Psalm 138 -1-
Psalm 138 -2-
Psalm 138 -3-
Psalm 138 -4-
Psalm 138 -5-
Psalm 138 -6-
Psalm 138 -7-
Psalm 138 -8-
Psalm 138 -9-
Psalm 138 -10-
Psalm 138 -11-
Psalm 138 -12-
Psalm 138 -13-
Psalm 138 -14-
Psalm 138 -15-
Psalm 138 -16-
Psalm 138 -17-
Psalm 138 -18-
Psalm 138 -19-
Psalm 138 -20-
Psalm 138 -21-
Psalm 138 -22-
Psalm 138 -23-
Psalm 138 -24-
Psalm 138 -25-
Psalm 138 -26-
Psalm 138 -27-
Psalm 138 -28-
Psalm 138 -29-
Psalm 138 -30-
Psalm 138: Tekst Herziene Statenvertaling
Psalm 138
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
4 Alle koningen van de aarde zullen U loven, HEERE,
wanneer zij de woorden uit Uw mond gehoord hebben.
5Zij zullen zingen van de wegen van de HEERE,
want de heerlijkheid van de HEERE is groot.
6 Want de HEERE is verheven
toch ziet Hij om naar de nederige,
maar de hoogmoedige kent Hij van verre.
7 Als ik midden in de benauwdheid verkeer, maakt U mij levend;
U strekt Uw hand uit tegen de toorn van mijn vijanden,
Uw rechterhand verlost mij.
8 De HEERE zal Zijn werk voor mij voltooien;
Uw goedertierenheid, HEERE, is voor eeuwig;
laat de werken van Uw handen niet los.
Psalm 138 -1-: Over Psalm 138 gesproken -1-
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
4 Alle koningen van de aarde zullen U loven, HEERE,
wanneer zij de woorden uit Uw mond gehoord hebben.
5Zij zullen zingen van de wegen van de HEERE,
want de heerlijkheid van de HEERE is groot.
6 Want de HEERE is verheven
toch ziet Hij om naar de nederige,
maar de hoogmoedige kent Hij van verre.
7 Als ik midden in de benauwdheid verkeer, maakt U mij levend;
U strekt Uw hand uit tegen de toorn van mijn vijanden,
Uw rechterhand verlost mij.
8 De HEERE zal Zijn werk voor mij voltooien;
Uw goedertierenheid, HEERE, is voor eeuwig;
laat de werken van Uw handen niet los.
Over Psalm 138 gesproken
Psalm 138 volgt op Psalm 137, maar laat ik bij wijze van spreken maar meteen met de deur in huis vallen. Zo heb ik de Psalm eigenlijk nog nooit gelezen! Psalm 138 is het antwoord op Psalm 137. Daar waar de schrijver van Psalm 137 in diepe rouw in Babel zat en bad om de verwoesting van Babel, lezen we in Psalm 138 het antwoord: de dankzegging van de verlosten hebben de vertalers er boven gezet en laten wij dat vandaag maar aanvullen met de woorden: De dankzegging van de verlosten van Babel!
Daar waar we in Psalm 137 lazen over de benauwdheid van Israel in Babel en Israel hoorden smeken om vergelding van het kwaad door de Heere God, lezen we in de verzen 7 en 8 het antwoord:
Als ik midden in de benauwdheid verkeer, maakt U mij levend;
U strekt Uw hand uit tegen de toorn van mijn vijanden,
Uw rechterhand verlost mij.
De HEERE zal Zijn werk voor mij voltooien;
Uw goedertierenheid, HEERE, is voor eeuwig;
laat de werken van Uw handen niet los
Hij maakt Israel weer levend: Als ik midden in de benauwdheid verkeer, maakt U mij levend.
En het blijken profetische woorden te zijn! Zo midden in deze Psalm 138 wordt gesproken over de wederopstanding van Israel, de bekering van Israel. Nee, geen eigen werk, want zegt David:
De HEERE zal Zijn werk voor mij voltooien;
Uw goedertierenheid, HEERE, is voor eeuwig;
laat de werken van Uw handen niet los
En zo zitten we met deze Psalm midden in de oplossing hoe het met Israel in de toekomst allemaal zal gaan. En laten we het vandaag gewoon maar eens allemaal letterlijk nemen:
Als ik midden in de benauwdheid verkeer, maakt U mij levend;
U strekt Uw hand uit tegen de toorn van mijn vijanden,
Uw rechterhand verlost mij.
De HEERE zal Zijn werk voor mij voltooien;
Uw goedertierenheid, HEERE, is voor eeuwig;
laat de werken van Uw handen niet los
En daarmee is Israel een type van David, want de schrijver van de Psalm is David, maar over David heen lezen we dezelfde woorden in het licht van de meerdere David, de Geliefde. En laten we de woorden daarom nog maar eens lezen:
Als ik midden in de benauwdheid verkeer, maakt U mij levend;
U strekt Uw hand uit tegen de toorn van mijn vijanden,
Uw rechterhand verlost mij.
De HEERE zal Zijn werk voor mij voltooien;
Uw goedertierenheid, HEERE, is voor eeuwig;
laat de werken van Uw handen niet los
En zo mogen we aan het begin van deze Psalm lezen in het licht van een persoonlijk getuigenis van David, maar misschien wel ook van u, jou en mij. Zo mogen we de woorden in het licht van de geschiedenis en de toekomst van Zijn volk Israel zien, en zo mogen we de woorden van de Psalm zien met het oog op Christus, de Messias:
Als ik midden in de benauwdheid verkeer, maakt U mij levend;
U strekt Uw hand uit tegen de toorn van mijn vijanden,
Uw rechterhand verlost mij.
De HEERE zal Zijn werk voor mij voltooien;
Uw goedertierenheid, HEERE, is voor eeuwig;
laat de werken van Uw handen niet los
Dat lijkt me voor vandaag voldoende, meer dan voldoende. Daarmee kunnen we de dag in en als dat geen zegen is.
Psalm 138 -2-: Over Psalm 138 gesproken -2-
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3 Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
4 Alle koningen van de aarde zullen U loven, HEERE,
wanneer zij de woorden uit Uw mond gehoord hebben.
5 Zij zullen zingen van de wegen van de HEERE,
want de heerlijkheid van de HEERE is groot.
6 Want de HEERE is verheven
toch ziet Hij om naar de nederige,
maar de hoogmoedige kent Hij van verre.
7 Als ik midden in de benauwdheid verkeer, maakt U mij levend;
U strekt Uw hand uit tegen de toorn van mijn vijanden,
Uw rechterhand verlost mij.
8 De HEERE zal Zijn werk voor mij voltooien;
Uw goedertierenheid, HEERE, is voor eeuwig;
laat de werken van Uw handen niet los.
Over Psalm 138 gesproken
Dit is een psalm “van David, wiens naam ‘ Geliefde’ betekend, maar daarover later meer. Want in de Schrift moeten we leren dat er niets voor niets staat. De Geliefde. Christus, de Messias. Maar weer even terug:
Dit is de eerste Psalm van een reeks van acht psalmen Ps. 138-145, samen geplaatst in dit deel van het boek, en toegeschreven aan David.
Hij zegt tegen God: “Ik zal U loven met heel mijn hart” (vers 1b). Zijn hart is vol lof voor God. Er is in zijn hart geen plaats voor andere goden of wat dan ook (vgl. Ps 9:2). Hij geeft openlijk uiting aan zijn lof, want, zo zegt hij, in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen”.
De goden zijn de dragers van een gezag dat hun door God is gegeven, zoals aardse vorsten, maar ook hemelse machthebbers. Hier gaat het om de hemelse machthebbers (vgl. Ps 95:3). Vanaf vers 4 vinden we de aardse machthebbers. Wat we hier hebben, is vergelijkbaar met wat wij nu al mogen en kunnen doen. Want we lezen in Efeze 3 vers 8 tot en met 10:
Mij de allerminste van alle heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het Evangelie de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen, en allen te verlichten, opdat zij mogen begrijpen wat de gemeenschap aan het geheimenis inhoudt, dat door de eeuwen heen verborgen is geweest in God, Die alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus, (even tussen haakjes, dan volgt nu waar het mij om gaat) opdat nu door de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelvuldige wijsheid van God bekendgemaakt zou worden, volgens het eeuwige voornemen dat Hij gemaakt heeft in Christus Jezus, onze Heere
Zie je wel, in Psalm 138 zegt David: in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen”. En in Efeze 3 lezen we dat wij nu al de veelvuldige wijsheid van God mogen bekend maken.
Als je er even bij stil staat, dan is het toch eigenlijk meer dan geweldig dat wij nu al. Zoals David het zegt, met heel ons hart, dus met een onverdeeld hart, en mag ik het vandaag eens zo zeggen, uit volle borst de Heere mogen loven en prijzen?
Maar oei, oei, wat komen we daarin vaak schromelijk te kort. En zijn we te besmuikt om voor zijn Naam uit te komen. Ja in eigen kring om het zo maar eens te zeggen dan is het vaak geen probleem, maar daar buiten?
En zoals David zegt: in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen?
Ik gebruikte zojuist het woord besmuikt, maar moest toch even kijken wat dat woord nu eigenlijk betekend en vond het volgende.
Besmuikt is een afleiding met be- van een werkwoord smuiken, dat inmiddels niet meer voorkomt. Smuiken betekende 'zich verborgen houden, zich stilletjes ergens aan te goed doen' en de voorloper ervan, smuken, betekende 'laag of kruiperig zijn'. Van dat werkwoord is ook smokkelen 'stiekem vervoeren/handelen' afgeleid.
En misschien is dat ook juist wel precies wat we soms doen, wanneer we in de gelegenheid zijn (en wanneer is dat niet) om voor de Heere God uit te komen in een gezelschap. We blijven dan stiekum een beetje op de achtergrond, terwijl we eigenlijk van binnen weten dat we geroepen worden om van Hem te getuigen.
Kom, zullen we vandaag ons voornemen om wanneer we in de gelegenheid zijn David te volgen?
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
Of om het met Paulus te zeggen: opdat nu door de gemeente ( en dat zijn jij en ik) aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelvuldige wijsheid van God bekendgemaakt zou worden,
Want als dat geen zegen is.
Psalm 138 -3-: Over Psalm 138 gesproken -3-
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3 Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
Over Psalm 138 gesproken
Vlak vóór de laatste vijf lofgezangen die het boek Psalmen afsluiten (146-150), plaatsten de samenstellers van de Bijbel acht psalmen die werden toegeschreven aan koning David (138-145).
Deze laatste Psalmen van David zijn allemaal lofliederen. De eerste hiervan, psalm 138, prijst de grootheid van de heerlijkheid van de HEERE, JHWH, de Aanwezige, zoals we in de Psalm lezen over Zijn verhoring van het gebed ( of de roep') van de 'nederige' wanneer zij lijden door toedoen van trots.'
De laatste van deze serie van Psalmen, Psalm 145, prijst de 'geweldige majesteit' van de HEERE zoals getoond in zijn zorg voor al zijn schepselen - vooral wanneer zij Hem 'aanroepen'.
In Psalm 138 prijst David God volmondig, of met heel zijn hart zoals de vertalers geschreven hebben of wij zouden kunnen zeggen, uit volle borst, de HEERE, omdat Hij hem het vertrouwen heeft gegeven dat Hij hem zal helpen tegen dreigende vijanden.
Gegeven de profetie dat alle koningen van de aarde de HEERE, de Aanwezige zullen komen loven (vers 4), kijkt het lied duidelijk uit naar de tijd van de oprichting van Gods Koninkrijk met de toekomstige komst van de Messias voor de uiteindelijke vervulling.
Want de Psalm zegt in vers 4:
Alle koningen van de aarde zullen U loven, HEERE,
wanneer zij de woorden uit Uw mond gehoord hebben.
Wanneer ik deze woorden nog eens tot mij door laat dringen, dan kan ik me niet meer voorstellen dat ik deze woorden eigenlijk gedachteloos gelezen of gezongen heb. Niet tot me door heb laten dringen of misschien gedacht heb dat de woorden misschien geestelijk bedoeld zouden zijn. Maar we mogen ze echt letterlijk nemen hoor, want eerlijk gezegd zou ik niet anders weten hoe we ze anders zouden moeten lezen:
Alle koningen van de aarde zullen U loven, HEERE,
wanneer zij de woorden uit Uw mond gehoord hebben.
Wat een ongelooflijk mooie tijd zal dat zijn. De koningen in de tijd waarin wij lezen zijn met heel andere dingen bezig, en laten we onszelf maar niet verheffen boven de koningen. Maar zij en wij zullen in de toekomst U loven, HEERE. En daar hoeven wij en zij die de HEERE, de Aanwezige kennen niet op te wachten hoor, maar dat mogen en kunnen we vandaag ook in de praktijk brengen. Hem loven, Hem prijzen.
En als dat geen zegen is.
Kom ga met ons en doe als wij.
Psalm 138 -4-: Over goden gesproken
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3 Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
Over goden gesproken
David zegt in vers 1 dat Hij lofzangen voor God zal zingen "voor de goden". Maar wie moeten we dan verstaan onder de goden? Wie zijn die goden? Net als in Psalm 135:5 en Psalm 136:2 zouden de ‘goden’ hier kunnen verwijzen naar buitenlandse koningen die ten onrechte aanspraak maken op goddelijkheid
Want in die tijd schroomden de heersers zich niet zich te vergelijken met godenzonen. Maar ook wat dat betreft is het niets nieuws onder de zon.
Of duiden de ‘goden’ die hier door David worden genoemd misschien op menselijke heersers die, als nakomelingen van de ware God, de opdracht zeggen gekregen te hebben om Hem in zijn heerschappij te vertegenwoordigen… In Rome zit in de dagen waarin wij leven zo iemand op de troon…
David dicht de volgende woorden erover in Psalm 82:
1 Een psalm van Asaf.
God staat in de vergadering van God,
Hij oordeelt te midden van de goden:
2 Hoelang zult u onrechtvaardig oordelen
en de goddelozen bevoordelen?. Sela
3 Doe recht aan de geringe en de wees,
bewijs de ellendige en de arme gerechtigheid.
4 Bevrijd de geringe en de arme,
ontruk hem aan de hand van de goddelozen.
5 Zij weten niets en begrijpen niets,
zij wandelen steeds in de duisternis rond;
daarom wankelen alle fundamenten van de aarde.
6 Ík heb wel gezegd: U bent goden,
u bent allen zonen van de Allerhoogste;
7 toch zult u sterven als een mens,
zoals iedere andere vorst zult u vallen.
8 Sta op, o God, oordeel de aarde,
want Ú bezit alle volken.
De ‘goden’ die hier door David worden genoemd zouden ook kunnen verwijzen naar demonen, de machten achter de tronen van heidense naties die zich soms voordeden als de valse goden die deze naties aanbaden.
En mag ik het vandaag eens zo zeggen? Denk maar niet dat Psalm 82 aan actualiteit heeft ingeboet. Ook in de tijd waarin wij leven zitten er goden op de tronen van deze aarde, de wereld regeren, maar zoals Psalm 82 zegt
niets weten en niets begrijpen,
zij wandelen steeds in de duisternis rond;
daarom wankelen alle fundamenten van de aarde.
Zij hebben in de afgelopen jaren hun duizenden en miljoenen verslagen en doen dat nog dagelijks. Ook in de tijd waarin wij leven.
De woorden die de Apostel Johannes optekende in 1 Johannes 5 vers 21 zijn nog hoogst actueel als hij schrijft:
Lieve kinderen, wees op uw hoede voor de afgoden.
Maar omdat de dichter van Psalm 138 vooruitkijkt naar de tijd van Christus’ regering, de Messiaanse tijd, over alle volken, kan de term ‘goden’ hier de opgestane heiligen van God aanduiden die met Hem zullen regeren en zullen delen in Zijn goddelijke glorie.
Voorbeelden daarvan vinden we bijvoorbeeld in Openbaring 20, vers 6 waar we lezen:
Zalig en heilig is hij die deelheeft aan de eerste opstanding. Over hen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en van Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen regeren, duizend jaar lang.
En in Openbaring 22, vers 5
En daar zal geen nacht zijn, en zij hebben geen lamp en ook geen zonlicht nodig, want de Heere God verlicht hen. En zij zullen als koningen regeren in alle eeuwigheid.
Wat een geweldige tijd zal dat zijn. Kan jij er ook zo naar uitzien? Het nieuws dat nu de kranten en actualiteiten beheerst wordt gekenmerkt door dood en verderf. We hebben nog maar net de Corona periode achter de rug en we beleven tijden waarin de meest verschrikkelijke overstromingen, wereldwijde bosbranden, verschrikkelijke oorlogen worden uitgevochten en ongekende aardbevingen plaatsvinden.
Maar het woord in Romeinen 8 geldt ook vandaag:
Ik ben ervan overtuigd dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden.
19Met reikhalzend verlangen immers verwacht de schepping het openbaar worden van de kinderen van God.
20Want de schepping is aan de zinloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar door hem die haar daaraan onderworpen heeft,
21in de hoop dat ook de schepping zelf zal bevrijd worden van de slavernij van het verderf om te komen tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God.
22Want wij weten dat heel de schepping gezamenlijk zucht en gezamenlijk in barensnood verkeert tot nu toe.
23En dat niet alleen, maar ook wijzelf, die de eerstelingen van de Geest hebben, ook wijzelf zuchten in onszelf, in de verwachting van de aanneming tot kinderen, namelijk Luk. 21:28de verlossing van ons lichaam.
24Want in de hoop zijn wij zalig geworden. Hoop nu die gezien wordt, is geen hoop. Immers, wat iemand ziet, waarom zou hij dat nog hopen?
25Maar als wij hopen wat wij niet zien, dan verwachten wij het met volharding.
Als dat geen zegen is.
Psalm 138 -5-: Over het uitzicht gesproken
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3 Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
Over het uitzicht gesproken
We maken vandaag een stapje naar vers 2 waarin David getuigt:
Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven
De woorden doen mij denken aan Psalm 5 vers 4 waar we lezen:
's Morgens hoort U mijn stem, HEERE;
's morgens leg ik mijn gebed voor U neer
en zie ik naar U uit.
Laten we de woorden nog maar eens lezen om ze goed tot ons door te laten dringen:
's Morgens hoort U mijn stem, HEERE;
's morgens leg ik mijn gebed voor U neer
en zie ik naar U uit.
En zie ik naar U uit…
Tsja, misschien hebben we allemaal plannen voor deze dag of zit de agenda helemaal voor met allerlei heel belangrijke zaken maar laten we niet vergeten, te midden van alle drukte:
's Morgens hoort U mijn stem, HEERE;
's morgens leg ik mijn gebed voor U neer
en zie ik naar U uit.
Laten we vandaag, vanmorgen vooral niet vergeten onze stem te laten horen aan de HEERE, JHWH, de Aanwezige. Want Hij hoort, hij luistgert met je mee: 's Morgens hoort U mijn stem, HEERE;
's morgens leg ik mijn gebed voor U neer
en zie ik naar U uit.
En laten we naar Hem uitzien vandaag en elke dag van ons leven.
Weet je, het is wel wat kort deze keer, maar ook genoeg. Laten we de woorden die we gelezen hebben vandaag maar eens laten weerklinken:
's Morgens hoort U mijn stem, HEERE;
's morgens leg ik mijn gebed voor U neer
en zie ik naar U uit.
Want als dat geen zegen is.
Jongerenkoor Jejigdaljahu zingt de woorden van Psalm 5 zoals opgetekend in de berijming van 1773:
Neem, HEER’, mijn bange klacht ter oren;
Zie, als ‘t aan woorden mij ontbreekt,
Wat d’ overdenking in mij spreekt;
Verwaardig U, uit ‘s hemels koren,
Mijn stem te horen!
Sla ied’re zucht, mijn hart ontgleden,
Opmerkend gâ; schenk mij ’t genot
Uws heils, mijn Koning en mijn God;
Ik zal tot U, met mijn gebeden,
Eerbiedig treden.
‘t Rechtvaardig volk zult Gij belonen,
Terwijl Gij, HEER’, hen overdekt,
Hun tot een veilig schild verstrekt.
Gij zult goedgunstig hen bekronen,
Ja, bij hen wonen.
Psalm 138 -6-: Over aanbidding gesproken -1-
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3 Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
Over aanbidding gesproken -1-
Vandaag denken we verder na over de worden van vers 2
Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
Wanneer we een woord voor woord vertaling vanuit het Hebreeuws zouden gebruiken zouden we ook kunnen lezen:
Ik zal buigen of knielen naar Uw heilige tempel en dankzeggen over Uw naam voor Uw liefdevolle toewijding en Uw trouw.
Het Hebreeuwse woord voor neerbuigen is Shachah, wat letterlijk de betekenis heeft van buigen, ter aarde werpen. Vanuit deze betekenis heeft het de betekenis van eer geven en aanbidden gekregen (buigen en aanbidden wordt vaak door elkaar gebruikt in vertalingen).
Een voorbeeld daarvan vinden we in Genesis 22 vers 5 waar we lezen:
En Abraham zei tot zijn jongens: Blijft gij hier met den ezel, en ik en de jongen zullen heen gaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u wederkeren. (SV)
In sommige vertalingen worden de woorden door elkaar gebruikt. In het Grieks van het Nieuwe Testament komen we het woord Proskuneoo tegen, dat in de Griekse vertaling van het Oude Testament de vertaling is van Shachah. Dit woord wordt in het NT als aanbidden vertaald, en heeft de grondbetekenis van kussen.
Het Hebreeuwse woord shachah werd gebruikt om te buigen als eerbetoon of aanbidding voor een meerdere, en dus zien we in de Bijbel mensen buigen voor andere mensen, engelen, heidense goden en God, of deze ‘aanbidden’.
Gewoonlijk gebruiken vertalers het shachah wanneer iemand buigt voor de ware God, en de woorden ‘zich op de grond werpen’, ‘neerbuigen’, ‘buigen’ of ‘diep buigen’ wanneer hij buigt voor mensen en heidense goden.
Het is goed om te weten dat het gebaar van het buigen begrepen wordt. Het werd gedaan door op de knieën te vallen en vervolgens het bovenlichaam naar de aarde te buigen, met het gezicht naar de grond. Deze manier is nog steeds de manier waarop moslims vandaag de dag in moskeeën over de hele wereld aanbidden.
Het was en is juist deze houding of handeling die ‘aanbidding’ werd genoemd, niet het hart of de intentie van de persoon.
Iedereen in het verleden zou begrijpen dat er geen rekening werd gehouden met wat er omging in de geest van de persoon die boog, wanneer er over de handeling van ‘aanbidding’ werd gesproken.
Het is belangrijk om te begrijpen dat in de tijd van de bijbel de handeling van het neerbuigen de aanbidding was, en wat er omging in de geest van de persoon die boog, veranderde niets aan het feit dat ‘aanbidding’ of ‘neerbuigen’ plaatsvond. .
Veel mensen die God ‘aanbaden’ negeerden Zijn geboden. Veel anderen die ‘aanbaden’ hielden van Hem en gehoorzaamden Zijn geboden. Maar van beide groepen mensen werd gezegd dat ze “God aanbaden” omdat ze voor Hem bogen. Op dezelfde manier ‘aanbaden’ mensen die voor andere mensen bogen hen, maar sommigen deden het uit liefde en respect, en sommigen uit angst. Maar ze “aanbaden” allemaal omdat ze allemaal bogen.
Het probleem met het woord ‘aanbidding’ is dat wat het in de tijd van de Bijbel totaal anders was dan welke betekenis er in onze tijd aan gegeven wordt.
In de tijd van de Bijbel was iemand aan het ‘aanbidden’ omdat hij zich neerboog. In onze tijd hebben we aanbidding een betekenis gegeven die niets te maken heeft met een lichamelijke handeling maar met een geestelijke gesteldheid. Westerse christenen ‘aanbidden’ God in allerlei situaties – wanneer ze alleen thuis in gedachten bidden, wanneer ze hun Bijbel lezen en goede gedachten over God denken, wanneer ze naar de kerk gaan en naar een spreker luisteren, of wanneer ze liederen zingen over God – maar geen van deze dingen zou door een oude Israëliet of zelfs een oude heiden als ‘aanbidding’ worden beschouwd.
