de Tabernakel stonden de tenten van de Levieten. De overige stammen waren gegroepeerd in drieën en gelegerd ten noorden, oosten, zuiden en westen (zie Num. 2).
Dus wat vonden we helemaal in het centrum van de legerplaats? De Tabernakel. Eén maal per jaar ging de hogepriester de Tabernakel door tot achter het voorhangsel van het Heilige der Heiligen. Daar stond de ark van het verbond. Op de ark lag het verzoendeksel met de twee cherubim. Dat was de plaats waar God woonde in het midden van Israël. In de ark van het verbond lag de staf van Aäron, die gebloeid had, en een kruikje met manna en de stenen tafelen van de wet. Ik denk dat ik geen van de lezers hoef uit te leggen hoe belangrijk de wet in Israëls bestaan was. Daar klopte het hart van het volk! Op het verzoendeksel sprengde de hogepriester eenmaal per jaar het bloed van een stier en het bloed van een bok om verzoening te doen over de zonden van zichzelf en over die van het volk (zie Lev. 16). Er moest verzoening gedaan worden over de overtredingen die gedaan waren tegen Gods heilige wet.
Is het te ver gezocht als we zeggen dat God met ‘het stenen hart’ doelt op de stenen tafelen die Hij aan Mozes heeft gegeven? Nee toch? Jesaja zegt toch: “Hoort naar Mij, gijlieden, die de gerechtigheid kent, gij volk, in welks hart Mijn wet is!”
“En Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven.” God zal het stenen hart wegnemen en het volk een vlezen hart geven. Als het stenen hart doelt op Gods Woord ingeschreven in de twee stenen tafelen, eeuwenlang de inhoud, de kern van Israëls dienst aan God, wat moeten we dan verstaan onder het vlezen hart?
Het antwoord lezen we in de prachtige openingswoorden van het Evangelie naar Johannes. “En het Woord is vlees geworden” (Joh. 1:14). Hij zal het hart van Israël zijn. Hun godsdienst zal dan om Hem, om Hem alleen draaien. “Het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond.”
Dat woord voor ‘wonen’ is hier wel heel bijzonder. Het is afgeleid van het woord dat ‘tabernakel’ betekent. Hij heeft onder ons gewoond als in een tabernakel! Net als de stenen tafelen van de wet woonde Hij onder Zijn volk als in een tabernakel. Dat Johannes hier de wet en Christus naast elkaar zet, blijkt ook uit vers 17: “Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden”.
Als dat geen zegen is.
De volgende keer hopen we hier verder over na te denken.
Psalm 132 -10-: Over het heiligdom gesproken -3-
Over het heiligdom gesproken -3-
In de voorgaande uitzending stonden we stil bij de centrale plaats van de Ark gedurende de woestijnreis van Israel.
En we veoegen ons af: Is het te ver gezocht als we zeggen dat God met ‘het stenen hart’ doelt op de stenen tafelen die Hij aan Mozes heeft gegeven? Nee toch? Jesaja zegt toch: “Hoort naar Mij, gijlieden, die de gerechtigheid kent, gij volk, in welks hart Mijn wet is!”
“En Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven.” God zal het stenen hart wegnemen en het volk een vlezen hart geven. Als het stenen hart doelt op Gods Woord ingeschreven in de twee stenen tafelen, eeuwenlang de inhoud, de kern van Israëls dienst aan God, wat moeten we dan verstaan onder het vlezen hart?
Het antwoord lezen we in de prachtige openingswoorden van het Evangelie naar Johannes. “En het Woord is vlees geworden” (Joh. 1:14). Hij zal het hart van Israël zijn. Hun godsdienst zal dan om Hem, om Hem alleen draaien. “Het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond.”
Dat woord voor ‘wonen’ is hier wel heel bijzonder. Het is afgeleid van het woord dat ‘tabernakel’ betekent. Hij heeft onder ons gewoond als in een tabernakel! Net als de stenen tafelen van de wet woonde Hij onder Zijn volk als in een tabernakel. Dat Johannes hier de wet en Christus naast elkaar zet, blijkt ook uit vers 17: “Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden”.
Het stenen hart en het vlezen hart van Israël duidt op het verschil tussen het Oude Verbond en het Nieuwe verbond. Paulus, als een dienaar van het Nieuwe Verbond stelt de twee verbonden in 2 Korinthe 3 tegenover elkaar. In vers 3 beschrijft hij dat verschil als “stenen tafelen” en “vlezen tafelen van het hart”.
Paulus verwijst in dit hoofdstuk onder meer naar Jeremia 31:33, 34 waar we lezen:
“Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en Ik zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. En zij zullen niet meer, eenieder zijn naaste, en eenieder zijn broeder, leren, zeggende: Kent de HEERE! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de HEERE; want Ik zal hun ongerechtigheden vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken.”
Zal de Heere dan toch weer die wet in hun binnenste geven? Ja, inderdaad. De wet is niet iets slechts, waar het volk van verlost moet worden. De wet brengt geen vloek met zich mee in zichzelf, maar vanwege degenen tot wie de wet is gericht. De wet spreekt: doe dit en gij zult leven. En dat is waar. Gods wet is geen zonde. Zij ontdekt de zonde. De gevallen natuur kan die wet niet volbrengen. Ook Israël kon dat niet. Daarom werd eenmaal per jaar het verzoendeksel besprengd met bloed om het volk eraan te herinneren dat hun zonden eenmaal zouden worden weggenomen door de ware Hogepriester: Jezus Christus/ Yeshua haMessiach. Hij draagt die wet als het ware in Zijn binnenste. Hij voldeed aan al zijn eisen. Hij is de vervulling van de wet.
Er is geen tegenstelling tussen de wet enerzijds en de Heere Jezus Christus anderzijds. Er is geen vijandschap tussen Hem en de wet. En daarom is er ook helemaal geen tegenstelling tussen Ezechiël 36:26, “Ik zal u een vlezen hart geven” en Jeremia 31:33, Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven”.
Tussen het Oude- en het Nieuwe Verbond ligt een voor de mens onoverbrugbare kloof. De wet in stenen tafelen gegrift, bracht (eeuwig) leven op grond van volmaakte gehoorzaamheid. Geen mens die daaraan kon voldoen. En toch lag die eis daar. En toch belooft God ook dit eeuwige leven aan Zijn volk. Hoe wordt die kloof overbrugd? Het antwoord ligt in Christus. Hij kwam als een dienaar van het Oude Verbond, “een Dienaar der besnijdenis” (Rom. 15:8), “opdat Hij bevestigen zou de beloftenissen der vaderen”. Hij heeft Zelf de wet volmaakt volbracht en de zonden van Zijn volk op Zich genomen, opdat zij het leven zouden verkrijgen.
De kloof was niet te overbruggen. Althans door mensen, maar bij God zijn alle dingen mogelijk. Dat komt het meest openbaar in het kruis en de opstanding van Christus Jezus.
En als dat geen zegen is.
Psalm 132-11-: Over de voetbank gesproken
Over de voetbank gesproken
Vandaag staan we stil bij het laatst gelezen vers:
Laten wij Zijn woning binnengaan,
ons neerbuigen voor de voetbank van Zijn voeten.
In de voorbereiding op dit onderwerp stuitte ik op een afbeelding uit het oude Egypte. Op de afbeelding zien we een kind dat op de schoot van de verzorgster zit. Het is de toekomstige koning, wiens voeten rusten op een voetenbankje. Op het bankje staan de traditionele vijanden van Egypte afgebeeld. De tekening verwijst naar de heerschappij van de toekomstige koning over volkeren die Egypte bedreigen.
Deze symboliek is ook de bijbel niet vreemd. In de relatie tussen God en Israël, tussen God en de volken en tussen God en de aarde lezen we ook over deze symboliek.
Het Hebreeuwse ‘hadom’ voor ‘(voeten)bankje’, verschijnt steeds in combinatie met raglajim, ‘twee voeten’. Deze combinatie kunnen we vertalen met ‘voetbank’, letterlijk ‘bankje voor beide voeten’.
In Jesaja 66 vers 1 lezen we bijvoorbeeld: Zo zegt de HEERE: De hemel is Mijn troon en de aarde de voetbank van Mijn voeten.
En in Psalm 99 vers 5 wat spreekt over de almacht van de HEERE, de Aanwezige, lezen we: Roem de HEERE, onze God; buig u neer voor de voetbank van Zijn voeten.
Heilig is Hij. En als laatste lezen we Psalm 110 vers 1, wat spreekt over de belofte van de Priesterkoning: De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand totdat Ik Uw vijanden gemaakt zal hebben tot een voetbank voor Uw voeten.
Ook in het Nieuwe- of Tweede Testament spreekt de Heere Jezus over de voetbank wanneer de Farizeeën Hem vragen stellen over de Messias, wiens Zoon Hij is. We lezen bijvoorbeeld in Mattheus 22:
Toen de Farizeeën bijeenwaren, vroeg Jezus hun: Wat denkt u over de Christus? Wiens Zoon is Hij? Zij zeiden tegen Hem: Davids Zoon. Hij zei tegen hen: Hoe kan David Hem dan, in de Geest, zijn Heere noemen, als hij zegt: Heere heeft gezegd tegen Mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden neergelegd heb als een voetbank voor Uw voeten? Als David Hem dan zijn Heere noemt, hoe kan Hij dan zijn Zoon zijn? En niemand kon Hem een woord antwoorden, en ook durfde niemand Hem vanaf die dag meer iets te vragen.
Zij waren blijkbaar met stomheid geslagen over Zijn antwoord.
De voetbank is in het oude Nabije Oosten voornamelijk het meubelstuk waarop de op de troon zittende koning zijn voeten laat rusten. De brief van Jakobus suggereert dat in de samenkomst gebruik wordt gemaakt van voetenbankjes in hoofdstuk 2 vers 3:
Mijn broeders, heb het geloof in onze Heere Jezus Christus, de Heere der heerlijkheid, zonder aanzien des persoons. Want als in uw samenkomst een man zou binnenkomen met een gouden ring aan zijn vinger, in sierlijke kleding, en er kwam ook een arme man in haveloze kleding, en u zou hoog opzien tegen hem die de sierlijke kleding draagt, en tegen hem zeggen: Gaat u hier zitten op een mooie plaats, en u zou tegen de arme zeggen: Gaat u daar maar staan, of: Ga hier zitten bij mijn voetbank, hebt u dan niet onder elkaar een onderscheid gemaakt en bent u zo geen rechters geworden met verkeerde overwegingen?
Hoofdzakelijk spreekt de bijbel over de voetbank in relatie tot God. Deze voetbank symboliseert steeds situaties waarin Gods grootheid wordt benadrukt. Tegelijkertijd geeft het aan dat Hij in die hoedanigheid verbonden is met mens en aarde. Troon en voetbank veronderstellen elkaar. God is ver boven ieder en alles verheven èn Hij is de schepping nabij. Zonder deze paradox kunnen we niet over God spreken. Zó is Hij!
Maar de voetbank van God kan ook een metafoor of beeldspraak zijn voor zowel de ark met de Tien Woorden als voor de tempel of de tempelberg (Sion). In Psalm 99:5 en 132:7 zijn beide betekenissen mogelijk. in beide liederen gaat het om het eerbetoon van de mens aan de Eeuwige. Duidelijk laat Psalm 99 dat zien, waar het volk wordt opgeroepen God te ‘verhogen’ en te ‘buigen’ voor zijn voetbank.