Een Israëliet uit de oudheid zou naar de daden van de persoon kijken en zeggen dat de persoon God aanbad wanneer iemand knielde, terwijl een christenen naar het hart van de persoon.
Ik moet denken aan de keer dat Anja en ik een keer te gast waren in een gemeente hier in Nederland en de mensen op het moment van dankzegging na de preek op de knieën gingen om de Heere te danken. Letterlijk werden de stoelen omgedraaid en ging jong en oud op de knieën. Zo overkwam het ons ook in een gemeente in Roemenië.
Ik moet eerlijk bekennen dat dat meer indruk op ons maakte dan het nagenoeg eindeloos herhalen van teksten van een lied aan het begin van een dienst zoals in veel Evangelische gemeenten plaatsvindt en een tijd van aanbidding wordt genoemd.
Maar dan moet ik ook denken aan de woorden uit Filippensen 2:
Laat daarom die gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was, Die, terwijl Hij in de gestalte van God was, het niet als roof beschouwd heeft aan God gelijk te zijn, maar Zichzelf ontledigd heeft door de gestalte van een slaaf aan te nemen en aan de mensen gelijk te worden. En in gedaante als een mens bevonden, heeft Hij Zichzelf vernederd en is gehoorzaam geworden, tot de dood, ja, tot de kruisdood.
Daarom heeft God Hem ook bovenmate verhoogd en heeft Hem een Naam geschonken boven alle naam, opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen elke knie van hen die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn, en elke tong zou belijden dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid van God de Vader.
Als dat geen zegen is.
Kom, nu is de tijd: aanbid Hem
Kom, nu is de tijd: ontmoet jouw God.
Kom, zoals je bent, aanbid Hem.
Kom, zoals je bent en geef je hart- Kom.
Eens zal elke tong U belijden als Heer,
buigt zich elke knie voor U neer.
Toch heeft U het beste aan hem beloofd
die nu in U gelooft:
Psalm 138 -7-: Over aanbidding gesproken -2-
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3 Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
Over aanbidding gesproken -2-
Vandaag kijken we nog even verder naar het aspect van het neerbuigen of aanbidden van de oude Israëliet en de moderne mens.
Wanneer de oude Israëliet naar wat er in moderne christelijke kerken gebeurt zouden zij zich mogelijk afvragen: “Wanneer gaan ze aanbidden?”
Zij zouden het naar een kerk gaan en zingen en luisteren naar een spreker of predikant, niet als ‘aanbidding’ zien. Voor hen betekende ‘aanbidding’ een fysieke activiteit. Dat verklaart waarom het Hebreeuwse woord, shachah , wordt gebruikt om neer te buigen als eerbetoon voor mensen en voor God.
Mensen ‘aanbaden’ God, goden en superieuren op dezelfde manier – door zich voor hen te buigen. Dit is op geen enkele manier bedoeld om God te vernederen; het wijst eenvoudigweg op de manier waarop mensen respect toonden aan degenen die superieur aan hen waren – inclusief andere mensen en God – door zich voor hen te buigen of op de grond te werpen.
De Bijbel kent veel voorbeelden van de ene persoon die de andere ‘aanbidt’. In het boek Ruth ‘aanbidt’ Ruth bijvoorbeeld (buigt voor) Boaz ( Ruth 2:10 ). Daniel Block geeft commentaar op dat vers en schrijft: “Overweldigd door de vrijgevigheid van Boaz, 'viel Ruth (letterlijk) op haar gezicht en aanbad hem.' ...Dit vers illustreert het bijbelse begrip van aanbidding. ...Zoals de eerste zinsnede, 'en ze viel op haar gezicht'...wordt uitgelegd, duidt 'aanbidding' op het fysieke gebaar.
Maar dat gebaar werd ook in minder belangrijke contexten uitgevoerd als een seculiere begroeting, een teken van respect of een uiting van dankbaarheid.”
Dit gebruik veranderde in Israël niet tussen het Oude Testament en het Nieuwe Testament. Zo boog bijvoorbeeld de zieke man die naar Jezus kwam voor hem op dezelfde fysieke manier als Abraham 2000 jaar eerder boog (zie commentaar op Lukas 5:12 ). In Daniël 2:46 was Nebukadnezar zo verbaasd en onder de indruk van Daniëls interpretatie van zijn droom dat hij Daniël “aanbad” (voor hem ter aarde viel) ( Dan. 2:46 ).
Het feit dat mensen God aanbaden door zich met hun borst en gezicht naar de grond te buigen als ze in de aanwezigheid van God waren, is tegenwoordig not done, maar misschien zou dat wel zo moeten zijn.
James Jordan schrijft: “De oude mens boog voor zijn god, of het nu voor het Baäl of de schepper (JHWH) was.
Na dit alles, waarin we gezien hebben dat het neerbuigen en aanbidden een lichamelijke handeling betreft, zou de indruk kunnen ontstaan dat de hartgesteldheid van de aanbidder er minder zou toe doen. Niets is echter minder waar want we leven in de psalm:
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven
Zo gezien, zou je kunnen zeggen dat het aanbidden van de HEERE allereerst een zaak van het hart is. Hem loven met hart en lichaam.
Als dat geen zegen is.
Psalm 138 -8-: Over de Heere loven gesproken
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3 Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
Over de Heere loven gesproken
Tijdens de voorbereiding van deze psalm moest ik ineens denken aan de betekenis van het woord ‘loven’ dat in de eerste twee verzen wordt genoemd. Want we zullen ongetwijfeld allemaal een beeld in ons hoofd hebben van wat ‘loven’ inhoud. De een zal denken dat het verband houdt met het zingen van Psalmen bijvoorbeeld in de kerk en de ander mogelijk met het zingen van Opwekkingsliederen met uitgestoken handen tijdens een dienst. Maar wat is de kern nu van het loven van de Heere in Bijbels opzicht.
Daarvoor moeten we terug naar het oud-Hebreeuws waar we het woor ‘yada’ tegenkomen dat in Psalm 138 wordt vertaald met ‘loven’.
Het werkwoord yada blijkt de betekenis te hebben van bedanken. De kernbetekenis van dit werkwoord is het uitdrukken van een of andere erkenning.
De betekenis wordt gevonden door naar de context te kijken. Het woord betekent erkenning en wordt op drie verschillende manieren gebruikt.
De eerste betekenis die aan yada gegeven kan worden is
Erkennen wat God heeft gedaan = dank
De tweede betekenis die er aan gegeven kan worden is
Erkennen hoe God is = lof
En de derde betekenis die er aan gegeven wordt is
Je zonde erkennen = bekennen
En juist deze combinatie van betekenissen van het woord yada trof mij. De Heere loven en danken kan pas plaatsvinden wanneer we weten wat God is, hoe hij is en beiden in het licht en bekennen en erkennen dat we van nature zondaar zijn.
Weet je, dan brengt als vanzelfsprekend een nederige houding met zich mee, het knielen voor de HEERE voor wat Hij is en hoe Hij is. Een graag vergevende God.
Zestig procent van het gebruik van het woord yada komt voor in de psalmen. De psalmisten roepen het volk vaak op om “ de Heere te danken, want Hij is goed” (bijv. Ps. 106:1; 107,1; 136,1-3, 26; vgl. 1 Kron. 16:34 ).
In de overdenkingen van Psalm 136 hebben we er met elkaar over nagedacht:
1Loof de HEERE, want Hij is goed,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
2Loof de God der goden,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
3Loof de Heere der heren,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
Gods onfeilbare en onpeilbare liefde houdt nooit op. Op dezelfde manier roepen de psalmisten ons op om de Heere te loven te danken, niet alleen met de stem (Ps. 67:3, 5), maar ook met muziekinstrumenten 33:2; 71,22; 92,1).
Uiteindelijk moeten alle lof en dank uit het hart komen 9:1; 28,7). Eén van de formele manieren om God te danken is door middel van een tôdâ het Hebreeuwse woord voor dankoffer.
Ditzelfde werkwoord kan ook de erkenning van iemands zonden betekenen. God is een God die van ons verwacht dat we onze zonden ‘belijden’, want hij is een God van onfeilbare liefde en barmhartigheid en zal onze zonden vergeven (Lev. 26:40; Ps. 32:5; Spr. 28:13). Bij dat proces is het ‘belijden’ van de naam van de Heer betrokken (1 Kon. 8:33, 35; 2 Kron. 6:24, 26), dat wil zeggen: erkennen dat alleen van Hem vergeving mogelijk is.
In drie belangrijke OT-passages heeft deze belijdenis van zonde niet alleen betrekking op de eigen zonde van het individu, maar vooral op de zonden van het hele volk (Ezr. 10:1; Neh. 1:6; 9,2-3; Dan. 9:4, 20).
Wanneer we dank aan ons Nederland denken, dan kunnen we alleen maar zeggen dat er met alle eerbied gesproken ‘werk aan de winkel’ is.
Zo gezien komen we nooit klaar om de Heere te loven. Te loven, te danken voor wie, wat en hoe hij is. Zeker in het licht van wie wij van nature zijn. Maar tegelijkertijd mogen we Hem danken Hij is goed,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
Tenslotte moet ik denken aan de woorden die Paulus aan de gemeente van Kollosse richt en waar we de drie aspecten van het Hebreeuwse yada naar voren komen: Dank voor wat Hij is, dank voor hoe hij is en tenslotte de erkenning van zonde.
Daarbij danken (!) wij de Vader, Die ons bekwaam heeft gemaakt om deel te hebben aan de erfenis van de heiligen in het licht.
Hij heeft ons getrokken uit de macht van de duisternis en overgezet in het Koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde.
Als dat geen zegen is.
Psalm 138 -9-: Over Gods woning gesproken -1-
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3 Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
Over Gods woning gesproken -1-
We willen vanmorgen en de komende dagen nadenken over de woorden uit vers 2::
Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
En dan met name over de woorden Uw heilig paleis.
Het Paleis van de HEERE God. Het Hebreeuwse woord dat hier voor het heilig paleis wordt genoemd is. הֵיכָל (hekal), dat op de meeste plaatsen in de bijbel vertaald wordt met ‘tempel’. Zo vertaald lezen we dus: Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilige tempel.
Bij het lezen van dit gedeelte moest ik denken aan Daniel die daar in Babel zit en het hem verboden werd om tot de God van Israel te bidden, als we lezen in Daniël 6:11 Toen Daniël te weten kwam dat dit bevelschrift ondertekend was, ging hij zijn huis binnen. Nu had hij in zijn bovenvertrek open vensters in de richting van Jeruzalem. Op drie tijdstippen per dag ging hij op zijn knieën, bad hij en dankte hij voor het aangezicht van zijn God, precies zoals hij voordien had gedaan.
Maar ook aan de Samaritaanse vrouw die Jezus ontmoet en waarover we lezen in Johannes 4 vers 20. Laten we eens meeluisteren met het gesprek, waar we de vrouw horen zeggen:
Onze vaderen hebben op deze berg aanbeden, en bij u zegt men dat in Jeruzalem de plaats is waar men moet aanbidden.
2Jezus zei tegen haar: Vrouw, geloof Mij, de tijd komt dat u niet op deze berg, en ook niet in Jeruzalem de Vader zult aanbidden.
U aanbidt wat u niet weet; wij aanbidden wat wij weten, want de zaligheid is uit de Joden.
Maar de tijd komt en is er nu, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid, want de Vader zoekt wie Hem zo aanbidden.
God is Geest en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.
De vrouw zei tegen Hem: Ik weet dat de Messias komt (Die Christus genoemd wordt); wanneer Die gekomen zal zijn, zal Hij ons alles verkondigen.
Jezus zei tegen haar: Ik ben het, Die met u spreekt.
Het idee dat de tempelruimte een plaats zou zijn waar hemel en aarde elkaar overlapten, was van het allergrootste belang voor de Israeliet. Het was de plaats waar God zich op de aarde manifesteerde. Het was de enige plek op aarde waar mensen het gevoel hadden dat ze fysiek contact konden maken met JHWH.
Maar voordat er ooit een tempel voor het Hebreeuwse volk was, was er de Tabernakel ( misjkan, in het Hebreeuws). Het was de ruimte, terwijl ze door de woestijn dwaalden, waar JHWH dichtbij was, waar de hemel de aarde omhelsde.
Koning David hoopte op meer dan alleen een tijdelijke tent voor JHWH; hij wilde een paleis voor God bouwen:
In 1 Kronieken 17:1-14 lezen we er van:
1En het gebeurde, toen David in zijn huis zat, dat David tegen de profeet Nathan zei: Zie, ik verblijf in een huis van cederhout, maar de ark van het verbond van de HEERE onder tentkleden.
2Nathan zei tegen David: Doe alles wat in uw hart is, want God is met u.
3Maar in die nacht gebeurde het dat het woord van God tot Nathan kwam:
4Ga en zeg tegen David, Mijn dienaar: Zo zegt de HEERE: Ú mag voor Mij geen huis bouwen om in te wonen.
5Ik heb immers niet in een huis gewoond vanaf de dag dat Ik Israël uit Egypte deed optrekken tot deze dag toe, maar Ik ben van tent tot tent gegaan, en van tabernakel tot tabernakel.
6Heb Ik ooit, overal waar Ik met heel Israël rondtrok, een woord gesproken tot een van de richters van Israël, die Ik bevolen had Mijn volk te weiden: Waarom bouwt u voor Mij geen huis van cederhout?
7Nu dan, dit moet u tegen Mijn dienaar zeggen, tegen David: Zo zegt de HEERE van de legermachten: Ik heb 1 Sam. 16:11; Ps. 78:70u van de schaapskooi vandaan gehaald, van achter het kleinvee, om een leider over Mijn volk Israël te zijn.
8Ik was met u overal waar u heen ging, en heb al uw vijanden voor uw ogen uitgeroeid. Ik heb een naam voor u gemaakt, zoals de naam van de groten die op aarde zijn.
9Ik heb aan Mijn volk Israël een plaats toegewezen en het daar geplant, zodat het in zijn eigen gebied woont en niet meer heen en weer gedreven wordt. En onrechtvaardige mensen zullen het niet meer verdrukken zoals vroeger,
10en sinds de dagen waarop Ik richters aangesteld heb over Mijn volk Israël. Maar Ik heb al uw vijanden vernederd. Ook maak Ik u bekend dat de HEERE voor ú een huis zal bouwen.
11En het zal gebeuren, wanneer uw dagen voorbij zijn en u heen gaat naar uw vaderen, dat Ik uw nakomeling na u, die een van uw zonen zal zijn, zal doen opstaan, en Ik zal zijn koningschap bevestigen.
12Die zal voor Mij een huis bouwen, en Ik zal zijn troon voor eeuwig bevestigen.
13.Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een zoon zijn, en Mijn goedertierenheid zal Ik niet van hem wegnemen, zoals Ik die weggenomen heb van hem die er vóór u was,
- maar Ik zal hem in Mijn huis en in Mijn koningschap voor eeuwig stand doen houden, en zijn troon zal voor eeuwig zeker zijn.
Merk op dat het woord tempel ( hekal ) in deze passage nooit wordt genoemd. Er wordt altijd naar verwezen als een “huis” voor JHWH. David mag dit huis nooit voor JHWH bouwen. Het is eerder zijn zoon Salomo die voor God een paleis bouwt.
Maar we weten allemaal hoe het met Salomo afgelopen is. En ook met de tempel die Hij heeft laten bouwen. Er is geen steen van overeind gebleven tot op de huidige dag.
Daarom zullen we bij het lezen van de laatste verzen ook moeten denken aan de meerdere Salomo, de Messias. Laten we deze woorden nog eens lezen:
11En het zal gebeuren, wanneer uw dagen voorbij zijn en u heen gaat naar uw vaderen, dat Ik uw Nakomeling na u, die een van uw zonen zal zijn, zal doen opstaan, en Ik zal zijn koningschap bevestigen.
Even tussen door: Jezus was de nakomeling van David, de Zoon van David genoemd. Direct al in het Nieuwe of tweede testament in het eerste vers, in Mattheüs 1:1 vers 1 lezen we:
Het geslachtsregister van Jezus Christus, de Zoon van David, de Zoon van Abraham.
En dan lezen we weer verder in 1 Kronieken 17
12Die zal voor Mij een huis bouwen, en Ik zal zijn troon voor eeuwig bevestigen.
13.Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een Zoon zijn, en Mijn goedertierenheid zal Ik niet van Hem wegnemen, zoals Ik die weggenomen heb van hem die er vóór u was,
- maar Ik zal Hem in Mijn huis en in Mijn koningschap voor eeuwig stand doen houden, en Zijn troon zal voor Eeuwig zeker zijn.
En tijdens Zijn omwandeling op aarde bevestigd Jezus deze woorden ook wanneer we Hem horen getuigen: Jezus antwoordde en zei tegen hen: Breek deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem laten herrijzen.
In Zijn koningschap zal voor eeuwig stand houden, en Zijn troon zal voor Eeuwig zeker zijn.
Als dat geen zegen is.
Een volgende keer hopen we verder na te denken over Gods woning,
We gaan luisteren naar het lied Nabij Gods hoogverheven troon. En meezingen mag hoor!
Psalm 138 -10-: Over Gods woning gesproken -2-
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3 Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
Over Gods woning gesproken -2-
We denken weer wat verder na over Gods woning, de Tempel van JHWH. Een beschrijving van de bouw van het huis van JHWH is te vinden in 1 Koningen 6. In dat hoofdstuk wordt het woord het Hebreeuwse woord ‘hekal’ gebruikt om het gebied net buiten het binnenste heiligdom van het huis van JHWH aan te duiden.
Het huis, dat wil zeggen het schip [ha-hekal] vóór het binnenste heiligdom was veertig el lang. Er was cederhout op het huis binnen, gesneden in de vorm van kalebassen en open bloemen; alles was cederhout, er was geen steen te zien.
Het woord hekal wordt niet uitsluitend vertaald als “tempel”. Vaak wordt hekal vertaald als schip of paleis. En het woord wordt niet uitsluitend gebruikt om een huis voor God te beschrijven. Zelfs vijanden van Gods volk hadden hekals.
Achab, de koning van Samaria, en zijn vrouw Izebel hadden een hekal ( 1 Koningen 21 :1). Er was een hekal in Nineve, de meest bevolkte stad van de Assyriërs ( Nahum 2 :6-8) en zelfs de koning van Babylon had een hekal:
We lezen daarvan in 2 Koningen 20:16-18
Toen zei Jesaja tegen Hizkia: ‘Hoor het woord van JHWH: ‘Zie, er komen dagen dat alles wat in uw huis is, en alles wat uw vaderen tot op de dag van vandaag in voorraad hebben, naar Babylon zal worden gedragen; er zal niets meer overblijven’, zegt JHWH. 'Sommige van uw zonen die uit u voortkomen en die u zult verwekken, zullen worden weggenomen; en zij zullen ambtenaren worden in het paleis [b'hekal] van de koning van Babylon.'”
Royalty's van alle nationaliteiten hadden hekals. De hekal was geen tempel, zoals een kerk, maar een chique huis. Salomo bouwde een paleis op aarde waar JHWH in kon wonen. Tegenwoordig gaan mensen naar een kerk of synagoge om hun Schepper te aanbidden en te leren kennen. Vervolgens gingen mensen naar de Tempel in Jeruzalem (het Huis van JHWH ) om verzoening aan te bieden, via een bemiddelende priester. De priester zou God aankijken in het binnenste heiligdom, ook wel bekend als het Heilige der heiligen. De aanwezigheid van God JHWH verblijft niet fysiek in elke Kerk (hoewel Zijn Geest dat wel zou kunnen), maar voor het Joodse volk was de Tempel de enige plaats waar God op aarde kon, zou en zal wonen.
We lezen daarvan in 2 Kronieken 6:1-2, 18-21
Toen zei Salomo: ‘JHWH heeft gezegd dat Hij in de dikke wolk zou wonen. Ik heb voor U een verheven huis gebouwd, en een plaats voor Uw woning voor altijd ...
… Maar zal God inderdaad bij de mensheid op aarde wonen? Zie, de hemel en de hoogste hemel kunnen U niet bevatten; hoeveel minder dit huis dat ik heb gebouwd. Houd toch rekening met het gebed van Uw dienaar en met zijn smeekbede, O JHWH, mijn God, om te luisteren naar de roep en het gebed dat Uw dienaar voor U bidt; dat Uw oog dag en nacht open mag zijn naar dit huis, naar de plaats waarvan U hebt gezegd dat U Uw naam daar zou plaatsen, om te luisteren naar het gebed dat Uw dienaar voor deze plaats zal bidden. Luister naar de smeekbeden van Uw dienaar en van Uw volk Israël wanneer zij in de richting van deze plaats bidden; hoor vanuit Uw woonplaats, vanuit de hemel; hoor en vergeef. ”
Het Joodse volk legde grote nadruk op de Tempel. Het was een fysieke ruimte waar ze naar konden kijken, een plek waar ze hun gebeden en hun hoop op konden richten .
Maar JHWH waarschuwde de mensen dat de Tempel niet het doel was. Dit moest een levend geloof zijn. Het was en is niet de bedoeling dat we een gebouw of een bepaalde geloofsrichting zouden of zullen aan bidden, maar dat we de Schepper zouden en zullen aanbidden.
Hoewel de tempel in hat jaar 70 uiteindelijk werd verwoest, had God al een plan voor een Nieuwe Tempel gemaakt. Maar deze nieuwe tempel leek in niets op wat hij ooit was geweest... en hij bevond zich op een heel verrassende plek.
God had bijzondere waardering voor Zijn Tempel, gebouwd door mensen, maar Hij gaf zoveel meer om de dingen die Hij schiep. Toen de Tempel voor de tweede keer werd verwoest kwam er een Nieuwe Tempel voor in de plaats. De Tempel zou niet langer een gebouw zijn, gemaakt uit hout of steen... de nieuwe Tempel waar God zou verblijven, zou zich bevinden in het lichaam van degenen die Hem liefhebben te beginnen met Zijn eigen Zoon, de Messias:
En als dat geen zegen is.
De volgende keer hopen we hier verder over na te denken.
Psalm 138 -11-: Over Gods woning gesproken -3-
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3 Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
Over Gods woning gesproken -3-
De voorgaand keer eindigden we met de woorden dat hoewel God of Adonai bijzondere waardering had voor Zijn Tempel, gebouwd door mensen, maar dat het Hem meer ging over dat wat Hij schiep. Toen de Tempel voor de tweede keer werd verwoest kwam er een nieuwe Tempel voor in de plaats. De Tempel zou niet langer een gebouw zijn, gemaakt uit hout of steen maar de nieuwe Tempel waar God zou verblijven, zou zich bevinden in het lichaam van degenen die Hem liefhebben te beginnen met Zijn eigen Zoon, de Messias:
In Johannes 2:13-22, horen we de Heere Jezus, Yeshua daarvan Zelf het spreken:
13. En het Pascha van de Joden was nabij en Jezus ging naar Jeruzalem.
- En Hij trof in de tempel mensen aan die runderen, schapen en duiven verkochten, en de geldwisselaars die daar zaten.
- En nadat Hij een gesel van touwen gemaakt had, dreef Hij ze allen de tempel uit, ook de schapen en de runderen. En het geld van de wisselaars wierp Hij op de grond en de tafels keerde Hij om.
- En Hij zei tegen hen die de duiven verkochten: Neem deze dingen van hier weg, maak niet het huis van Mijn Vader tot een huis van koophandel.
- En Zijn discipelen herinnerden zich dat er geschreven is: De ijver voor Uw huis heeft mij verslonden.
- Toen antwoordden de Joden en zeiden tegen Hem: Welk teken laat U ons zien dat U het recht hebt deze dingen te doen?
- Jezus antwoordde en zei tegen hen: Breek deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem laten herrijzen.
- De Joden zeiden dan: Zesenveertig jaar is aan deze tempel gebouwd, en Ú zult hem in drie dagen laten herrijzen?
- Maar Hij sprak over de tempel van Zijn lichaam.
- Toen Hij dan uit de doden was opgewekt, herinnerden Zijn discipelen zich dat Hij dit tegen hen gezegd had en geloofden zij de Schrift en het woord dat Jezus gesproken had.
Nog een keer: 21. Maar Hij sprak over de tempel van Zijn lichaam.
De tempel van Zijn Lichaam. De plaats waar God leefde.
Ik weet niet hoe u deze geschiedenis in uw hart altijd las of leest. Maar als ik eerlijk ben dan las ik dit gedeelte altijd een beetje met achter in mijn hoofd de gedachte: Wat hebben die Joden er eigenlijk toch een bende van gemaakt door de tempel, de plaats waar God verheerlijkt wilde worden tot een koopmanshuis gemaakt.
Maar ineens kwam vanmorgen bij mij de gedachte naar boven met de vraag: Maar als mijn lichaam een tempel is van de Heilige Geest, hoe ziet dat er dan uit? En dan niet mijn fysieke lichaam, waarvan veel mensen in dit verband wijzen op het feit dat je zuinig moet zijn op je lichaam, dus niet overmatig eten, niet overmatig drinken, niet roken omdat je lichaam een tempel van de Heilige Geest is.
Maar als mijn lichaam een tempel is van de Heilige Geest, hoe ziet het er dan van binnenuit? Geestelijk gezien. Want van buiten kan het er misschien wel allemaal prachtig uit zien, maar wat bevindt zich dan aan de binnenkant van Gods Tempel, mijn lichaam? Ik moet u eerlijk bekennen dat runderen, schapen en duiven niet zozeer mijn gedachten beheersen, maar de geldwisselaars komen toch wel vaak akelig dicht in de buurt. Ik hoorde een spreker ooit wel eens zeggen dat het laatste wat van een mens bekeerd wordt dat dat zijn portemonnee is. Misschien niet bij u of jou. Maar wat leeft er in jouw hart, zo in het dagelijks leven? Waar gaan jouw gedachten naar uit. Waar zijn de gedachten van jou en mij gedurende de dag. Natuurlijk je moet je werk doen, de boodschappen moeten in huis gehaald worden en er zijn nog zoveel meer dingen die onze aandacht vragen. Allemaal goed. Maar het kunnen natuurlijk ook allemaal godsdienstige gedachten zijn. In dat verband moest ik denken aan een wel heel erg boute uitspraak van Jezus tijdens Zijn omwandeling op aarde over de farizeeën. De mensen die nagenoeg de hele dag bezig waren met Godsdienstige zaken mogen we aannemen, maar die Jezus beoordeelde als wit gepleisterde graven. Van de buitenkant prachtig en mooi, maar aan de binnenkant zo dood als een pier…
Toen ik vanmorgen deze geschiedenis over de reiniging van de tempel las was dat bij wijze van spreken weer eens een wake-up- call een herinnering om mijzelf weer eens te onderzoeken: Maar wat leeft er in mijn gedachten, wat stempelt gedurende de dag mijn gedachten.
En misschien klinkt het wel een beetje radicaal, maar alles wat niet Jezus is, dat moet er uit.
Luister maar:
En nadat Hij een gesel van touwen gemaakt had, dreef Hij ze allen de tempel uit… maak niet het huis van Mijn Vader tot een huis van koophandel.
Alles wat niet Jezus is dat moet er uit. Misschien klinkt dat hard en radicaal, maar wanneer we werkelijk in het leven van alle dag Hem centraal stellen dan zal dat tot zegen zijn. Niet alleen voor jezelf maar ook voor de omgeving waarin wij leven.
En als dat geen zegen is.
Psalm 138 -12-: Over Gods woning gesproken -4-
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3 Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
Over Gods woning gesproken -4-
De voorgaande keer zagen we een haast ongelooflijke waarheid. Paulus schrijft aan de gemeente van God die in Korinthe is, aan de geheiligden in Christus Jezus, geroepen heiligen, met allen die de Naam van onze Heere Jezus Christus aanroepen, in elke plaats, zowel hun als onze Heere, de volgende woorden:
1 Korinthe 3:16 Weet u niet dat u Gods tempel bent en dat de Geest van God in u woont?
En Paulus schrijft aan zijn geliefde zoon Timotheüs in zijn tweede briefje in 2 Timotheüs 1:
13 Houd u aan het voorbeeld van de gezonde woorden, die u van mij gehoord hebt, in geloof en liefde, die in Christus Jezus zijn.
- Bewaar door de Heilige Geest, Die in ons woont, het goede pand, dat u toevertrouwd is.
Ik weet niet hoe u het beleeft, maar wanneer we in Hem ons vertrouwen gesteld hebben, staat hier dat de Heilige Geest, in ons woont. De Heilige Geest, de Geest van God heeft dan woning in je gemaakt. Hoe is het mogelijk.
O, diepte van rijkdom, zowel van wijsheid als van kennis van God, hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen!
Want wie heeft de gedachten van de Heere gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?
Of wie heeft Hem eerst iets gegeven en het zal hem vergolden worden?
Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid, tot in eeuwigheid. Amen.
Deze woorden lezen we in Romeinen 11, maar kunnen we ook nu wel toepassen.
Toen de Heere Jezus het over de komst van de Heilige Geest had, zei Hij: “Te dien dage zult gij weten dat Ik in mijn Vader ben en gij in Mij en Ik in u” (Johannes 14:20).
Hoe we ons dit nu precies moeten voorstellen, weet ik niet, maar het spreekt in ieder geval van een zeer intieme relatie. In vers 23 zegt de Jezus/Yeshua het zo: “Indien iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord bewaren en mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen.”
Hier lezen we dus letterlijk dat God de Vader en God de Zoon door God de Heilige Geest in ons komen wonen. Dit gaat ons bevattingsvermogen ver te boven: Zo schrijft Paulus in 1 Korintiërs 6:19 dat door het geloof in de Heere Jezus ons lichaam een tempel van de Heilige Geest geworden is, ‘die in ons woont’.
Later schrijft hij aan de gemeente in Efeze: ‘Opdat Christus door het geloof in uw harten woning make’ (Efeziërs 3:17). Zijn we ons ervan bewust dat Hij persoonlijk in ons woont en dat we Hem kunnen grootmaken, eren en verblijden, maar ook kunnen bedroeven? In Efeziërs 4:30 staat: ‘Bedroeft de Heilige Geest Gods niet.’ In de Heilige Geest ontvangen we niet ‘iets’, maar ‘Iemand’ waarmee we ons verdere leven behoren te delen en een relatie aangaan.
Voor velen betekent de Heilige Geest niets anders dan kracht, blijdschap, enthousiasme, vrede, terwijl vergeten wordt dat Hij een persoon is die ons juist deze kracht, blijdschap, vrede en enthousiasme geeft.
Heeft u de Heere Jezus al uitgenodigd om bij u woning te maken? In Openbaring 3:20 lezen we dat Hij aan de deur staat en klopt. Laat u Hem buiten staan, of heeft u Hem al uitgenodigd binnen te komen?
We lezen in Genesis 1:26-27 dat God de mens ‘naar Zijn beeld schiep’, terwijl Hij de dieren ‘naar hun aard’ schiep. Het unieke van de mens was, dat Heere de mens, u en mij zó geschapen had dat Hij met hem een relatie aan kon gaan en met hem kon spreken.
De eerste keer dat Hij tot de mens spreekt, vinden we dan ook in Genesis 1:28, waar we kunnen lezen hoe de Heere God de mens de opdracht gaf om vruchtbaar te zijn, de aarde te onderwerpen en over haar te heersen. Deze opdracht kon de mens alleen vervullen omdat hij naar Gods beeld geschapen was. Toen de mens door de zondeval dit goddelijke leven kwijtraakte, was de mens niet meer in staat om over de aarde te heersen en kon hij ook niet meer een afbeelding van God zijn.
Door het ontvangen van de Heilige Geest in ons leven, zijn we weer opnieuw in staat om als beelddragers van God in deze wereld te leven. Door de werking van Gods Geest in ons leven gaan we steeds meer op Zijn beeld lijken. In Galaten 5:22 lezen we hoe dit beeld van God eruitziet: ‘De vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing.’
2 Korinthe 3:18 Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van de Heere als in een spiegel aanschouwen, worden van gedaante veranderd naar hetzelfde beeld, van heerlijkheid tot heerlijkheid, zoals dit door de Geest van de Heere bewerkt wordt.
Wij kunnen onszelf niet veranderen, maar worden veranderd door de werking van de Heilige Gees.
En als dat geen zegen is,
Het laatste couplet van lied 187 (JdH) vat het heel mooi samen:
Ja, Heer hervorm mij naar Uw beeld, ’t is al wat mij bekoort,
gedoog niet, dat de zonde leeft in ’t hart dat u behoort.
Blijf met Uw liefde zo nabij, dat ik de zonde schuw’;
dat steeds Uw wil de mijne zij, maak mij een beeld van U.
Het is een wat oude opname die ik gevonden heb, maar vergeef me:
Psalm 138 -13-: Over Gods woning gesproken -5-
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3 Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
Over Gods woning gesproken -5-
We denken nog heel even na over dit onderwerp.
Aan het einde van het scheppen (van de mens) zegende God de mens en zei: wees vruchtbaar en wordt talrijk en vervul (Hebreeuws: מלא ‘mala’) de aarde. Nadat de mens de aarde met geweld had vervuld (mala), kreeg Noach nogmaals deze opdracht: wees vruchtbaar en wordt talrijk en vervul (mala) de aarde.
In de woestijn, na het bouwen van de tabernakel kwam God bij de mensen wonen en hij vulde (Hebreeuws: mala) de tabernakel met Zijn glorie. Na het bouwen van de tempel door Salomo vervulde (mala) God de tempel.
Het Hebreeuwse woord voor vervullen is mala en we vinden dat in dit verband op verschillende plaatsen in de Bijbel. We zullen er een paar noemen:
Psalm 72:19
Geloofd zij voor eeuwig Zijn heerlijke Naam; laat heel de aarde met Zijn heerlijkheid vervuld worden.
Jeremia 23:23-24
Ben Ik een God van nabij, spreekt de HEERE, en niet een God van verre?
Zou iemand zich op verborgen plaatsen kunnen verbergen en zou Ík hem niet zien? spreekt de HEERE. Vervul Ik niet de hemel en de aarde? spreekt de HEERE.
In het nieuwe- of tweede testament zien we dat de heilige Geest ieder mens wil vervullen. Deze belofte was al in Jeremia gedaan. Het pinksterfeest viel op de dag van het wekenfeest.
We lezen in Jeremia 31:33:
Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn.
Jezus (Yeshua) maakt dit heel persoonlijk door te zeggen dat de Vader, de Zoon en de Geest intrek willen nemen bij de mens die Hem liefheeft en Zijn Woord in acht neemt.
We lezen daarover in Johannes 14:23:
Jezus antwoordde en zei tegen hem: Als iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn woord in acht nemen; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen naar hem toe komen en bij hem intrek nemen.
Paulus neemt deze beelden van de tabernakel en de tempel en past deze toe op de gelovige.
We lezen in 2 Korintiërs 6:16:
Want u bent de tempel van de levende God, zoals God gezegd heeft: Ik zal in hun midden wonen en onder hen wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen Mijn volk zijn.
Wanneer wij door genade tot het geloof in Christus de Messias gekomen zijn, zijn u, jij en ik de plek, de persoon, waar God wil wonen. Ik kan, terwijl ik het schrijf en zeg bijna niet geloven, maar de Schrift zegt het Wij zijn een tempel van God, wij zijn Zijn woonplaats. En ik kan het niet genoeg zeggen: Er is niets, maar dan ook niets, geen nagelschrap van ons zelf bij, maar het is uit pure genade dat Hij ons dat schenkt.
Maar dan is er nog iets over het Hebreeuwse woord voor vervullen: Mala. Want wat bedoelt de bijbel precies met dit woord en welke gebeurtenissen koppelt de Bijbel aan dit woord.
Het Hebreeuwse woord voor ‘ik’ is ‘ani’. Dat schrijf je met de letter alef, de nun en de yod.
De eerste letter van het alfabet is de alef en dat wordt ook wel de Godsletter genoemd. Deze letter zit vaak zonder deze te horen in een woord. Je zou zo gezien kunnen zeggen: alsof God altijd overal aanwezig is. De alef in het woord voor ‘ik’ spreek je uit als een ‘a’ door de klinkertekens. Precies dezelfde uitspraak heeft het woord arm.
Wat is het verschil in de taal? De Godsletter is vervangen door een andere letter die ook vaak geen uitspraak kent. En wat is de betekenis van dit woord zonder de alef? Leeg, arm…
Wat ik hiermee wil zeggen: Zonder de Aleph, zonder God zijn we leeg. Maar Hij wil heel graag in ons wonen. Hij wil ons vervullen. En door Jezus (Yeshua), door Zijn offer, kunnen we in direct contact staan met de heilige, almachtige God en Schepper van alles.
En als dat geen zegen is.
https://www.youtube.com/watch?v=R7dXFSqjDUE
Psalm 138 -14-: Over Gods chesed of genade gesproken -1-
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3 Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
Over Gods chesed of genade gesproken -1-
Hoewel de tempel in Jeruzalem pas na de dood van David werd gebouwd, sluit dit David niet uit als de componist van deze psalmen. Sommigen wijzen erop dat het woord voor tempel hier een algemeen woord was dat kon verwijzen naar de tabernakelstructuur die David bouwde voor de ark in Jeruzalem.
Bovendien is het mogelijk dat David doelde op Gods tempel in de hemel. We moeten ook bedenken dat David uitkeek naar de tijd van Gods koninkrijk, wanneer er klaarblijkelijk een tempel in Jeruzalem zal staan, zoals blijkt uit de slothoofdstukken van het boek Ezechiël. Een andere mogelijkheid die we in gedachten moeten houden is dat David deze liederen gecomponeerd heeft om na zijn dood tijdens de tempelaanbidding gezongen te worden.
David zegt dat Hij God zal loven "voor Uw goedertierenheid en Uw waarheid" (Psalm 138:2). Het woord goedertierenheid is een vertaling van de belangrijke Hebreeuwse term chesed, wat ook ‘genade’, ‘loyale liefde’ of ‘toewijding’ kan betekenen.
Het woord dat met 'waarheid' wordt weergegeven, ‘emet’, is niet alleen de tegenstelling van onwaarheid, dus leugen, maar wordt ook opgevat als een verwijzing naar de kwaliteit van het trouw zijn aan iemands woord.
Deze woorden voor goedertierenheid en waarheid worden vaak met elkaar gecombineerd.
We vinden deze terminologie ook in het Nieuwe- of tweede Testament als “genade en waarheid” (Johannes 1:14).
En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid.
Voortbouwend op deze beschrijving van Gods karakter zegt David verder: “Want U hebt Uw woord groot gemaakt boven al Uw naam” (Psalm 138:2).
Volgens de Hebreeuwse indeling van deze tekst is de eigenlijke woordvolgorde: "Want U hebt vooral Uw naam Uw woord vergroot" (JP Green, The Interlinear Bible).
De betekenis lijkt te zijn dat God wie Hij is niet boven wat Hij heeft gezegd stelt. In plaats daarvan komt wat Hij heeft gezegd op de eerste plaats.
Hij heeft Zichzelf verplicht zich te houden aan alles wat Hij heeft verklaard. Dit is echt geweldig om over na te denken. Het zou ons er allemaal toe moeten brengen om ons met David aan te sluiten in oprechte aanbidding en lofprijzing.
Als dat geen zegen is.
https://www.youtube.com/watch?v=-XfJNbKrLqU
We sluiten af met een lied uit Israel waarin de genade, de chesed voluit bezongen wordt.
Psalm 138 -15-: Over Gods chesed of genade gesproken -2-
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3 Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
Over Gods chesed of genade gesproken -2-
Onze God is een God van goedertierenheid en trouw. We kunnen de Heere God op Zijn Woord geloven. Want Hij is trouw aan Zijn Woord.
Op zich is dat al een zegen. Want laten we maar heel eerlijk zijn, we komen dat niet meer zo vaak tegen in het leven van alles dag. In de tijd waarin wij leven wordt er van alles beloofd, maar beloften nakomen blijkt toch een heel ander verhaal. Kijk maar eens in de politiek. Maar de Heere God komt Zijn Woord altijd na. David buigt zich neer en looft de Naam van de Heere om Zijn goedertierenheid en trouw.
Misschien is dat wel het moeilijkst in het leven van Gods kinderen: volledig te vertrouwen op de Heere God, onze hemelse Vader. Toch zal dat vertrouwen nooit beschaamd worden, want trouw is één van de ‘kenmerken’ van God. God is trouw aan Zijn Woord en beloften, en dat geeft ons rust en zekerheid voor de toekomst! Wij mogen in alle omstandigheden op Hem vertrouwen, want Hij komt - hoe dan ook - tot Zijn doel!
Wij vinden Gods trouw bijvoorbeeld terug in het leven van Job. De satan voerde, onder de toelating van God, zijn verwoestende aanvallen uit op Job, die een "vroom en rechtvaardig man" genoemd wordt.
Temidden van alle ellende getuigt Job van zijn geloof: "Maar ik weet: mijn Losser leeft en ten laatste zal Hij op het stof optreden. Nadat mijn huid aldus geschonden is, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen." (Job 19:25,26)
Hij wist, d.i. hij geloofde (!), dat zijn Verlosser het laatste woord zou hebben en de tegenstander zou overwinnen.
Weet u, de boze kan zijn verdervende activiteiten slechts uitoefenen binnen de grenzen van de oude schepping, het voelbare, het tastbare, de uiterlijke, zichtbare dingen ('huid'). De binnenkant, de geesteljke, inwendige of nieuwe mens, is voor hem onbereikbaar. Het nieuwe leven dat wij ontvangen hebben is immers "…verborgen met Christus in God"! Dát is wat wij altijd mogen vasthouden. Job verdroeg het lijden. Hij vertrouwde op de HEERE, zijn Verlosser en zag op de toekomst, waarin het lijden veranderd zou worden in heerlijkheid. De afloop van het boek Job getuigt daarvan. Later schrijft Paulus daar ook over: "Want ik ben er zeker van dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden." (Rom. 8:18)
Hoezeer de duivel ons ook belaagt en zijn brandende pijlen op ons afvuurt, dat verandert niets aan de positie die God ons in de Messias heeft gegeven. God is onze toevlucht en onze vesting.
Vroeger waren wij dood in overtredingen en zonden, onderworpen aan de macht der zonde en der duisternis (Efe. 2:1-3), maar door Zijn grote liefde heeft God ons daaruit bevrijd en ons "mede levend gemaakt met Christus - door genade zijt gij behouden - en heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus..." (Efe. 2:4-6)
God heeft ons verlost, wij behoren Hem toe, en Hij zal Zijn werk in ons voleindigen, zoals Paulus ook schrijft aan de Filippenzen, om hen te bemoedigen: "Hiervan toch ben ik ten volle overtuigd, dat Hij, Die in u een goed werk is begonnen, dit ten einde toe zal voortzetten, tot de dag van Christus Jezus.” (Fil. 1:6)
Niets of niemand, ook satan niet, kan Gods werk ongedaan maken. Niemand kan God verhinderen Zijn plannen te volvoeren, ook niet als het gaat om uw en mijn persoonlijk leven. God is getrouw... en Zijn plannen falen niet!
Als dat geen zegen is.
God van trouw
U verandert nooit
Eeuwige, U mijn Vredevorst
Aller Heer, ik vertrouw op U
Heer, ik roep tot U
Opnieuw en opnieuw
Heer, ik roep tot U
Opnieuw en opnieuw
U bent mijn rots wanneer ik wankel
U richt mij op wanneer ik val
Dwars door de storm
Bent U Heer, het anker
Ik stel mijn hoop alleen op U
Psalm 138 -16-: Over Gods verhoring gesproken -1-
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3 Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
Over Gods verhoring gesproken -1-
Vandaag maken we een stapje naar vers 3 van de psalm waar we lazen: Op de dag dat ik riep, hebt u mij verhoord.
En laat ik bij wijze van spreken maar direct met de deur in huis vallen: Wie denkt er bij het lezen van deze woorden niet direct aan onze onverhoorde gebeden. Misschien is het zo dat we al wel duizendmaal om iets gebeden en bleef het bij wijze van spreken stil en werd het gebed niet verhoord.
Het is nog geen jaar geleden dat onze familie bij wijze van spreken de hemel bestormde om het behoud van een lieve neef en vader van een jong gezin om die in het leven te behouden, maar uiteindelijk heeft Vader hem thuisgehaald.
En ook u en jij zal, wanneer we oprecht zijn, ongetwijfeld te maken hebben met gebeden die niet verhoord zijn. Laat staan dat uw gebed op de dag dat je riep, werd verhoord.
En soms ontmoet je mensen die, en ik bedoel dit niet spottend, bij wijze van spreken bij de Heere God of bij de Heilige Geest, op schoot zitten en altijd maar antwoord schijnen te krijgen in situaties die zich voor doen. Bij wijze van spreken een briefje uit de hemel krijgen wanneer zij daarom vragen.
En laten we maar heel eerlijk zijn. Hoeveel onverhoorde gebeden liggen er niet al in uw, jouw en mijn leven. Hoeveel huwelijken zijn er niet kinderloos gebleven terwijl de man en de vrouw bij wijze van spreken de troon van God bestormd hebben? Hoeveel mensen zijn er niet die gebeden hebben om genezing en toch gestorven zijn? Hoeveel mensen zijn er niet die gebeden hebben om verandering in hun persoonlijke situatie maar dat de hemel bij wijze van spreken ‘van koper’ bleek en het bij wijze van spreken ‘stil aan de overkant bleef’?
En dan lezen we vanmorgen: Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord.
En dan komen de vragen en.
Is dit woord van God wel waar. Is God wel op Zijn Woord te vertrouwen? Waarom antwoord Hij mij dan niet als ik lees dat op de dag dat ik roep, hij verhoort? Of ben ik wel genoeg gelovig? Is mijn geloof wel groot genoeg? Bid ik wel naar Gods wil?
Maar weet u, er zijn in het Woord van God ook onverhoorde gebeden.
Ik moest denken aan het gebed van de Heere Jezus, Yeshua, daar op de Olijfberg, waar we nota bene getuige zijn van misschien wel het intiemste gebed tussen de Zoon en zijn Vader. Zullen we het eens lezen?
32 En zij kwamen op een plaats waarvan de naam Gethsémané was, en Hij zei tegen Zijn discipelen: Ga hier zitten totdat Ik gebeden zal hebben.
33 En Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met Zich mee en begon ontdaan en zeer angstig te worden;
34 en Hij zei tegen hen: Mijn ziel is zeer bedroefd, tot de dood toe; blijf hier en waak.
35 En toen Hij iets verder gegaan was, wierp Hij Zich ter aarde en bad dat, als het mogelijk was, dat uur aan Hem voorbij zou gaan.
36 En Hij zei: Abba, Vader, alle dingen zijn mogelijk voor U; neem deze drinkbeker van Mij weg, maar niet wat Ik wil, maar wat U wilt.
Weet u, met alle eerbied en voorzichtigheid gesproken hoor, maar wat mogen we eeuwig dankbaar zijn dat Vader dit gebed niet verhoord heeft. Uiteindelijk heeft de kruisdood en de opstanding van Jezus Hem en ons het allergrootste geluk gebracht. Want het is volbracht, horen we een dag later op Golgotha klinken.
En als dat geen zegen is.
Psalm 138 -17-: Over gebedsverhoring gesproken -2-
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3 Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
Over gebedsverhoring gesproken -2-
Ook vandaag denken we weer verder na over de woorden uit vers 3 waar we lazen:
Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord
De voorgaande keer stonden we stil bij het dilemma van de onverhoorde gebeden. Bij wijze van spreken het gevecht dat wij soms voeren wanneer ons gebed niet gehoord of verhoord lijkt te worden en welke gedachten dat allemaal bij ons op kan roepen. En we waren bij wijze van spreken getuige bij een onverhoord gebed van de Heiland daar op de Olijfberg.
Maar een ander voorbeeld dat mij te binnen schiet is het onverhoorde gebed van Paulus. Een gebed dat we misschien allemaal wel kennen, wanneer we worstelen met een onverhoord gebed. Paulus schrijft daar heel eerlijk en onomwonden over in 2 Korinthe 12:
7 En opdat ik mij door het alles overtreffende karakter van de openbaringen niet zou verheffen, is mij een doorn in het vlees gegeven, een engel van de satan, om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij niet zou verheffen.