In Klaagliederen 2 vers 1, zingt de klaagzanger dat de Heere op de dag van zijn toorn niet dacht aan zijn voetbank:
Hoe heeft de Heere in Zijn toorn de dochter van Sion in wolken gehuld. Hij heeft vanuit de hemel ter aarde geworpen de luister van Israël; en Hij heeft aan de voetbank van Zijn voeten niet gedacht op de dag van Zijn toorn.
De meningen zijn verdeeld of voetbank hier de tempel dan wel de ark symboliseert. Ook hier geldt dat beide mogelijk zijn. Tempel en ark zijn niet te scheiden.
De schrijver van de Klaagliederen, Jeremia, schrijft over de tijd dat Jeruzalem verwoest is door de Babyloniërs en daarbij is ook de tempel met de heilige voorwerpen, teken van Gods aanwezigheid, verloren gegaan.
De Midrasj, dat is een rabbijnse methode van Bijbel-uitleg. legt bij deze tekst een verbinding tussen de Hebreeuwse woorden voor ‘voetbank’ en ‘het bloed’ (hadom en haddam), wat inhoudt dat God in zijn woede niet dacht aan het bloed van Abrahams besnijdenis en het bloed dat in Egypte op de deurposten werd aangebracht. Gods boosheid is zo groot, dat zij het verbond en de uittocht als het ware verduistert. Verschrikkelijk.
Het is goed om te beseffen, wanneer we in Zijn nabijheid willen komen, Zijn en onze plaats te kennen. Hij woont in de hemel en de aarde, de plaats waar wij wonen is de voetbank van Zijn voeten. Laten we er ons steeds daarvan bewust zijn. Sterker nog dan waar God zich bevindt, duidt deze tekst met troon en voetbank Gods gezag over hemel en aarde. Maar ook spreekt de tekst over Gods gezag over u en mij.
Als dat geen zegen is.
Psalm 132 -12-: Over Gods rustplaats gesproken -1-
Over Gods rustplaats gesproken
In de verzen 8 tot en met 10 vinden we een ander perikoopje van Psalm 132 en je zou kunnen zeggen dat we hier toehoorders zijn van het gebed van Gods Gezalfde. In eerste instantie kunnen we hier denken aan de schrijver van de Psalm David, de geliefde die zichzelf Gods dienaar noemt.
Zullen we nog eens luisteren naar zijn woorden?
Sta op, HEERE, [ga] naar Uw rustplaats,
U en de ark van Uw macht.
Laat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid,
laat Uw gunstelingen juichen.
Wijs het gebed van Uw gezalfde niet af,
omwille van David, Uw dienaar.
Maar zoals we weten, openbaart de Messias Zich in heel zijn Woord. Zo ook in Psalm 132, want door de woorden van David, de man naar Gods hart horen we de woorden van de meerdere David, de Geliefde, de Man naar Gods hart, met een hoofdletter. De verzen spreken namelijk over de Gezalfde, over de Geliefde en over de Dienaar en die titels zouden we allemaal met een hoofdletter kunnen schrijven want het zijn allemaal titels die de Messias, Jezus uit Nazareth draagt. En daarmee zijn we bij wijze van spreken op heilige grond gekomen en past ons ontzag omdat we bij wijze van spreker toehoorder zijn van het gebed van de Messias tot Zijn Vader in de hemel.
Sta op, HEERE, [ga] naar Uw rustplaats,
U en de ark van Uw macht.
Laat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid,
laat Uw gunstelingen juichen.
Wijs het gebed van Uw gezalfde niet af,
omwille van David, Uw dienaar.
En wat denk u. Zou dit gebed van de Messias door Vader worden verhoort? De vraag stellen is het antwoord geven toch?
Vers 8 is de enige vermelding van “de ark” in Psalmen. Dat gebeurt in verbinding met het toekomstige herstel van de tempel in Jeruzalem, de plaats die de HEERE heeft uitgekozen om daar Zijn Naam te vestigen. Daardoor zal de nieuwe naam van Jeruzalem voortaan Jahweh Shammah zijn, dat betekent ‘de HEERE is aldaar’ (Ezechiël 48 vers 35b).
De ark spreekt van de tegenwoordigheid van de HEERE. De HEERE, de Aanwezige Zelf zal in Sion wonen, en daarom zal de ark niet meer nodig zijn. Want we lezen in Jeremia 3 vers 16 een rijke belofte:
En het zal gebeuren in die dagen, wanneer u zich vermeerdert en vruchtbaar wordt in het land, spreekt de HEERE, dan zal men niet meer zeggen: de ark van het verbond van de HEERE. Zij zal niet meer in het hart opkomen. Men zal er niet meer aan denken en niet meer naar haar omzien. Zij zal niet opnieuw gemaakt worden.
In die tijd zal men Jeruzalem de Troon van de HEERE noemen. Alle heidenvolken zullen er samenstromen, tot de Naam van de HEERE, tot Jeruzalem. Zij zullen niet meer hun verharde, boosaardige hart3:17 hun verharde … hart - Letterlijk: de verharding van hun … hart. achternagaan.
In die dagen zal het huis van Juda naar het huis van Israël gaan. Tezamen zullen zij komen uit het land in het noorden naar het land dat Ik uw vaderen in erfelijk bezit heb gegeven.
Als dat geen zegen is.
Psalm 132 -13-: Over Gods rustplaats gesproken
Over Gods rustplaats gesproken
In de voorgaande aflevering hebben we gezien dat onder andere de woorden van vers 8 tot en met 10 we niet alleen de woorden van David, de man naar Gods hart horen, maar door zijn woorden eveneens we de woorden van de meerdere David, de Geliefde, de Man naar Gods hart, met een hoofdletter horen.
En we vroegen ons af
En wat denk u. Zou dit gebed van de Messias door Vader worden verhoord? Laten we eens op zoek gaan naar de antwoorden op deze vraag.
Nu de woonplaats voor de ark is gevonden, zoals we in vers zes lezen: Zie, wij hebben van de ark gehoord in Efratha, hem gevonden in de velden van Jaär, wil David de ark erheen brengen en hem weer tot middelpunt van de dienst aan de HEERE maken. Dat doet hij biddend. Zijn gebed betreft drie verzoeken. Het eerste verzoek is in vers 8 en betreft de rustplaats voor de HEERE en Zijn ark. Dit wordt verhoord in vers 14, waar we lezen:
Dit is, zei Hij, Mijn rustplaats tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want naar haar heb Ik verlangd.
Het tweede verzoek is in vers 9 en betreft de priesters: 9Laat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid, laat Uw gunstelingen juichen.
Dit wordt verhoord in vers 16: Haar priesters zal Ik kleden met heil, haar gunstelingen zullen uitbundig juichen.
En het derde verzoek ten slotte is in vers 10 en betreft de Zoon van David. Wijs het gebed het gebed - Letterlijk: het gezicht. van Uw gezalfde niet af, omwille van David, Uw dienaar.
Dit wordt verhoord in de verzen 17-18: Daar zal Ik voor David een hoorn doen opkomen en voor Mijn gezalfde een lamp gereedmaken. Ik zal zijn vijanden met schaamte kleden, maar op hem zal zijn diadeem schitteren.
David maakt in vers 8 in zijn gebed gebruik van woorden die Mozes heeft gesproken in Numeri 10 vers 35: En het was bij het opbreken van de ark dat Mozes zei: Sta op, HEERE, laat Uw vijanden overal verspreid worden en hen die U haten, van Uw aangezicht vluchten!
Mozes heeft dat gedaan met het oog op het optrekken van de ark, want als de HEERE met hen gaat, worden alle hindernissen weggenomen en alle vijanden verslagen (vgl. Ps 68:2). De dichter van Psalm 132 vraagt hier aan de HEERE om op te staan en naar Zijn rustplaats te gaan.
De woorden van dit gebed worden ook door Salomo uitgesproken bij de inwijding van de tempel in 2 Kronieken 6 vers 41-42:
Welnu, HEERE God, (JHWH Elohim) sta op, trek naar Uw rustplaats, U en de ark van Uw macht. Laten Uw priesters, HEERE God, (JHWH Elohim) met heil bekleed worden, en laten Uw gunstelingen verblijd zijn over het goede. HEERE God, (JHWH Elohim) wijs het gebed (Letterlijk: het gezicht) van Uw gezalfde niet af. Denk aan Uw blijken van goedertierenheid aan David, Uw dienaar.
Wat mij altijd weer opvalt is dat het Woord van God een geheel is. In dit geval worden de woorden van Psalm 132 vers 8 eveneens uitgesproken door Mozes in Numeri, maar eveneens door Salomo. Dat kan door geen mensenhand gesmeed zijn, maar daar heeft Hij Zijn Hand in.
Welnu, laat het ook vandaag, in navolging van de eeuwenoude schrijvers, ook ons gebed vandaag zijn: Welnu, HEERE God, (JHWH Elohim) sta op, trek naar Uw rustplaats, U en de ark van Uw macht. Laten Uw priesters, HEERE God, (JHWH Elohim) met heil bekleed worden, en laten Uw gunstelingen verblijd zijn over het goede. HEERE God.
Want als dat geen zegen is.
Psalm 132 -14-: Over priesterlijke kleding gesproken -1-
Over priesterlijke kleding gesproken
We lazen in vers 9:
Laat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid, laat Uw gunstelingen juichen.
Laat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid. Bekleed zijn met gerechtigheid. Kleding maken de man was jaren geleden wel een gevleugelde uitspraak. En kleding zegt iets over ons. Het dragen van kleding zegt iets over ons, over onze identiteit. En merkkleding is vooral onder jeugd en modebewuste mensen vaak erg belangrijk.
Maar in de tekst van de psalm wordt gesproken over de mantel, de kleding van gerechtigheid. Het is boeiend om eens stil te staan het woord mantel in het Hebreeuws. Van daaruit kunnen we wellicht iets leren hoe bijzonder het is om de mantel der gerechtigheid te mogen dragen.
Er zijn drie woorden die vertaald (kunnen) worden met "mantel":
Addereth - dit komt van een woord dat glorie en eer betekent. Het is een glorierijk gewaad, prachtig en kostbaar. Israëlieten hadden vaak maar één zo'n kostbare mantel. Het is bijvoorbeeld de mantel van Elia, waarmee hij op het water sloeg, waardoor een doorgang ontstond. (Vergelijkbaar met wat Mozes eerder deed.) Deze mantel, en daarmee heel de waardigheid en identiteit van Elia, werd doorgegeven aan Elisa;
koot-to-neth - denk aan het Nederlandse woord 'tenue' = net pak. Dit was bijvoorbeeld de veelkleurige mantel van Jozef, waardoor hij te midden van de broers eer ontving van zijn vader. Veelkleurige mantels werden ook gedragen door dochters van de koning die nog maagd waren, als teken van eer en reinheid.
moil (of: meheel) - dit woord wordt gebruikt voor de priesterlijke bovenkleding, onder meer voor het dragen van de Efod. In Jesaja 61:10 wordt dit woord gebruikt. In dit hoofdstuk lezen we over het jubeljaar, de verlossing van Israel en dan horen we de woorden van de Verlosser:
Ik ben zeer vrolijk in de HEERE, mijn ziel verheugt zich in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen van het heil, de mantel van gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan, zoals een bruidegom zich bekleedt met priesterlijk hoofdsieraad, en een bruid zich tooit met haar sieraden.
Wat een feestelijke beschrijving, vind u ook niet? De mantel van gerechtigheid is dus een feestkleed.
Omhuld worden door een mantel waarbij elk Hebreeuws woord wijst op eer en glorie, is een daad van grote genade van God. Hebben Gods kinderen nu ook zo'n mantel gekregen?