8 Hierover heb ik de Heere driemaal gesmeekt dat hij van mij weg zou gaan.
9 Maar Hij heeft tegen mij gezegd: Mijn genade is voor u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Daarom zal ik veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij komt wonen.
10 Daarom heb ik een behagen in zwakheden, in smadelijke behandelingen, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus' wil. Want wanneer ik zwak ben, dan ben ik machtig.
Een onverhoord gebed van Paulus. De vraag kan bij ons opkomen waarom het gebed van Paulus, een toch wel bijzonder oprechte gelovige en dienstknecht van de Heere God niet verhoord werd. En het antwoord op die vraag vinden we direct als tot twee keer toe in het eerst gelezen vers: Opdat ik mijn niet zou verheffen. Verheffen, een ander woord voor hoogmoed.
En opdat ik mij door het alles overtreffende karakter van de openbaringen niet zou verheffen, is mij een doorn in het vlees gegeven, een engel van de satan, om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij niet zou verheffen.
Paulus getuigt van het alles overtreffende karakter van de openbaringen die Hij van de Heere God ontving en ontvangen had en zou zich wat dat betreft kunnen verheffen of hoogmoedig kunnen worden, maar de Heere God staat dat niet toe en geeft hem een doorn in het vlees.
Er zijn bij wijze van spreken boeken vol geschreven over waar de doorn in het vlees op zou kunnen duiden waarover Paulus schrijft, maar het antwoord blijkt verrassend eenvoudig omdat hij er zelf uitsluitsel over geeft, luister maar: openbaringen niet zou verheffen, is mij een doorn in het vlees gegeven, een engel van de satan, om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij niet zou verheffen.
In onze zoektocht naar wat de doorn in het vlees van Paulus zou kunnen zijn, moeten we gewoon maar genoegen nemen met de verklaring van Paulus: Het was een engel van satan in zijn vlees.
Misschien zien we in het eerste testament een vergelijkbare situatie waar we lezen over Job. Je weet wel, ook zo’n oprecht gelovige van wie de Heere God Zelf getuigd in Job 1 vers 1:
Job 1:1 Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job. En die man was vroom en oprecht; hij was godvrezend en keerde zich af van het kwaad.
Maar dan lezen we ook in Job 2 vers 6: En de HEERE zei tegen de satan: Zie, hij is in uw hand, maar spaar zijn leven. 7Toen ging de satan weg van het aangezicht van de HEERE en hij trof Job met vreselijke zweren, van zijn voetzool af tot aan zijn schedel.
En we weten allemaal wat Job overkomen is. Het is eigenlijk met geen pen te beschrijven wat hem in Zijn leven overkomen is. Toch? Zo zeer zelfs dat zijn vrouw tegen hem zegt: Joh, zegen God en sterf.
In beide teksten, bij zowel Paulus als bij Job zien we overeenkomsten. Het waren beiden kinderen van God. Beiden waren vroom en oprecht, godvrezend en beiden werden geplaagd door een engel van satan.
Een volgende keer hopen we met elkaar verder na te denken over dit onderwerp, maar ik dacht dat het goed is om nu te eindigen met de woorden uit de brief van de Hebreeën, zoals we die vinden in hoofdstuk 12:
1Welnu dan, laten ook wij, nu wij door zo’n menigte menigte - Letterlijk: wolk. van getuigen omringd worden, afleggen alle last en de zonde, die ons zo gemakkelijk verstrikt. En laten wij met volharding de wedloop lopen die voor ons ligt,
2terwijl wij het oog gericht houden op Jezus, de Leidsman en Voleinder van het geloof. Hij heeft om de vreugde die Hem in het vooruitzicht was gesteld, het kruis verdragen en de schande veracht en zit nu aan de rechterhand van de troon van God.
3Want let toch scherp op Hem Die zo'n tegenspraak van de zondaars tegen Zich heeft verdragen, opdat u niet verzwakt en bezwijkt in uw zielen.
4U hebt nog niet tot bloedens toe weerstand geboden in uw strijd tegen de zonde.
5En u bent de vermaning vergeten waarmee u als kinderen wordt aangesproken: Mijn zoon, acht de bestraffing van de Heere niet gering en bezwijk niet, als u door Hem terechtgewezen wordt.
6Want de Heere bestraft wie Hij liefheeft, en Hij geselt iedere zoon die Hij aanneemt.
7Als u bestraffing verdraagt, behandelt God u als kinderen. Want welk kind is er dat niet door zijn vader bestraft wordt?
8Maar als u zonder bestraffing bent, waar allen deel aan hebben gekregen, bent u bastaarden en geen kinderen.
9En verder hadden wij onze aardse vaders aardse vaders - Letterlijk: vaders van ons vlees. als opvoeders, en wij hadden ontzag voor hen. Zullen wij ons dan niet veel meer onderwerpen aan de Vader van de geesten, en leven?
10Want zij hebben ons wel voor een korte tijd naar het hun goed dacht bestraft, maar Hij doet dat tot ons nut, opdat wij deel krijgen aan Zijn heiligheid.
11En elke bestraffing schijnt op het moment zelf wel geen reden tot blijdschap te zijn, maar tot droefheid. Maar later geeft zij hun die erdoor geoefend zijn een vreedzame vrucht van gerechtigheid.
12 Hef daarom de slappe handen op en strek de knikkende knieën,
13en maak rechte sporen voor uw voeten, opdat wat kreupel is, niet wordt ontwricht, maar veeleer genezen wordt.
Als dat geen zegen is.
Filippenzen 4:19 Mijn God zal u, overeenkomstig Zijn rijkdom, voorzien van alles wat u nodig hebt, in heerlijkheid, door Christus Jezus. Onze God en Vader nu zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
Psalm 138 -18-: Over gebedsverhoring gesproken -3-
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3 Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
Over gebedsverhoring gesproken -3-
Heb jij dat soms ook, dat de gedachte bij je naar boven komt dat je gebeden niet verder komen dn het plafond? Of dat je jarenlang om iets bidt en er gebeurt helemaal niets?
En dan lezen we vandaag: Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord. Laat ik maar eerlijk zijn: De keren dat ik tot de HEERE, JHWH, riep en Hij mij dezelfde dag verhoorde zijn bij wijze van spreken op een hand te tellen.
Soms krijg ik wel eens bij bepaalde mensen de indruk dat zij bij wijze van spreken bij de Heere God op schoot zitten en Hij nagenoeg altijd maar antwoord. Misschien ligt het dan wel aan mijn geloof. Aan de andere kant: Henk Binnendijk, wie kent hem niet van de EO, bekende eens in een van zijn toespraken dat de Heere God slechts eenmaal werkelijk tot hem gesproken had. En dat was bij zijn roeping. Daarna sprak de Heere God wel tot Henk, maar uitsluitend door de woorden zoals opgetekend in de Bijbel.
Maar wat moeten we dan met de woorden uit de Psalm: Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord. Met alle eerbied gesproken, het kan toch niet waar zijn dat de dichter van de Psalm elke keer wanneer Hij tot God bad zomaar dezelfde dag altijd maar een antwoord ontving uit de hemel? Of wel? Het zijn de gedachten die telkens maar bij mij opborrelen. Bij u en bij jou niet?
Ik ben daarom maar eens op zoek gegaan naar het Hebreeuwse woord Yom, want misschien ligt daar de sleutel tot een antwoord.
Yom blijkt een Bijbels Hebreeuws woord. Het woord betekent dag in zowel het moderne als het Bijbels Hebreeuws.
Maar hoewel yom in onze vertalingen gewoonlijk met dag wordt weergegeven, blijkt dat het kan het woord yom op verschillende manieren kan worden gebruikt om naar verschillende tijdsaandoeningen te verwijzen. Bij voorbeeld voor een tijdstip (een specifieke dag) of het wordt ook gebruikt voor tijdsperiode van een hele of halve dag, of voor een periode van licht (in tegenstelling tot de periode van duisternis), de tijd tussen zonsopgang tot zonsondergang.
Maar het woord ‘yom’ blijkt ook gebruikt te worden voor tijd (zoals in 'dagen van ons leven') of een jaar "leefde veel dagen" of zelfs voor een tijdsperiode van onbepaalde duur. "dagen en dagen".
Ik zal proberen uit te leggen hoe het komt dat het woord ‘yom’ zoveel betekenissen heeft. Het Bijbels Hebreeuws heeft een beperkte woordenschat, met minder woorden vergeleken met andere talen, zoals Engels of Nederlands. [1] [a] Dit veroorzaakt dat Bijbels Hebreeuwse woorden vaak meerdere betekenissen hebben, afhankelijk van de context.
Zo wordt “yom” in zijn context soms vertaald als: “tijd” (Gen 4:3, Jes. 30:8); "jaar" (1 Koningen 1:1, 2 Kronieken 21:19, Amos 4:4); "leeftijd" (Gen 18:11, 24:1 en 47:28; Jozua 23:1 en 23:2); "altijd" (Deuteronomium 5:29, 6:24 en 14:23, en in 2 Kronieken 18:7); "seizoen" (Genesis 40:4, Jozua 24:7, 2 Kronieken 15:3); tijdperk of dag van 24 uur (Genesis 1:5,8,13,19,23,31).
Yom heeft betrekking op het concept van tijd. Yom is niet alleen voor de dag, de dagen, maar voor de tijd in het algemeen. Hoe yom wordt vertaald, hangt af van de context van het gebruik ervan met andere woorden in de zin eromheen.
Bij mij haalt dat een stuk spanning weg en geeft de ontspanning. Ik mag mijn roepen en mijn gebed in de handen van de Aanwezige leggen in de wetenschap dat Hij er mee doet wat goed is. Misschien verhoort hij vandaag, misschien morgen, volgende week, volgend jaar of aan het eind van mijn leven. Maar misschien ook niet, zoals we bij Jezus en Paulus hebben gezien. Hij weet wat het beste is. Ons roepen heeft Hij gehoord en is bij Hem is goede handen.
Als dat geen zegen is.
Psalm 138 -19-: Over koningen die God loven gesproken -1-
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
4 Alle koningen van de aarde zullen U loven, HEERE,
wanneer zij de woorden uit Uw mond gehoord hebben.
5Zij zullen zingen van de wegen van de HEERE,
want de heerlijkheid van de HEERE is groot.
6 Want de HEERE is verheven
toch ziet Hij om naar de nederige,
maar de hoogmoedige kent Hij van verre.
Over koningen die God loven gesproken -1-
We maken weer een stapje in de Psalm waar we in de afgelopen periode nagedacht hebben over de eerste drie verzen willen we nu een stapje maken naar vers 4 waar we de bijzonder woorden vinden:
Alle koningen van de aarde zullen U loven, HEERE,
wanneer zij de woorden uit Uw mond gehoord hebben.
En het kan zomaar zijn dat je bij wijze van spreken over deze woorden heen leest zonder je werkelijk te realiseren wat je gelezen hebt en het is eigenlijk ongelooflijk maar het staat er werkelijk, geloof het of niet:
Alle koningen van de aarde zullen U loven, HEERE,
wanneer zij de woorden uit Uw mond gehoord hebben.
Zij zullen zingen van de wegen van de HEERE,
want de heerlijkheid van de HEERE is groot.
Daar waar alle machthebbers in de tijd waarin wij leven bij wijze van spreken dood en verderf uitbraken, vaak machtswellustelingen zijn, kijk maar eens op het nieuws, daar zullen zij straks, niet een paar maar
Alle koningen van de aarde zullen U loven, HEERE,
wanneer zij de woorden uit Uw mond gehoord hebben.
Zij zullen zingen van de wegen van de HEERE,
want de heerlijkheid van de HEERE is groot.
Da’s een heel ander vers, toch?
Weet je wat de dichter van Psalm 68 uit volle borst zingt?
32 Vorstelijke gezanten zullen uit Egypte komen,
Cusj zal zich haasten zijn handen naar God uit te strekken. Koninkrijken van de aarde, zing voor God;
zing psalmen voor de Heere, Sela
En wat te denken van Psalm 102:16
De heidenvolken zullen de Naam van de HEERE vrezen,
alle koningen van de aarde Uw heerlijkheid,
17. wanneer de HEERE Sion heeft opgebouwd,
in Zijn heerlijkheid verschenen is,
18. Zich gewend heeft tot het gebed van de allerarmsten,
en hun gebed niet heeft veracht.
Wat een ongelooflijk mooie tijd zal dat zijn. Daar waar we nu veelal leven in een tijd van angst en verdriet, ongekende overstromingen, ongekende bosbranden, ongekende aardbevingen, ongekende hongersnoden, ongekende seksuele uitspattingen, ongekende haat en niet in het laatst ongekende oorlogen, kortom ongekende weeen, zal straks de hemel opengaan.
In de toekomst zal alles wat wij nu geloven en zien met een geestelijk oog, heerlijke, zichtbare, voelbare werkelijkheid worden. Dan zullen wij geopenbaard worden in de heerlijkheid, waaraan wij nu deel gekregen hebben. De Gemeente zal dan gezien worden als een toonbeeld van Gods genade!
Ons leven is nu reeds verborgen met Christus in God en "wanneer Christus verschijnt, Die ons leven is, zult ook gij met hem verschijnen in heerlijkheid" (Kol. 3:4 - NBG ´51).
Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed. Wij zien op de Heere en op Zijn toekomst, want Zijn toekomst is onze toekomst!
De hemelvaart van de Heere Jezus houdt een geweldige belofte in voor de toekomst van Israël en de volkeren. Handelingen 1, vers 11: "Deze Jezus, Die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze terugkomen als u Hem naar de hemel hebt zien gaan ".
Dat het hierbij gaat om de lichamelijke wederkomst van de Heere op aarde mag duidelijk zijn. Als het zover is, zal die belofte letterlijk worden vervuld. Dat was al voorzegt door de profeet Zacharia: Zijn voeten zullen staan op de Olijfberg, die vóór Jeruzalem ligt, aan de oostzijde (14:4). Israël, d.i. het land en de stad Jeruzalem, bevindt zich in die tijd in een miserabele situatie, zoals uit Zacharia 14 ook blijkt. De stad is omsingeld en zal ingenomen worden, de huizen zullen geplunderd en de vrouwen zullen verkracht worden (vs. 2). Maar als het dieptepunt van Israëls geschiedenis en die van Jeruzalem met deze heidense vertreding zal zijn bereikt, dan trekt de HEERE uit als Verlosser en Strijder voor het overblijfsel van Zijn volk.
Hij zal (lichamelijk) terugkeren en Zijn stad ontzetten van de vijand en de heidense legers verslaan. Dit is de tijd waarover de Heere Jezus Zelf ook sprak in Zijn rede over de laatste dingen, en zei dat men de Zoon des mensen zal zien komen op de wolken des hemels met grote macht en heerlijkheid. Op indrukwekkende wijze zal de HEERE als Redder voor Sion verschijnen en vanaf dat moment zullen al Gods heerlijke beloften omtrent het herstel van Israël naar Zijn Goddelijke wil krachtig en definitief worden vervuld.
En dat zal zijn uitwerking hebben voor alle volkeren. In Zacharia 14:9 staat: "En de HEERE zal Koning worden over heel de aarde; op die dag zal de HEERE de Enige zijn en Zijn Naam de enige". Dan zal het zijn zoals Psalm 113:3 het zegt: “Vanwaar de zon opkomt tot waar hij ondergaat, zij de Naam van de HEERE geprezen”.
Als dat geen zegen is.
Psalm 138 -20-: Over koningen die God loven gesproken -2-
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
4 Alle koningen van de aarde zullen U loven, HEERE,
wanneer zij de woorden uit Uw mond gehoord hebben.
5Zij zullen zingen van de wegen van de HEERE,
want de heerlijkheid van de HEERE is groot.
6 Want de HEERE is verheven
toch ziet Hij om naar de nederige,
maar de hoogmoedige kent Hij van verre.
Over koningen die God loven gesproken -2-
We lazen zojuist de woorden uit vers 4 en 5:
Alle koningen van de aarde zullen U loven, HEERE,
wanneer zij de woorden uit Uw mond gehoord hebben.
5Zij zullen zingen van de wegen van de HEERE,
want de heerlijkheid van de HEERE is groot.
En ik moest daarbij denken aan de woorden uit Psalm 87 waar we lezen over een aantal van die koningen die de HEERE zullen loven. We lezen een paar verzen uit deze bijzondere Psalm:
Een psalm, een lied van de zonen van Korach.
Zijn fundament rust op de heilige bergen.
De HEERE heeft de poorten van Sion lief
boven alle woningen van Jakob.
Zeer heerlijke dingen worden over u gesproken,
stad van God! Sela
En dan volgt waar het mij in dit verband over gaat:
Ik noem Rahab en Babel onder wie Mij kennen;
zie, de Filistijn en de Tyriër, met de Cusjiet:
die zijn daar geboren.
En heeft de poorten van Sion lief
boven alle woningen van Jakob.
Vind je het ook niet bijzonder dat dit lijstje hier zo genoemd wordt? Als we eerlijk zijn, zijn het nou niet bepaald de volken waarvan wij in de Bijbel veel positieve dingen lezen. In tegendeel zouden we haast zeggen, toch?
Nadat de Korachieten de heerlijkheid van de stad hebben bezongen, beschrijven ze hoe kinderen uit verschillende volken tot Sion worden gerekend (vers 4). Ze worden gerekend als kinderen die daar zijn geboren. Dit veronderstelt een relatie met de HEERE. Er worden vijf volken genoemd, waaruit mensen bij de stad gaan horen omdat zij Hem erkennen. Zij leveren hun oude burgerschap in en krijgen het burgerschap van Sion. Ze worden niet ingelijfd in Israël, maar in Gods stad.
Vind je het ook niet bijzonder dat dit lijstje hier zo genoemd wordt? Als we eerlijk zijn, zijn het nou niet bepaald de volken waarvan wij in de Bijbel veel positieve dingen lezen. In tegendeel zouden we haast zeggen, toch?
Eerst worden twee voormalige grootmachten genoemd: Rahab en Babel.
Beide zijn wereldmachten geweest die over Israël hebben geheerst. Babel is de macht ten noorden van Israël en Egypte is de macht ten zuiden ervan. Rahab is Egypte (Js 30:7; 51:9; Ps 89:11). Ook Egypte zal in het vrederijk de HEERE kennen en dienen (vgl. Js 19:25). Het tweede rijk, Babel, verwijst profetisch naar het herstelde Romeinse rijk (Jesaja 40-48; Openbaring 17-18). Allen die door genade aan de wereldmachten zijn onttrokken, worden aan Sion toegerekend. Zij keren zich tot de God van Israël en leren Hem kennen.
Rahab betekent hoogmoed en Babel verwarring. Beide machten zijn in het verleden vijandig zijn geweest tegenover Israël. Aan beide machten komt een einde (Js 2:11-17). De komst van de HEERE is het einde van alle hoogmoed. Ook de puinhopen van verwarring die door Babel zijn veroorzaakt, zullen door Christus, Die meer is dan Kores (Js 44:26-28), verdwijnen.
Tegelijkertijd is deze Rahab ook de naam van een zeemonster in Jesaja 51:9 (vgl. ook Job. 26:12, Ps. 89:11).
Jesaja lijkt te verwijzen naar de doortocht door de Schelfzee destijds, terwijl in vers 10 ook gesproken wordt over de ´grote watervloed´ (SV: ´wateren des groten afgronds´), hetgeen de vertaling is van het Hebreeuwse ´tehom´. Dit woord komen we ook tegen in Genesis 1:2 in verband met de woestheid en ledigheid van de aarde.
Het is dan ook niet ondenkbaar dat met deze Rahab ook verwezen wordt naar de meerdere van de Farao´s (zie Ezech. 29:3 en 32:2), de engelvorst van Egypte, die feitelijk niemand anders is dan vorst van alle wereldrijken, de macht der duisternis. In enkele teksten wordt hij de Leviathan genoemd (Job 3:8, Ps. 74:14, Jes. 27:1-2).
In het boek Openbaring vinden we hem terug als de “draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan” (Opb. 12:9 en 20:2).
In het boek Openbaring lezen we dat de God der goden in de eindtijd zal afrekenen met satan en zijn engelmachten. Door de tijden hebben zij de aardse rijken gedomineerd. Uiteindelijk zal hun regering uitlopen in de ´beestheerschappij´ (Opb. 13). Dat is de laatste manifestatie van hun macht. In Openbaring wordt gesproken over het finale oordeel van God, middels de ´zeven laatste plagen´ (Hs. 15:1). Daarmee zal “de toorn van God tot een einde gekomen zijn.”
De God der goden houdt afrekening met alle (af)goden van de duisternis en zal hen tenietdoen, opdat daarmee zal blijken dat Hij, de Heere van de legermachten, boven alles is verheven!
En als dat geen zegen is.
Vanmorgen heb ik gekozen voor Psalm 87 de verzen 3 en vier uit de berijming van al heel lang geleden, uit 1773, waar we lezen:
De Filistijn, de Tyriër, de Moren,Zijn binnen u, o Godsstad, voortgebracht;Van Sion zal het blijde nageslacht Haast zeggen: "Deez' en die is daar geboren".
God zal ze Zelf bevestigen en schragen, En op Zijn rol, waar Hij de volken schrijft, Hen tellen, als in Isrel ingelijfd, En doen den naam van Sions kind'ren dragen.
Psalm 138 -21-: Over koningen die God loven gesproken -3-
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
4 Alle koningen van de aarde zullen U loven, HEERE,
wanneer zij de woorden uit Uw mond gehoord hebben.
5Zij zullen zingen van de wegen van de HEERE,
want de heerlijkheid van de HEERE is groot.
6 Want de HEERE is verheven
toch ziet Hij om naar de nederige,
maar de hoogmoedige kent Hij van verre.
Over koningen die God loven gesproken -3-
Naar aanleiding van vers 4 waar we lezen dat alle koningen van de aarde de HEERE, met hoofdletters geschreven, dus hier vinden we de naam van de HEERE terug, JHWH, de Aanwezige, zullen loven.
De voorgaande keer lazen we in Psalm 87 al een paar namen en volkeren van die koningen terug. We lazen daar:
Ik noem Rahab en Babel onder wie Mij kennen;
zie, de Filistijn en de Tyriër, met de Cusjiet:
die zijn daar geboren.
De voorgaande keer stonden we kort stil bij Rahab en Babel.
Naast deze wereldmachten lezen we over “de Filistijn” die Israël zo vaak in het land heeft bevochten om het land dat door God aan Israël is gegeven in bezit te nemen. Gezien de actualiteit van de dagen waarin wij leven wanneer we lezen, horen en zien van de Palestijnen, vooral in Gaza wil ik vanmorgen even kort stilstaan bij de geschiedenis van de Palestijnen.
Naast de Joodse staat is er tegenwoordig ook sprake van de Palestijnse Gebieden: de Westelijke Jordaanoever (Westbank) en de Gaza-strook. De Westbank staat onder het bestuur van de Palestijnse Autoriteit en Gaza wordt tussen aanhalingstekens ‘bestuurt’ door de terreurorganisatie Hamas. Maar wat zegt de Bijbel over de Palestijnen en hun leefgebied in de toekomst?
De Palestijnse Autoriteit (PA) is op 31 oktober 2011 toegelaten als volwaardig lid van de Unesco, de cultuurorganisatie van de Verenigde Naties. Het grondgebied van de PA is door 130 landen erkend als onafhankelijke staat! Officieus is er naast de Joodse staat dus ook sprake van een Palestijnse staat.
Sommigen zeggen dat de huidige Palestijnen vroeger de Filistijnen heetten. Ja en nee. In het Hebreeuws zijn de begrippen identiek: ´plesheth´, afgeleid van het werkwoord ´palash´ (= rollen, wentelen, draaien). Daar zit iets in van: ze kunnen hun draai niet vinden, het zijn een soort zwervers…
Overigens worden deze begrippen in vertalingen verschillend gebruikt. In de Herziene Statenvertaling (HSV) en de NBG- ´51 vinden we: ´Filistea´, terwijl de oude Statenvertaling het woord ´Palestina´ gebruikt. Dat kan verwarring opleveren, mede doordat in de geschiedenis de naam ´Palestina´ - ontstaan in de Romeinse tijd - ook wel gebruikt is om het (hele) land Israël aan te duiden.
Het ´Palestijnse volk´ zoals wij dat nu kennen is ontstaan in en na 1948, het jaar waarin de staat Israël werd uitgeroepen. Arabische inwoners van Palestina werden door de buurlanden opgeroepen om de nieuwe Joodse staat te verlaten. Velen deden dat en werden opgevangen in vluchtelingenkampen. Zo ontstond het begrip ´Palestijnse vluchtelingen´. Vanzelf werd dat ´de Palestijnen´. In 1964 werd de PLO opgericht, met bijzondere medewerking van de voormalige president van Egypte, Nasser. Doel was de bevrijding van Palestina, hetgeen men met een gewapende strijd wilde realiseren.
Yasser Arafat was sinds 1969 tot zijn overlijden in 2004 de leider van de PLO. Om hun doel te bereiken pleegden radicale Palestijnen, verenigd in bewegingen als het ´Volksfront voor de bevrijding van Palestina´, wereldwijd terroristische aanslagen, veelal met heimelijke (en soms openlijke) goedkeuring van Arafat.
Echter, de naamsovereenkomst met de Filistijnen betekent niet dat de Palestijnen van vandaag de nazaten zijn van de (Bijbelse) Filistijnen. Zoals gezegd, onder de Palestijnen bevinden zich tegenwoordig ook veel Arabieren.
Voor de oorsprong van de Filistijnen moeten we naar het eerste Bijbelboek. In Genesis 10:13 en 14 lezen we: “Mitsraïm verwekte de Ludieten, de Anamieten, de Lehabieten, de Naftuchieten, de Pathrusieten, de Kasluchieten – uit wie de Filistijnen voortgekomen zijn – en de Kaftorieten.
Mitsraïm (de Hebreeuwse naam voor Egypte) was een zoon van Cham, één van de drie zonen van Noach. Nu blijkt uit een aantal teksten dat de Filistijnen oorspronkelijk uit Kaftor (het tegenwoordige Kreta) afkomstig zijn. We lezen in
Deuteronomium 2:23 “En de Kaftorieten, die afkomstig zijn uit Kaftor, hebben de Avvieten, die tot aan Gaza in dorpen woonden, weggevaagd en zijn in hun plaats gaan wonen”.
Amos 9:7 “Bent U niet als de Cusjieten voor Mij, Israëlieten? spreekt de HEERE. Heb Ik Israël niet weggeleid uit het land Egypte, de Filistijnen uit Kaftor en de Syriërs uit Kir?”
Jeremia 47:4 “Want de HEERE zal de Filistijnen verdelgen, het overblijfsel van het kustland van Kaftor”.
Ezechiël 25.16 “Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga Mijn hand uitstrekken tegen de Filistijnen en zal de Kretenzers uitroeien, en wie overblijft aan de zeekust ombrengen”.
Algemeen wordt aangenomen, dat de oorspronkelijke Filistijnen Kretenzers zijn (of: Keretieten): mensen van Kreta, het grootste van de Griekse eilanden.
In ieder geval zijn ze in het land Kanaän terechtgekomen. De landsteek waar de Filistijnen woonden, heette Filistea.
De tekst in Amos is wel bijzonder. Daaruit blijkt namelijk, dat de Heere God niet alleen Israël uit Egypte geleid heeft, maar ook de Filistijnen uit Kaftor. Waarom dat gebeurd is, blijkt uit Richteren 3:3-4, waar staat dat Filistijnen e.a. dienen om Israël op de proef te stellen…
En hoe actueel is het Woord van de Heere God niet in de dagen die wij beleven. We lezen, zien en horen van de verschrikkelijke oorlog die momenteel woedt. We worden in het Woord van de Heere God opgeroepen om te bidden voor de vrede van Jeruzalem. Wanneer we de geschiedenis vanaf 1948 zien en de beelden langs zien komen, dan realiseren we ons te meer dat deze ware vrede uitsluitend gerealiseerd kan worden door de ware Vredevorst.
Want een Kind is ons geboren,
een Zoon is ons gegeven,
en de heerschappij rust
op Zijn schouder.
En men noemt Zijn Naam
Wonderlijk, Raadsman,
Sterke God,
Eeuwige Vader,
Vredevorst.
Aan de uitbreiding van deze heerschappij
en aan de vrede zal geen einde komen
op de troon van David
en over zijn koninkrijk,
om het te grondvesten
en het te ondersteunen
door recht en gerechtigheid,
van nu aan tot in eeuwigheid.
De na-ijver van de HEERE van de legermachten
zal dit doen.
Daar mogen wij, samen met Israel naar uitzien, toch?
Want als dat geen zegen is.
Psalm 138 -22-: Over koningen die God loven gesproken -4-
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
4 Alle koningen van de aarde zullen U loven, HEERE,
wanneer zij de woorden uit Uw mond gehoord hebben.
5Zij zullen zingen van de wegen van de HEERE,
want de heerlijkheid van de HEERE is groot.
6 Want de HEERE is verheven
toch ziet Hij om naar de nederige,
maar de hoogmoedige kent Hij van verre.
Over koningen die God loven gesproken -4-
In de voorgaande dagen hebben we aan de hand van Psalm 87 stilgestaan bij een paar koningen van de aarde die de HEERE, JHWH, zullen loven zoals het vierde vers van Psalm 138 ons laat weten. Want alle koningen van de aarde zullen U loven HEERE, lazen we zojuist. Niet een uitgezonderd. We stonden in de afgelopen dagen stil bij de koningen van Rahab en Babel en de Filistijnen. Het zijn nou bepaald niet de Koningen die wij in dat rijtje gezet zouden hebben toch. En toch, Gods genade is onbegrensd, dat blijk maar weer.
Verder lezen we in Psalm 87 nog over “de Tyriër”. Hij vertegenwoordigt de economische macht, de wereld van rijke en trotse handelaren. Hij heeft zich over de val van Jeruzalem verheugd vanwege het handelsvoordeel dat hij daarvan meende te hebben (Ez 26:2).
Ezechiël 26:2 Mensenkind, omdat Tyrus van Jeruzalem gezegd heeft: Haha! Ze is verbroken, de poort van de volken! Haar macht is op mij overgegaan. Ik zal vol worden, de stad is verwoest,
Mensenkind, omdat Tyrus van Jeruzalem gezegd heeft: Haha! Ze is verbroken, de poort van de volken! Haar macht is op mij overgegaan. Ik zal vol worden, de stad is verwoest.
Tyrus was een handelsstad, gelegen aan de Middellandse zee.
Vanwege zijn havens, die gedeeltelijk in zee lagen, was het een zeer welvarende stad, zoals ook blijkt uit de beschrijving in Ezechiël hoofdstuk 27.
Hoofdstuk 28 van Ezechiël begint met de volgende woorden:
Het woord des HEREN kwam tot mij: Mensenkind, zeg tot de vorst van Tyrus: zo zegt de Here HEERE: omdat uw hart hoogmoedig geworden is en gij zegt: ik ben een god, een godenwoning bewoon ik midden in zee, terwijl gij een mens zijt en geen god en gij in uw hart uzelf gelijkstelt met een god; … door uw wijsheid en uw inzicht hebt gij u een vermogen verworven en goud en zilver verzameld in uw schatkamers; door uw wijs beleid bij de handel hebt gij uw vermogen vermeerderd, en uw hart is trots geworden op uw vermogen. (Ezechiël 28:1-5)
Door de welvaart van de stad is de vorst, de heerser over de stad Tyrus, in de valkuil van de rijkdom gevallen en werd hij hoogmoedig. Hij zag zichzelf als een god.
Daarom moest Ezechiël het oordeel van God over de stad uitspreken.
Volgens vers 8 zou de stad verwoest worden en de vorst van Tyrus ‘zal de bittere dood van de gesneuvelden sterven’.
Het is duidelijk wie met de ‘vorst van Tyrus’ bedoeld wordt: de wereldse heerser over de stad Tyrus.
Het blijkt echter dat deze vorst van Tyrus in de hemelse gewesten werd aangestuurd door de ‘koning van Tyrus.
Uit Ezechiël 28:11-13 blijkt deze ‘koning’ satan zelf te zijn.
Het woord des HEEREN kwam tot mij: Mensenkind, hef een klaaglied aan over de koning van Tyrus en zeg tot hem: zo zegt de Here HEERE: Volmaakt zijt gij van gestalte, vol van wijsheid, volkomen schoon. In Eden waart gij, Gods hof … (Ezechiël 28:11-13). Het was in de hof van Eden, dat satan, in de gedaante van een slang, Eva verleidde.
Ten slotte noemt de dichter van Psalm 87 “de Cusjiet”. Hij vertegenwoordigt de verder weg gelegen volken.
Individuele inwoners van deze gebieden leggen hun vijandschap af. Als deze mensen (uit de volken) de HEERE willen leren kennen, moeten zij naar Sion reizen om onderwijs te ontvangen (Js 2:3). Daar zullen zij tot bekering en tot geloof komen, daar worden zij opnieuw geboren (vgl. Mt 19:28) en daarom worden zij beschouwd als te zijn geboren in Sion.
God zegt van hen dat zij “daar”, dat is in Sion, “geboren” zijn. Ze worden allemaal gezien als burgers van de stad van God, waardoor ze deelhebben aan de zegeningen die God de stad schenkt. Paulus spreekt met betrekking tot de nieuwtestamentische gelovigen op dergelijke wijze over “het Jeruzalem dat boven is, … en dat is onze moeder” (Gl 4:26).+
De zegen in verbinding met Sion is niet zozeer voor volken als geheel. Het is een individuele zegen (vers 5). In de stad, die eerst kinderloos was, neemt het inwonertal voortdurend toe (vgl. Js 54:1-3). De stad zal door de toename aan individuen niet verdeeld worden, maar een eenheid blijven. Daar zorgt God voor, “de Allerhoogste Zelf doet haar standhouden”. Zijn aanwezigheid garandeert de continuïteit van de vrede. De HEERE heeft haar fundament gelegd (vers 1) en Hij zal haar ook bevestigen en onderhouden. Dan zal Jeruzalem naar waarheid naar de betekenis van haar naam ‘de stad van de vrede’ zijn.
De HEERE houdt nauwkeurig bij wie de burgerrechten van Zijn stad heeft (vers 6). Hij telt ieder mee die door een nieuwe geboorte in Zijn stad is. Bij die telling wordt niemand vergeten. Dat Hij telt, geeft de zekerheid dat iemand voor altijd bij de ‘getelden’ behoort. Voor zo iemand is het zoengeld betaald (Ex 30:11-16). Alle getelden worden bij het volk van God gerekend (vgl. Jr 33:13).
Van ieder van hen zegt de HEERE als een waarmerk: “Deze is daar geboren.” Zo iemand is geteld en opgeschreven. Dit geeft de getelde de absolute zekerheid dat hij nooit meer uit de stad van God zal worden verwijderd. Het zegel van het eigendomsrecht van God staat onverbreekbaar op hem. Het is ermee als met de schapen van de Heer Jezus, van wie Hij zegt dat niemand hen uit Zijn hand kan rukken (Jh 10:28).
Als dat geen zegen is.
Psalm 138 -23: Over de heerlijkheid van de HEERE, JHWH, de Aanwezige gesproken -1-
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
4 Alle koningen van de aarde zullen U loven, HEERE,
wanneer zij de woorden uit Uw mond gehoord hebben.
5Zij zullen zingen van de wegen van de HEERE,
want de heerlijkheid van de HEERE is groot.
6 Want de HEERE is verheven
toch ziet Hij om naar de nederige,
maar de hoogmoedige kent Hij van verre.
Over de heerlijkheid van de HEERE, JHWH, de Aanwezige gesproken -1-
Heeft u dat nou ook? Dat je vaak zomaar de Bijbel leest en dat je zomaar over woorden heen leest zonder dat je je bewust bent van de betekenis van die woorden? Nou, ik wel.
Nadat we de afgelopen keren nadachten over het feit dat niet en paar, maar alle koningen de HEERE zullen loven, strandde ik vervolgend op het woord heerlijkheid. Want zo lazen we:
Alle koningen van de aarde zullen U loven, HEERE,
wanneer zij de woorden uit Uw mond gehoord hebben.
Zij zullen zingen van de wegen van de HEERE,
want de heerlijkheid van de HEERE is groot.
De heerlijkheid van de HEERE is groot. Maar vervolgens vroeg ik mij af: Wat is de heerlijkheid van de HEERE dan? Hoe ziet dat er uit en hoe herkennen en erkennen we de heerlijkheid van de HEERE?
Dus maar weer eens op zoek gegaan naar de wortels van het woord heerlijkheid. In het Hebreeuws wordt hier het woord כָּבוֹד (kabowd) gebruikt. In veel vertalingen wordt het vertaald met heerlijkheid of met glorie.
In de Engelse vertaling van de Schrift wordt het Hebreeuwse woord “ כָּבוֹד ” “kavod” vertaald als “glorie”, maar in essentie heeft dit woord een veel diepere betekenis. Dit woord bevat de essentie van iets van waarde, van grote waardering, rijkdom, eer en gewicht. Op het moment dat de ‘kavod’ van de HEERE zich op een bepaalde plaats bevindt, zijn de waarde, eer en het gewicht ervan vrijwel onbegrijpelijk; wij mensen kunnen het niet bevatten. Dit is de reden dat toen de “kavod” van de Heere de tabernakel vulde, niemand – inclusief Mozes – de tabernakel kon binnengaan.
In het 1 Koningen 8:10-11 lezen we:
En het gebeurde, toen de priesters uit het heiligdom gingen, dat de wolk het huis van de HEERE vervulde.Vanwege de wolk konden de priesters niet blijven staan om dienst te doen, want de heerlijkheid van de HEERE had het huis van de HEERE vervuld.
Opnieuw zien we dat niemand – zelfs de priesters – konden staan (of dienen) als de kavod van de HEERE op een bepaalde plaats was.
In 2 Kronieken 7:1-3 vinden we nog een voorbeeld van wat er gebeurt als de kavod van de HEER een plaats vult:
Toen Salomo geëindigd had dit gebed te bidden, kwam het vuur uit de hemel neer en verteerde het brandoffer en de slachtoffers, en de heerlijkheid van de HEERE vervulde het huis.
- De priesters konden het huis van de HEERE niet binnengaan, want de heerlijkheid van de HEERE had het huis van de HEERE vervuld.
Toen alle Israëlieten het vuur en de heerlijkheid (kavod)van de HEERE over het huis zagen neerkomen, knielden zij met hun gezichten ter aarde, op de vloer, bogen zich neer en loofden de HEERE dat Hij goed is, want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
Toen de kavod van de HEERE zich op een bepaalde plaats bevond, stonden de mensen met hun gezicht naar de grond terwijl ze de HEER aanbaden , waarbij ze erkenden dat het alleen dankzij Zijn genade was dat ze die ervaring overleefden.
Lieve mensen, we moeten God, of Zijn aanwezigheid, niet achteloos behandelen. Onze eerbied voor Zijn ‘kavod, heerlijkheid en glorie) is iets dat we, geloof ik, in onze moderne tijd verloren hebben. We verwarren het voelen van Zijn Geest makkelijk met het ervaren van Zijn glorie/kavod, maar deze twee zijn niet hetzelfde.
Jezus / Yeshua gaf ons de Raadsman, de Heilige Geest, toen Hij de aarde verliet, en de Geest is altijd bij ons. Maar de ontzagwekkende en angstaanjagende aanwezigheid van de HEERE is iets waarvan ik denk dat de meesten van ons dit nog niet in het vlees hebben ervaren.
Hij is de Almachtige God, de Schepper van het universum!
En als dat geen zegen is.
Psalm 138 -24-: Over de heerlijkheid van de HEERE, JHWH, de Aanwezige gesproken -2-
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
4 Alle koningen van de aarde zullen U loven, HEERE,
wanneer zij de woorden uit Uw mond gehoord hebben.
5Zij zullen zingen van de wegen van de HEERE,
want de heerlijkheid van de HEERE is groot.
6 Want de HEERE is verheven
toch ziet Hij om naar de nederige,
maar de hoogmoedige kent Hij van verre.
Over de heerlijkheid van de HEERE, JHWH, de Aanwezige gesproken -2-
Sommige oude Hebreeuwse woorden in de Bijbel die Gods prachtige natuur beschrijven, worden tegenwoordig veel gebruikt in de Israëlische cultuur.
In de moderne Hebreeuwse taal worden ze echter zelden in hun oorspronkelijke betekenis gebruikt. Dat is het geval met het woord kavod , dat de glorie van God is.
Als u Israël bezoekt, hoort u misschien iemand zeggen: Kol hakavod! wat betekent: Goed gedaan! of goed bezig!
Kavod wordt ook gebruikt als titel om rechters, de president of de premier van Israël aan te spreken. Het is een titel die betekent: Edelachtbare of Excellentie .
Zeker, de Heere God verdient zo’n bewonderenswaardige beschrijving. Dat is de reden waarom we het woord kavod in de Bijbel zien als het verwijst naar de zware, gewichtige, ongelooflijke, ontzagwekkende, tastbare Goddelijke tegenwoordigheid van God.
Kavod wijst op Zijn waarde, reputatie, eer en autoriteit als de God van Israël en het Universum.
Hoewel er andere betekenissen van kavod voorkomen in de Tenach (Oude Testament), beschrijft het typisch Gods prachtige schepping, en Zijn eigen verschijningen op aarde.
We kunnen een idee krijgen van Gods gezag over het hele universum door om ons heen te kijken. Bijvoorbeeld door tijdens een heldere nacht naar de hemel te kijken., Want lezen we De hemelen verklaren de Kavod van God
Als we kijken naar de uitgestrektheid van de hemel, voelen we ons heel, heel klein op deze planeet. De psalmisten spreken vaak over deze adembenemende kavod en vragen ons er niet over te zwijgen:
Want Psalm 93 vers 2 zegt: “Verkondig Zijn glorie onder de naties, Zijn wonderbaarlijke daden onder alle volkeren.” Doen hoor!
Tijdens zijn reis door Griekenland confronteerde de apostel Paulus de heidense aanbidders die glorie gaven aan levenloze stenen afgoden in de stad Athene.
Hij vroeg hen om in plaats daarvan de glorie te geven die te zien is in de hele prachtige schepping van God. In Handelingen 17 lezen we namelijk:
“De God die de wereld en alles daarin heeft gemaakt, is de Heer van hemel en aarde en woont niet in tempels die door mensenhanden zijn gemaakt. Ook wordt Hij niet door mensenhanden gediend, alsof Hij iets nodig heeft, omdat Hijzelf alle mensen leven, adem en al het andere geeft.
“Uit één man heeft Hij elke natie van mensen gemaakt, om de hele aarde te bewonen; en Hij bepaalde hun bestemde tijden en de grenzen van hun land.” (Handelingen 17:24–26)
Paulus geeft vervolgens de reden waarom God Zijn kavod op deze manier aan ons heeft geopenbaard:
‘Het was Gods bedoeling dat zij [de mensheid] Hem zouden zoeken en misschien naar Hem uit zouden reiken en Hem zouden vinden , ook al is Hij niet ver van ieder van ons verwijderd.’
God verlangt zo graag naar een relatie met ons dat Hij het hele universum voor dit doel heeft gemaakt.
Als we onze ogen opheffen, gaat Zijn uitgestrektheid ons begrip te boven; Zijn glorie en gewichtigheid vullen alles. “Hij ondersteunt alle dingen door Zijn krachtig Woord.” (Hebreeën 1:3)
Om te bewijzen dat God dichtbij Zijn volk is, openbaarde Hij Zijn glorieuze macht in de vorm van donder, bliksem en donkere wolken, in die mate dat het volk bang was om ook maar in de buurt van de Berg van God te komen (Exodus 20:18-19 ) .
Maar Mozes wilde dat het volk Israël meer zou doen dan alleen God vrezen; hij wilde dat ze Zijn gezag zouden eren en respecteren.
Hij wilde ook dat ze zich getroost zouden voelen en er zeker van zouden zijn dat Gods glorie hen zou troosten en leiden op hun reis door de wildernis naar het Beloofde Land.
De apostel Paulus schrijft hoe gelovigen vaten van Gods glorie zijn:
Als nu de bediening van de dood, met letters in stenen gegrift, in heerlijkheid was, zodat de Israëlieten hun ogen niet op het gezicht van Mozes gericht konden houden vanwege de heerlijkheid van zijn gezicht, hoewel die tenietgedaan zou worden,hoeveel te meer zal dan de bediening van de Geest in heerlijkheid zijn? (2 Korintiërs 3:7–8)
Paulus beschrijft in het boek Hebreeën Hebreeën 1:3 Hij, Die de afstraling van Gods heerlijkheid is en de afdruk van Zijn zelfstandigheid, Die alle dingen draagt door Zijn krachtig woord, heeft, nadat Hij de reiniging van onze zonden door Zichzelf tot stand had gebracht,
Moge Zijn glorie (kavod) in uw leven worden gemanifesteerd terwijl u de Heer zoekt.
We eindigen vandaag met de woorden van de apostel Paulus zoals we die vinden in Efeze 1. Woorden die eveneens spreken over heerlijkheid. Een heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden:
Efeze 1:15 Daarom, omdat ook ik gehoord heb van het geloof in de Heere Jezus onder u, en van de liefde voor alle heiligen,
houd ik niet op voor u te danken, als ik in mijn gebeden aan u denk,
opdat de God van onze Heere Jezus Christus, de Vader van de heerlijkheid, u de Geest van wijsheid en van openbaring geeft in het kennen van Hem,
namelijk verlichte ogen van uw verstand, om te weten wat de hoop van Zijn roeping is, en wat de rijkdom is van de heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen,
Kolossenzen 3:4 Wanneer Christus geopenbaard zal worden, Die ons leven is, dan zult ook u met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.
Als dat geen zegen is.
Psalm 138 -25-: Over nederigen en hoogmoedigen gesproken -1-
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
4 Alle koningen van de aarde zullen U loven, HEERE,
wanneer zij de woorden uit Uw mond gehoord hebben.
5Zij zullen zingen van de wegen van de HEERE,
want de heerlijkheid van de HEERE is groot.
6 Want de HEERE is verheven
toch ziet Hij om naar de nederige,
maar de hoogmoedige kent Hij van verre.
Over nederigen en hoogmoedigen gesproken -1-
In het voorgaande hebben we gezien dat het komen van alle koningen van de aarde die in de verzen 4-5 God komen prijzen en Zijn wegen bezingen, een profetie over het toekomstige Messiaanse tijdperk.
David keek, als koning die in God geloofde, uit naar een dag waarop alle koningen van de aarde zijn ervaringen zouden delen.
En dan lezen we nu in vers 6 de woorden:
Want de HEERE is verheven
toch ziet Hij om naar de nederige,
maar de hoogmoedige kent Hij van verre.
Toen ik deze woorden las kwam de gedachte bij mij op: Het is eigenlijk de wereld op zijn kop. Want wanneer we nu in de wereld zien, dan zijn het de hoogmoedigen, de hogen in rang, de belangrijken die het voor het zeggen hebben en zijn het de nederigen die eigenlijk niet in tel zijn. Maar de Heere God kijkt er met heel andere ogen naar:
De Heere God ziet ondanks Zijn hoge en verheven positie, naar de nederigen.
Hij ziet om naar de nederigen. Het Hebreeuwse woord dat hier gebruikt wordt voor omzien naar, kan ook vertaald worden met: zorgen voor. Dus we zouden ook kunnen vertalen met: De Heere God zorgt ondanks Zijn hoge en verheven positie, voor de nederigen. Mooi is dat toch? De God die boven alle goden staat, de Allerhoogste van het hele universum zorgt voor wie nederig is.
Maar de hoogmoedige kent Hij van verre. Wat een schril contrast zeg, vind je ook niet? De hoogmoedige, de trotse. De wortel van dit Hebreeuwse woord houd verband met zweven, dwz verheven. Zij staan blijkbaar niet meer met beide benen op de grond. Bij mijn speurtocht naar de oorsprong van dit Hebreeuwse Woord ontdekte ik dat het hier gebruikte woord in het Hebreeuws afstamt van het Hebreeuwse gabah. En een gabah is Hebreeuws voor, jawel een sprinkhaan.