Er wordt vaak verkondigd dat wij als kinderen van God nu een algemeen priesterschap hebben. Met andere woorden: alle gelovigen zijn nu priesters en priesteressen. Het onderscheid tussen priesters en het 'gewone volk' is weggevallen. Toch spreekt alleen Petrus over 'een koninklijk priesterschap' en uit de bestemming van zijn brieven blijkt dit (profetisch) te gaan over gelovigen uit Israël!
Paulus schrijft hier niet over! Hij schrijft echter wel: "U hebt zich met Christus bekleed" (Gal. 3:27) en: "... bekleed met het borstharnas van de gerechtigheid" (Efe. 6:14).
Maar Christus, de Messias, is natuurlijk de gerechtigheid Zelf.
Niemand anders dan Jezus Christus zelf is onze gerechtigheid geworden.
In zijn tweede brief aan de Korintiërs schrijft Paulus in hoofdstuk 5 vers 21: Want Hem Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem.
Door deze uitwisseling zijn wij in Christus ‘gerechtigheid van God’ geworden. Het is duidelijk dat het volkomen onlogisch zou zijn als God Zijn eigen gerechtigheid, die Hij aan de gelovige heeft toegekend, zou veroordelen of zelfs maar in twijfel zou trekken.
Meer dan priesters mogen wij nu zijn door genade. Wij zijn met Christus bekleed! En zijn daarom bekleed met alles wat van Christus is: Zijn gerechtigheid, Zijn Genade, Zijn Vrede, Zijn blijdschap, Zijn liefde, etc. Met deze kleding zijn wij geplaatst in een nieuwe identiteit, namelijk bekleed zijn met Christus
Wij worden niet meer gezien in onze oude staat van vernedering, schaamte en schande, schuld en oneer. Wij staan in een nieuwe positie van gerechtigheid, eer en verlossing!
Ons leven hoeft dus niet meer gekenmerkt te worden door gevoelens van schuld en schaamte.
Ons domme gedrag is vergeven, en we mogen grote blijdschap en met opgeheven hoofd van dankbaarheid weer verder gaan.
Dit is wat genade met ons doet! Genade is het antwoord op schaamte. Doordat we het borstharnas van de gerechtigheid dragen, kunnen we ook niet meer aangeklaagd worden wegens schuld. Met dit harnas kun je, net als met het schild, alle pijlen van de boze doven.
Daarom kunnen we ons uitstrekken naar wie wij in Christus geworden zijn. Zo te worden gezien door God geeft een gevoel van diepe blijdschap. Wij zouden de tekst uit Jesaja 61:10 nu zo op onszelf mogen toepassen:
'Ik ben zeer vrolijk in de HEERE, mijn ziel verheugt zich in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met Christus!'
Als dat geen zegen is.
Psalm 132 -15-: Over priesterlijke kleding gesproken -2-
Over priesterlijke kleding gesproken
De priesters die dienst doen bij de ark, moeten “bekleed worden met gerechtigheid” (vers 9). Maar wat betekende en betekent dat nu eigenlijk in de praktijk van alle dag. Misschien kunnen we dat terugvinden in de kleding van de zonen van Aaron, de priesters in het eerste testament.
De heilige kleding van de priesters, die regelmatig worden aangeduid als ‘de zonen van Aäron’, bestond volgens Exodus 28:40-43; 29:8-9 en 39:27-28 uit vier onderdelen:
1. Een onderkleed van fijn linnen.
2. Een linnen gordel.
3. Een sierlijke hoofddoek van fijn linnen.
4. Een linnen onderbroek.
Het fijne linnen spreekt van de rechtvaardige daden van de heiligen. We lezen in Openbaringen 19 vers 8: En het is haar gegeven zich met smetteloos en blinkend fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de gerechtigheden van de heiligen. En het is haar gegeven zich met smetteloos en blinkend fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de gerechtigheden van de heiligen.
Praktische gerechtigheid zou ons leven als gelovigen in Christus moeten stempelen. Recht doen en gerechtigheid oefenen.
De gordel is het symbool van de dienstbaarheid van de priesters. Zo mogen ook u en ik een dienende taak hebben, vooral en als eerste ten opzichte van de Heere God, en vandaaruit ten opzichte van de mensen om ons heen. Voorbeelden vinden we hiervan in Deuteronomium 10 vers 8 waar we lezen:
in die tijd zonderde de HEERE de stam Levi af om de ark van het verbond van de HEERE te dragen, om voor het aangezicht van de HEERE te staan, om Hem te dienen en om in Zijn Naam te zegenen, tot op deze dag.
En in Deuteronomium 33 vers 10 horen we de oude Mozes de twaalf stammen zegenen en spreekt hij de volgende woorden over de stam van Levi spreken:
Uw Tummim en Uw Urim zijn bij deze man, Uw gunsteling;
U stelde hem op de proef in Massa,
U riep hem ter verantwoording bij de wateren van Meriba.
Hij zei over zijn vader en moeder:
Ik zie hen niet.
Hij herkende zijn broers niet,
en zijn zonen kende hij niet.
Zij hielden namelijk Uw woord,
en namen Uw verbond in acht.
En dan vervolgt het dienende karakter van de Priesters ten opzichte van de mensen om hen heen:
Zij zullen Jakob Uw bepalingen leren
en Israël Uw wet,
zij zullen reukwerk voor Uw neus leggen,
en een offer dat geheel verteerd wordt op Uw altaar.
Ziet u, mogen ook u en ik een dienende taak hebben, vooral en als eerste ten opzichte van de Heere God, en vandaaruit ten opzichte van de mensen om ons heen.
De hoofdbedekking is typerend voor het Eerste Testament, toen de heerlijkheid van God veelal nog bedekt was (vgl. Jes. 6:2 en 2 Kor. 3:13-18). De sierlijke hoofddoek symboliseert de eerbied die wij verschuldigd zijn, maar ook onze waardigheid als priesters. Dit onderdeel van de priesterkleding was speciaal tot heerlijkheid en sieraad, evenals de kleding van de hogepriester zelf (Ex. 28:2, 40). In het Tweede Testament is er echter geen bedekking meer.
De linnen onderbroeken, waarover nogal wordt uitgeweid, dienden ertoe om de schaamdelen te bedekken en op die manier immoraliteit tegen te gaan en heidense cultuspraktijken te voorkomen (vgl. Ex. 20:26). Inderdaad, daar waar de schaamte, de zonde in het eerste testament werd bedekt is deze onder het nieuwe verbond weggenomen.
Dus is er nu geen verdoemenis voor hen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest. Want de wet van de Geest van het leven in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet van de zonde en van de dood.
Want wat voor de wet onmogelijk was, krachteloos als zij was door het vlees, dat heeft God gedaan: Hij heeft Zijn eigen Zoon gezonden in een gedaante gelijk aan het zondige vlees in een gedaante gelijk aan het zondige vlees en dat omwille van de zonde, en de zonde veroordeeld in het vlees, opdat de rechtvaardige eis van de wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.
Als dat geen zegen is.
Psalm 132 -16-: Over priesterlijke kleding gesproken -3-
Over priesterlijke kleding gesproken
We zeiden het in de voorgaande uitzending al: De kleding van gerechtigheid symboliseert de waardigheid en waarachtigheid van de priesters om in de tegenwoordigheid van de HEERE naar Zijn welgevallen Hem te dienen.
Het offer zal niet worden veracht, maar geëerd en met blijdschap en dankbaarheid door Gods “gunstelingen” worden gebracht. De “gunstelingen” zijn de chasidim, de getrouwen, zij die trouw zijn aan het verbond. Het woord chasidim is afgeleid van chesed, dat is goedertierenheid, genade, ofwel de trouw van God aan Zijn verbond.
De trouw van God aan het verbond en niet vergissen hoor. Niet de trouw van het volk aan het verbond, maar juist Gods trouw aan het verbond is de grond voor het verkregen heil.
“Bekleed worden met gerechtigheid” betekent ten diepste dat de priesters de kenmerken en de heerlijkheid van de HEERE weerspiegelen. Dat betreft niet alleen Zijn heiligheid, maar ook Zijn genade en barmhartigheid. Dat is de betekenis van de kleding van de priesters die in Exodus 28 wordt beschreven.
Ook de bruid van Christus, de Messias, het volk van God, wordt bekleed “met blinkend, rein, fijn linnen, want het fijne linnen zijn de gerechtigheden van de heiligen” (Op 19:8). Hier betekent “de gerechtigheden” de rechtvaardige daden die de bruid uit liefde voor de Bruidegom heeft gedaan.
Het eerste deel van dit lied uit Psalm 132 besluit met de vraag dat de HEERE het gebed van de vorige twee verzen niet zal afwijzen (vers 10).
Het is “het gebed van Uw gezalfde”. Het maakt voor God alles uit wie bidt. Zijn gezalfde is hier de gezalfde zoon van David; profetisch is het Christus, de Joodse Messias, de grote Zoon van David. Het is een gebed “omwille van David, Uw dienaar”. David is de man naar Gods hart, aan wie Hij de belofte van zijn grote Zoon heeft gedaan, Die eeuwig op Davids troon zal zitten. Een gebed met die verwijzingen – naar Zijn Zoon en naar Zijn beloften – kan God nooit afwijzen.
De Heere Jezus is op drie manieren de Gezalfde: 1. toen Hij op aarde was, 2. nu Hij in de hemel is en 3. binnenkort als Hij weer op aarde komt, dan om te regeren.
- Hij is met de Heilige Geest gezalfd aan het begin van Zijn openbare dienst in Israël (Mt 3:16).
- Hij is de Christus, dat betekent Gezalfde. Na Zijn kruisdood en Zijn opstanding is Hij opgevaren naar de hemel en heeft Zich gezet aan Gods rechterhand. Daar heeft God ”Hem zowel tot Heer als tot Christus” gemaakt (Hd 2:36).
- In Psalm 45 wordt Hij gezalfd bij het aanvaarden van Zijn koningschap, wanneer Hij gaat zitten op de Messiaanse troon, want we lezen in Psalm 45, het bruiloftslied: U hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid; daarom heeft Uw God U gezalfd, o God, met vreugdeolie, boven Uw metgezellen.
Over dat laatste gaat het hier in Psalm 132. We vinden hier de Zoon van David, gezalfd en daarmee verklaard als de Koning-Messias. Hij bidt hier als Zoon van David tot God op grond van wat de HEERE gezworen heeft aan David.
Weet u, misschien zijn het ook vanmorgen allemaal bekende waarheden die we met elkaar gezien hebben. Maar laten we ons realiseren hoe bijzonder en intiem het is wanneer we bij wijze van spreken aanwezig mogen zijn en kennis mogen nemen bij het gebed van de Zoon van God, de Schepper van hemel en aarde, gericht tot Vader. We krijgen daarmee een inkijkje in het hart van God. In Zijn ziel en Zijn verlangens. Hoe bijzonder is het wanneer we een inkijkje krijgen in het hart van bijvoorbeeld onze koning, Willem Alexander, wanneer we een inkijkje krijgen in zijn ziele leven. Maar hoe bijzonder is het dat we een inkijken krijgen in het hart van de grote Koning der Koningen. Tjsa, iets daarvan horen we doorklinken in zijn smeekbede: Wijs het gebed (letterlijk: het gezicht) van Uw gezalfde niet af,
omwille van David, Uw dienaar. En wat een zegen dat we daarvan niet in het ongewisse blijven, maar in het vervolg van de psalm op de hoogte worden gebracht van Gods antwoord op deze smeekbede.
Als dat geen zegen is.
Psalm 132 -17: Over Koningschap gesproken -1-
Over Koningschap gesproken -1-
In de verzen 11 tot en met 18, het laatste deel van deze Psalm geeft de HEERE antwoord op het gebed van de gezalfde, David, de Dienaar, maar in David, hebben we gezien dat het eveneens, en misschien moet ik juist wel zeggen, hebben we vooral gezien dat het een antwoord betreft op het gebed van de Gezalfde, Christus de Messias.