Wat een prachtige vergelijking in het Woord van God vinden we hier. De hoogmoedigen worden door de Heere God als het ware vergeleken met sprinkhanen. Inderdaad, ze kunnen heel hoog springen, maar dat duurt maar heel even, maar ze landen weer heel snel op de grond.
Hoogmoedigen, sprinkhanen. Zullen we eens kijken wat de Bijbel over de sprinkhanen, de hoogmoedigen schrijft?
Spinkhanen zorgen voor een economische ramp! Een economische ramp Sprinkhanenplagen komen al voor in oude Bijbelse tijden. Wie kent de tien plagen van Egypte niet? De achtste plaag was een sprinkhanenplaag. Deze sprinkhanenzwerm in Egypte was zo groot, dat de totale oogst werd opgevreten. Niets bleef er meer over. Daarnaast werd het land door de enorme zwerm sprinkhanen verduisterd. Een voorbode van de negende plaag, totale duisternis. ’Zij bedekten de gehele oppervlakte van het land, zodat het land erdoor verdonkerd werd en zij vraten al het veldgewas af en alle vruchten van de bomen…’ (Exodus10:15). In de Bijbel staan sprinkhanenplagen voor een economische ramp, omdat hele oogsten worden weggevreten. Maar sprinkhanenplagen zijn daarnaast ook een voorbode voor nog ergere rampen die hierop zullen volgen, een duistere periode.
Het opmerkelijke is dat wij spreken over de plagen van Egypte, maar ze worden ook tekenen en wonderen genoemd die van God komen (o.a. Deuteronomium 34:11). Zien wij vandaag alleen maar de rampen als plagen of ook als tekenen?
Sprinkhanenplagen hebben ook een belangrijke symbolische betekenis. In Openbaring 9 worden boze machten met sprinkhanen vergeleken. ’En uit de rook kwamen sprinkhanen op de aarde tevoorschijn…’ (Openbaring 9:3). De beeldspraak is duidelijk, enorme zwermen sprinkhanen komende uit de afgrond. Deze sprinkhanen duiden op zwermen demonische machten die bezig zijn de aarde onder de beschikking van de antichrist te stellen.
Zoals de sprinkhanenplagen in Egypte duisternis veroorzaakten, zo verspreiden demonische machten ook duisternis. Dat sprinkhanen hier symbolisch worden voorgesteld, blijkt verder duidelijk uit vers 4 waar staat dat zij ‘geen schade mogen toebrengen aan de bomen of aan het groene gras’, wat volkomen in strijd is met de natuur.
Deze symbolische sprinkhanen laten het groene gewas met rust en bespringen juist de mensen. We lezen dat deze ‘sprinkhanen’ uitgerust zijn om oorlog te voeren en dat hun leider de engel uit de afgrond is. ’Zij hadden over zich als koning de engel des afgronds’ (vers 11). Zij hebben als doel om mensen te pijnigen met lichamelijke en geestelijke pijnigingen. Denk aan occultisme, spiritisme, waarzeggerij, toverij, hoererij, demonenverering en afgoderij. Dit allemaal zal de mensen geen geluk geven, maar juist tot wanhoop brengen.
Sprinkhanenplagen hebben in de Bijbel een tweeledige boodschap. Het is een economische ramp die gevolgd wordt door een nog ergere ramp, duisternis. De duisternis strekt zijn handen uit naar de wereld.
Maar: Nog is er licht in de dagen die wij beleven.
Want we lezen in 1 Thessalonicenzen 5:
Maar wat de tijden en de gelegenheden betreft, broeders, is het voor u niet nodig dat men u schrijft.
Want u weet zelf heel goed dat de dag van de Heere komt als een dief in de nacht.
Want wanneer zij zullen zeggen: Er is vrede en veiligheid, dan zal een onverwacht verderf hun overkomen, zoals de barensweeën een zwangere vrouw, en zij zullen het beslist niet ontvluchten.
Maar u, broeders, bent niet in duisternis, zodat die dag u als een dief zou overvallen.
U bent allen kinderen van het licht en kinderen van de dag. Wij zijn niet van de nacht en ook niet van de duisternis.
Laten wij dan niet, evenals de anderen, slapen, maar laten wij waakzaam en nuchter zijn.
Want zij die slapen, slapen 's nachts en zij die dronken zijn, zijn 's nachts dronken.
Maar laten wij, die van de dag zijn, nuchter zijn, bekleed met het borstharnas van geloof en liefde, en met de hoop op de zaligheid als helm.
Want God heeft ons niet bestemd tot toorn, maar tot het verkrijgen van de zaligheid, door onze Heere Jezus Christus,
Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij wij waken, hetzij wij slapen, samen met Hem zouden leven.
Als dat geen zegen is.
Psalm 138 -26-: Over nederigen en hoogmoedigen gesproken -2-
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
4 Alle koningen van de aarde zullen U loven, HEERE,
wanneer zij de woorden uit Uw mond gehoord hebben.
5Zij zullen zingen van de wegen van de HEERE,
want de heerlijkheid van de HEERE is groot.
6 Want de HEERE is verheven
toch ziet Hij om naar de nederige,
maar de hoogmoedige kent Hij van verre.
Over nederigen en hoogmoedigen gesproken -2-
Hoogmoed is een woord dat niet zo vaak meer gebruikt wordt. Nu hebben we het meer over trots of verwaand-zijn.
Hoe spreekt de Bijbel over hoogmoed? En: hoe beïnvloedt dit het leven van de mens en wat kunnen wij ervan leren?
In Spreuken en Prediker staan veel raadgevingen. Zo is een geduldige geest beter dan een hoogmoedige geest (Pred. 7:8). Al wie hooghartig (grondtekst: hoogmoedig) is, is voor de Heere een gruwel … hij zal niet voor onschuldig gehouden worden (Spr. 16:5). In Spreuken 8:13 lezen we: “De vreze des Heeren is het kwade te haten; hoogmoed, trots … haat Ik”.
Het mag duidelijk zijn dat hier sprake is van een negatieve vorm van hoogmoed als de Heere dit haat. Waar gaat het dan over?
Psalm 10:4 is heel duidelijk: “De goddeloze, met zijn neus trots omhoog, onderzoekt niet. Al zijn gedachten zijn: er is geen God!” Of anders gezegd, ik ben mijn eigen God. Door de lofzang van Hannah zegt de Heere: “Spreek toch niet steeds zo bijzonder hoogmoedig … want de Heere is een alwetend God ...” (1 Sam. 2:3). Psalm 101:5 zegt: “Wie hoogmoedige ogen heeft en een trots hart, hem zal ik niet verdragen”.
Johannes waarschuwt voor de hoogmoed van het leven, die niet uit de Vader, maar uit de wereld is (1 Joh. 2:16). Paulus schrijft dat hoogmoed een kenmerk is van het gedrag van de mensen in de laatste dagen en dat er daardoor zware tijden zullen aanbreken (2 Tim. 3:1-2).
We lezen daar, en ik waarschuw, het zijn heftige woorden:
1 En weet dit dat in de laatste dagen zware tijden zullen aanbreken.
2 Want de mensen zullen liefhebbers zijn van zichzelf, geldzuchtig, grootsprekers, hoogmoedig, lasteraars, hun ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig,
3 zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, kwaadsprekers, onmatig, wreed, zonder liefde voor het goede,
4 verraders, roekeloos, verwaand, meer liefhebbers van zingenot dan liefhebbers van God.
5 Zij hebben een schijn van godsvrucht, maar hebben de kracht ervan verloochend. Keer u ook van hen af.
Bij de godvrezende koning Hizkia van Israël vinden we hoogmoed. Hij werd gered uit de hand van de Assyrische koning Sanherib. De Engel van de HEERE doodde 185.000 manschappen van de Assyriërs.
Koningen van omliggende landen kwamen naar Jeruzalem met kostbaarheden en Hizkia verhief zichzelf in plaats van God de eer te geven. Er staat dat Hizkia de Heere niet vergold overeenkomstig de weldaad die hem bewezen was, omdat zijn hart hoogmoedig werd (2 Kron. 32:25).
Hier ligt de kern van hoogmoed. Hoge ogen, een opgetrokken neus, de gedachte dat wij het allemaal wel (aan)kunnen in ons leven en geen rekening houden met de weldaden van God (‘er is geen God’), dat is hoogmoed.
De eerste die daar last van had, was satan (de tegenstander van God). Er staat: “Vanwege uw schoonheid werd uw hart hoogmoedig, u richtte uw wijsheid te gronde vanwege uw luister” (Eze. 28:17). Door zijn hoogmoed -hij wilde gelijk zijn aan de Allerhoogste- viel hij van zijn hoge positie (Jes. 14:11-16). In de hof van Eden verleidde hij de mens (‘je zult als God zijn’) en kwam ook de hoogmoed in ons leven.
Is het dan allemaal kommer en kwel?
Gelukkig niet! Er is er maar Eén die hoog is en dat is de Schepper van hemelen en aarde. Hij is het Die hoog leeft! Zowel wat Zijn plaats betreft alsook wat in Zijn karakter naar voren komt. Hij woont met Zijn hoogheid op de bovenste wolken (Deut. 33:26, SV). Zijn wegen zijn hoger dan onze wegen (Jes. 55:9).
Mirjam zingt na de vernietiging van het Egyptische leger: “Hij is hoog verheven”, er staat 2x het woord hoog achter elkaar, de overtreffende trap. De HEERE is met recht de hoogmoedige God. Hoog van leven en hoog in wezen.
Dit betekent ook dat hoogmoed van mensen geen plaats heeft in de toekomst, zo leert het profetisch Woord. De hoogmoedige ogen van de mensen zullen neergeslagen worden en de trots van de mannen zal neergebogen worden (Jes. 2:11a). Helaas is hiervoor een oordeel, en veel lijden en verdrukking nodig. Alleen de HEERE zal op die dag hoogverheven zijn (Jes. 2:11b).
Wat betekent dit alles voor ons als gelovigen? In Christus hebben we de hoogste plaats ontvangen. Alles wat Hij is, is ons deel. Wij hebben een hoog leven. Dat maakt dat we hemelburgers zijn, maar ook dat we niet hoogmoedig (mogen) zijn. Het is geen eigen verdienste in ons leven, geen hoge ogen, geen neerkijken, maar opkijken.
Als dat geen zegen is.
We gaan luisteren naar Opwekking 488:
Heer ik kom tot U
Neem mijn hart verander mij
Als ik U ontmoet, vind ik rust bij U
Want Heer ik heb ontdekt,
Dat als ik aan uw voeten ben,
Trots en twijfel wijken,
Voor de kracht van Uw liefde
Psalm 138 -27-: Over de Nederige gesproken -1-
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
4 Alle koningen van de aarde zullen U loven, HEERE,
wanneer zij de woorden uit Uw mond gehoord hebben.
5Zij zullen zingen van de wegen van de HEERE,
want de heerlijkheid van de HEERE is groot.
6 Want de HEERE is verheven
toch ziet Hij om naar de nederige,
maar de hoogmoedige kent Hij van verre.
Over de Nederige gesproken -1-
In de voorgaan overdenking hebben we met elkaar nagedacht over de hoogmoedige. Deze keer wil ik met je nadenken over de Nederige (enkelvoud en met een hoofdletter geschreven) en in navolging daarop op de nederigen (meervoud).
Maar ik wil dat doen vanuit het oogpunt van gezindheid, want hoogmoed en nederigheid zijn een bepaalde gezindheid.
In de brief aan de Filippenzen schrijft Paulus “Laat daarom die gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was” (Fil. 2:5). Hier zien we eigenlijk al direct de Nederige met een hoofdletter als het ware. Wat was die gezindheid en hoe kan deze oproep van Paulus vorm krijgen in ons leven en geeft de Bijbel voorbeelden van deze gezindheid in de gelovigen?
Het woord gezindheid dat hier gebruikt wordt, is ‘phroneo’ en is afgeleid van ‘prhen’, het middenrif of diafragma. Dit is een grote, platte, koepelvormige spier die de scheiding vormt tussen borst- en buikholte. Het middenrif speelt een belangrijke rol bij de ademhaling. Prhen wordt beschouwd als het hart, het centrum van het denken.
Phroneo wordt o.a. vertaald met: bedenken (Matt. 16:23), overdenken (1 Tim. 4:15), denken (Rom. 12:3) en eensgezind zijn (Fil. 4:2). Afgeleide woorden van prhen zijn: (goed) verstand, nederigheid, nadenken en opletten.
“Laat daarom die gezindheid in u zijn” of letterlijk ‘Want dit moet worden bedacht in u’ is een gebiedende wijs. De gezindheid van Christus is veel veelomvattend en hier legt Paulus de nadruk op een aantal dingen die bedacht moeten worden door de Filippenzen.
“Doe niets uit eigenbelang of eigendunk, maar laat in nederigheid de één de ander voortreffelijker achten dan zichzelf. Laat eenieder niet alleen oog hebben voor wat van hemzelf is, maar laat eenieder ook oog hebben voor wat van anderen is” (Fil. 2:3-4).
In vers 6 tot en met 11 wordt duidelijk wat nederigheid en opoffering inhoudt.
Zullen we dit gedeelte eens lezen? Daarbij valt het direct al op dat de vertalers boven dit gedeelte boven gezet heeft: Lofzang op Christus, lofzang op de Messias en daarmee zou ik in dit verband ook willen zeggen: Lofzang op de Nederige.
We beginnen te lezen bij vers 5 van Filippensen 2:
Laat daarom die gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was,
Die, terwijl Hij in de gestalte van God was, het niet als roof beschouwd heeft aan God gelijk te zijn,
maar Zichzelf ontledigd heeft door de gestalte van een slaaf aan te nemen en aan de mensen gelijk te worden.
En in gedaante als een mens bevonden, heeft Hij Zichzelf vernederd en is gehoorzaam geworden, tot de dood, ja, tot de kruisdood.
Daarom heeft God Hem ook bovenmate verhoogd en heeft Hem een Naam geschonken boven alle naam,
opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen elke knie van hen die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn,
en elke tong zou belijden dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid van God de Vader.
Zie je dat de twee begrippen waar we aan de hand van Psalm 138 hier bij elkaar komen? Vernedering en verhoging? We lezen in dit stukje dat Christus, de Messias, de Redder van de wereld volgens Johannes 4 vers 42, Zichzelf vernederd door de mensen gelijk te worden, maar door God bovenmate wordt verhoogd.
Twee dingen vallen mij daarbij op. Dit stukje is op de gebiedende wijs geschreven.
Dat wil zeggen dat vernedering de Messias, Christus een keuze was: Hij vernederde Zichzelf. Maar de gebiedende wijs geeft ook aan dat het een opdracht is. Een keuze, een gezindheid.
Dat lijkt op het eerste gezicht niet bepaald aantrekkelijk. Om in bepaalde situaties nederig te zijn. Laten we maar zeggen dat deze gezindheid, deze houding van nature niet ligt. We willen als we heel eerlijk zijn allemaal wel gezien en gehoord worden.
Maar de Waarheid is dat wanneer we onszelf vernederen, we door de Heere God verhoogd zullen worden. Daar hoef, en daar kun je helemaal niets zelf aan te doen. Dat is allemaal genade.
En als dat geen zegen is.
Psalm 138 -28-: Over de Nederige gesproken -2-
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
4 Alle koningen van de aarde zullen U loven, HEERE,
wanneer zij de woorden uit Uw mond gehoord hebben.
5Zij zullen zingen van de wegen van de HEERE,
want de heerlijkheid van de HEERE is groot.
6 Want de HEERE is verheven
toch ziet Hij om naar de nederige,
maar de hoogmoedige kent Hij van verre.
Over de Nederige gesproken -2-
De voorgaande keer hebben we aan de hand van Filippensen 2 vers 6 tot en met 11 even nagedacht over de gezindheid van Christus, de Messias Die Zichzelf vernederde en daarop door de Heere God werd verhoogd.
In de gezindheid van de Messias zien we opoffering (vers 6), ontlediging tot de slaafstatus, mens zijn (vers 7), vernedering en nederigheid (vers 8) en gehoorzaamheid naar voren (vers 8).
Je hoort tegenwoordig wel vaak de waarheid verkondigd worden dat je eerst van jezelf moet houden, wil je ook van anderen kunnen houden.
Maar weet je, deze waarheid tussen aanhalingstekens, gaat rechtstreeks tegen het Woord van God, de Waarheid met een hoofletter in. We lezen in 2 Timotheus 3, waar de vertalers boven dit stukje hebben gezet: Ontaarding in de laatste dagen, het volgende:
1 En weet dit dat in de laatste dagen zware tijden zullen aanbreken.
2 Want de mensen zullen liefhebbers zijn van zichzelf, geldzuchtig, grootsprekers, hoogmoedig, lasteraars, hun ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig,
3 zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, kwaadsprekers, onmatig, wreed, zonder liefde voor het goede,
4 verraders, roekeloos, verwaand, meer liefhebbers van zingenot dan liefhebbers van God.
5 Zij hebben een schijn van godsvrucht, maar hebben de kracht ervan verloochend. Keer u ook van hen af.
Wanneer we deze woorden lezen en tegen het licht houden van de tijd waarin wij leven dan zien we wel heel veel aspecten terug komen in de maatschappij waarin wij leven.
Maar laat ik het vanmorgen maar eens heel dichtbij houden en op mijzelf betrekken en zie ik als ik eerlijk ben heel veel dingen in mijzelf terug, en waar ik mij vanaf te keren heb. Te beginnen bij vandaag.
En dat doet pijn. Maar ook daarin gaat Jezus mij voor. Want de pijn van mijn en jou zelfverloochening, vernedering zal nog geen fractie zijn van wat de Messias, de Heere Jezus in Zijn leven voor jou en mij heeft gedaan.
Zijn gezindheid leidde uiteindelijk tot Zijn dood. De meest verachtelijke kruisdood. Zie Hem daar hangen aan het kruis… Door Zijn onmetelijke liefde heeft Hij, de Zondeloze, de straf op de zonde gedragen en kon Hij, als volmaakte Mens, voldoen aan de eis die God stelde in de wet.
Er was maar één oplossing: “Want Hem die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem” (2 Kor. 5:21). De gezindheid van gehoorzaamheid aan de Vader is onze redding!
En als dat geen zegen is.
Psalm 138 -29-: Over de nederigen gesproken -1-
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
4 Alle koningen van de aarde zullen U loven, HEERE,
wanneer zij de woorden uit Uw mond gehoord hebben.
5Zij zullen zingen van de wegen van de HEERE,
want de heerlijkheid van de HEERE is groot.
6 Want de HEERE is verheven
toch ziet Hij om naar de nederige,
maar de hoogmoedige kent Hij van verre.
Over de nederigen gesproken -1-
De voorgaande twee keer hebben we stilgestaan bij de Nederige met een hoofdletter. De Nederige bij uitstek mogen we misschien wel zeggen. Als het ware het Prototype. Want wanneer we willen weten wat nederigheid inhoudt, dan komen we uiteindelijk bij Hem, de Nederige terecht. Echt waar.
Wees dan navolgers van God, als geliefde kinderen, en wandel in de liefde, zoals ook Christus ons liefgehad heeft en Zichzelf voor ons heeft overgegeven als een offergave en slachtoffer, tot een aangename geur voor God, zo lezen we in Efeze 5 vers 1.
De bijbel, het Woord van de Heere God en daarmee eigenlijk de Heere God Zelf, roept ons dus op een navolger van de Messias te worden. Navolger, niet te verwarren met na-apers, want daarvan lopen er al veel te veel van rond op deze aardbol. Waarvan de na-aper, de grote verleider van deze wereld bij uitstek de voornaamste is.
Om een paar namen te noemen van deze navolgers van de Messias in het eerste testament te noemen kunnen we bijvoorbeeld Adam, Abel, Henoch, Noach, Abraham, Sara, Izak, Jacob, Mozes, Rachab, je weet wel…
En wat zal ik nog meer zeggen? Want de tijd ontbreekt mij om te vertellen over Gideon, Barak, Simson, Jefta, David en Samuel en de profeten.
33. Zij hebben door het geloof koninkrijken overwonnen, gerechtigheid in praktijk gebracht, beloften verkregen, muilen van leeuwen gesloten.
34. Zij hebben de kracht van het vuur geblust, zij zijn aan de scherpte van het zwaard ontkomen, zij hebben in zwakheid kracht ontvangen, zij zijn machtig geworden in de oorlog, legers van vreemden hebben zij op de vlucht gejaagd.
35. Vrouwen hebben hun doden teruggekregen door opstanding uit de dood. Maar anderen zijn gefolterd en namen de aangeboden verlossing niet aan, opdat zij een betere opstanding verkrijgen zouden.
36. En weer anderen hebben spot en geselslagen verdragen, ja zelfs boeien en gevangenis.
37. Zij zijn gestenigd, in stukken gezaagd, in verzoeking gebracht, met het zwaard ter dood gebracht. Zij hebben rondgelopen in schapenvachten en geitenvellen. Zij leden gebrek, werden verdrukt en mishandeld.
38. De wereld was hen niet waard. Zij dwaalden rond in afgelegen plaatsen en verbleven op bergen, in grotten en in holen in de aarde.
39. En deze allen hebben, hoewel zij door het geloof een goed getuigenis van God gekregen hebben, de vervulling van de belofte niet verkregen,
40. daar God met het oog op ons iets beters voorzien had, opdat zij zonder ons niet tot de volmaaktheid zouden komen.
Tsja, als ik zo deze woorden lees en op mij in laat werken, komt het om zo te zeggen best wel binnen. Aan voorbeelden in het eerste testament ligt het bepaald niet.
‘Zij zijn gestenigd, in stukken gezaagd, in verzoeking gebracht, met het zwaard ter dood gebracht. Zij hebben rondgelopen in schapenvachten en geitenvellen. Zij leden gebrek, werden verdrukt en mishandeld.’
En kom ik tot de conclusie dat ik niets te klagen heb over mijn zogenaamde verdrukkingen, vernederingen en dagelijkse gedoe. En blijft ER alleen maar dankbaarheid over. Over de goede God die elke dag maar weer met geopende handen om mij en ons gezin heen staat. Lieve mensen, laten we, zoals de schrijver van de Hebreenbrief zegt maar niet te veel zuchten, en ik denk dat je wel weet wat ik daar mee bedoel. Want de schrijver van vervolgt daarop met de woorden: want dat is u niet nuttig.
We sluiten voor de verandering eens af met een paar woorden van Jodocus van Loodenstein. Hij leefde van 1620 tot 1677 en vertrouwde de volgende woorden aan het papier toe:
1 Hoog, omhoog, het hart naar boven!
Hier beneden is het niet:
’t Ware leven, lieven, loven
Is maar, daar men Jezus ziet.
Wat men hoor’ of zie op aard’,
Is ons kostlijk hart niet waard:
Wil men leven, lieven, loven;
Hoog, omhoog, het hart naar boven!
2 Pracht en schoonheid moog wat schijnen,
’t Is aan d’ ijdelheid gelijk;
Bij ’t gebruik zal ’t al verdwijnen,
Goud en zilver is als slijk:
Niets, o Jezus! dan uw bloed,
Geeft voldoening aan ’t gemoed;
Wat wij lieven in dit leven,
Niets kan ons voldoening geven.
3 ’t Eeuwig leven, eindloos heerlijk,
Dat ons na dit leven wacht,
Is voor ’t hart alleen begeerlijk,
Werkt onzigtbaar, maar met kracht.
Sluiten wij slechts ’t vleeschlijk oog,
’t Ware leven is omhoog;
’t Leven, dat wij lieven, loven,
’t Heerlijk leven is daar boven!
En als dat geen zegen is.
Psalm 138 -30-: Over de nederigen gesproken -2-
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
4 Alle koningen van de aarde zullen U loven, HEERE,
wanneer zij de woorden uit Uw mond gehoord hebben.
5Zij zullen zingen van de wegen van de HEERE,
want de heerlijkheid van de HEERE is groot.
6 Want de HEERE is verheven
toch ziet Hij om naar de nederige,
maar de hoogmoedige kent Hij van verre.
Over de nederigen gesproken -2-
De voorgaande keer hebben we stilgestaan bij een aantal namen van navolgers van Christus, de Messias in Zijn weg van vernedering aan de hand van vers 6 van Psalm 138:
6 Want de HEERE is verheven
toch ziet Hij om naar de nederige,
maar de hoogmoedige kent Hij van verre.