Want Jezus Zelf horen we in Johannes 5 getuigen: Onderzoekt de Schriften; want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen. En laten we ons realiseren dat met de Schriften het eerste testament wordt bedoeld en dan in het bijzonder de Thora omdat de mensen in die tijd niets anders hadden. Het Nieuw of Tweede testament was er nog helemaal niet. Dus in het Oude- of eerste testament in de Thora lezen we vooral over de Messias. En u en ik worden opgeroepen door Hemzelf om dat te onderzoeken. Onderzoekt de Schriften; want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen.
Met grote inspanning klimt de zoon de heuvel op. Hij draagt het hout voor het offer. Hij is op weg om zelf geofferd te worden. Zien we hier Izak op de helling van de berg Moria of zien we hier Jezus de heuvel Golgotha beklimmen? Er is een nauwe relatie tussen de geschiedenis van Izak en Jezus' leven en werk. En dat is geen toeval. In de Bijbel, Gods handschrift, door Hemzelf geschreven, laat de auteur zien hoe Jezus op elke bladzijde van het Oude Testament aanwezig is: in de schepping, in Gods wet, in de Psalmen, in de profeten, in de Spreuken en op veel meer plaatsen. De Heere Jezus zei het Zelf: 'Onderzoekt de Schriften, want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben, en die zijn het die van Mij getuigen.' Hoe bijzonder is dat.
Hij begint met een antwoord op de eed van David in vers 2. Het antwoord op de eed van David is een eed van de HEERE Zelf, gevolgd door een ontkenning ooit van deze eed af te wijken, waardoor de eed nog eens wordt versterkt: Hij “heeft David [in] waarheid gezworen” en “Hij zal daarvan niet afwijken” (vers 11).
We kunnen hiermee Hebreeën 6 vers 16-18 vergelijken waar we lezen:
Mensen zweren immers bij Iemand die hoger is dan zijzelf, en de eed, die hun tot bevestiging dient, is het eind van alle tegenspraak.
Omdat Hij aan de erfgenamen van de belofte overvloediger de onveranderlijkheid van Zijn raadsbesluit wilde bewijzen, heeft God die bekrachtigd met een eed, opdat wij door twee onveranderlijke dingen, waarin het onmogelijk is dat God zou liegen, een sterke troost zouden ontvangen, wij die bij Hem de toevlucht genomen hebben om de hoop die voor ons ligt, vast te houden.
En wat is de sterkte troost die Israel in eerste instantie en eveneens wij in Psal 132 ontvangen? Met andere woorden gezegd: Wat heeft Hij aan David gezworen, waaraan Hij niet ontrouw zal zijn? “[Eén] van de vrucht van uw schoot zal Ik op uw troon zetten”.
Dat was geen nieuwe belofte van de Heere God aan David, want we lezen daarvan als in 2 Samuel 7 vers 12 en 13:
Wanneer uw dagen voorbij zijn en u met uw vaderen ontslapen bent, zal Ik uw nakomeling na u, die uit uw lichaam voortkomt, doen opstaan en Ik zal zijn koningschap bevestigen. Die zal voor Mijn Naam een huis bouwen, en Ik zal de troon van zijn koningschap voor eeuwig bevestigen.
Zie u wel? De Schrift, de Bijbel, eeuwen tevoren geschreven door zoveel verschillende schrijvers bevestigen steeds opnieuw elkaar. Je zou haast kunnen zeggen dat er meer geloof voor nodig is dat de Schrift niet Gods Woord is dan dat er geloof voor nodig is om het wel te geloven. Het Woord zit zo geweldig in elkaar en we weten er nog maar een fractie van.
Maar wat we wel weten en geloven is dat deze eed, door de Heere God niet uitsluitend en exclusief aan David is gegeven met betrekking tot zijn nakomeling Salomo, want Petrus deinst er niet voor terug, sterker nog, hij citeert 2 Samuel en Psalm 132 vers 11 nota bene ten gehore van duizenden en duizenden mensen op de Pinksterdag. Luister maar:
Mannenbroeders, het is mij toegestaan over de aartsvader David vrijuit tegen u te zeggen dat hij én gestorven én begraven is, en dat zijn graf tot op deze dag bij ons is.
Aangezien hij een profeet was en wist dat God hem met een eed gezworen had dat Hij uit de vrucht van zijn lichaam, - Letterlijk: lendenen- voor zover het zijn vlees betrof, de Christus zou doen opstaan om Hem op zijn troon te zetten,
daarom voorzag hij dit en zei hij over de opstanding van Christus at Zijn ziel niet is verlaten in het graf en dat Zijn vlees geen ontbinding heeft gezien.
Deze Jezus heeft God doen opstaan, waarvan wij allen getuigen zijn.
Hij dan, Die door de rechterhand van God verhoogd is en de belofte van de Heilige Geest ontvangen heeft van de Vader, heeft dit Hand. 10:45uitgestort wat u nu ziet en hoort.
David is immers niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt: De Heere heeft gesproken tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand,
totdat Ik Uw vijanden neergelegd zal hebben als een voetbank voor Uw voeten.
Als dat geen zegen is.
Psalm 132 -18-: Over Koningschap gesproken -2-
Over Koningschap gesproken -2-
In de voorgaande uitzending zagen we dat de woorden uit vers 11 niet uitsluitend betrekking hebben op Salomo, maar indirect en misschien wel moeten we zeggen, juist op de Messias. Want we lazen daar:
De HEERE heeft David in waarheid gezworen,
en Hij zal daar niet van afwijken:
Eén van de vrucht van uw schoot
zal Ik op uw troon zetten.
En we lazen daarvan ook in Handelingen 2 dat Petrus deze woorden eveneens toepast op de Messias:
Mannenbroeders, het is mij toegestaan over de aartsvader David vrijuit tegen u te zeggen dat hij én gestorven én begraven is, en dat zijn graf tot op deze dag bij ons is.
Aangezien hij een profeet was en wist dat God hem met een eed gezworen had dat Hij uit de vrucht van zijn lichaam, - Letterlijk: lendenen- voor zover het zijn vlees betrof, de Christus zou doen opstaan om Hem op zijn troon te zetten,
daarom voorzag hij dit en zei hij over de opstanding van Christus at Zijn ziel niet is verlaten in het graf en dat Zijn vlees geen ontbinding heeft gezien.
Deze Jezus heeft God doen opstaan, waarvan wij allen getuigen zijn.
Hij dan, Die door de rechterhand van God verhoogd is en de belofte van de Heilige Geest ontvangen heeft van de Vader, heeft dit uitgestort wat u nu ziet en hoort.
David is immers niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt: De Heere heeft gesproken tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand,
totdat Ik Uw vijanden neergelegd zal hebben als een voetbank voor Uw voeten.
Laat dan heel het huis van Israël zeker weten dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk deze Jezus, Die u gekruisigd hebt.
Wat is in deze woorden, in dit Bijbelgedeelte sprake van een ongelooflijke en onuitsprekelijke tragedie. Het volk van Israel, alle Joden die daar tijdens het Pinksterfeest aanwezig zijn, nota bene op het oogstfeest te horen dat zij hun Koning zojuist aan het kruis genageld hebben. Is er in deze wereld sprake van een grotere tragedie. Hij die hun verlossing op het oog had, de verlossing van de Romeinen, de onderdrukkers van het volk, is omgebracht door Zijn eigen volk. We hoeven hier geen hele theologische verhandelingen over te houden. Dit heeft zo’n 2000 jaar geleden plaatsgevonden daar op Golgotha.
Is daarmee alles gezegd?
Heeft God Zijn volk verstoten? Ik ben immers ook een Israëliet (horen we Paulus zeggen), uit het nageslacht van Abraham, van de stam Benjamin.
2God heeft Zijn volk, dat Hij van tevoren kende, niet verstoten. Of weet u niet wat de Schrift zegt in de geschiedenis van Elia, hoe hij God aanspreekt over Israël en zeg
3Heere, Uw profeten hebben zij gedood en Uw altaren afgebroken, en ik ben alleen overgebleven. Ook staan zij mij naar het leven.
4Maar wat zegt het Goddelijk antwoord tegen hem? Ik heb voor Mijzelf nog zevenduizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baäl niet gebogen hebben.
5 Zo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel ontstaan, overeenkomstig de verkiezing van de genade.
6 Maar als het door genade is, is het niet meer uit de werken, anders is genade geen genade meer. En als het uit de werken is, is het geen genade meer, anders is het werk geen werk meer.
7Wat dan? Wat Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen, maar het uitverkoren deel heeft het verkregen en de anderen zijn verhard,
8zoals geschreven staat: Jes. 29:10God heeft hun een geest van diepe slaap gegeven, ogen om niet te zien en oren om niet te horen, tot op de dag van heden.( Jes. 6:9; Ezech. 12:2; Matt. 13:14; Mark. 4:12; Luk. 8:10; Joh. 12:40; Hand. 28:26)
9 En David zegt: (Ps. 69:23) Laat hun tafel voor hen worden tot een strik, tot een valkuil, tot een struikelblok en tot vergelding.
10 Laat hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien en maak hun rug voor altijd krom.
11 Ik zeg dan: Zijn zij soms gestruikeld met de bedoeling dat zij vallen zouden? Volstrekt niet! Door hun val echter is de zaligheid tot de heidenen gekomen om hen tot jaloersheid te verwekken.
12 Als dan hun val voor de wereld rijkdom betekent en hun verlies rijkdom voor de heidenen, hoeveel te meer hun volheid!
13Want tegen u, de heidenen, zeg ik: Voor zover ik de apostel van de heidenen ben, maak ik mijn bediening heerlijk,
14 om daardoor zo mogelijk mijn verwanten wat betreft het vlees tot jaloersheid te verwekken en enigen uit hen te behouden.
15 Want als hun verwerping verzoening voor de wereld betekent, wat betekent dan hun aanneming anders dan leven uit de doden?
16 En als de eerstelingen heilig zijn, dan het deeg ook, en als de wortel heilig is, dan de takken ook.
17 Als nu enige van die takken afgerukt zijn, en u, die een wilde olijfboom bent, in hun plaats (Letterlijk: in hen; of: tussen hen) bent geënt en mede deel hebt gekregen aan de wortel en de vettigheid van de olijfboom,
18 beroem u dan niet tegenover de takken. En als u zich beroemt: U draagt de wortel niet, maar de wortel u.
19 U zult dan zeggen: De takken zijn afgerukt, opdat ik zou worden geënt.
20 Dat is waar. Door ongeloof zijn zij afgerukt en u staat door het geloof. Heb geen hoge dunk van uzelf, maar vrees.
21 Want als God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, dan is het ook mogelijk dat Hij u niet spaart.
22 Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God: strengheid over hen die gevallen zijn, over u echter goedertierenheid, als u in de goedertierenheid blijft. Anders zult ook u afgehouwen worden.
23 En ook zij zullen, als zij niet in het ongeloof blijven, geënt worden, want God is machtig hen opnieuw te enten.
24 Want als u afgehouwen bent uit de olijfboom die van nature wild was, en tegen de natuur in op de tamme olijfboom geënt bent, hoeveel te meer zullen zij die natuurlijke takken zijn, geënt worden op hun eigen olijfboom.
25 Want ik wil niet, broeders, dat u geen weet hebt van dit geheimenis (opdat u niet wijs zou zijn in eigen oog), dat er voor een deel verharding over Israël is gekomen, totdat de volheid van de heidenen is binnengegaan.
26En zo zal heel Israël zalig worden, Ps. 14:7; Jes. 27:9; 59:20; Jer. 31:31,32,33,34; 2 Kor. 3:16; Hebr. 8:8; 10:16 zoals geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.
27 En dit is het verbond van Mij met hen, wanneer Ik hun zonden zal wegnemen.
28 Zij zijn weliswaar wat het Evangelie betreft vijanden vanwege u, maar wat de verkiezing betreft geliefden vanwege de vaderen.
29 Want de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk.
3 0Zoals ook u immers voorheen God ongehoorzaam was, maar nu ontferming verkregen hebt door hun ongehoorzaamheid,
31 zo zijn ook zij nu ongehoorzaam geworden, opdat ook zij door de ontferming die u bewezen is, ontferming zouden verkrijgen.
32 Want God heeft hen allen in hun ongehoorzaamheid opgesloten om Zich over allen te ontfermen.
33 O, diepte van rijkdom, zowel van wijsheid als van kennis van God, Ps. 36:7hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen!
34 Want wie heeft de gedachten van de Heere gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?
35 Of wie heeft Hem eerst iets gegeven en het zal hem vergolden worden?
36 Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid, tot in eeuwigheid. Amen.
Psalm 132 -19-: Over Koningschap gesproken -3-
Over Koningschap gesproken -3-
In de voorgaande uitzending stonden we stil bij de woorden uit Psalm 132 vers 11 waar we de woorden lazen:
De HEERE heeft David in waarheid gezworen,
en Hij zal daar niet van afwijken:
Eén van de vrucht van uw schoot
zal Ik op uw troon zetten.
We zagen ook dat Petrus deze woorden tijdens zijn prediking op de Pinksterdag aanhaalt en de vervulling ervan toepast op de Heer Jezus. We lazen daarover in Handelingen 2 vers 40 en 31.
Maar we zagen ook dat de HEERE daar wel voorwaarden aan verbindt. We zagen dat aan de hand van de brief van Paulus aan de Romeinen, maar we lezen daarover ook in het volgende vers van Psalm 132 waar we lezen:
Als uw zonen Mijn verbond in acht zullen nemen
en Mijn getuigenissen, die Ik hun leren zal,
zullen ook hun zonen tot in eeuwigheid
op uw troon zitten.
Zijn verbond en Zijn getuigenissen in achtnemen die Hij hun leren zal. Dat waren en zijn de voorwaarden die de HEERE stelt aan de zonen van David om op de troon te zitten. Ze moeten luisteren naar het onderwijs van God. Hij zal hun leren Zijn verbond en Zijn getuigenissen in acht te nemen. Als ze dat doen, zullen zij op zijn troon zitten.
En we weten allemaal hoe het gegaan is met de zonen van David. Met Salomo en zijn broers. Dat hebben ze echter niet gedaan. En ik heb er geen enkele behoefte aan om daar verder over uit te wijden. Daarom, wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.
Daardoor is het huis van David vervallen. God zal dat huis weer oprichten omdat er één Zoon van David is, Die wel Zijn verbond en Zijn getuigenissen in acht heeft genomen. Maar voor het zover is moeten we denk ik eerst stil staan bij de woorden van de vervallen hut van David. En ik wil u vragen in de komende paar minuten steeds de huidige situatie in Israel daarbij in gedachten te nemen, omdat we ook hierion een patroon dzien in de tijd waarin wij leven.
In Amos 9:11 spreekt de profeet Amos over het herstel van de vervallen hut van David. Wat wil Amos met deze woorden zeggen? Wat is de vervallen hut van David en waarom wordt dit geciteerd in Handelingen 15?
De schrijver van dit Bijbelboek heet Amos, wat ‘beladene’of ‘last’ betekent. Hij leefde in de periode dat Jerobeam II in Israël en Uzzia in Juda regeerde. Amos predikte in het noordelijk koninkrijk, namelijk in Bethel waar het gouden kalf stond. Het was een tijd van welvaart en voorspoed. We weten niet zeker hoelang het optreden van deze profeet duurde. Voor Israël was het een rustige periode met weinig druk van de omliggende grootmachten. De welvaart nam, vooral onder de stedelingen, toe. Hier tegenover stond echter dat de armen steeds armer werden. Vooral in Samaria had zich een rijke, verkwistende klasse ontwikkeld. Tegen hen preekte Amos over misbruik van rijkdom, macht en privileges ten koste van de armen.
De boodschap van Amos was om het zomaar eens te zeggen niet mals en zijn harde kritiek richt zich op een aantal concrete zonden:
- Men onderdrukt de armen en behandelt hen als koopwaar (2:6v; 4:1; 5:11v; 8:6);
- De rechtspraak deugt niet (5:10; 6:12);
- Men knoeit met maten en gewichten (8:5);
- Leegheid van het leven van de rijken die in luxe leven (4:1; 6:4).
Deze zonden hadden toen, maar ook nu in de tijd waarin wij leven ook een religieus karakter, want de eer van God staat hiermee op het spel. Wie de naam van zijn naaste schendt, schendt de naam van God. Zo is de dienst aan God ook huichelachtig. God zal daarom Zijn volk straffen (3:2).
En zijn het niet juist die aspecten die ook in de tijd waarin wij leven actueel zijn? Binnen Israëls grenzen, maar eveneens in de wereld waarin wij leven? Het verschil tussen de armen en de rijken neemt in Israel, maar eveneens daarbuiten hand over hand toe. Er zijn talloze organisaties die zich inzetten voor het toenemend aantal armen in Israel, zij die afhankelijk zijn van voedselbanken en hulpprogramma’s om bijvoorbeeld gekleed te worden. En tegelijkertijd zien we dat er sprake is van een buitensporige rijkdom in Israel, waarin kosten noch moeiten bijvoorbeeld worden getroost om naar de maan te vliegen. Maar laten we ons hier niet over verheffen want in ons eigen land zien we precies dezelfde processen plaatsvinden
- Men onderdrukt de armen en behandelt hen als koopwaar (2:6v; 4:1; 5:11v; 8:6);
- De rechtspraak deugt niet (5:10; 6:12);
- Men knoeit met maten en gewichten (8:5);
- Leegheid van het leven van de rijken die in luxe leven (4:1; 6:4).
Maar is daarmee over Israel en de volkeren? Natuurlijk want naast de oordeelsaankondigingen gloort er ook hoop in het slot van profetische woorden van Amos. Hoop voor de toekomst. Want Gods Woord is vooral Evangelie. De Goede en de Blijde Boodschap. Er gloort hoop voor Israel en deze wereld. En ja, de oordelen zullen komen, maar God zal ook herstel geven. Want God zal Zijn volk ook weer terugbrengen.
Luister maar naar Gods beloften, gesproken door Zijn profeet Amos in hoofdstuk 9:
11 Op die dag zal Ik oprichten
de vervallen hut van David.
Zijn scheuren zal Ik dichtmaken,
en wat aan hem is afgebroken, zal Ik oprichten,
Ik zal hem opbouwen als in de dagen van oude tijden af;
12 zodat zij de rest van Edom in bezit zullen nemen, en alle heidenvolken
waarover Mijn Naam is uitgeroepen,
spreekt de HEERE, Die dit doet.
13 Zie, er komen dagen,
spreekt de HEERE,
dat de ploeger de maaier zal ontmoeten
en de druiventreder de zaaier,
en dat de bergen zullen druipen van jonge wijn
en al de heuvels doordrenkt zullen worden.
14 Ik zal een omkeer brengen in de gevangenschap van Mijn volk Israël.
Zij zullen de verwoeste steden herbouwen en bewonen,
zij zullen wijngaarden planten en de wijn ervan drinken,
zij zullen tuinen aanleggen en de vrucht ervan eten.
15 Ik zal hen in hun land planten,
en zij zullen nooit meer weggerukt worden uit hun land,
dat Ik aan hen gegeven heb, zegt de HEERE, uw God.
Als dat geen zegen is.
Psalm 132 -20-: Over Koningschap gesproken -4-
Over Koningschap gesproken -4-
Dachten we in de voorgaande uitzending na over de vervallen hut van David, we willen nu vooral kijken naar het herstel
Want in hoofdstuk 9 vers 11 lezen we de woorden van de profeet Amos:
Op die dag zal Ik oprichten
de vervallen hut van David.
Zijn scheuren zal Ik dichtmaken,
en wat aan hem is afgebroken, zal Ik oprichten,
Ik zal hem opbouwen als in de dagen van oude tijden af;
Met deze woorden wordt het herstel van Israël voorzegd, zoals het eerst was in al zijn glorie (“als in de dagen van ouds” 9:11).
Het huis van David is verdeeld en vervallen. Commentatoren zeggen dat het hier gaat om het herstel van het twee stammenrijk en het tien stammenrijk. In de context van het boek Amos is dit een aannemelijke verklaring, de scheuring tussen beide rijken neemt er namelijk een belangrijke plaats in.
In de vertaling van 1951 wordt ook letterlijk het “herstel van scheuren” genoemd (9:11). Het gaat hier om het huis van David, het Davidische koningschap dat weer als één rijk zal worden hersteld. Maar wanneer zal dit vervuld worden? Er zitten meerdere lagen in de vervulling van deze profetie.
In Handelingen 15 citeert Jacobus dit vers tijdens het apostelconvent (Hand. 15:16-17). Gezien het belang van dit hoofdstuk in de heilsgeschiedenis lezen we een gedeelte uit dit belangrijke hoofdstuk 15 uit de Handelingen:
En enigen die uit Judea gekomen waren, leerden de broeders: (Gal. 5:2) Als u niet besneden wordt volgens het gebruik van Mozes, kunt u niet zalig worden.
2 Toen er dan van de kant van Paulus en Barnabas een niet geringe tegenstand en woordenstrijd tegen hen ontstond, bepaalden zij dat Paulus en Barnabas en enkele anderen uit hen in verband met dit geschilpunt naar de apostelen en ouderlingen in Jeruzalem zouden gaan.
3 Nadat zij dan door de gemeente uitgeleide gedaan waren, reisden zij door Fenicië en Samaria en vertelden over de bekering van de heidenen, en zij bezorgden al de broeders grote blijdschap.
4 Toen zij in Jeruzalem gekomen waren, werden zij ontvangen door de gemeente en de apostelen en de ouderlingen; en zij deden verslag van alles wat God door hen gedaan had.
5 Maar, zeiden zij, er zijn er enigen opgestaan onder de aanhangers van de sekte van de Farizeeën die gelovig zijn geworden, die zeggen dat men hen moet besnijden en moet gebieden de wet van Mozes in acht te nemen.
6 En de apostelen en de ouderlingen kwamen bijeen om deze zaak te bezien.
7 En toen daarover een heftige woordenstrijd ontstond, stond Petrus op en zei tegen hen: Mannenbroeders, u weet dat God lang geleden -Letterlijk: van oude dagen- onder ons mij uitgekozen heeft, zodat de heidenen uit mijn mond het woord van het Evangelie zouden horen, en zouden geloven.
8 En God, de Kenner van de harten, heeft getuigenis aan hen gegeven door hun de Heilige Geest te geven, evenals aan ons;
9 en Hij heeft geen onderscheid gemaakt tussen ons en hen, en heeft hun hart door het geloof gereinigd.
10 Welnu dan, waarom verzoekt u God door een juk op de hals van de discipelen te leggen dat onze vaderen en ook wij niet hebben kunnen dragen?
11 Maar wij geloven door de genade van de Heere Jezus Christus op dezelfde wijze zalig te worden als ook zij.
12 En heel de menigte zweeg, en zij hoorden Barnabas en Paulus vertellen wat voor grote tekenen en wonderen God door hen onder de heidenen gedaan had.