Deze keer willen we nog eenmaal stilstaan bij het feit dat de HEERE, met hoofdletters omziet naar de nederige aan de hand van een paar navolgers uit het tweede, nieuwe testament.
Als eerste voorbeeld van de goede gezindheid noemt Paulus zijn medearbeider Timotheüs. Hij heeft een oprechte bezorgdheid over de Filippenzen en is een beproefde dienstknecht die met Paulus gediend heeft in de evangelieverkondiging. Hij heeft de beproeving doorstaan en was dienstbaar als een dienstknecht (zie Fil. 2:19-22).
En ik hoop in de Heere Jezus Timotheüs spoedig naar u toe te sturen, opdat ook ik goedsmoeds mag zijn als ik van uw zaken weet.
20Want ik heb niemand van gelijke gezindheid, die oprecht voor uw zaken zorg zal dragen.
21 Want zij zoeken allen hun eigen belangen, niet die van Christus Jezus.
22En u kent zijn beproefdheid, dat hij met mij gediend heeft in het Evangelie, zoals een kind met zijn vader.
Paulus noemt vervolgens Epafroditus, zijn medearbeider en medestrijder; voor de Filippenzen was hij de apostel en dienaar die vanuit de Filippenzen (met geld) was gezonden om Paulus dienstbaar te zijn, hem te ondersteunen.
Epafroditus verlangde er intens naar zijn broeders en zusters weer te zien, omdat hij hen liefhad. Hij was ziek geworden en om het werk van Christus was hij tot dicht bij de dood gekomen, doordat hij zijn leven had gewaagd. Hij stelde zich bloot aan groot gevaar in zijn werk voor Christus en dat was een bewuste keuze in de dienst van de Heere. Hij was toegewijd en offerde zichzelf op. In dit alles zien we dat hij niet aan zichzelf dacht (zie Fil. 2:25-30).
Als laatste noemt Paulus zichzelf als voorbeeld: “Weest met elkaar mijn navolgers, broeders, en houd het oog gericht op hen die zó wandelen, zoals u ons tot een voorbeeld hebt” (Fil. 3:17).
Het gaat om het wandelen in de lijn van Paulus en zijn gezindheid en van anderen, zoals Timotheüs en Epafroditus. Het gaat om het voorbeeld, het type wat nagevolgd mag worden. Paulus roept Timotheüs en Titus ook op om een voorbeeld voor de gelovigen te zijn (1 Tim. 4:12 en Tit. 2:7).
Paulus roept ons, ieder persoonlijk dus op om de gezindheid van Christus, de Messias en Zijn typen te hebben. We zouden dan aan de slag kunnen gaan, maar we weten uit ervaring dat alles in eigen ‘kracht’ gedaan, gedoemd is te mislukken!
Gezindheid heeft alles te maken met ons hart en met ons denken. Weet je nog: Het middenrif is ons ademgebied en ademen is iets wat je vanzelf doet. Zo mag ook ‘ons bedenken’ zijn in onze wandel met de Heere.
Wanneer het leven (ons ademen) voor ons Christus, de Messias is (Fil. 1:21), zal ons hart en handelen meer en meer in de gezindheid van onze Heere en Heiland zijn. In zijn brief aan Korinthe schrijft Paulus: “Wij hebben de gedachten van Christus” (1 Kor. 2:16).
Paulus roept ons op om de dingen te bedenken (froneo) die boven zijn, niet die op de aarde zijn (Kol. 3:2), en zegt: “Bekleed u dan, als uitverkorenen van God, heiligen en geliefden, met innige gevoelens van ontferming, vriendelijkheid, nederigheid (van denken), zachtmoedigheid, geduld” (Kol. 3:12).
De gezindheid die ook in Christus Jezus was!
En als dat geen zegen is
Psalm 138 -31-: Over het oplossen van problemen gesproken
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
4 Alle koningen van de aarde zullen U loven, HEERE,
wanneer zij de woorden uit Uw mond gehoord hebben.
5Zij zullen zingen van de wegen van de HEERE,
want de heerlijkheid van de HEERE is groot.
6 Want de HEERE is verheven
toch ziet Hij om naar de nederige,
maar de hoogmoedige kent Hij van verre.
7 Als ik midden in de benauwdheid verkeer, maakt U mij levend;
U strekt Uw hand uit tegen de toorn van mijn vijanden,
Uw rechterhand verlost mij.
8 De HEERE zal Zijn werk voor mij voltooien;
Uw goedertierenheid, HEERE, is voor eeuwig;
laat de werken van Uw handen niet los.
Over het oplossen van problemen gesproken -1-
Met de verzen 7 en 8 zijn we toegekomen aan de slotverzen van de psalm. In vers 7 lazen we de woorden:
Als ik midden in de benauwdheid verkeer, maakt U mij levend;
U strekt Uw hand uit tegen de toorn van mijn vijanden,
Uw rechterhand verlost mij.
De Berese vertaling blijft wat dichter bij het oorspronkelijke Hebreeuws waar we lezen:
Als ik te midden van problemen loop, behoedt U mij voor de woede van mijn vijanden; U strekt Uw hand uit, en Uw rechterhand redt mij.
Ik weet natuurlijk niet hoe u omgaat met de problemen die op uw pad terechtkomen. Dat kunnen kleine en grote hobbels op onze weg zijn. Het kunnen inderdaad problemen zijn die, zoals de Herziene Statenvertaling zegt, je de adem benemen, je benauwen. Onze, maar laat ik het dichter bij huis zoeken en eerlijk zijn, is dat mijn natuurlijke reactie is, dat ik de problemen te lijf wil gaan. Het allemaal zelf wil oplossen. Ik wil oplossingen zoeken voor het ontstane probleem.
Maar vanmorgen word ik er als het ware maar weer eens met de neus opgedrukt dat ik mijn problemen en probleempjes niet zelf hoef op te lossen, maar dat ik ze in de handen van Vader mag leggen. Want: Als ik midden in de problemen loop, maakt Hij mij levend. Voor David waren het zijn vijanden. En hoeveel vijanden, groot en klein, heeft David in zijn leven niet tegengekomen. Lees zijn levensloop maar eens na.
Maar wat een bemoediging kunnen we hier niet aan ontlenen.
Ik moet denken aan het verhaal, en u kent het misschien wel, van Corrie Ten Boom.
Zullen we eens naar haar verhaal luisteren?
‘Ik vertel altijd graag van een ervaring die ik heb gehad toen ik een gevangene was. Ik was verkouden en had geen zakdoek. Ik vertelde het aan mijn zuster Betsie, en die zei: “Bid dan om een zakdoek”. Ik begon te lachen. Betsie bad: “Vader, ik bid U in Jezus’ naam dat U Corrie een zakdoek geeft, want ze is verkouden.” Even later hoorde ik mijn naam roepen. Ik ging naar het raam, waar ik een vriendin van me zag, die ook een gevangene was en in het hospitaal werkte. “Hier”, zei ze, “pak aan, ik breng je een cadeautje.” Ik opende het pakje en het was een zakdoek! “Hoe wist je dat ik een zakdoek nodig had? Wist je dat ik verkouden was?” “Nee”, zei ze, “ik naaide zakdoeken van een oud stuk laken, en toen was er een stem in mijn hart die zei: “Breng een zakdoek naar Corrie ten Boom”.
Kunt u begrijpen, wat op zo’n ogenblik een zakdoekje me zei? Dat zakdoekje, gemaakt van een oud stuk laken, was een boodschap uit de hemel voor mij. Het vertelde me dat er een hemelse Vader is, die het hoort als er op de kleine planeet aarde een van Zijn kinderen bidt om een onmogelijk klein ding: een zakdoek. En die hemelse Vader zegt tegen een van Zijn andere kinderen: “Breng een zakdoek aan Corrie ten Boom”. Is dat niet heerlijk? Dat is iets van wat Paulus noemde ‘de dwaasheid Gods’, die zoveel wijzer is dan de wijsheid der mensen. Lees het maar eens na in 1 Corinthiërs hoofdstuk 1 en 2.
Verhoort God al onze gebeden? Wel dikwijls, maar niet altijd. Waarom? Omdat Hij weet wat wij niet weten. Hij weet alles. Als we in de hemel komen, zullen we God danken voor alle verhoorde gebeden en Hem misschien nog meer danken voor alle onverhoorde gebeden. Want dan zien we alles vanuit Gods gezichtshoek. Dan zullen we zien dat God nooit fouten maakte.’
Voor vandaag lijkt me dat genoeg. Ik, en misschien ook jij, zijn er weer eens op gewezen onze problemen en onze probleempjes, ook al is het een verkoudheid, in de handen van Vader te leggen.
En als dat geen zegen is.
Psalm 138 -32-: Over verlossing gesproken -1-
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
4 Alle koningen van de aarde zullen U loven, HEERE,
wanneer zij de woorden uit Uw mond gehoord hebben.
5Zij zullen zingen van de wegen van de HEERE,
want de heerlijkheid van de HEERE is groot.
6 Want de HEERE is verheven
toch ziet Hij om naar de nederige,
maar de hoogmoedige kent Hij van verre.
7 Als ik midden in de benauwdheid verkeer, maakt U mij levend;
U strekt Uw hand uit tegen de toorn van mijn vijanden,
Uw rechterhand verlost mij.
8 De HEERE zal Zijn werk voor mij voltooien;
Uw goedertierenheid, HEERE, is voor eeuwig;
laat de werken van Uw handen niet los.
Over verlossing gesproken -1-
De voorgaande keer hebben we met elkaar nagedacht over de woorden uit vers 7 waar we lezen:
Als ik midden in de benauwdheid verkeer, maakt U mij levend;
U strekt Uw hand uit tegen de toorn van mijn vijanden,
Uw rechterhand verlost mij.
en we lazen in de Berese vertaling
Als ik te midden van problemen loop, behoedt U mij voor de woede van mijn vijanden; U strekt Uw hand uit, en Uw rechterhand redt mij.
En we dachten na over de problemen die de schrijver, David tijdens zijn levenswandel tegen kwamen, maar ook de problemen die wij tijdens ons leven op doen. Grote en kleine, zoals het verhaal van de zakdoek van Corrie ten Boom. En misschien heeft u ook wel zo’n verhaal waar de Heere God voor een van de kleine problemen in uw leven ingreep en oploste. Maar de Heere God is er niet alleen om de grotere en kleinere dagelijkse problemen in uw en mijn leven op te lossen.
En terwijl ik de tekst uit vers 7 nog eens tot mij door liet dringen moest ik denken aan het grote en grootste probleem van u, mij en alle mensen op deze wereld, namelijk het zondeprobleem. Dat is niet maar een probleempje, maar het probleem waar de hele mensheid mee behebt is.
Zullen we eens luisteren wat de Heere God door de mond van Paulus daarover zegt in zijn brief aan de Romeinen in het vijfde hoofdstuk?
12 Daarom, zoals (Gen. 3:6; 1 Kor. 15:21) door één mens de zonde in de wereld is gekomen, en door de zonde (Gen. 2:17; Rom. 6:23) de dood, en zo de dood over alle mensen is gekomen, in wie allen gezondigd hebben.
Het probleem in uw en mijn leven, en het leven van alle mensen, en van alle levende wezens hier op aarde, is de dood, als gevolg van de zonde.
En zoals ik, maar misschien ook jij in een eerste natuurlijk reactie reageren, is door het probleem zelf proberen op te lossen, zo gaat de mensheid ook het zondeprobleem te lijf.
Eén van de kenmerkende verschillen tussen de ‘boodschap’ van de religies in deze wereld en het Evangelie in de Bijbel is de oplossing van het zondeprobleem. In de meeste godsdiensten moet de mens vooral ‘iets doen’ om verlost te worden en/of de volmaaktheid te bereiken. Maar het Evangelie is een compleet andere boodschap en daarom: goed nieuws!
Die verlossing c.q. volmaaktheid kan soms niet in één leven gerealiseerd worden en moet er dus reïncarnatie (= opnieuw vleeswording) plaatsvinden. In het boeddhisme en hindoeïsme bijvoorbeeld, moet het karma (= handeling, daad) ontdaan worden van het kwade, ofwel uitgeblust, zodat men het nirvana (= uitblussing) bereikt.
Maar misschien moeten we het bij wijze van spreken veel dichter bij huis zoeken. Eeuwenlang heeft de gedachte geleefd in de kerk dat de mens door goede werken wel het Leven met een hoofdletter) en de zaligheid zou kunnen ontvangen. Men dacht zelfs de zaligheid te kunnen kopen, met klinkende munt, waarbij ik denk aan de aflaten die door de kerk werden verkocht. Je kon je zonde en zonden letterlijk afkopen.
Anderen zoeken het weer in wettisch leven. Net zoals de rijke jongeling. Wat een diep trieste situatie toch als je er goed over nadenkt wanneer we hem horen zeggen: Al deze dingen heb ik gedaan van mijn jeugd aan. En wat het antwoord dan van Jezus is; Een ding ontbreekt. Kun je je de deceptie voorstellen van die jongen? Zijn hele leven bij wijze van spreken zijn stinkende best gedaan om zich aan de wet te houden, en dan te moeten horen dat het belangrijke ontbreekt. Daarom: Verkoop alles wat je hebt, en Mij. Dat ‘alles’ kan geld zijn, maar ook een wettisch leven en niet bereid zijn om van genade te leven.
Maar wie het Evangelie in de Bijbel leest, zal ontdekken, dat God van de mens niets verwacht op dit punt, maar juist alles wat hij nodig heeft, geeft. Hijzelf heeft daarvoor het noodzakelijke werk gedaan en de woorden van de Heiland aan het kruis zijn dan ook veelzeggend: “Het is volbracht”.
Geloof het nou, niet omdat ik het zeg, maar omdat de Heere God het Zelf zegt, en Hij is Iemand die niet liegen kan: Het is volbracht!
Het Evangelie zegt, dat een mens niets hoeft te doen om verlossing, eeuwig heil en volmaaktheid te ontvangen, dan slechts in geloof en dankbaarheid aanvaarden wat God heeft gedaan in het verlossingswerk van de Heere Jezus Christus.
Dezelfde Paulus, antwoorde de cipier in de gevangenis, die een echt probleem had en de dood, letterlijk in de ogen zag: Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis. (Hand. 16:31).
Daarom, als je dit leest of hoort, stop er alsjeblieft mee je eigen leven te redden, op wat voor maar nier ook, want buiten Jezus is geen leven. Geloof in den Heere Jezus Christus, en jij zult zalig worden, jij en je huis. (Hand. 16:31).
En als dat geen zegen is.
Psalm 138 -33-: Over verlossing gesproken -2-
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
4 Alle koningen van de aarde zullen U loven, HEERE,
wanneer zij de woorden uit Uw mond gehoord hebben.
5Zij zullen zingen van de wegen van de HEERE,
want de heerlijkheid van de HEERE is groot.
6 Want de HEERE is verheven
toch ziet Hij om naar de nederige,
maar de hoogmoedige kent Hij van verre.
7 Als ik midden in de benauwdheid verkeer, maakt U mij levend;
U strekt Uw hand uit tegen de toorn van mijn vijanden,
Uw rechterhand verlost mij.
8 De HEERE zal Zijn werk voor mij voltooien;
Uw goedertierenheid, HEERE, is voor eeuwig;
laat de werken van Uw handen niet los.
Over verlossing gesproken -2-
We denken weer verder na over de woorden uit vers 7 die spreken over benauwdheid, een vijand, zelfs in meervoud, vijanden. Maar we lezen ook over levend maken en verlossing. Wat een tegenstellingen en contrasten zo in een vers samengevat, vind je ook niet?
We hebben de voorgaande keren nagedacht over de problemen en probleempjes in ons leven en hoe we van nature geneigd zijn om die zelf wel even op te lossen. Maar we hebben ook nagedacht over het grote zondeprobleem in ons leven en in het leven van ieder mens. Het probleem van de dood. En we stonden kort stil bij de oplossing van het probleem, namelijk het Leven met een hoofdletter. Deze keer willen we daar verder over nadenken.
In het eerste hoofdstuk van Jesaja's profetie vinden wij een tekening van het volk van Israël. In vers 4 e.v. ziet de profeet Israël als een zondig volk, een natie, beladen met ongerechtigheid. Hij schildert een mensengestalte en zegt: "Heel het hoofd is ziek, en heel het hart is afgemat. Vanaf de voetzool tot het hoofd toe is er geen gezonde plek aan: wonden en striemen en gapende wonden, niet uitgedrukt, niet verbonden, en niet met olie verzacht" (1:5b, 6). Een triest beeld van een volk dat nog wel bestemd is om "een koninkrijk van priesters en een heilige natie" (Exod. 19:5-6) te zijn. Boven dit schilderij staat met grote letters geschreven: ZONDE!
Overigens staat dit woord ook boven het schilderij van de mens(heid) in het algemeen. Immers, de zonde kleeft alle mensen aan. Adam heeft gezondigd en deze daad werkt(e) door in het gehele menselijke geslacht. Paulus zegt in Romeinen 5:18, dat het door één daad van overtreding voor alle mensen tot veroordeling is gekomen.
De zonde (let op, enkelvoud) is in de mens en daarom zondigt hij. De zonden (let op, meerboud) die een mens doet, zijn dus het gevolg van het feit, dat hij een zondaar is. Het is van wezenlijk belang om dit te begrijpen. Want al zou het iemand lukken om weinig of geen zonden te doen, dan nog is en blijft hij een zondaar. Dat heeft hij meegekregen met z’n geboorte. De Bijbel zegt in Psalm 51 vers 7 dit erover: Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren,in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen.
En daarvan moet de mens, u en ik dus bevrijd worden. Een mens moet vergeving ontvangen voor zijn zonden (meervoud) en verlost worden van de zonde (enkelvoud), van het zondaar-zijn.
We hebben hier dus als mensheid met en ongeëvenaard, niet oplosbaar probleem te maken. Maar het goede nieuws is dat de Bijbel leert, dat God Zelf, voor de oplossing van dit en ons probleem gezorgd heeft in Zijn Zoon, de Heere Jezus Christus.
Want in Jesaja 1:18 lezen wij een geweldige belofte: "...al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol".
Scharlaken is een rode (karmozijn) stof, die o.a. gebruikt werd om klederen te verven. Deze (grond)stof is afkomstig van het dode, verdroogde lichaampje van een schildluisje. De Bijbelse Encyclopedie zegt daarover onder meer: "Algemeen komt in Palestina en de Libanon de altijdgroene kermeseik of karmijneik (Quercus coccifera) voor... Op de takken en soms ook op de bladeren komt een schildluis voor, Kermes nahalali, synoniem: Coccus ilicis. Omstreeks april zetten deze schildluizen zich vast als rode bessen ter grootte van een rozijn. Nadat zij voldoende voedsel aan de plant onttrokken hebben, worden de eieren gelegd en het insekt sterft. Het verdrogende lichaam beschermt nu de eieren. Het geheel heeft de bekende karmozijnkleur. Deze naam is ontleend aan de Perzisch-Arabische benaming voor 'luis': Kirmis, terwijl de Hebreeuwse naam voor deze kleur thola ât sjâni is, wat letterlijk 'glansworm' of 'kleurworm' betekent... Door het fijn maken van de verdroogde lichamen werd vanouds het 'karmijn' verkregen. De Feniciërs, die gemakkelijk de schildluizen op de Libanon konden verkrijgen, voorzagen de omringende volken van de verfstof en verstonden ook zelf uitnemend de kunst van het verven ermee".
Nu is er met deze verfstof, scharlaken, iets bijzonders aan de hand. Als ze eenmaal verwerkt is, blijft ze onuitwisbaar! Er is geen enkele stof, die in staat is een kleed te reinigen van de scharlaken verfstof. Nu begrijpen we waarom de HEERE het zo zegt in Jesaja: "...al waren uw zonden als scharlaken", d.i. onuitwisbaar, en dat zijn ze! Want niemand kan zichzelf of een ander reinigen van de zonde; er is geen enkel middel waardoor een mens, Jood of heiden, gereinigd kan worden van z'n ongerechtigheid.
Later, in Jeremia 2:22, spreekt God ook over Israëls zonde, en zegt: "Want al zou u zich met loog wassen en zou u zeep in overvloed gebruiken, uw ongerechtigheid blijft een vlek voor Mijn aangezicht, spreekt de Heere HEERE". De NBG ´51-vertaling spreekt over een ´onuitwisbare vlek´.
Kortom: al zou het er aan de buitenkant ook fantastisch uitzien allemaal, schoon en verzorgd, ingetogen en al heb je zo goed mogelijk voldaan aan alle wettische regels, dan nog dan nog blijft voor God de zonde zichtbaar. Hij ziet immers het hart aan. Ik moet denken aan wat Jezus tegen die jongeman zei: Een ding ontbreek je... Het is de tragiek van de mensheid dat we ons levensgrote probleem zelf willen oplossen, op godsdienstige wijze of op een andere manier, maar verkoop die gedachte, laat alle dingen die je in de weg staan om tot Jezus te komen los, en volg Hem… Want niets is verborgen voor het oog van de Almachtige. Ook onze meest godsdienstige gedachten en werken niet. Want buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf. Een eeuwige dood. Ja, het is hopeloos gesteld met Israël, en met de mens in 't algemeen. Helemaal verdorven, niemand rechtvaardig en goed, een triest beeld!
Dat trieste beeld van de verdorven zondaar, van wonden, striemen en kwetsuren, zoals we lazen in Jesaja ontmoeten wij later nog eens, en wel in de Persoon van de Heere Jezus, Die aan het vloekhout van schande is gehangen.
Daarover een volgende keer meer, want als dat geen zegen is.
Psalm 138 -34-: Over verlossing gesproken -3-
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
4 Alle koningen van de aarde zullen U loven, HEERE,
wanneer zij de woorden uit Uw mond gehoord hebben.
5Zij zullen zingen van de wegen van de HEERE,
want de heerlijkheid van de HEERE is groot.
6 Want de HEERE is verheven
toch ziet Hij om naar de nederige,
maar de hoogmoedige kent Hij van verre.
7 Als ik midden in de benauwdheid verkeer, maakt U mij levend;
U strekt Uw hand uit tegen de toorn van mijn vijanden,
Uw rechterhand verlost mij.
8 De HEERE zal Zijn werk voor mij voltooien;
Uw goedertierenheid, HEERE, is voor eeuwig;
laat de werken van Uw handen niet los.
Over verlossing gesproken -3-
We denken weer verder na over de woorden uit vers 7 die spreken over benauwdheid, een vijand, zelfs in meervoud, vijanden. Maar we lezen ook over levend maken en verlossing. De voorgaande keer dachten we na over de ‘benauwdheid zoals we lazen in vers 7 met niet de vraag of de HEERE de Psalmist wil redden, wil levend maken, maar met de constatering dat de HEERE, levend maakt. Want lezen we U strekt Uw hand uit tegen de toorn van mijn vijanden, maar we mogen ook lezen vijand. Wat een zekerheid spreekt er uit de woorden van de dichter vind je ook niet? Het is bepaald niet een misschientje of een mocht het nog eens komen te gebeuren dat hij mij redt… Nee, De HEERE zal Zijn werk voor mij voltooien;
Uw goedertierenheid, HEERE, is voor eeuwig; laat de werken van Uw handen niet los. Hoe dat zo komt?
In Psalm 22 worden wij door David op ontroerende en indringende wijze bepaald bij het lijden en sterven van de Heiland: "Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen en veracht door het volk... Als water ben ik uitgestort, ontwricht zijn al mijn beenderen, mijn hart is als was... Mijn kracht is verdroogd als een potscherf... U legt mij in het stof van de dood" (vs. 7, 15, 16).
Hier ontdekken wij het geheim van Jesaja 1:18. Het woord ´worm´ in Psalm 22 is in het Hebreeuws: thola, en wijst dus op (de kleur van) het in de voorgaande uitzending genoemde schildluisje waarvan de verfstof scharlaken afkomstig is.
In Mattheüs 1:21 lezen wij de geboorteaankondiging van de beloofde Messias: "Zij (= Maria) zal een zoon baren en u zult Hem de naam Jezus geven, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden."