13 En toen zij zwegen, antwoordde Jakobus: Mannenbroeders, luister naar mij.
14 Simeon heeft verteld hoe God voorheen naar de heidenen omgezien heeft om voor Zijn Naam uit hen een volk aan te nemen.
15 En hiermee stemmen de woorden van de profeten overeen, zoals geschreven staat:
16 (Amos 9:11,12) Hierna zal Ik terugkeren en de vervallen hut van David weer opbouwen, en wat daarvan is afgebroken, weer opbouwen en Ik zal hem weer oprichten,
17opdat de mensen die overgebleven zijn, de Heere zouden zoeken, en alle heidenen over wie Mijn Naam uitgeroepen is, spreekt de Heere, Die dit alles doet.
18 Aan God zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend.
19 Daarom ben ik van oordeel dat men het hun die zich uit de heidenen tot God bekeren, niet lastig moet maken,
20 maar aan hen moet schrijven dat zij zich dienen te onthouden van de dingen die door de afgoden besmet zijn, van ontucht, van het verstikte en van bloed.
Hierin zien we dus dat Petrus een toespraak houd naar aanleiding van het feit dat het evangelie ook naar de heidenen is gegaan en zij de Heilige Geest ontvangen hadden. En dat nota bene zonder besnijdenis en het onderhouden van de wet van Mozes! Hoe kan dat? Petrus had het wel erg ‘bont’ gemaakt door zelfs te beweren dat Joden op dezelfde wijze behouden moesten worden als de heidenen (vers 11).
Maar dan volgt de verklaring van Jacobus “hoe God van meet aan erop bedacht geweest is een volk voor zijn naam uit de heidenen te vergaderen” (vers 14). Vervolgens koppelt Jacobus dit aan de profetie van Amos. Hij legt hier zijn hand op deze belofte. Hij ziet in Christus de vervulling van het herstel van het Davidisch koningschap, maar daaraan voorafgaand het ontstaan van een gemeente van gelovigen. Het heil is niet alleen voor Israël, maar voor de gehele mensheid (vers 17). Let hier op een verschil in woordkeus: Jacobus zegt niet zoals Amos “Te dien dage”, maar zegt “Na deze”. Er is hier dus sprake van een volgorde:
- God vergadert Zich eerst een volk uit de heidenen (vers 14);
2. daarna komt Hij terug om de vervallen hut van David weder op te bouwen (vers 16);
3. met als gevolg dat het overige deel der mensen de Heere zoeken (vers 17).
Het “te dien dage” geeft een zicht op het laatst van de dagen. Amos kijkt hier ver de toekomst in naar het einde der tijden. In die dagen zullen al deze beloften volledig werkelijkheid worden. Dan zal de volheid der heiden aanbreken (Rom. 11:25) en Christus' koninkrijk gevestigd worden.
Christus zal dan als koning regeren, als de ware Zoon van David. Nu is het heil naar de heidenen gegaan. Niet omdat God Zijn volk verstoten heeft, maar met het doel dat eens “gans Israël zalig zal worden”.
Als dat geen zegen is.
Psalm 132 -21-: Over Koningschap gesproken -5--
Over Koningschap gesproken -5--
In de voorgaande uitzending hebben we met elkaar nagedacht over het herstel van de vervallen hut van David aan de hand van de woorden van Amos, de profeet.
De aanleiding daarvan waren en zijn de woorden van vers 12 van deze 132e Psalm waar we lezen:
Als uw zonen Mijn verbond in acht zullen nemen
en Mijn getuigenissen, die Ik hun leren zal,
zullen ook hun zonen tot in eeuwigheid
op uw troon zitten.
En inderdaad, Salomo, wiens naam de vreedzame betekend, heeft inderdaad op e troon van David gezeten. En er was vrede in Israel en in de volkeren om hen heen. Maar in Salomo zien de we werkelijk Vreedzame met een hoofdletter, die eveneens Vrede zal brengen, en dan niet alleen in Israel, maar in het patroon, vrede over deze aarde.
Want die Zoon heeft niet alleen Zijn verbond en Zijn getuigenissen in acht genomen, maar Hij vernieuwt het verbond door als Middelaar de vloek van het oude- of eerste verbond weg te nemen. Daarvoor heeft Hij het bloed van het nieuwe- of tweede verbond vergoten en op grond daarvan de zegen van het nieuwe verbond zeker gesteld. Een van de zegeningen daarvan is het herstel van het huis van David.
Vrede over Israel. En we moeten eerlijk zijn. Dat is in de dagen waarin wij leven ver te zoeken. Bijna dagelijks horen en lezen we over bloederige aanslagen in nota bene Zijn land. En horen en lezen we over de dreiging van met name Iran met atoomwapens. Vanaf de stichting van de staat Israel, nu bijna 75 jaar geleden moet Israel, moet Israel zich verdedigen tegen de bloeddorstigen.
Maar om de woorden van Paulus, gesproken in een andere context aan te halen: God heeft Zijn volk niet verstoten, hetwelk Hij tevoren gekend heeft.
We lezen namelijk in Ezechiël 37 in een paar verzen hoe de HEERE de vervallen hut van David Zelf zal herstellen. Luister maar. We lezen vanaf vers 15, en ik zou u willen uitnodigen om extra alert te zijn op de belofte die de HEERE doet, wat Hij zal doen, en ik zal dat steeds met klemtoon lezen in de woorden Ik zal en wat de houding van het volk Israel die wordt beschreven met de woorden zij zullen.
15 Het woord van de HEERE kwam tot mij:
16 En u, mensenkind, neem een stuk hout voor uzelf en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de Israëlieten, zijn metgezellen. Neem dan een ander stuk hout en schrijf daarop: Voor Jozef, het stuk hout van Efraïm, en van heel het huis van Israël, zijn metgezellen.
17 Breng ze dan bij elkaar, het ene bij het andere, tot één stuk hout, zodat ze in uw hand één worden.
18 Als dan uw volksgenoten tegen u zeggen: Wilt u ons niet vertellen wat deze dingen voor u betekenen?
19 Spreek dan tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal het stuk hout van Jozef nemen, dat zich in de hand van Efraïm bevindt, en van de stammen van Israël, zijn metgezellen, en Ik zal het bij het stuk hout van Juda voegen, en Ik zal ze tot één stuk hout maken. Ze zullen in Mijn hand één worden.
20 Die stukken hout, die u beschreven hebt, moeten voor hun ogen in uw hand zijn.
21 En spreek tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga de Israëlieten nemen uit de heidenvolken waarheen zij gegaan zijn. Ik zal hen van rondom bijeenbrengen en hen naar hun land brengen.
22 Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen van Israël. Zij zullen allen één Koning als koning hebben. Zij zullen niet langer als twee volken zijn, en niet langer nog in twee koninkrijken verdeeld zijn.
23 Dan zullen zij zich niet meer verontreinigen met hun stinkgoden en met hun afschuwelijke afgoden en met al hun overtredingen. Ik zal hen verlossen in al hun woongebieden, waar zij gezondigd hebben, en Ik zal hen reinigen. Dan zullen zij een volk voor Mij zijn en Ík zal een God voor hen zijn.
24 Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn. Voor hen allen zal er één Herder zijn. Zij zullen in Mijn bepalingen wandelen en Mijn verordeningen in acht nemen en die houden.
25 Zij zullen wonen in het land dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob, gegeven heb, waarin uw vaderen gewoond hebben. Zij zullen daarin wonen, zij met hun kinderen en hun kleinkinderen, tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal tot in eeuwigheid hun Vorst zijn.
26 Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten. Het zal een eeuwig verbond met hen zijn, Ik zal hun een plaats geven en hen talrijk maken, en Ik zal Mijn heiligdom in hun midden zetten tot in eeuwigheid.
27 Mijn tabernakel zal bij hen zijn, Ik zal een God voor hen zijn en zíj zullen een volk voor Mij zijn.
28 Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, Die Israël heiligt, wanneer Mijn heiligdom voor eeuwig in hun midden zal zijn.
En als dat geen zegen is.
Psalm 132 -22-: Over de residentie gesproken -1-
Over de residentie gesproken -1-
In de voorgaande uitzending hebben we met elkaar stilgestaan bij de eenwording van het twee stammenrijk, Juda en Benjamin en het tien stammenrijk dat de HEERE zal vergaderen uit alle volkeren en in Zijn land zal brengen dat Hij aan Jacob heeft beloofd.
En daar waar David in Psalm 132 bad om de ark in Sion te plaatsen in de woorden:
6 Zie, wij hebben van de ark gehoord in Efratha,
hem gevonden in de velden van Jaär.
7 Laten wij Zijn woning binnengaan,
ons neerbuigen voor de voetbank van Zijn voeten.
8 Sta op, HEERE, ga naar Uw rustplaats,
U en de ark van Uw macht.
Daarin zagen we in Ezechiel 37 de vervulling, want God vervuld Zijn belofte, altijd:
26 Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten. Het zal een eeuwig verbond met hen zijn, Ik zal hun een plaats geven en hen talrijk maken, en Ik zal Mijn heiligdom in hun midden zetten tot in eeuwigheid.
27 Mijn tabernakel zal bij hen zijn, Ik zal een God voor hen zijn en zíj zullen een volk voor Mij zijn.
Onlosmakelijk verbonden aan de belofte van het eeuwig koningschap van David is de verkiezing van Sion door de HEERE (vers 13).
In de geschiedkundige vertelling in 2 Samuël 6-7 vinden we alleen het gezichtspunt van David. Hier in het gebed van Psalm 132 vinden we ook het gezichtspunt van de HEERE. De HEERE deed het omdat Hij Sion heeft verkozen en omdat Hij een woning begeerde. Sion is de plaats die de HEERE heeft uitgekozen “om Zijn Naam daar te vestigen”. We lezen van Zijn voornemen om Zich dar te vestigen nota bene al in de Thora, in Deuteronomium 12 vers 5: Maar naar de plaats die de HEERE, uw God, uit al uw stammen zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen, naar Zijn woning moet u vragen en daarheen komen.
Kijk, en nu kan de hele wereld wel denken dat het anders moet. Dat Moslims en wat voor geloven al recht hebben op Sion, maar de HEERE belacht hen lezen we in Psalm 37 vers 13: De Heere belacht hem, want Hij ziet dat zijn dag komt.
De plaats waar David naar zoekt en die hij heeft gevonden, zoals we kunnen lezen in Psalm 132, is allang, al eeuwen daarvoor door Adonai uitgekozen. Die plaats heeft Hij “begeerd tot Zijn woongebied”. Er is bij God niet alleen verkiezing van die plaats, maar ook een verlangen daar te wonen. Hoort u ook het verlangen van de HEERE om in Sion te wonen doorklinken in de woorden? Onbegrijpelijk toch? Dat de God van hemel en aarde, de Goed van de schepping, De God die het onmetelijke heelal geschapen heeft, juist die plek tot Zijn woonplaats gekozen heeft. Hier op deze aarde. Daar in Israel. En juist daar, waar Hij Zijn woonplaats hier op aarde wil vestigen maken alle volkeren, inclusief de Verenigde Naties, het tot een plek waar juist Hij niet mag wonen. Daar kan maar een iemand achter zitten, de grote tegenstander van het begin. De Verenigde Naties beoordeelde de uitroeping van de staat Israel in 1947 nota bene onlangs een grote catastrofe.
Maar laten zij weten dat de woonplaats van de Koning is ook de woonplaats van God. De tempel en het koningschap horen bij elkaar.
Na de terugkeer van de Heer Jezus op aarde, zal Jeruzalem praktisch zijn de stad van de Grote Koning. God heeft Zijn Zoon tot koning gezalfd over Sion.
Psalm 48 is daar een loflied op:
1Een lied, een psalm, van de zonen van Korach.
2De HEERE is groot en zeer te prijzen,
in de stad van onze God, op Zijn heilige berg.
3Mooi van ligging,
een vreugde voor heel de aarde,
is de berg Sion aan de noordzijde,
de stad van de grote Koning!
4God is in haar paleizen;
Hij is er bekend als een veilige vesting.
5Want zie, koningen hadden zich verzameld,
zij waren samen opgetrokken.
6Zodra zij de stad zagen, waren zij verbijsterd,
zij werden door schrik overmand, zij haastten zich weg.
7Huiver greep hen daar aan,
smart als van een barende vrouw.
8Met een oostenwind breekt U
de schepen van Tarsis stuk.
9Zoals wij het gehoord hadden,
zo hebben wij het gezien
in de stad van de HEERE van de legermachten,
in de stad van onze God:
God zal haar stand doen houden tot in eeuwigheid. Sela
10O God, wij gedenken Uw goedertierenheid
in het midden van Uw tempel.
11Zoals Uw Naam is, o God,
zo is Uw roem,
tot aan de einden der aarde;
Uw rechterhand is vol gerechtigheid.
12Laat de berg Sion zich verblijden;
laat de dochters van Juda zich verheugen omwille van Uw oordelen.
13Ga rondom Sion en loop eromheen,
tel haar torens,
14richt uw hart op haar vestingwal,
kijk nauwkeurig naar haar paleizen
om het aan de volgende generatie te vertellen.
15Want deze God is onze God,
eeuwig en altijd;
Híj zal ons leiden tot de dood toe.
Als dat geen zegen is.
Psalm 132 -23-: Over de residentie gesproken -2-
Over de residentie gesproken
In de voorgaande uitzending dachten we met elkaar na over de woorden:
Want de HEERE heeft Sion verkozen,
Hij heeft het begeerd tot Zijn woongebied.
Dit is, zei Hij, Mijn rustplaats tot in eeuwigheid,
hier zal Ik wonen, want naar haar heb Ik verlangd.
We lazen dat de HEERE Sion verkozen heeft tot Zijn rustplaats tot in eeuwigheid. Gods rustplaats
Tsja, eerder al zagen we dat de ark in Shiloh heeft gestaan. Maar het was niet de woonplaats waar de HEERE wilde verblijven en Hij verliet Shiloh. De reden daarvan lezen we in Psalm 78 vers 60:
Maar zij stelden God, de Allerhoogste, op de proef en tergden Hem
en namen Zijn getuigenissen niet in acht.
Zij werden afkerig en handelden trouweloos, zoals hun vaders,
zij keerden zich om als een bedrieglijke boog.
Zij verwekten Hem tot toorn door hun offerhoogten,
verwekten Hem tot na-ijver door hun afgodsbeelden.
God hoorde het en werd verbolgen,
Hij verachtte Israël zeer.
Daarom verliet Hij de tabernakel te Silo,
de tent waarin Hij woonde onder de mensen.
Vervolgens stond de ark een tijdlang in Bethel (Richteren 20:27) en Mizpa (Richteren 21: 5), en iets meer dan twintig jaar stond hij het huis van Abinadab in Kirjath-Jearim (1 Samuël 7:2). Daarna drie maanden bij het huis van Obed-Edom in Perez-Uzzah (2 Samuël 6:11) - maar Sion is blijvende woonplaats, Zijn eigen juiste nederzetting. In 1 Kronieken 28:2 lezen we namelijk: Toen stond koning David op en zei: Luister naar mij, mijn broeders, en mijn volk! Het leefde in mijn hart28:2 Het leefde in mijn hart om een huis van rust voor de ark van het verbond van de HEERE te bouwen, en voor de voetbank van de voeten van onze God. Ik heb alles voorbereid voor de bouw.
In Sion, Zijn uitverkoren en geliefde woonplaats, zegent de HEERE
De betekenis van de naam ‘Sion’ is volgens sommigen: ‘verdroogd land’ of ‘zonnige plaats’; anderen menen, dat het ‘vesting’ of ‘burcht’ betekent. ‘Sion’ is de aanduiding van het zuidelijke, hoger gelegen deel van de heuvel, waarop Jeruzalem is gebouwd. Het gaat om het deel van de Oude Stad, waar ook de berg Moria is. (vgl. 2 Kron. 3:1 en 5:2). Dit is de historische betekenis van de naam.
Toch blijkt uit veel Bijbelteksten, dat de naam ‘Sion’ ook staat voor het gehele gebied waarop de stad Jeruzalem is gebouwd. Profetisch gezien is Sion de aanduiding van de plaats waar de HEERE Zijn heilige Naam zal vestigen; waar Hij Zijn koningschap en al Zijn heerlijkheid zal openbaren. Het is de aanduiding van de heilige stad Jeruzalem, gebouwd op het juiste fundament, de stad van de vrede, waar de Vredevorst zal regeren.
Zo zal Jeruzalem zijn "de stad van de grote Koning", dat is de Messias!
In Psalm 2:6 zegt God: "Ik heb immers mijn Koning gesteld over Sion, mijn heilige berg." Die Koning is de Zoon, de Erfgenaam van alle dingen, in Wie en door Wie God Zich openbaart. Het Evangelie zegt daarom in vers 12 van de tweede Psalm: "welzalig allen, die bij Hem schuilen." Hij is de Schuilplaats; bij Hem is het veilig, want "God doet in haar paleizen Zich kennen als een burcht." (Ps. 48:4)
Het woord ‘burcht’ wijst opnieuw op de tempel! Want in 1 Kronieken 29:1 noemt David de tempel, die Salomo zou gaan bouwen een burcht. Later in het boek van de profeet Jeremia komen wij diezelfde burcht weer tegen: "...de stad zal op haar puinheuvel herbouwd worden en de burcht op zijn rechte plaats tronen." (Jer. 30:18)
Die "rechte plaats" is de berg Sion!
Waarom wordt het woord ‘burcht’ gebruikt? Het antwoord is niet zo moeilijk te bedenken: als de HERE in Sion woont betekent dat: veiligheid, bescherming, etc.
In vers 5 en volgend van Psalm 48 lezen wij over de vijanden, die zullen samenspannen tegen Jeruzalem; de HEERE zal toelaten, dat de stad ingenomen wordt, zoals Zacharia 14 duidelijk leert. Maar dan zal de HEERE uittrekken om tegen die volkeren te strijden (Zach. 14: 4): Jeruzalem zal worden bevrijd.
Het gelovig overblijfsel zal vanuit de bevrijde stad Jeruzalem zien hoe de HEERE afrekent met de vijanden.
Sion zal de zetel zijn van Gods regering in het Messiaanse Rijk. Jeruzalem zal dan zijn de "tempel-stad" van God. Eens wilde de mens(heid) zich een eigen tempel-stad bouwen: Babel.
Wij lezen in Genesis 11: "Laten wij ons een stad bouwen en een toren en laten wij ons een naam maken..." Dát was niet in overeenstemming met Gods plan en het gevolg moest dan ook zijn: het oordeel.
Ook het streven van de mens vandaag om een eigen ‘stad... toren... naam’ te maken, is gedoemd te mislukken!
Sterker nog: de Heere zal dat streven oordelen, want er is maar één stad, één tempel en één Naam!
Als dat geen zegen is
Psalm 132 -24-: Over zegen gesproken
Over zegen gesproken
Als gevolg van het innemen door God van Zijn plaats te midden van Zijn volk, zal er een overvloed aan voedsel zijn, zodat de armen met brood verzadigd worden zo lezen we in vers 15.
Waar Hij woont, daar zegent Hij rijkelijk hen die bij Hem komen. Het Hebreeuws voor “armen”, ebyon, betekent ‘behoeftig’. Zij hebben vooral behoefte aan bescherming en verzorging door de HEERE.
En weet u, we hebben het al zo vaak over patronen in het Woord van God gehad. En iook hier vinden we opnieuw een patroon in het Woord van God. We zeiden zojuist dat, waar de Hij woont, daar zegent Hij rijkelijk. En zij hebben vooral behoefte aan bescherming en verzorging door de HEERE.
En dat patroon vinden we terug in de geschiedenis met Jozef en zijn vader en broers in Egypteland. We lezen namelijk in Genesis 47:
Toen zei Jozef tegen het volk: Zie, ik heb heden u en uw grond voor de farao gekocht. Zie, hier is zaad voor u, zodat u de grond kunt bezaaien.
Maar met de opbrengsten zal het zo zijn, dat u het vijfde deel aan de farao zult geven, en dat de vier andere delen voor u zullen dienen tot zaad voor de akker, tot voedsel voor u en voor hen die in uw huizen zijn, en tot voedsel voor uw kleine kinderen.
Zij zeiden toen: U hebt ons in leven gehouden. Laat ons genade vinden in de ogen van mijn heer, en wij zullen slaven van de farao zijn.
En Jozef maakte dit tot een verordening ten aanzien van de grond in Egypte, tot op deze dag, dat de farao een vijfde deel van de opbrengst kreeg; behalve dat alleen de grond van de priesters niet aan de farao toebehoorde.
Zo woonde Israël in het land Egypte, in de landstreek Gosen. Daar verwierven zij bezit. Zij waren vruchtbaar en werden zeer talrijk.
Zie u, waar Jozef woont, daar zegent Hij rijkelijk
En het tweede patroon vinden we in Exodus, wanneer het gehele volk, bestaande uit honderdduizenden mensen door de dorre woestijn 40 jaren dwaalt, maar wanneer Hij er bij is en woont in de tabernakel, dan horen we de HEERE zeggen: Exodus 23:25 U moet de HEERE, uw God, dienen. Dan zal Hij uw brood en uw water zegenen. Ik zal ziekte uit uw midden doen wijken.
En nu hier in Psalm 132, een voluit Messiaanse Psalm mogen we in de toekomst zien wat Hij gaat doen en horen we Hem zeggen: Haar voedsel zal Ik rijk zegenen,
haar armen met brood verzadigen
Maar de mens zal niet alleen bij brood leven horen we Hem zeggen. Want meer nog dan brood voor het lichaam geeft Hij brood voor de ziel. De armen zijn in dit verband niet zozeer de armen in materieel opzicht, maar de armen van geest (Mt 5:3). Zij zijn niet vol van zichzelf, maar leeg, ze hebben geen hoge pretenties. Daardoor kunnen zij innerlijk met vrede verzadigd worden.
Nadat Hij de vijfduizend te eten had gegeven met vijf broden en twee vissen. Maakt de Heere Jezus een geestelijke toepassing op Zichzelf. Johannes 6:35-40:
En Jezus zei tegen hen: Ik ben het Brood des levens; wie tot Mij komt, zal beslist geen honger hebben, en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst hebben. Maar Ik heb u gezegd dat u Mij wel gezien hebt, en toch gelooft u niet. Alles wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen; en wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen. Want Ik ben uit de hemel neergedaald, niet opdat Ik Mijn wil zou doen, maar de wil van Hem Die Mij gezonden heeft. En dit is de wil van de Vader, Die Mij gezonden heeft, dat Ik van alles wat Hij Mij gegeven heeft, niets verloren laat gaan, maar het doe opstaan op de laatste dag. En dit is de wil van Hem Die Mij gezonden heeft, dat ieder die de Zoon ziet en in Hem gelooft, eeuwig leven heeft, en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.
Jezus had Zijn eigen wil opzij gezet en aan het eind verwijst Hij opnieuw naar de wil van Mijn Vader.