De naam 'Jezus' of zoals Zijn naam in het Hebreeuws klinkt Jeshua, betekent: de HEERE redt. De Messias is dus de HEERE Zelf, Die Zich vernederde en als mens in het vlees is gekomen om "Zijn volk" te redden van hun zonden. Hoe deed Hij dat? Door als de Rechtvaardige te sterven voor onrechtvaardigen; door als de Zondeloze te sterven voor zondaren. Paulus zegt het in 2 Korinthiërs 5:21 als volgt: "Want Hem, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem".
De Heere Jezus, Jeshua, kwam "tot het Zijne" (Joh.1:11). Hij wandelde onder Zijn eigen volk als de Verworpene. Hij was Mens onder de mensen. In Jesaja 53:3-4 zegt de profeet over de lijdende Knecht: "Hij was veracht, de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, bekend met ziekte, en als iemand voor wie men het gezicht verbergt; Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht. Voorwaar, onze ziekten heeft Hij op Zich genomen, ons leed heeft Hij gedragen..."
Eenzaam en alleen stierf Hij op de heuvel Golgotha de dood voor alle zondaren en misdadigers. Zijn bloed vloeide uit Zijn wonden als de dure prijs van Zijn volmaakte offerande. En daarin is Gods heerlijke, blijde boodschap der verlossing gelegen, want "…het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde", schrijft Johannes later in zijn eerste brief (hs.1:7).
Wat een ongeloof offer heeft Hij niet gebracht voor jou en mij.
Het kostbare bloed van de Heere Jezus Christus of zoals de Hebreeuwse tekst zegt, Jeshua haMessiach, Hezus, de Messias, het Lam van God, is het enige 'middel' waardoor een mens gereinigd kan worden van alle zonde! En niet alleen gereinigd wordt. Niet een beetje, met alle eerbied gesproken een beetje opgepoetst, maar totaal vernieuwd. Spikspinternieuw, Vanaf dat moment ziet God ons aan ‘in Christus’’. Het is haast niet te geloven toch? Van de dood, in het leven. Niet maar eventjes voor bijvoorbeeld 100 jaar, maar eeuwig. Niet straks wanneer wij sterven, maar al in dit leven ontvangen we eeuwig leven. Tsja, voelen doen we het niet, maar geloven mogen we het. Want we hebben te maken met een God die niet liegen kan, De waarheid is een bevrijding van de zondemacht en gaat alle rijkdommen van deze wereld ver, ver, ver te boven. Petrus schrijft later aan de vreemdelingen in de verstrooiing, dat zij niet met vergankelijke dingen, zilver of goud zijn vrijgekocht, maar met "het kostbaar bloed van Christus, als van een smetteloos en onbevlekt lam. Hij is wel van tevoren gekend, vóór de grondlegging van de wereld, maar in de laatste tijden geopenbaard omwille van u. Door Hem gelooft u in God, die Hem opgewekt heeft uit de doden..." (1 Petr. 1:18-20).
En als dat geen zegen is.
Heer, uw bloed dat reinigt mij,
Doet mij leven en maakt mij vrij.
Heer, uw bloed dat nam mijn plaats
In het offer dat U bracht.
En U wast mij witter dan de sneeuw,
Dan de sneeuw.
Mijn Jezus, Gods Lam voor mij geslacht.
Heer, uw bloed dat reinigt mij,
Doet mij leven en maakt mij vrij.
Heer, uw bloed dat nam mijn plaats
In het offer dat U bracht.
En U wast mij witter dan de sneeuw,
Dan de sneeuw.
Mijn Jezus, Gods Lam voor mij geslacht.
Psalm 138 -35-: Over verlossing gesproken -4-
Dankzegging voor verlossing
1 Een psalm van David.
Ik zal U loven met heel mijn hart,
in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2 Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis
en Uw Naam loven,
om Uw goedertierenheid en om Uw trouw,
want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord;
U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
4 Alle koningen van de aarde zullen U loven, HEERE,
wanneer zij de woorden uit Uw mond gehoord hebben.
5Zij zullen zingen van de wegen van de HEERE,
want de heerlijkheid van de HEERE is groot.
6 Want de HEERE is verheven
toch ziet Hij om naar de nederige,
maar de hoogmoedige kent Hij van verre.
7 Als ik midden in de benauwdheid verkeer, maakt U mij levend;
U strekt Uw hand uit tegen de toorn van mijn vijanden,
Uw rechterhand verlost mij.
8 De HEERE zal Zijn werk voor mij voltooien;
Uw goedertierenheid, HEERE, is voor eeuwig;
laat de werken van Uw handen niet los.
Over verlossing gesproken -4-
We denken nog even verder na over de verlossing uit de benauwdheid waarover het zevende vers spreekt. De enige oplossing voor het zondeprobleem van ieder mens is door God gegeven in het reinigende bloed van de Heere Jezus!
Loog, veel zeep, ja, alles wat een mens zou kunnen bedenken en uitvinden, kan de zonde niet wegnemen. Goede werken, de hele bijbel uit je hoofd kennen, elke zondag een of twee keer naar de kerk gaan, een vroom en stil leven lijden, je hele leven je zonden overdenken, het is allemaal ijdel. Volkomen nutteloos. Je hele leven wachten tot de Heere je bekeert… Weet je het Woord, God Zelf zegt. Geloof alleen en je zult zalig worden? Is het allemaal zo makkelijk. Inderdaad, zo makkelijk is het.
De Enige manier waarop wij uit de benauwdheid en problemen kunnen komen, zoals vers 7 van de Psalm zegt, is dat Hij, de HEERE je levend maakt. Punt uit zou ik bijna zeggen. Hij, Jezus, of zoals je wilt Jeshua is de Enige Persoon, die Johannes aanwees: "Zie, het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt" (Joh. 1:29).
Daarom is er maar één Naam onder de hemel gegeven, waardoor mensen behouden moeten worden, en dat is de wonderbare Naam van Jezus, onze Heer.
En in Zijn Naam mogen wij nog altijd het Evangelie prediken, zonder onderscheid aan ieder mens. Iedereen, die in Hem gelooft en God dankt voor het reinigende bloed van het Lam, ontvangt vergeving van zonden en een nieuw, onvergankelijk leven. Die ontvangt een onuitwisbare naam in het Levensboek van God. Het werk van God is volmaakt: door de diepte van het lijden tot eeuwige heerlijkheid. Die heerlijkheid is er voor elke gelovige. Ja eenmaal zal heel de de aarde vol worden van de kennis van de heerlijkheid van de HEERE, zoals de wateren, die de bodem der zee bedekken…
God alleen zij daarvoor alle eer!
Als dat geen zegen is.
Psalm 138 -36-: Over de rechterhand gesproken -1-
Psalm 138
7 Als ik midden in de benauwdheid verkeer, maakt U mij levend;
U strekt Uw hand uit tegen de toorn van mijn vijanden,
Uw rechterhand verlost mij.
8 De HEERE zal Zijn werk voor mij voltooien;
Uw goedertierenheid, HEERE, is voor eeuwig;
laat de werken van Uw handen niet los.
Over de rechterhand gesproken -1-
De afgelopen keren hebben we een aantal malen stilgestaan bij de verlossing uit de benauwdheid of uit de problemen en laten we maar zeggen uit heet probleem van de zonde, waardoor de mens het leven, met of zonder hoofdletter geschreven weer opnieuw ontvangt. En die verlossing wordt bewerkstelligd, zo lezen we door de rechterhand van de HEERE. Uw rechterhand verlost mij lezen we namelijk in vers 7 van psalm 138.
Zou je daar de Heere, de Eeuwige niet voor danken en onvoorstelbaar blij van worden. Wanneer we ons door Hem gered weten, voor altijd en voor eeuwig! De dichter van de Psalm wist en weet er wel raad mee hoor:
Geweldig toch, wanneer je weet aan Wie je je redding te danken hebt. Stel je voor dat je als een drenkeling in het water gelegen hebt, je dreigt te verdrinken en je wordt gered! Dan ben je je redder toch ongelooflijk dankbaar? Je leest daar wel eens over in de krant of je ziet het op televisie. Wat dankbaar zijn die mensen en soms komt het wel eens voor dat de redder in het zonnetje gezet wordt! En vandaag willen we bij wijze van spreken de Heere, de Eeuwige in het zonnetje zetten. Want Hij heeft ons gered en als je nog niet gered bent, Hij strekt ook vandaag Zijn rechterhand naar je uit om je uit je benarde doodsbedreigende, benauwde situatie te redden.
Deze en de komende dagen willen we nadenken over de rechterhand van de HEERE, JHWH, de Aanwezige. Want daar is wel wat over te zeggen.
We beginnen in Jesaja 41:10 met de woorden: “Wees niet bevreesd, want Ik ben met u, wees niet verschrikt, want Ik ben uw God. Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met Mijn rechterhand die gerechtigheid werkt.”
Een schitterende tekst die duidelijk laat zien wat God met Zijn rechterhand doet. Hij werkt er gerechtigheid mee en Hij ondersteunt de mens. Die rechterhand is dus Gods superinstrument waarmee Hij dat doet. Maar wat zou er nog meer in de Bijbel staan over Gods rechterhand en als Hij een linkerhand heeft, wat doet Hij daar dan mee?
En zo lezen we in Markus 16:19 “De Heere dan is, nadat Hij tot hen gesproken had, opgenomen in de hemel en heeft Zich gezet aan de rechter(hand) van God.”
De Heere Jezus Christus is dus gaan zitten ‘rechts’ van God in de hemel toen Zijn aardse bediening na Zijn eerste komst helemaal gereed was. Toen was er na 33 jaar rust en Hij zit op het best denkbare plekje, dicht bij Zijn Vader aan de rechterkant. Althans zo lijkt het.
In werkelijkheid betekent ‘zitten aan de rechterhand van (God)’: ‘gezeten zijn in de macht van (God)’. Het gaat om de positie die iemand bekleedt. We lezen daarvan in Romeinen 8:34 “Christus is het Die gestorven is, ja wat meer is, Die ook is opgewekt, Die ook aan de rechterhand van God is, Die ook voor ons pleit.” En in Efeze 1:20 “… die Hij gewerkt heeft in Christus, toen Hij Hem uit de doden opwekte en aan Zijn rechterhand zette in de hemelse gewesten.”
Bovenstaand onderwerp komt ook voor in Psalm 110: “De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gemaakt zal hebben tot een voetbank voor Uw voeten.”
In het Nieuwe Testament wordt 7x verwezen naar deze uitspraak van Psalm 110 (Matt. 22:44; Mark. 12:36; Luk. 20:42; Hand. 2:34; Hebr. 1:13; Hebr. 10:13 en 1 Kor. 15:25).
Maar in Psalm 110 gaat het over nog meer dan alleen de rechterhand. Het gaat ook over de vijanden van God die uiteindelijk tot een voetbank voor de voeten van de verhoogde Jezus zullen worden, een totale vernedering voor die vijanden dus.
En daarmee zijn we dan weer uitgekomen bij Psalm 138 waar we lezen:
7 Als ik midden in de benauwdheid verkeer, maakt U mij levend;
U strekt Uw hand uit tegen de toorn van mijn vijanden,
Uw rechterhand verlost mij.
Als dat geen zegen is.
Psalm 138 -37-: Over de rechterhand gesproken -2-
Psalm 138
7 Als ik midden in de benauwdheid verkeer, maakt U mij levend;
U strekt Uw hand uit tegen de toorn van mijn vijanden,
Uw rechterhand verlost mij.
8 De HEERE zal Zijn werk voor mij voltooien;
Uw goedertierenheid, HEERE, is voor eeuwig;
laat de werken van Uw handen niet los.
Over de rechterhand gesproken -2-
Bij het lezen van deze twee verzen zat ik zojuist te denken: Eigenlijk zou je deze verzen aan het begin van elke dag moeten lezen toch? Want wat voor bemoediging gaat er van deze woorden wel niet uit. En wat een zegen gaat er wel niet van uit:
Uw rechterhand verlost mij.
De HEERE zal Zijn werk voor mij voltooien;
Uw goedertierenheid, HEERE, is voor eeuwig;
laat de werken van Uw handen niet los.
Wanneer we deze woorden tot ons door laten dringen kunnen we dag in toch?
Maar goed, we willen zoals de voorgaande keer aangehaald weer verder met na te denken over de rechterhand van de HEERE. Want daar is nogal wat over te zeggen.
Voor rechterhand staat in de (Hebreeuwse) grondtekst: ‘jamin’, en dat woord komt 135x voor. Het wordt ook verklaard in de naam Benjamin, want dat betekent: Zoon van mijn rechterhand.
De eerste keer komt het woord in Genesis 13:9 voor, tijdens het gesprek tussen Abraham en zijn neef Lot over de verdeling van het land. “… als jij naar links gaat, dan zal ik naar rechts (= yaman) gaan, en als jij naar rechts ( = yamin) gaat dan zal ik naar links gaan.”
Het eerste woord ‘rechts’ is een vertaling van ‘yaman’ (rechtshandig zijn). Het tweede woord ‘rechts’ is een vertaling van ýamin’.
Er zou dus eigenlijk vertaald kunnen worden met: … als jij de linkerhand neemt, ga ik naar rechts, en als jij de rechterhand neemt, ga ik naar links.
Er staat ook niet echt rechterhand, maar het kan worden opgevat als rechterkant of rechterzijde.
God doet inderdaad grootse dingen met rechts, zo lezen we in het lied van Mozes nadat het volk Israël door de Schelfzee was gegaan: “Uw rechterhand, Heere, was heerlijk in macht; Uw rechterhand Heere verpletterde de vijand” (Exod. 13:6) en vers 12: “U strekte Uw rechterhand uit en de aarde verzwolg hen.”
Nog een mooi voorbeeld van Gods unieke rechterhand vinden we in Psalm 80, vers 15: “O God van de legermachten, keer toch terug: kijk neer uit de hemel en zie. Zie om naar deze wijnstok (= Israël), de stam die Uw rechterhand geplant heeft, en dat om de Zoon, Die voor Uzelf sterk gemaakt hebt.”
En ook in Psalm 118:15 en 16 waar het over vreugdezang gaat, een lied van verlossing: “De rechterhand van de Heere doet krachtige daden, de rechterhand van de Heere is hoogverheven, de rechterhand van de Heere doet krachtige daden. Ik zal niet sterven maar leven.”
Het wordt geschreven in Mattheüs 5:29 en ook het volgende vers gaat op dezelfde manier: “En als uw rechterhand u doet struikelen, hak hem af en werp hem van u weg …”
Voor de werkelijke betekenis van deze uitspraken had het naar ons idee eigenlijk niet uitgemaakt als dat woordje ‘rechter’ er niet bij had gestaan, maar het staat er wel. En zo blijkt het steeds te gaan als het over lichaamsdelen van mensen gaat.
Bij Malchus wordt een oor afgehakt door Petrus, maar ook dat bleek zijn rechter te zijn. De Heere Jezus zet het er zo weer aan (Luk. 22:50).
In Lukas 6:6 is sprake van iemand met een verschrompelde hand, en dat blijkt de rechter te zijn. Het kan ook voorkomen dat iemand ons op de wang slaat volgens Mattheüs 5:39 maar dat zal dan toch de rechter moeten zijn, waarna wij dan vervolgens de linker aanbieden. En zelfs als aan de Heere Jezus bij wijze van spot een staf van riet gegeven wordt na de gevangenneming, krijgt Hij die in de rechterhand, zoals vermeld in Mattheüs 27:29.
En als de discipelen geen enkele vis vangen in de zee van Tiberias, moeten ze het net op bevel van Jezus aan de rechterkant uitwerpen en dan vangen ze een enorme hoeveelheid.
Uit dit alles blijkt wel duidelijk: De rechterkant is de goede kant.
Dit wordt ook bevestigd in Prediker 10, vers 2: “Het hart van een wijze is tot zijn rechterhand, maar het hart van een dwaas is tot zijn linkerhand.”
In de toekomst, zoals beschreven in Openbaring 13:16, zal de dan levende mens zelf mogen kiezen.
De keuze is: vóór het beest kiezen met het nummer 666 op de rechterhand of op het voorhoofd, of geen eten en drinken kunnen kopen en bidden: Geef ons heden ons dagelijks brood.
En als een mens niet in staat is om het verschil tussen de rechter- en linkerhand te weten, zoals de inwoners van Ninevé volgens Jona 4:1, dan gaat dat veel verder dan alleen het onderscheid tussen rechts en links. Dan gaat het over de goede weg volgen naar God toe, of de verkeerde eigen weg van God af. Daarom werd Jona ook naar hen toegestuurd (zie Jona 3:1).
De rechterhand van God blijkt dus de meest uitnemende te zijn, want daarmee bewerkt Hij gerechtigheid en met die kant sterkt en ondersteunt Hij de mens, u en mij. Dit principe vinden we de hele Bijbel door.
De rechterhand van de Heere spreekt dus van zegen, ondersteuning en verlossing.
En als dat geen zegen is.
Psalm 138 -38-: Over de rechterhand gesproken -3-
Psalm 138
7 Als ik midden in de benauwdheid verkeer, maakt U mij levend;
U strekt Uw hand uit tegen de toorn van mijn vijanden,
Uw rechterhand verlost mij.
8 De HEERE zal Zijn werk voor mij voltooien;
Uw goedertierenheid, HEERE, is voor eeuwig;
laat de werken van Uw handen niet los.
Over de rechterhand gesproken -3-
We denken, evenals de voorgaande keren nog even verder na over wat het Woord van God, opgeschreven in de Bijbel zegt over de rechterhand of over de rechter kant.
Wanneer je rechtshandig bent, is rechts de beste kant en zal ook de rechtervoet het handigst zijn en meestal ook het rechteroog als er ergens op gemikt moet worden. Dus het rechteroog wat je doet doet struikelen is het beste oog.
Als zelfs het beste van de mens hem doet struikelen is er wel dringend hulp nodig, want zelfs als we het uitrukken en weggooien kunnen de gedachten gewoon doorgaan met ons te laten struikelen.
Als ons beste beentje, dat we voor zetten als we rechts zijn, ons toch doet struikelen, dan blijkt daaruit dat we van onszelf de verkeerde kant opgaan.
De rechterhand is ook de hand van gemeenschap tussen gelovigen zo lezen we in Galaten 2, vers 9: “En toen Jakobus, Kefas en Johannes, die geacht werden steunpilaren te zijn, de mij gegeven genade erkenden, gaven zij mij en Barnabas de rechter(hand) van de gemeenschap, opdat wij naar de heidenen en zij naar de besnedenen zouden gaan.”
Zo lezen we het volgende in Exodus 29:20 “U moet de ram slachten, wat van zijn bloed nemen en dat strijken op de rechteroorlel van Aäron en op de rechteroorlel van zijn zonen, op de duim van hun rechterhand en op de grote teen van hun rechtervoet” (zie ook Lev. 8:23+24; 14:14, 17, 25, 28).
Het centrale onderwerp van dit hoofdstuk is de wijding en heiliging van de priesters en het gaat hier over het verzoeningsbloed dat reddend is.
In dat kader kunnen we verstaan dat hier hun ‘horen’, ‘handelen’ en ‘lopen’ een speciale status krijgen, omdat ze ingesmeerd zijn met het bloed van de ram.
Van tevoren (vs. 15 en 19) hadden de priesters al hun handen op de kop van de ram gelegd, zodat hun daden verzoend werden. Het was de zondebok en een type van Christus.
We lezen ook dat de delen van deze ram als beweegoffer voor het aangezicht van de Heere bewogen moesten worden en daarmee is de verwijzing naar de opstanding van de Messias compleet. Dit bewegen (offeren) is niet zomaar wat heen en weer slingeren, maar een oprijzen en neerdalen van datgene wat gedood was.
Zodra het over een beweegoffer gaat, weten we dat het over de opstanding gaat, immers het geslachte en in delen gesneden dier beweegt weer.
Daarin zien we een beeld. Het oprijzen van de ram ziet op de opstanding en hemelvaart van Jezus, terwijl het neerdalen ziet op zijn wederkomst.
De apostel Paulus schrijft aan de gemeente in Efeze daarover de volgende woorden: Daarom, omdat ook ik gehoord heb van het geloof in de Heere Jezus onder u, en van de liefde voor alle heiligen, houd ik niet op voor u te danken, als ik in mijn gebeden aan u denk, opdat de God van onze Heere Jezus Christus, de Vader van de heerlijkheid, u Geest van wijsheid en van openbaring geeft in het kennen van Hem, namelijk verlichte ogen van uw verstand, om te weten wat de hoop van Zijn roeping is, en wat de rijkdom is van de heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen, en wat de alles overtreffende grootheid van Zijn kracht is aan ons die geloven, overeenkomstig de werking van de sterkte van Zijn macht, die Hij gewerkt heeft in Christus, toen Hij Hem uit de doden opwekte en aan Zijn rechterhand zette in de hemelse gewesten, ver boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en elke naam die genoemd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de komende. En Hij heeft alle dingen aan Zijn voeten onderworpen en heeft Hem als hoofd over alle dingen gegeven aan de gemeente, die Zijn lichaam is en de vervulling van Hem Die alles in allen vervult.
Als dat geen zegen is.
Psalm 138 -39: Over Gods vaststaande plan met jou en mijn leven gesproken
Psalm 138
7 Als ik midden in de benauwdheid verkeer, maakt U mij levend;
U strekt Uw hand uit tegen de toorn van mijn vijanden,
Uw rechterhand verlost mij.
8 De HEERE zal Zijn werk voor mij voltooien;
Uw goedertierenheid, HEERE, is voor eeuwig;
laat de werken van Uw handen niet los.
Over Gods vaststaande plan met jou en mijn leven gesproken
Wat is het goed om te weten dat God voor ieder van ons een plan heeft! David zegt niet dat de Heer mijn plannen zal voleindigen, hij zegt dat de Heer Zijn werk voor mij - dus zijn plannen met mij - zal voltooien. Tussen deze twee dingen zit namelijk een heel groot verschil.
Zelf hebben wij als mensen immers misschien heel andere doelen voor ogen dan God; ik houd er soms een heel ander doel op na dan God. Hij garandeert echter niet dat Hij mijn doel zal voleindigen. Hij garandeert wél dat Hij zijn doel zal voltooien.
Gods garantie ligt besloten in de woorden die erop volgen: Uw goedertierenheid Heer, is tot in eeuwigheid. Het Hebreeuwse woord dat hier wordt vertaald met goedertierenheid heeft een vollere betekenis, namelijk de trouw die God ertoe brengt zich te houden aan Zijn Woord. Gods verbintenis, zijn belofte om zijn doel in ons leven te voleindigen, strekt zich uit door de tijd in de eeuwigheid.
David eindigt dit vers met iets wat lijkt op een wanhoopskreet: laat de werken van uw handen niet los.
Datzelfde geldt voor een elk van ons die is ingegaan op Gods aanbod van eeuwige trouw, dat Hij ons heeft aangeboden door Zijn Zoon Jezus. God heeft ons gemaakt; Hij zal ons nooit verlaten en blijft bij ons, door alles heen. Misschien is dat niet ons doel als mensen, maar het is wel altijd Zijn doel. En dat doel staat vast, is onwankelbaar en absoluut zeker, wáár we ook doorheen gaan.
Als dat geen zegen is.
En daarmee sluiten we de reeks overdenkingen van Psalm 138 af en hopen we ween volgende keer een begin te maken met Psalm 139.
Psalm 138 -31-
Psalm 138 -32-
Psalm 138 -33-
Psalm 138 -34-
Psalm 138 -35-
Psalm 138 -36-
Psalm 138 -37-
Psalm 138 -38-
Psalm 138 -39-
Reactie plaatsen
Reacties
God is zo groot en goed.
Hij vervult al Zijn beloften.
Dank voor de overdenking.
Hartelijke groet
Amen! Ook in deze tijd krachtige woorden uit het Woord. Het is Zijn Land, Zijn stad, en alleen Hij kan reinigen en Heiligen. Dat velen in Israël Baruch haba Beshem Adonai zullen gaan roepen in deze chaos in het land. En (weer) het Licht voor de wereld zullen gaan schijnen. Want Hij staat aan de deur......
Cees, dank je wel.
Gods onmisbare zegen voor jou en Anja!
Jeruzalem dat ik bemin
We treden uwe poorten in