Jezus zegt hier dus: Ieder die de Zoon ziet en in Hem gelooft, heeft eeuwig leven, en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag. Wat een geweldig aanbod van Degene die voeding en leven geeft aan een wereld die omkomt van de honger. Maar wat was de prijs? De prijs was dat Hij niet Zijn eigen wil deed, maar de wil van Degene die Hem gezonden had. Zolang we opgeslokt worden door onze eigen plannen en doelen, kunnen we geen kanaal zijn van goddelijk leven. Als dit zelfs gold voor Hem, hoeveel te meer geldt dit dan voor jou en mij?
Heer Jezus, dank U dat U ook voor ons het Brood des Levens wilt zijn, onze voeding die ons het eeuwige leven geeft. En doordat U in ons wil wonen. Ons lichaam, als uw residentie!
Als dat geen zegen is.
Psalm 132 -25-: Over redding en de Redder gesproken
Over redding en de Redder gesproken
In vers 9 van de psalm is door de dichter gebeden dat de HEERE Zijn priesters bekleed zal laten worden met gerechtigheid en dat Hij Zijn gunstelingen zal laten juichen. In vers 16 horen we de toezegging van de HEERE dat Hij dat zal doen. Hij, de Aanwezige, laat de dichter bij wijze van spreken en met alle eerbied gesproken, niet in de kou staan.
Hij zal de priesters kleden met Yesha lezen we in het Hebreeuws, en in Yesha, horen we het woord Yeshua, Jezus het heeft dezelfde woordstam. En we weten allemaal wat Yeshua betekend: Bevrijder, Redder, en zo betekend Yesha, Bevrijding, redding, redding, veiligheid, welzijn.
Eigenlijk staat er dus: Hij zal de priesters bekleden met Yeshua, met Jezus. Deze priesters, de toekomstige priesters in het rijk van de Messias, zullen bekleed zijn met Jezus, bevrijding en redding en mogen dat rijkelijk uitdelen aan iedereen die maar wil.
Weet u wat dat te weeg zal brengen. Nou daar hoeven we niet over in het ongewisse te blijven hoor. Want in Jesaja 61 lezen we over het jubel jaar, u weet wel, het jaar waarin alle schulden werden weggedaan, daar lezen we in vers 10 de ongekende vrolijke woorden:
Ik ben zeer vrolijk in de HEERE,
mijn ziel verheugt zich in mijn God,
want Hij heeft mij bekleed met de klederen van het heil,
de mantel van gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan,
zoals een bruidegom zich bekleedt met priesterlijk hoofdsieraad,
en een bruid zich tooit met haar sieraden.
Het is het genieten van de volle zegen van Gods tegenwoordigheid. De gunstelingen van Sion reageren daarop, niet met juichen, zoals is gevraagd, maar met “uitbundig juichen”. Als de HEERE een gebed verhoort, doet Hij dat naar de rijkdom van Zijn genade en daarom overvloedig. Wat een onvoorstelbare feestelijke tijd zal dat zijn. We lezen er van in Jesaja 61 en ik lees u het hele geweldige hoofdstuk voor omdat je er nu al zo blij van wordt om deze woorden te lezen en er een verlangen opgewekt wordt naar die dag, naar die tijd:
Het jubeljaar van de verlossing
1De Geest van de Heere HEERE is op Mij,
omdat de HEERE Mij gezalfd heeft
om een blijde boodschap te brengen aan de zachtmoedigen.
Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart
om voor de gevangenen vrijlating uit te roepen
en voor wie gebonden zaten, opening van de gevangenis;
2om uit te roepen het jaar van het welbehagen van de HEERE
en de dag van de wraak van onze God;
om alle treurenden te troosten;
3om aangaande de treurenden van Sion te beschikken dat hun gegeven zal worden
sieraad in plaats van as,
vreugdeolie in plaats van rouw,
een lofgewaad in plaats van een benauwde geest,
opdat zij genoemd worden eiken van de gerechtigheid,
een planting door de HEERE, om Hem te verheerlijken.
4 Zij zullen verwoeste plaatsen van weleer herbouwen,
de woeste plaatsen van vroeger weer oprichten,
de verwoeste steden vernieuwen,
die verwoest lagen, van generatie op generatie.
5Vreemden zullen klaarstaan en uw kudden weiden,
vreemdelingen zullen uw akkerbouwers en uw wijnbouwers zijn.
6Ú echter zult genoemd worden: priesters van de HEERE,
men zal u noemen: dienaren van onze God.
U zult het vermogen van heidenvolken eten,
u zult u beroemen in hun luister.
7In plaats van uw dubbele schaamte en schande
zullen zij juichen over hun deel.
Daarom zullen zij in hun land het dubbele in erfelijk bezit hebben,
zij zullen eeuwige blijdschap hebben.
8Want Ik, de HEERE, heb het recht lief,
Ik haat roof bij het brandoffer, Ook mogelijk is de vertaling: met onrecht.
en Ik zal geven dat hun werk in waarheid zal zijn
en Ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten.
9Hun nageslacht zal onder de heidenvolken bekend worden,
en hun nakomelingen te midden van de volken.
Allen die hen zien, zullen erkennen
dat zij een nageslacht zijn dat de HEERE heeft gezegend.
10Ik ben zeer vrolijk in de HEERE,
mijn ziel verheugt zich in mijn God,
want Hij heeft mij bekleed met de klederen van het heil,
de mantel van gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan,
zoals een bruidegom zich bekleedt met priesterlijk hoofdsieraad,
en een bruid zich tooit met haar sieraden.
11Want zoals de aarde haar gewas voortbrengt,
en zoals een tuin het daarin gezaaide doet opkomen,
zo zal de Heere HEERE gerechtigheid doen opkomen
en lof voor alle volken.
En als dat geen zegen is.
Psalm 132 -26-: Over vredesberaad gesproken
Over vredesberaad gesproken
In vers 17, dat aansluit op vers 12, spreekt de HEERE over “een hoorn” die Hij voor David zal doen opkomen. Zacharia, de vader van Johannes de doper spreekt in zijn lofzang over “een hoorn van behoudenis” en doelt daarmee op de Heer Jezus. We lezen in Lukas 1:
En Zacharias, zijn vader, werd vervuld met de Heilige Geest en profeteerde:
Geprezen zij de Heere, de God van Israël, want Hij heeft naar Zijn volk omgezien en er verlossing voor tot stand gebracht. En Hij heeft een hoorn van zaligheid voor ons opgericht in het huis van David, Zijn knecht, zoals Hij gesproken had bij monde van Zijn heilige profeten, die er door de eeuwen heen geweest zijn, namelijk verlossing van onze vijanden en bevrijding uit de hand van allen die ons haten, om barmhartigheid te bewijzen aan onze vaderen en te denken aan Zijn heilig verbond, de eed die Hij aan Abraham, onze vader, gezworen heeft om ons te geven, dat wij, verlost uit de hand van onze vijanden, Hem zouden dienen zonder vrees, in heiligheid en gerechtigheid voor Hem alle dagen van ons leven.
Daar — in Jeruzalem, de zetel van het koninkrijk, en de enige plaats van mijn aanwezigheid en aanbidding in de wereld; zal Ik de hoorn van David laten bloeien - Zijn macht en glorie laten bloeien en toenemen, en neerdalen op zijn nageslacht.
Een hoorn is een symbool van overwinnende macht (vgl. Ps 92:11; Op 13:1; 5:6). . Het ‘doen opkomen’ – een betere vertaling is “uitspruiten” – wijst op het uitspruiten van de Spruit, de Messias (Js 4:2).
Op die dag zullen zeven vrouwen
één man vastgrijpen
en zeggen: Ons eigen brood zullen wij eten
en met onze eigen kleren zullen wij ons kleden.
Laat ons slechts uw naam mogen dragen.
Neem onze smaad weg!
De komende verlossing
Op die dag zal de SPRUIT van de HEERE tot een heerlijk sieraad tot een heerlijk sieraad - Letterlijk: tot sieraad en tot heerlijkheid. zijn, en de vrucht van de aarde tot glorie en luister voor hen in Israël die ontkomen zijn.
Dan zal het gebeuren dat wie in Sion overgebleven is, en wie in Jeruzalem overgelaten is, heilig genoemd zal worden, eenieder die in Jeruzalem ten leven opgeschreven is.
Wanneer de Heere de vuilheid van de dochters van Sion afgewassen zal hebben en de vele bloedschuld van Jeruzalem uit het midden ervan weggespoeld zal hebben door de Geest van oordeel en door de Geest van uitbranding, dan zal de HEERE over elke plaats op de berg Sion en over de samenkomsten ervan overdag een wolk scheppen en rook, en 's nachts een schijnsel van vlammend vuur; ja, over alles wat heerlijk is, zal een beschutting zijn.
Dan zal een hut dienen tot schaduw overdag tegen de hitte, en als toevlucht en schuilplaats tegen de vloed en tegen de regen.
Kijk we lezen deze woorden snel, maar eigenlijk zou je om de waarheid van de woorden te kunnen doorgronden, deze stuk voor stuk bij wijze van spreken moeten proeven om de geweldige boodschap die hier verwoord wordt te kunnen doorgronden. Maar goed, de tijd ontbreekt in dit programma.
Vervolgens spreekt de HEERE ook over “een lamp” die Hij zal gereedmaken voor Zijn gezalfde. Over David wordt gesproken als een lamp (2Sm 21:17). Ook over zijn zoon wordt als een lamp gesproken (1Kn 11:36). Het gereedmaken van een lamp heeft de betekenis dat het licht van het huis van David nooit zal uitgaan. Altijd zal er een nakomeling van David zijn die als koning zal regeren. Dit is in de Heer Jezus, de ware Gezalfde, werkelijkheid geworden. Hoewel Zijn Koningschap over de wereld in de dagen waarin wij leven nog niet zichtbaar is, zal het niet lang meer duren wanner Hij het Koningschap over deze aarde zichtbaar voor vriend en vijand zal uitoefenen. Want de Aanwezige zal voor Zijn Gezalfde met een hoofdletter een lamp gereed maken. Hij zal het Licht met een hoofdletter laten schijnen in deze donkere en verduisterde wereld.
De vijanden van Gods Koning en Gods volk zijn er altijd op uit om te verhinderen dat God geëerd en gediend wordt (vers 18). Maar zij zullen er achter komen dat ze bij wijze van spreken buitende waard, buiten de Messias gerekend hebben, want de Messias zal hen “met schaamte kleden”. Daartegenover zal op de Gezalfde Zijn diadeem schitteren. Het woord voor diadeem is letterlijk ‘wijding’ en is verbonden met de diadeem, de kroon, op het hoofd van de hogepriester als teken van zijn wijding (Ex 29:6; 39:30; Lv 8:9). De Koning, de Messias, over Israël is aan God gewijd en is tegelijk Priester (Zc 6:12-13).
En zeg tegen hem: Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Zie, een Man – Zijn Naam is SPRUIT –
zal uit Zijn plaats opkomen,
en Hij zal de tempel van de HEERE bouwen.
Neem zilver en goud en maak kronen, en zet die op het hoofd van de hogepriester Jozua, de zoon van Jozadak,
en zeg tegen hem: Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Zie, een Man – Zijn Naam is SPRUIT –
zal uit Zijn plaats opkomen,
en Hij zal de tempel van de HEERE bouwen.
Ja, Híj zal de tempel van de HEERE bouwen,
Híj zal met majesteit bekleed zijn,
Hij zal zitten en heersen op Zijn troon.
Hij zal Priester zijn op Zijn troon;
tussen die Beiden zal vredesberaad plaatsvinden.